Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (14): De papyrus Ipuwer

Een belangrijk sleuteldocument in Velikovsky’s reconstructie is de zgn. papyrus Ipuwer (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Ipuwer_Papyrus), die zich bevindt in de kluizen van het Museum van Oudheden in Leiden en daar in de catalogus staat ingeschreven als Leiden 344 (dit is oud en fout, zie http://www.rmo.nl/collectie/zoeken?object=AMS+27+vel+4). Van deze papyrus is een vertaling gemaakt door Alan Gardiner, die ook door Velikovsky is gebruikt en die eenvoudig op het internet te vinden is (PDF onderaan deze pagina). Er zijn echter nieuwere vertalingen, die niet op het internet te vinden zijn en waarvan ik (in 1984) een afschrift heb gemaakt, dat ik eveneens in PDF bijvoeg samen met vertalingen van verwante papyri.

De betekenis van de papyrus Ipuwer

De papyrus Ipuwer werd in 1828 aangeworven door het Museum van Oudheden te Leiden en is daar in de catalogus opgenomen als Leiden 344. De papyrus is aan beide kanten beschreven. De voorkant (recto) bevat het verhaal van Ipuwer, terwijl aan de achterkant (verso) in een andere hand hymnen aan een godheid zijn geschreven.

De tekst van Ipuwer is nu gevouwen in een boek van 17 bladzijden, waarvan de meeste veertien regels met hiëratische tekens (dit is een vloeiend schrift, dat gebruikt werd door schrijvers, heel verschillend van het picturale hiëroglyfenschrift) bevatten. Van de eerste bladzijde is slechts een derde – het linker of laatste deel van iedere regel bewaard gebleven, terwijl de bladzijden vanaf de achtste in zeer slechte conditie zijn (soms slechts een paar woorden).

De eerste poging tot interpretatie werd gedaan door F. Chabas in het voorwoord van de facsimile uitgave, die in 1846 door C. Leemans van de papyrus samen met andere Egyptische documenten werd gedaan. De eerste acht pagina’s werden gezien als spreekwoorden of axioma’s en de andere pagina’s als een hoofdstuk uit een filosofisch traktaat. F.J. Lauth, de volgende, die een poging deed tot vertaling van de tekst leverde (alleen de eerste negen bladzijden), zag de tekst als een verzameling spreekwoorden en voorbeelden van gezegden, bijeen gebracht voor didactisch gebruik. Weer een andere geleerde, H.K. Brugsch, noemde de papyrus een verzameling raadsels.

Aan het begin van deze eeuw [de 20e] werd een poging ondernomen door H.O. Lange om de tekst van Ipuwer in zijn geheel te vertalen. Hij zag de woorden van Ipuwer als profetisch van karakter: er werd een slechte tijd voorspeld voor het volk van Egypte. De profeet zou hierbij geïnspireerd kunnen zijn door een vergelijkbare situatie in het verleden voor de inauguratie van de Twaalfde Dynastie.

In 1909 werd de tekst opnieuw vertaald door Alan H. Gardiner onder de titel ‘The Admonitions of an Egyptian Sage from a Hieratic Papyrus in Leiden’ (De Vermaningen van een Egyptische Wijze). Deze kijk op de ‘Admonitions of Ipuwer’ is sindsdien de gebruikelijke. Zij is echter tegenstrijdig en onhoudbaar. Aan de ene kant houdt Gardiner staande, dat ‘het pessimisme van Ipuwer bedoeld was begrepen te worden als een direct en natuurlijk antwoord op een werkelijke nationale ramp’ (Adm., 111), terwijl aan de andere kant ‘historische romance altijd populair was in Oud Egypte, en er is geen inherente reden waarom de “Admonitions”, zelfs al refereren zij aan gebeurtenissen van de Xe dynastie, niet geschreven zouden kunnen zijn onder de XIIe.’ (ibid.)

