Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (24): De Ark van het Verbond in Egypte (nieuwe bewijzen)

In zijn boek ‘The Templars and the Ark of the Covenant’ (Rochester 2004) neemt Graham Phillips aan, dat Mozes een Egyptische prins was en leefde in de tijd van Akhnaton. Hij probeert aan te tonen, dat het leven van die prins, Thutmose genaamd, overeenkomsten vertoont met wat over Mozes wordt gezegd, maar overtuigender dan dit zijn de bewijzen dat de Israëlische religie al bestond in deze tijd, die hij de tijd van de Exodus noemt.

Aanwijzingen dat de Israëlitische slaven monotheïsme bedreven ten tijde van de regering van Amenhotep III wordt in Egyptische bronnen gevonden. Het lijkt erop dat Hebreeuwse religieuze ideeën een Egyptische sekte hadden beïnvloed. Bekend als Atenisme vereerde deze sekte een enkele, universele godheid en ontkende het bestaan van alle andere goden. De Atenist sekte lijkt tot stand gekomen in korte tijd rond het einde van Amenhoteps regering en tegen de tijd dat Amenhoteps zoon Akhnaton op de troon kwam, was Atenisme zo invloedrijk gegroeid, dat de nieuwe farao het een tijdje als Egypte’s staatsreligie aannam. De praktijken ervan zijn zo vergelijkbaar met de Hebreeuwse religie dat Bijbelse commentatoren zowel als Egyptologen een verband hebben gezien. Sommigen hebben zelfs gesuggereerd dat Atenisme direct geïnspireerd was door de religie van de Israëlitische slaven op een wijze te vergelijken met de manier waarop het vroege Christendom de religie van keizerlijk Rome inspireerde.

De correlatie tussen de beide religies lijkt te nauw om toevallig te zijn. Behalve het feit dat beide geloven in een enkele, universele god en het bestaan van alle andere ontkennen – een concept onbekend waar dan ook ter wereld op dat moment – delen ze een aantal andere unieke thema’s. Ten eerste vereren beide een naamloze god, aan wie alleen wordt gerefereerd door titels. De naam Jehova, de naam welbekend aan hedendaagse Christenen, is eigenlijk een Griekse weergave van het Hebreeuwse Yhvh oftewel Jahwe, wat eigenlijk ‘de Heer’ betekent. De God van Israël heeft geen naam. Noch heeft de god van de Atenisten. Hoe eerbiedig ook, in Egypte werden goden gewoonlijk direct aangesproken en bij naam. Inderdaad, de naam van de god dacht men zijn aanwezigheid op te roepen. De god van de Atenisten was echter een unieke uitzondering. De algemene naam die de Egyptologen gebruiken voor de Atenist god is ‘de Aten’. Dit was echter niet echt de naam van de god maar de naam voor de hiëroglief, of symbool, dat het representeert. Een directe overzetting van het woord ‘Aten’ is “gever van leven”. Aten was niet de naam van de godheid der Atenisten; het was slechts een beschrijving. Zijn andere titels en aanspreekvormen zijn in feite identiek aan die, gebruikt voor de Hebreeuwse god. Dit is bekend van een toevallige ontdekking, gedaan te Thebe, de oude hoofdstad in zuidelijk Egypte.

In de eerste jaren van zijn regering richtte Akhnaton een nieuwe tempel op voor de Aten te Karnak in Thebe. Kort na zijn regering echter, toen Egypte Atenisme verliet en terugkeerde naar het pantheon van de traditionele goden, werd de tempel gesloopt. Door toeval zijn veel van de gebeeldhouwde blokken, die de tempel decoreerden, bewaard gebleven in twee gigantische poorttorens die werden opgericht vóór de nabije tempel van de god Amon. In de dertiger jaren der 20e eeuw, toen deze torens werden ontmanteld voor structurele herstelwerkzaamheden, werden meer dan 40.000 van deze gebeeldhouwde blokken binnen gevonden, die gebruikt waren als opvulling meer dan drieduizend jaar geleden. Thans genaamd de Karnak ‘talatat’, van een Arabisch woord voor metselwerk, zijn vele beschreven met Atenistische gebeden die opvallende overeenkomst vertonen met Hebreeuwse teksten.

In het Bijbelse verslag wordt Mozes voor het eerst door God toegesproken op de berg Sinaï, toen hij verscheen in een wonderbaarlijk brandend bos. Niet wetend welke god spreekt vraag Mozes God om zijn naam te onthullen en God antwoordt: ‘Ik ben wie ik ben’(Ex. 3:14). Hij was eenvoudigweg God – de enige God. Het Hebreeuwse woord voor God was ‘El’. Dit had diverse vormen zoals ‘Elyon’, “god uitermate hoog”, en ‘Elohim’, “uw god”, of ‘El Shaddai’, “God almachtig”. Het woord ‘Jahwe’, “de Heer”, wordt vaak gebruikt, zoals in Jahwe-tsidkenu, de “Heer der Legers”. (Het Hebreeuwse woord ‘tsidkenu’, dat moderne vertalers weergeven met “legers” (hosts), refereert feitelijk aan “legers” (armies), zoals de legers van Juda, de legers van Israël, of legers van engelen.) Omdat de Israëlieten zelfs Jahwe als te persoonlijk beschouwden, werd het woord ‘Adonai’, “mijn Heer” in gebeden ervoor in de plaats gezet.

In de ‘talatat’-inscripties vinden we de Aten aangesproken op een vrijwel identieke manier. Een referentie doet sterk denken aan het ‘Ik ben wie ik ben’ in de brandende bos episode: “Gij bent wie gij bent, stralend en hoog boven ieder land.” Anderen refereren aan de Aten, net zoals de Bijbel herhaaldelijk aan God refereert als God almachtig en God uitermate hoog. Bijvoorbeeld: “O grote Aten, god uitermate hoog, die de duisternis verdrijft.” Aan de Aten wordt zelfs gerefereerd als heer van legers (armies), net als de god van Israël de Heer van Legers (Hosts) genoemd wordt: “Gij bent Heer over al de legers van de wereld.” Het meest frequent echter wordt de Aten aangesproken op dezelfde wijze als de manier waarop God wordt aangesproken als ‘Adonai’, het woord ‘Neb’ gebruikend, het Egyptische woord voor ‘Heer’.

Het zijn niet alleen de aanspreekvormen die zo gelijk zijn, maar het is de manier zelf waarop de twee religies hun godheden zien. Een lang gebed aan de Aten is overgeleverd in een aantal inscripties in de ruïnestad Amarna in centraal Egypte. Bekend als “De Hymne aan de Aten” werd het gezien door de Amerikaanse Egyptoloog James Henry Breasted al in 1909 als hebbend een opvallende gelijkenis met psalm 104 in het Oude Testament. Beide gebeden beschrijven in identieke termen hoe God en de Aten respectievelijk worden gezien als scheppers, voeders en hoofdbewegers van alle fenomenen op aarde.

Een andere unieke correlatie tussen de God van Israël en de Aten is dat geen van beide goden mocht worden gerepresenteerd door beelden. Hoewel de vroege Israëlieten iconen maakten om aspecten van Gods macht te representeren, verbood volgens de Bijbel de Israëlitische religie het maken van beelden van God zelf. In Egypte was een beeld of standbeeld van een god traditioneel een essentieel onderdeel van de cultische praktijk. De Egyptenaren geloofden dat goden werkelijk zulke beelden bewoonden en het maken ervan werd beschreven in oude teksten. In heel Egypte wijkt alleen Atenisme af van deze praktijk. De Atenisten verboden het maken van welke idolen en beelden van de Aten. Volgens een van de ‘talatat’: “Geen vorm op heel de aarde mag uw glorie reflecteren.”

Beide religies slaagden erin de problemen te omzeilen die een dergelijke doctrine creëerde door een symbool te gebruiken om de aanwezigheid van de godheid te representeren. Toen ze uiteindelijk neerstreken in Kanaän, gebruikten de Israëlieten de menorah, een heilige zevenarmige kandelaar om Gods licht en aanwezigheid in de tempel te representeren. De praktijk overleeft nog steeds in moderne synagogen en Joodse huizen. Zoals gezegd gebruikten de Atenisten ook een symbool van licht om de Aten te representeren. Het was een hiëroglief: een schijf met armen uitgestrekt neerwaarts om te eindigen in handen die de ankh vasthouden, het symbool van leven. Het beeldde werkelijk de zon af met zijn stralen, die levengevend zonlicht naar de aarde brengen. Vroege Egyptologen namen aan dat dit bewijs was van zonverering. Maar naarmate er meer archeologische vondsten werden gedaan tijdens de twintigste eeuw, werd het duidelijk dat de hiëroglief zonlicht representeert en niet de zon zelf. (De zon werd in feite geportretteerd als een gevleugelde schijf.) Atenisme verbood de representatie van zijn god in welke vorm dan ook. Het is nu duidelijk dat zonlicht – dat warmte, licht en leven brengt, maar zelf niet gezien kan worden – was de wijze waarop de sekte het idee van een onzichtbare, alom aanwezige, alles verschaffende god overbracht.

De enige uitzondering, die de Atenisten maakten ten aanzien van het verbod op het maken van afbeeldingen is precies dezelfde uitzondering, die de vroege Israëlieten lijken te hebben gemaakt: de afbeelding van een heilige stier. Zelfs nadat Akhnaton al de traditionele godheden had verlaten evenals alles geassocieerd met hen, gaf hij speciale instructies voor de Mnevis stier, een dier gewijd aan de zonnegod Ra, om gebracht te worden naar zijn nieuwe hoofdstad te Amarna en begraven in een speciale tombe in de nabije heuvels. De Mnevis stier of Nemur was een levend dier vereerd in de tempel van Heliopolis, dat wanneer gestorven werd begraven met grote pomp en ceremonie en vervangen door een nieuwe stier uitgezocht in het wild volgens voorgeschreven voortekenen. Een aantal handgrote figuren van dergelijke stieren, zowel in steen als brons, zijn gevonden in de ruïnes van Amarna.

De vroege Israëlieten gingen ook door met het vereren van een heilige stier, zeer tot de verontwaardiging van Mozes, zoals te zien is in het Bijbelse verhaal van het gouden kalf. Volgens Exodus, toen Mozes afwezig was om te communiceren met God op de berg Sinaï, vroeg zijn volk, vrezend dat hem iets kwaads was overkomen, aan zijn assistent Aaron om heilige beelden te maken om hen te beschermen. Akkoord gaand verzamelde Aaron gouden juwelen van het volk en maakte een “gesmolten kalf”. In feite, in tegenstelling tot het populaire Hollywood beeld, was het niet één kalf dat ze maakten maar vele, aangezien de anderen naar wordt gezegd Aarons voorbeeld volgden. Aaron verklaarde dat deze kalveren “uw goden, o Israël, die u brachten uit het land Egypte,” waren (Ex 32:4). Bovendien lijken ze ook niet levensgrote representaties te zijn geweest. We worden niet verteld hoe groot ze waren, maar de deductie is dat net als de Egyptische stierbeeldjes, ze klein genoeg zijn om in de hand te worden gehouden. Toen het volk Aaron hun goud gaf om het idool te maken, “nam hij ze van hen aan en gaf er vorm aan met een stift” (Ex 32:4).