Miriam Lichtheim vervolgt dan met het plaatsen van de ‘Admonitions’ in het kader van andere werken uit dezelfde tijd, die als thema ‘nationale nood’ (of ‘benauwenis’) hebben en die in haar overzichtswerk over de Egyptische literatuur van het Oude en Middenrijk onmiddellijk aan het verhaal van Ipuwer voorafgaan: n.l. ‘De profetieën van Neferti’ en ‘De klaagzangen van Khakhaperre-sonb’ (zie de PDF). “De papyrus Ipuwer onthult zichzelf als een compositie van hetzelfde genre en karakter, die alleen verschilt in zijnde langer, meer ambitieus, meer in herhalingen vervallend en extremer in het gebruik van overdrijving. Juist zijn breedsprakigheid en herhalingen kwalificeren de tekst als een laatkomer, waarin de meest omvattende behandeling van het thema ‘nationale nood’ wordt nagestreefd, in het kort, als een werk van het late Middenrijk en van puur literaire inspiratie.” Ze volgt hierin Luria, die ten aanzien van de ‘Admonitions’ stelt, dat de beschrijving van de chaos inherent tegenstrijdig is en daarom historisch onmogelijk. Enerzijds wordt gezegd, dat het land een totaal gebrek lijdt, terwijl anderzijds de armen beschreven worden als zijnde rijk geworden, van het dragen van mooie kleren en in het algemeen van het gebruiken van wat eens aan hun meesters behoorde. Kortom, aldus Lichtheim, de ‘Admonitions of Ipuwer’ hebben niet alleen niets te maken met de lang voorbij zijnde 1e Tussenperiode, tevens heeft het niets te maken met welke andere historische situatie dan ook. Het is de laatste, meest volledige compositie op het thema ‘nationale nood’.

Lichtheim kiest dus voor de ene weg uit het dilemma van Gardiner. Er is echter ook een andere weg, waarvoor Velikovsky heeft gekozen. Het verhaal van Ipuwer is geen product van de literaire fantasie van een schrijver van de XIIe (of iets latere) Dynastie, maar beschrijft wel degelijk een nationale ramp, zoals Gardiner stelt. Gardiner volgt Lange in de interpretatie, dat de woorden van een wijze genaamd Ipuwer gericht zouden zijn tot de een of andere koning, die de schuld krijgt van passief toezien, wat verwarring, onveiligheid en lijden voor het volk heeft gebracht. Omdat de aanhef van de papyrus, waar vaak de schrijver en zijn gehoor genoemd worden, ontbreekt, wordt de aanwezigheid van de koning aangenomen op basis van bepaalde andere literaire voorbeelden uit het Middenrijk.

Voor Velikovsky is de papyrus Ipuwer geen verzameling spreekwoorden of raadsels, noch een literaire profetie of anderszins literair werk, noch een vermaning betreffende diepgaande sociale veranderingen. Het is een ooggetuigenverslag van een enorme catastrofe, een geschrift vol jammerklachten, een beschrijving van de ruïnes en het afgrijzen. Deze ramp is de ondergang van het Middenrijk onder de XIIIe Dynastie, niet als gevolg van de laksheid van de koning, maar ten gevolge van een enorme natuurlijke ramp.

De tijd van de papyrus Ipuwer

Vastgesteld is, dat het document een kopie is van een ander document, dat een paar eeuwen ouder moet zijn geweest. De kopie werd ergens tijdens de XIXe Dynastie gemaakt, maar de spelling wijst op een literaire tekst van het Middenrijk (Gardiner, ‘Admonitions’, 3). De ouderdom van de tekst werd gezien als samenhangend met de historische situatie, die de schrijver [Ipuwer] in gedachte had. De tekst vertelt zowel over burgeroorlog als over een Aziatische bezetting van de Delta. Hiervoor komen twee perioden in aanmerking: de zgn. 1e en 2e Tussenperiode. De eerste scheidt het Oude Rijk van het Middenrijk, de tweede het Middenrijk van het Nieuwe Rijk en dit is de zgn. Hyksos periode.

De meningen van de papyrilogen (Gardiner en Sethe) waren verdeeld over de vraag op welke tussenperiode de papyrus betrekking heeft. Aangezien er geen definitieve kennis is over een invasie van Aziaten (Amu) tijdens de eerste tussenperiode, moest Gardiner toegeven, dat Sethes argument, dat stelt, dat de beschreven tijd die van de Hyksos is, beter gesteund wordt vanuit historisch oogpunt. Maar filologische bedenkingen dwingen ons de datum van compositie zo ver mogelijk terug te schuiven. Zonder twijfel is de taal niet die van het Nieuwe Rijk, maar van een eerdere tijd. Bovendien bevat de tekst enige referenties aan het instituut van de Grote Huizen, de rechtszalen, die buiten gebruik raakten in of spoedig na het Middenrijk. In de papyrus worden deze Grote Huizen beschreven als neergevallen en vertrapt door de menigten, die in het puin groeven. Dit duidt juist op de tijd vlak na de instorting van het Middenrijk. Zelfs Gardiner gaf toe, ‘dat het natuurlijk mogelijk is, dat de tekst werd samengesteld, terwijl de Hyksos nog in het land waren.’ De discussie of de tekst behoorde tot de 1e of 2e Tussenperiode werd door Gardiner, de aanhanger van de eerste mening, afgesloten met de opmerking: ‘Het is ongetwijfeld het wijste om de vraag voor het moment open te laten.’