Mozes mag dan bezwaren hebben gehad tegen de praktijk van stierenverering, maar het schijnt dat het voortging voor acht eeuwen. Het Oude Testament boek Jeremia betreft gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaand aan de Babylonische invasie in 597 v.Chr. en daarin wordt gerefereerd aan twaalf bronzen stierstandbeelden die daadwerkelijk de Tempel van Jeruzalem versieren. Volgens Jeremia 52:20 gingen de Babyloniërs, toen ze de Tempel plunderden, er vandoor met de “twaalf bronzen stieren”, die stonden aan de bases van de tempelpilaren. Op linguïstische gronden wordt het boek Jeremia gedateerd rond 550 v.Chr. – dicht genoeg bij de plundering van de Tempel dat het twijfelachtig is dat dit detail verzonnen was. Als de schrijver zelf de gebeurtenis niet zelf had meegemaakt, dan zouden veel nog levende mensen het hebben. Er kan weinig twijfel zijn daarom, dat de verering van stieren een deel was van de vroege Hebreeuwse religie.

Dat de vroege Israëlieten dergelijke idolen vereerden wordt ook ondersteund door archeologisch bewijs. Een aantal handgrote stierbeeldjes zijn gevonden op vroege sites in Israël en Palestina. Mogelijk het meest interessante is een bronzen stier, zo’n acht inches lang, gevonden op de site te Shechem en nu in het bezit van de Israëli archeoloog Amihay Mazor van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Het dateert van de 12e eeuw v.Chr., een tijd ruim na de tijd van Mozes en dus een tijd toen het Hebreeuwse geloof schijnbaar volledig gevestigd was. Volgens het Oude Testament was Shechem (i.e. Sichem) een van de heiligste plekken in het oude Israël. De bronzen stier, afkomstig van deze hoog vereerde site, is duidelijk bewijs van de voortdurende verering van de stier, zeker bij sommige Israëlieten, ruim nadat ze Kanaän waren binnengevallen. Van al de honderden religieuze praktijken die er op de wereld zijn, dat zowel Atenist als Hebreeuwse religies kennelijk een eerder heidense zouden hebben behouden, die exact hetzelfde is, is zeker meer dan een toevalligheid.

Misschien het meest overtuigende bewijs dat Atenisme en de religie van de Israëlieten verwant waren kwam met een verbazingwekkende archeologische ontdekking gedaan in 1989. In dat jaar ontdekte de Franse archeoloog Alain Zivie een in de rots uitgehakte tombe te Sakkara, nabij Caïro. Tot zijn verbazing bleek de man die in de tombe begraven was een priester was van zowel de Aten als de Hebreeuwse God. Inscripties onthullen dat de mummie een belangrijke Egyptische beambte was geweest van de regering van Akhnaton genaamd Aper-el. In feite was hij een van de belangrijkste figuren in Akhnatons regering. Hij was een grootvizier, de hoofdminister van noordelijk Egypte. Verbazingwekkend onthulde DNA-testen dat Aper-el niet een geboren Egyptenaar was maar een Semiet, wat op zichzelf al vreemd genoeg zou zijn. Opmerkelijker echter, hij lijkt een Israëliet te zijn geweest. Zijn naam Aper-el scheen, realiseerde Alain Zivie met verbazing, een titel te zijn geweest. Vertaald betekent hij letterlijk “Dienaar van [de god] El.” ‘El’ uiteraard was het Hebreeuwse woord voor God. Zijn naam houdt duidelijk in dat Aper-el een belangrijke bedrijver was van de Israëlitische religie tijdens Akhnatons regering. De verbazingwekkendste ontdekking was echter de grafschilderingen, die onthulden dat Aper-el ook de hogepriester was van de Atenist tempel in de stad Memphis. Hier hebben we niet alleen bewijs van een gedeelde link tussen de Hebreeuwse religie en Atenisme, maar een voorbeeld van iemand, die een priester schijnt te zijn geweest van beide religies en geen tegenstrijdigheid zag. De enige conclusie die eruit kan worden getrokken is dat de religies van de Israëlieten en de Atenisten heel nauw verwant waren. […]

In Egypte geloofde men dat de aanwezigheid van een god resideerde in een speciaal vervaardigd beeld, gewoonlijk een standbeeld of beeldje. Tijdens de regering van Amenhotep III stond een standbeeld van de Egyptische hoofdgodheid Amun in een donker binnensanctum in de tempel van Karnak. Net als de kamer waarin de Ark van het Verbond stond in de Tempel van Jeruzalem, werd dit sanctum het Heilige der Heiligen genaamd. Op de een of andere wijze, die nu onduidelijk is, onthulde naar men geloofde de god zijn instructies aan de priesters. Alleen bij speciale gelegenheden werd het beeld ooit verplaatst en dan werd het gedragen in een heilige container, die, net als de Ark, was gemaakt van verguld hout en gedragen door palen gestoken door ringen aan beide zijden. Een verdere overeenkomst tussen deze heilige container en de Ark van het Verbond is de naam ervan. Een inscriptie op een afbeelding waarop het godsbeeld wordt vervoerd in deze container op een muurreliëf in de tempel van Medinet Habu in Thebe luidt: “De goddelijke Amun wordt gedragen op de heilige ark (Eng. Bark).”

De woorden ‘ark’ en ‘bark’ hebben een gemeenschappelijke oorsprong in het woord ‘Ak’, een Egyptisch woord dat een heilige container of (Eng.) ‘vessel’ betekent. Het woord vond zijn weg naar later Latijn waar het ‘barca’ werd, een koninklijke boot. Op den duur kwam dit Romeinse woord in algemeen gebruik als het woord voor iedere kleine boot; in modern Engels is het woord ‘barge’. Het oorspronkelijke woord ‘Ak’ echter refereerde niet alleen aan een onbezield voorwerp; het kon ook worden toegepast op een persoon door wie een god sprak, zoals in de titel van de Egyptische farao Akhnaton (Akhenaten), wat betekent “container van de Aten’. Dus de Egyptische ‘bark’ en de Hebreeuwse Ark waren allebei containers om hun respectievelijke goden of iets dat de kracht van de godheden kanaliseerde te bevatten. [Uit Phillips 2004, hoofdstuk 4: Moses and Yahweh.]

Tot zover de tekst van Phillips. Laat ik met het laatste beginnen, want dat is niet correct, althans volgens de taalkundige Skeat, die weliswaar toegeeft, dat het woord ‘bark’ (barque, barge) een Egyptische herkomst heeft via Laag Latijn ‘barca’ van Grieks ‘baris’, wat een (niet aangegeven) Egyptische oorsprong heeft, vergelijk Koptisch ‘bari’. Ark daarentegen komt van Latijn ‘arca’ (= kist), dat geen verdere achtergrond heeft maar direct van de Arische wortel ARK ‘beschermen, veilig bewaren’ komt. Er is dus geen verwantschap tussen bark en ark.

Keren we nu terug naar het begin. Ik heb niet de indruk dat Phillips een geweldig kenner van de Bijbel of de Hebreeuwse religie is. Die 12 bronzen stieren waren cultusobjecten, geen aanbeden of vereerde godenbeelden. Ze waren al gemaakt door Salomo (1 Kon. 7:44). Voor verering van runderen als goden moeten we daarentegen gaan naar Jerobeam (de man die Sichem versterkte, 1 Kon. 12:25), die de eerste koning van het Noordrijk werd na de dood van Salomo en een eigen eredienst instelde en twee gouden kalveren maakte en een opstelde te Betel en een te Dan, zodat zijn onderdanen niet naar Jeruzalem hoefden te gaan. Hij zei: “Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid.” Deze tekst is vergelijkbaar met die van het gouden kalf, dat Aaron maakte, waarvan hij zei: “Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd.” (Ex. 32:4)

In het schema van Velikovsky leefde Jerobeam niet ver voor de tijd van Akhnaton, die van 870-840 zou hebben geregeerd in de tijd van Achab, en was een tijdgenoot van Tutmosis III, de Bijbelse Sisak (1 Kon. 11:40). Volgens Velikovsky zou de verering van stierkalveren, die Jerobeam introduceerde, iets gemeen hebben met de Egyptische kult van de stier Apis. Dit is echter een weinig doordachte mening, die geen rekening houdt met de standvastigheid van volksherinnering. Wanneer Jerobeam zegt van zijn kalveren, dat zij de goden zijn, dan is dat een meervoud van de schrijver, want de kalveren staan apart, dus zei Jerobeam in feite hetzelfde als Aaron: “Dit is uw god”, dus een soort ‘monotheïsme’ en in geen geval afwijkend van wat toch algemeen werd gedacht, want in het volk was monotheïsme ver te zoeken.

De afscheiding van het Noordrijk (i.e. Israël) moest een afscheiding van de kult van Jahwe, de staatsgodsdienst van het Zuidrijk (i.e. Juda), inhouden. Dus een aantal veranderingen waren noodzakelijk zoals het instellen van een nieuw feest op dezelfde dag als het feest in Juda (1 Kon. 12:32) en het aanstellen van andere priesters, die loyaal aan hem zijn. Iets wat ook in beschouwing genomen moet worden is dat Jerobeam door een profeet van Jahwe was uitgezocht. De profeet Achia (= Ach-Jah[we]) had net een nieuwe mantel gekocht en kwam Jerobeam tegen ergens buiten Jeruzalem, scheurde zijn mantel in twaalf stukken en gaf tien daarvan aan Jerobeam met de woorden: “Neem voor u tien stukken, want zo zegt Jahwe, de God van Israël: Ik ga het koninkrijk van Salomo afscheuren en ik geef u de tien stammen – maar één stam zal voor hem zijn ter wille van mijn knecht David en van Jeruzalem, de stad die ik uit alle stammen van Israël verkoren heb – omdat hij mij verlaten heeft en zich heeft neergebogen voor Astarte, de godin der Sidoniërs, voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god van de Ammonieten en niet in mijn wegen gewandeld heeft en niet gedaan heeft wat recht is in mijn ogen… Maar u zal ik nemen, opdat gij heerst over alles wat gij begeert, en koning zijt over Israël. En het zal geschieden, indien gij hoort naar alles wat ik u gebied, in mijn wegen wandelt, en doet wat recht is in mijn ogen door mijn inzettingen en geboden in acht te nemen…” (1 Kon. 11:31-38]