Velikovsky heeft deze vraag weer opgenomen en volgt Sethe in dat de historische achtergrond van de papyrus, die van de invasie van de Hyksos is. Hij volgt echter Gardiner met dat filologische bedenkingen laten zien, dat het hier om een product van het Middenrijk gaat. Gecombineerd wijst dit op het exacte moment van het eind van het Middenrijk en de invasie van de Hyksos. De stijl – van een Egyptenaar – zal op dat moment nog steeds, die van het Middenrijk zijn, omdat in een paar maanden na het einde van dit grote en illustere tijdperk uit de Egyptische geschiedenis geen veranderingen in de taal of de poëtische vorm kunnen zijn opgetreden. Ipuwer beklaagt de ondergang van dit illustere tijdperk, zijn Egypte, dat hij onherkenbaar veranderd ziet.

De bijgevoegde PDF’s hebben allebei betrekking op de bovengenoemde papyrus van Ipuwer. De file A.H. Gardiner – The Adminitions of an Egyptian Sage is de vertaling van Gardiner, die ook door Velikovsky is gebruikt en die op het internet te vinden is.

De andere PDF (Admonitions of an Egyptian Sage) is een door mij samengestelde file van aantekeningen uit de 80’er jaren (hoofdzakelijk in het Engels), van vertalingen van papyri uit het Egyptische Middenrijk, die bij het Ipuwer dossier horen, met noten en commentaar. Allereerst is er een vertaling van de papyrus van Ipuwer zelf door Erman (‘Literature’, pp. 92-108) met erin verwerkt d.m.v. noten een vertaling van J.A. Wilson (‘ANET’, pp. 441-444) [pp. 1-18]. Dit wordt gevolgd door de ‘Profetie van Neferti’ [pp. 19-23], gevolgd door ‘The complaints of Khakhaperre-sonb’ [pp. 24-26], gevolgd door ‘Dispute between a man and his ba’ [pp. 27-28]. Op p. 29 is een lijst van gebruikte afkortingen. Dit wordt gevolgd door ‘The Prophecy of Nefer-Rohu’ [pp. 30-33], A Dispute over Suicide [pp. 34-35] en tenslotte in het Frans ‘La Prophétie de Néferti’ [pp. 36-38].

Voor besprekingen op het internet, zie http://www.ancient-origins.net/artifacts-ancient-writings/does-ipuwer-papyrus-provide-evidence-events-exodus-006951.

Een PDF van Velikovsky’s theorie over de papyrus in het Nederlands (helaas doet het woord ‘Negelaten’ op de eerste bladzijde afbreuk aan de zorgvuldigheid) is te vinden bij http://www.theologienet.nl/documenten/Ipower%20papyrus%2010%20plagen%20Egypte.pdf.

Iedereen heeft zo zijn eigen kijk op de geschiedenis, zie bijv. https://opentheword.org/2014/08/22/does-an-ancient-papyrus-speak-of-the-exodus-from-an-egyptian-perspective/, waarin de Exodus wordt gezocht onder Amenhotep I, van de 18e dynastie, terwijl toch de vergelijking met de papyrus Ipuwer wordt gemaakt.

Gecombineerd met een bespreking van Velikovsky op http://www.ancientpages.com/2017/08/07/ipuwer-papyrus-report-ancient-catastrophe/.

Zie ook: Synchronized Chronology: Rethinking Middle East Antiquity : a Simple… https://books.google.nl/books?isbn=087586192X.
Roger Henry – 2003 – ‎History
Three Egyptian sources describe the fall of the Middle Kingdom and the invasion of the Hyksos who ruled the country in the following dynasty: the Papyrus Ipuwer, the El Arish Shrine and the Ermitage Papyrus. Each of them will be quoted and compared with the Book of Exodus.

Een interessante en zeer recente blog over ons onderwerp is https://johnkaminski.org/index.php/essays-by-john-kaminiski-american-writer-and-critic/ideas-that-never-die/97-the-ipuwer-papyrus.