Ik kom nu bij de ark van het verbond, het onderwerp van het boek van Phillips. Deze geeft een aantal scenario’s over de verdwijning van de ark, variërend in tijd vanaf Salomo tot de vernietiging van de tempel in AD 70. Op p. 14 vertelt hij de Ethiopische traditie over Salomo’s zoon Menelik, die heimelijk de ark omruilde voor een replica en de ware naar Ethiopië bracht. De mensen in de Ethiopische stad Aksum geloven dat hij nog steeds aanwezig is in hun locale kapel, maar omdat de religieuze autoriteiten van Aksum niemand in het binnenste heiligdom van hun kerk laten, kan deze claim niet getest worden, aldus Phillips. Deze Menelik is volgens het verhaal de zoon van Salomo en de koningin van Sheba. Volgens Velikovsky is deze koningin de beroemde vrouwelijke farao Hatsepsut, die geen zoon had, maar wel een aanmerkelijk jongere broer, die haar opvolgde als Tutmosis III, die volgens Velikovsky degene was, die de tempel plunderde en in de Bijbel Sisak wordt genoemd. Hij nam de schatten van het huis van Jahwe en van het huis van de koning, ja alles nam hij. (1 Kon. 14:26) Dus nam hij ook de ark mee. Phillips vertelt het verhaal, dat gebruikt werd bij de bekende film ‘Raiders of the Lost Ark’, waarin de ark zich bevond in de ruïnes van de oude stad Tanis in Egypte. Hierbij wordt Sisak gezien als Sheshonq I, die Tanis als de nieuwe Egyptische hoofdstad vestigde. Deze aanval op Jeruzalem was een historische gebeurtenis, opgetekend door de Egyptenaren rond 914 v.Chr. Volgens Velikovsky is Sjesjonk farao So (zie http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-20-de-assyrische-verovering-deel-1-de-tijd-van-jesaja/). Volgens Phillips echter zouden de Joden (hij bedoelt de Judeeërs) de ark nog steeds hebben gehad na deze plundering door Sisak, want in 2 Kron. 35:1-3 wordt gerefereerd aan de ark, zijnde nog steeds in de Tempel van Jeruzalem bij het Paasfeest tijdens de regering van Josia, drie eeuwen later, rond 622 v.Chr. Dit is echter de laatste referentie aan de ark van het verbond in de tempel van Jeruzalem en geen andere contemporaine bron maakt er melding van. (ID., 15) Het is dus zeer goed mogelijk, dat na de plundering van Sisak een replica van de ark is gemaakt, uiteraard zonder ruchtbaarheid eraan te geven. Het idee dat Sisak, die alles meenam, de ark zou hebben laten staan, is moeilijk te geloven. Wanneer de ark zich verzet zou hebben (deze zou elektrisch geladen zijn en degene die hem aanraakte doden), zou dat een groot verhaal geweest zijn, dat zou zijn opgenomen in de Bijbel.

Een enigszins sensatiebeluste video over de ark is https://youtu.be/urnttPTd-9c (18:50) ‘The Truth May Scare You… (Look Closely 2019-2020)’ van VISUAL, In première gegaan op 24 feb. 2019 (225.085 v; 486 r).

Ark of the Covenant (foto Comstock Sculpture Studio)

Ark of the Covenant (foto Comstock Sculpture Studio)

Op het internet zijn een groot aantal afbeeldingen van de ark van het verbond te vinden. Ze hebben echter allemaal hetzelfde nadeel: beide vleugels van de op de deksel zittende engelen zijn omhoog gericht. Er was echter één uitzondering, een ontwerp van Chester Comstock (zie bovenstaande afbeelding van http://www.artsales.com/comstock/ark/), die zijn interpretatie als volgt motiveert: ‘The ark is said to have been built shortly after the Exodus occurred, therefore the craftsmen who were commissioned to build the Ark would have learned their craft in Egypt. With both of these considerations in mind I reasoned it is highly likely the conventions and imagery used to build the Ark would have been totally consistent with conventions used in Egyptian art on or before 1220 BCE. I reasoned that if I wanted to know what the Ark would have looked like I should apply only the conventions of Egyptian art from the historic time of the Exodus to the illustration of the ark and I reasoned that an illustration of the Ark using these standards of iconography and morphology would be consistent with its use and meaning within the Hebrew culture. So the basis for finding out what the likely appearance of the Ark was became “use the Iconography that existed in Egypt on or before the historic date of the Exodus to do my illustration.”’ Het idee heeft wel wat, maar zoals we van Velikovsky weten, heeft de Uittocht veel vroeger in de Egyptische geschiedenis plaats gehad. Dus moeten we deze afbeelding verder terug in de tijd vervolgen en we zien de twee tegenover elkaar geplaatste ‘engelen’ (cherubim) op een muur van de tempel gewijd aan Amon-Ra te Karnak (plaat 11 in Bob de Gryse, RE, Liège 1986) met de beschrijving: ‘De god Ra (Ré) wordt weergegeven in het centrum van een dubbele naos, gezeten in een bark van de zon. Hij wordt beschermd door twee godinnen.’ De voorstelling, uit de tijd van Ramses II, is dubbel. In de onderste naos, die het fraaist versierd is en zich onmiddellijk op de boot bevindt, zitten de twee godinnen geknield met de achterste vleugel omhoog en de voorste omlaag. Ze hebben allebei een ‘zonneschijf’ op het hoofd, net als de valkkoppige god tussen hen in, en hebben in hun handen het ankh-teken in de ene en een combinatie ervan met de djed-pilaar in de andere. In de bovenste naos staan de godinnen op grotere afstand van de centrale god, nu met ramskop, en omsluiten met hun langere vleugels ook twee offeraars aan weerszijden van de centrale figuur. Ze hebben in de onderste hand een ankh en in de bovenste (= achterste) een veer.

Goed zoeken onthulde dat ook anderen, zonder inspiratie uit Egypte, de engelen op deze wijze afbeelden, zie https://www.lowes.com/pd/Design-Toscano-Set-of-2-Rectangular-the-Ark-of-the-Covenant-Sculptural-Box/4657829.

King Tut's Isis & Nephthys Pectoral (foto sergiothirteen)

King Tut’s Isis & Nephthys Pectoral (foto sergiothirteen)
De afbeelding is afkomstig van https://www.flickr.com/photos/sergiothirteen/2260877317: sergiothirteen: King Tut’s Isis & Nephthys Pectoral.

We kunnen nog een stapje terug in de tijd maken van Ramses II naar Toetanchamon, wiens prachtige borstsieraad als nr. 47 is opgenomen in de catalogus “Goden en farao’s” van museum Boymans – van Beuningen uit 1979. De beschrijving luidt: “Isis (rechts) en Nephthys (links) beschermen met hun gevleugelde armen de naamschilden van Toetanchamon, waaraan slangen bevestigd zijn met de kroon van Opper-Egypte (rechts) en die van Neder-Egypte (links). In het midden staat de Djed-zuil, een viervoudig gelede bos korenschoven, als symbool van Osiris, de god van de landbouw en de opstanding. Door dit eeuwigheidsymbool en de koningsnamen wordt de zonneschijf gedragen. De koning, door godinnen in bescherming genomen, is zelf een hulp voor de zonnegod; de wisselwerking tussen god en koning is zo op een voor een ieder begrijpelijke wijze zichtbaar gemaakt.”

De verbinding tussen de Ark van het Verbond en Egyptische arken wordt ook gemaakt op de site https://www.thelivingmoon.com/42stargate/03files/Egyptian_Arks.html. De oudste afbeeldingen zijn uit de tijd van Toetanchamon.

Ivory Plaque from 10th-9th century Samaria depicting winged being with Egyptian crowns protecting a seated figure (foto thetorah)

Ivory Plaque from 10th-9th century Samaria depicting winged being with Egyptian crowns protecting a seated figure (foto thetorah)

We komen de gevleugelde figuren, die tegenover elkaar zitten zoals op de ark, ook tegen in Israël. Uit Samaria komt de bovenstaande ivoren plaket, waarop twee gevleugelde figuren te zien zijn, die Egyptische kronen dragen en met hun vleugels een kleine zittende figuur beschermen, die gezeten is op een plantachtige troon van dezelfde soort als waarmee de twee omlijstende figuren zwaaien. De afbeelding wordt gedateerd in de 10e-9e eeuw v.Chr. We kunnen hierbij de onderstaande afbeelding voegen van cherubim van Achabs zogeheten ‘Ivoren Huis’ in Samaria, gedateerd ca. 870 v.Chr. en waarvan het origineel zich bevindt in het Palestine Museum of Archaeology in Jeruzalem.

Winged female figures guarding a djed column - Ivory plaque from the Palace of King Ahab. c. 870 BCE (foto witcombe.sbc.edu)

De ivoren van Samaria worden uitgebreid besproken door Velikovsky in ‘Ages in Chaos’, in Nederlands ‘Eeuwen in Chaos’ in de laatste paragraaf voor de ‘Conclusies’, genaamd ‘Het ivoortijdperk’ (pp. 348-353). Het onderzoek, door hem verricht in het boek, ‘heeft vastgesteld dat koning Achab een tijdgenoot was van Amenhotep III en Echnaton en dat Samaria gebouwd met de steun van de koning van Egypte. ‘ Dan volgt een citaat uit 1 Kon. 22:39 over Achab, die het ivoren huis heeft gebouwd, en uit de profeet Amos, die de vernietiging van de ivoren huizen voorspelde (3:15) en vertelt over ivoren bedden (6:4), zaken die vóór de opgraving van Samaria werden beschouwd als poëtische verzinsels.

‘Op sommige van deze voorwerpen komen Egyptische motieven voor en de Egyptische dubbele kroon, duidelijk gegraveerd, werd op verscheidene voorwerpen gevonden. […] De opgravers van Samaria waren verrast: “Het is merkwaardig dat onze ivoren geen spoor van Assyrische invloed vertonen” en “de invloed van Egypte daarentegen is allesoverheersend.” Er zijn plaques die Egyptische goden afbeelden; de motieven op meubilair “zijn alle Egyptisch.”
Door de tijd van Echnaton te synchroniseren met die van Achab wordt het begrijpelijk, dat de rol die Egypte te Samaria speelde in de tijd van de el-Amarna brieven tot gevolg had, dat Egyptische motieven en meubelstijlen het ivoor van Samaria karakteriseerden. We zijn zelfs in staat de ivoorvondsten van Samaria te vergelijken met die uit Egypte ten tijde van Echnaton. “Gevleugelde figuren in mensengedaante” werden te Samaria gevonden. “De gedaanten van gevleugelde figuren op de ivoren voorwerpen … zijn ontleend aan Egyptische modellen. Beschermgodinnen van dit type staan op de vier hoeken van de schrijn van Toetanchamen.”’

‘In dezelfde ornamenten van Samaria’s ivoor vielen motieven te herkennen van het type dat in de Bijbel wordt beschreven, bijvoorbeeld palmen “tussen twee cherubs” (Ezek 41:18). “Sommige figuren [onder het ivoor van Samaria] … geleken sterk op die, welke waren aangebracht op het Huis van de Heer te Jeruzalem.” De conclusie waartoe men kwam was, dat de stijl van de ornamenten in de Tempel te Jeruzalem een tussenstadium in de opeenvolging van invloeden vertegenwoordigden. “Het type gaat terug tot de Egyptische kunst van de Achttiende Dynastie.”’

‘In de tijd van Salomo werd uit verre landen ivoor geïmporteerd tezamen met zilver, apen en pauwen. Vanuit Palestina werd het geëxporteerd naar Egypte en Hatsjepsoet kwam met ivoor thuis, zoals de bas-reliëfs meedelen. Farao Thoetmosis III maakte bij de plundering van Megiddo op zijn veroveringstocht volgens zijn annalen “zes grote tafels van ivoor en zes stoelen van ivoor” buit, naast andere zaken die hij roofde. De farao haalde uit Jeruzalem “de grote troon van ivoor, overtrokken met zuiver goud” weg – dit volgens Hebreeuwse bronnen (2 Kron. 9:17; 12:9). Op zijn achttiende veldtocht in de Thoetmosis III belastingen, onder meer “schepen geladen met ivoor”.’

‘De kunst van het bewerken van ivoor werd in die tijd overgebracht naar Egypte. In de tombe van Rechmire, een vizier van Thoetmosis III, staan handwerkers afgebeeld uit Palestina, die “ivoren kisten maken” – het waren geïmporteerde vaklieden. Samaria, enkele decennia later gesticht, werd een bewerkingscentrum voor ivoor en werkte voornamelijk voor Egypte. Tussen de opgegraven ivoren voorwerpen in Samaria zijn er heel wat onvoltooide met Egyptische motieven erop.’

Tot zover Velikovsky, die er ook nog op wijst, dat vergelijkbare ivoorkunstwerken in Mesopotamië in Nimrod zijn gevonden, ook afkomstig uit Samaria, waaruit we kunnen concluderen, dat de ivoorkunst in Samaria toonaangevend was in de toenmalige wereld.

The Vizier Aperel (foto Wikipedia)

The Vizier Aperel (foto Wikipedia)

We komen nu bij het graf van Aperel. Zie de video https://youtu.be/1LzmpFQyrt0 (3:43) ‘Archaeologist Alain Zivie about the Tomb of Aper-el at Saqqara’ van heritagekeymedia, gepubliceerd op 20 okt. 2009 (9.468 v; 2 r). Tekst: ‘French archaeologist Dr Alain Zivie shows some of the findings from the Tomb of the vizier Aper-el, which dates from the latter part of the 18th Dynasty, around 1353-1335 BC and are now stored at the Imhotep Museum at Saqqara. Dr Zivie explains that the difficulty in accessing the tomb meant that it was never raided in modern times, and only in ancient times when the thieves were not seeking antiquities.’

Deze Aperel heeft zijn eigen Wikipedia-pagina (https://en.wikipedia.org/wiki/Aperel), waar gezegd wordt: ‘Aperel (sometimes written as Aperia) was a Vizier of Ancient Egypt. He served as vizier during the reigns of the 18th Dynasty kings Amenhotep III and Akhenaten. Besides being Vizier, Aperel was also a commander of chariots and had the title God’s Father. Aperel was pronounced “something like ‘Abdiel (‘Abdi-El) meaning “the servant of the god El” according to Alain Zivie. Aperel’s wife was named Taweret. Aperel and Tawosret had at least three sons: Seny, Hatiay and Huy. Seny was a steward and Hatiay was a priest of Nefertem. Huy, who was a commander of horse, commander of chariots and scribe of recruits of the Lord of the Two Lands, was also buried in the tomb of his parents. Aperel’s tomb was discovered in 1987 by the French under supervision of Alain Zivie. The tomb is designated as I.1 and is located in the cliffs of the Bubasteion (a sanctuary dedicated to Bastet). Taweret, Aperia’s wife, may have been an important lady in her own right as she is the only New Kingdom woman identified to date to have been buried in a set of three coffins. Their son Huy was buried in year 10 of Akhenaten or even later. Also mentioned in the tomb are Aperel’s sons Seny, an official, and Hatiay, a priest. According to Strouhal, Aperel was 50–60 years old at the time of his death, his wife Taweret was 40–50 years old at the time of her death, and their son Huy was 25–35 years old at the time of his death.’ Zie voor Taweret/Taworset: http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-21-de-assyrische-verovering-2-de-assyriers-in-egypte/.

Dat de naam Aperel ook wordt geschreven als Aperia is veelzeggend: el = god; en ia = Jah, zoals de Rastafari’s zeggen, de verkorte vorm van Jahwe. Beide godennamen zijn in Israël zeer gebruikelijk, vergelijk de profeten Elia, Jesaja, Jeremia, etc.; in Elia zijn beide gecombineerd en wil zoveel zeggen als ‘Jahwe is God’.

Dat Aperel werd uitgesproken als Abdi-el is eveneens een interessant gegeven. Het element abdi komen we in meerdere namen tegen. Allereerst is er Abdi-Asjirta (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Abdi-Ashirta [n.b. Rib-Hadda = Achab]), volgens Velikovsky de Bijbelse Ben Hadad, de heerser van Damascus ten tijde van Achab. Verder is er Abdi-Hiba, oftewel Josafat, de koning van Jeruzalem in de El-Amarna brieven. Emmet John Sweeney, in ‘Empire of Thebes, Ages in Chaos Revisited’ (2006:81), leest het tweede deel van de naam Abdi-Hiba als Abdi-Tibi en vertaald met ‘De goede Dienaar’ (Abdi-Asjirta is ‘de dienaar van Astarte’). Sweeney identificeert echter andere personen: Abdi-Hiba is volgens hem Asa en Abdi-Asjirta is Abdastartus, de kleinzoon van Hiram. Ik moet dit nog nader bestuderen.

Op het internet vond ik de volgende voor ons van belang zijnde post van professor Mariottini, zie https://claudemariottini.com/2009/10/30/the-aper-al-tomb-and-the-hebrew-presence-in-egypt/ ‘The Aper-al Tomb and the Hebrew Presence in Egypt’ van Dr. Claude Mariottini – Professor of Old Testament, Posted on October 30, 2009. Tekst: ‘Stephen Smuts at Biblical Paths, has posted to his blog an article by Zahi Hawass published in the English edition of Asharq Alawsat in which Hawass, an Egyptian archaeologist and the Secretary General of the Egyptian Supreme Council of Antiquities, discusses the fact that the person buried in a tomb discovered several years ago in the Saqqara region, was named “Aper-al” and that this name is an Egyptian form of a Hebrew name. Since this information is relevant to the discussion of a Hebrew presence in Egypt during the time of Amenhotep III and Akhenaten, I will reproduce below Hawass’s article in its entirety: ‘In my opinion, the Israelite Exodus from Egypt will remain a point of controversy amongst scientists and researchers until the Day of Judgment or until new archaeological evidence is unearthed that is able to settle this issue. However in light of the information currently available to historians and archaeologists, we can do no more than practice moderation and caution. There have been whispers in the archaeological community following the discovery of the Aper-al tomb in the Saqqara region in the area known as Abwab al-Qotat [Doors of the Cats] by French archaeologist Alain Zivie. Abwab al-Qotat was given its name following the discovery of thousands of mummified cats interred in the tomb. It is well known that ancient Egyptians worshipped the goddess Bastet, which had the head of a cat. The center for the worship of Bastet was located in Tell Basta, which is in the [Egyptian] city of Zagazig, and was formerly known as Bubastis, which was derived from the word ‘Bastet’. Zivie discovered the tomb by travelling deep underground until he reached the burial chamber which was carved into the rock more than 30 meters underground. Zivie was forced to seek the assistance of French engineers working on the Cairo metro project in order to restore the tomb and strengthen its walls to allow him to safely reach the burial chamber. Zivie therefore discovered the first almost untouched Modern Kingdom tomb in Saqqara. The discovery of this tomb which took place almost 20 years ago remains an important archaeological event. The reason for this is that the person buried in the tomb was known as “Aper-al” and this is an Egyptianized form of a Hebrew name. Aper-al was the vizier for King Amenhotep III, and later for his son King Akhenaten. Pharaoh Akhenaten was the first ruler to institute monotheism represented by the worship of the sun which he called Aten. Excavations of this tomb continued for almost 10 years, beginning in 1980 and ending in late 1989. Amongst the artefacts discovered here were several portraits entitled “spiritual father of Aten” as well as “the Priest” and “the first servant of Aten.” This means that Aper-al served as the chief priest of Aten in the Memphis region during the reign of King Akhenaten. Of course the effects of the news of the discovery of a Hebrew tomb has raised many questions and controversies amongst archaeologists with regards to whether or not a temple for Aten existed in Memphis or not. The portraits found in the Aper-al tomb indicate that such a temple did in fact exist in Memphis, and this is contrary to the tradition accepted by archaeologists which is that monotheism [Atenism] did not exist beyond the city of Tell el-Amrana in central Egypt. Tel-Amrana was the city founded by Akhenaten for his family. Akhenaten swore never to depart the city so long as he lived, and he named it Akhen-Aten meaning the city faithful and loyal to Aten. In addition to this, there has been prolonged controversy between Torah scholars and archaeologists over the credibility of Aper-al in fact being a Hebrew name. This creates the impression that Hebrews were present in Egypt during the eighteenth dynasty, and that some Egyptianized Hebrews held senior state positions. It is important to emphasize that all the artefacts discovered in the Aper-al tomb, such as the sarcophagus, the mummies, as well as the carvings on the walls of the tomb, are consistent with the Egyptian style of the time. Even Aper-al’s portrait, his cloths, and his jewellery, are purely ancient Egyptian. This is the truth, the whole truth, and nothing but the truth.’ As Stephen wrote in his post, “Dr Zahi Hawass errs on the side of caution with regards to discoveries made at the Aper-al tomb in the Saqqara region, and their relationship to the Exodus, and subsequent archaeological conclusions.” I agree that scholars must be cautious about the conclusions they develop out of this discovery. However, if Aper-al was indeed a Hebrew man and the vizier for King Amenhotep III, and later for his son King Akhenaten, then the discovery may provide a possible connection between the religious reforms of Akhenaten and the Hebrew presence in Egypt.’

De Hebreeërs waren, voordat ze uit Egypte vertrokken, geen volk en hadden niet de Mozaïsche wetgeving, hadden niet gehoord over Jahwe en droegen dus geen namen met daarin het theofore element –ja. Aperel is dus geen ‘Hebreeër’ maar een Israëliet, en wel in de letterlijke zin, dat hij van een van de 10 stammen was, die het (kortlevende) Noordrijk vormden. Hij was volledig geïntegreerd in de Egyptische maatschappij, maar had daarbij zijn achtergrond niet geheel opgegeven, maar samengevoegd met de religie van zijn nieuwe omgeving.

De bijgevoegde PDF bevat meer afbeeldingen van Isis, Nephthys rond Osiris, een voorstelling, die tot in de late Oudheid te vervolgen is, maar zover ik kan nagaan niet verder teruggaat dan de tijd van Toetanchamon. Op pag. 1 staat een afbeelding van een ander borstamulet uit het graf van Toetanchamon. Dan volgt een afbeelding van Isis en Nephthys uit een papyrus, gevolgd op pag. 2 door een afbeelding van de twee zuster met eronder een afbeelding van Isis en Nephthys, die Osiris van lucht voorzien met hun vleugels (dit is uiteraard een moderne interpretatie). Op pag. 3 is een deel van een sarcofaag te zien met bovenaan de godin Nut, in het midden Isis en Nephthys, die de baar flankeren, waarop de dode la Osiris ligt met boven zich zijn ba (ziel), en onderaan Isis en Nephthys in slangengedaante, die de naam van de overledene flankeren. Op pag. 4 staat een afbeelding van de ‘Mert godinnen’ (zie http://www.eoht.info/page/Mert+goddesses), zoals Isis en Nephthys genoemd worden, met eronder kleine afbeeldingen van de twee zusters, die met hun vleugels Osiris geheel omgeven, en van de Makhet boot op zijn slee (zie voor deze en andere afbeeldingen http://www.archaeologicalresource.com/Books_and_Articles/Dendera/1911_BudgeEAW_Osiris_and_the_Egyptian_Resurrection_V2/Osiris_and_Resurrection_Vol2_Dendera.html?i=1). Op pagina 5 staan twee afbeeldingen van Osiris op zijn baar. Op de bovenste zijn de drie valken boven de baar Isis, Nephthys en Hathor. Op pag. 6 staat een afbeelding van de Ark van het Verbond in Egyptische stijl, pag. 7 en 8 in Westerse stijl, pag. 9 weer Egyptisch.

PDF:
De Ark van het Verbond in Egypte (afbeeldingen)

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Het+Velikovsky+Syndroom

Leave a comment

Your email address will not be published.

*