Ook interessante informatie is te vinden in de blog op Huffpost (https://www.huffingtonpost.com/roger-isaacs/passover-in-egypt-did-the_b_846337.html), waarin naast de papyrus Ipuwer ook melding wordt gemaakt van het voorkomen van de naam Shiphra (NBG: Sifra), de naam van een van de twee vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen, die van de koning van Egypte bevel krijgen alle zoons, die worden geboren, te doden. (Ex. 1:15) Volgens de blog: “The Brooklyn Museum has a papyrus, possibly from Thebes, with a list of slaves from the Egyptian Middle Kingdom, about 1740 B.C.E. It includes a slave named Shiphra and others with Semitic names. In the Bible, a Hebrew woman with the same name, Shiphra, was one of two midwives the Pharaoh commissioned to kill all the male Hebrew children at the time Moses was born (Exod. 1:15). She didn’t. Since by that time all Hebrews had been put into servitude by the Pharaoh, the midwife Shiphra would also have been a slave. The fact that the name Shiphra is found in both the Bible and the papyrus indicates that the name and the woman’s condition of slavery were familiar to both Israelites and Egyptians.”

Er is een zekere naïviteit in dit bericht, want die naam Sifra is uiteraard zeer uniek; het betreft dus niet iemand met dezelfde naam, maar het gaat om dezelfde persoon! Zie ook https://en.wikipedia.org/wiki/Shiphrah: “The name is found in a list of slaves in Egypt during the reign of Sobekhotep III. This list is on Brooklyn 35.1446, a papyrus scroll kept in the Brooklyn Museum. The name is written šp-ra and means “to be fair” or “beautiful”. The name may be related to or even the same as the Aramaic Sapphira and (up to slight morphological adaptations) as Siphrah, the name of the Hebrew midwife.” Zie ook http://religion.wikia.com/wiki/Shiphrah.
De Hebreeuwse naam Sifra heeft dezelfde betekenis (‘mooi’), zie http://www.abarim-publications.com/Meaning/Shiphrah.html#.WliScq7ibIU.

In ieder geval bewijst het de aanwezigheid van Hebreeën in Egypte in het Middenrijk, zie http://www.apxaioc.com/article/hebrews-egypt-exodus-evidence-papyrus-brooklyn, waar wordt gezegd: “A section of Papyrus Brooklyn 35.1446 contains a list of 95 servants, many of whom are specified as “Asiatic” or coming from western Asia (i.e. Canaan). The servants with foreign names are given Egyptian names, just as Joseph was when he was a household servant under Potiphar (Genesis 41:45). The majority of the names are feminine, because domestic servants were typically female, while the male servants often worked in construction or agricultural tasks. Approximately 30 of the servants have names identified as from the Semitic language family (Hebrew is a Semitic language), but even more relevant to the Exodus story is that several of these servants, up to ten, actually have specifically Hebrew names. The Hebrew names found on the list include: Menahema, a feminine form of Menahem (2 Kings 15:14); Ashera, a feminine form of Asher, the name of one of the sons of Jacob (Genesis 30:13); Shiphrah, the name of one of the Hebrew midwives prior to the Exodus (Exodus 1:15); ‘Aqoba, a name appearing to be a feminine form of Jacob or Yaqob, the name of the patriarch (Genesis 25:26); ‘Ayyabum, the name of the patriarch Job or Ayob (Job 1:1); Sekera, which is a feminine name either similar to Issakar, a name of one of the sons of Jacob, or the feminine form of it (Genesis 30:18); Dawidi-huat a compound name utilizing the name David and meaning “my beloved is he” (1 Samuel 16:13); Esebtw, a name derived from the Hebrew word eseb meaning “herb” (Deuteronomy 32:2); Hayah-wr another compound name composed of Hayah or Eve and meaning “bright life” (Genesis 3:20); and finally the name Hy’b’rw, which appears to be an Egyptian transcription of Hebrew (Genesis 39:14). Thus, this list is a clear attestation of Hebrew people living in Egypt prior to the Exodus, and it is an essential piece of evidence in the argument for an historical Exodus. Although it appears that the Israelites were centered around the northeast Nile Delta area – the regions of Goshen and Rameses and the cities of Rameses, Pithom, and On – this document is from the area of Thebes to the south and includes household servants like Joseph in his early years rather than building and agricultural slaves of the period of Moses. Thus, the list appears to be an attestation of Hebrews in Egypt in their earlier period of residence in the country, prior to their total enslavement, and perhaps shows that a group may have migrated south or was taken south for work. While remains of material culture such as pottery, architecture, or artifacts may be ethnically ambiguous, Hebrew names and possibly even the word or name Hebrew clearly indicates that there were Hebrews living in Egypt. Although rather obscure, the list includes the earliest attestation of Hebrew names that has ever been recovered in Egypt, and it demonstrates that Hebrews were in Egypt prior to the 1440s BC just as the story in the book of Exodus records.”

Dat het om dezelfde persoon handelt (de vroedvrouw Sifra), wordt gesteld op https://jamesbishopblog.com/2015/09/11/old-testament-midwife-shiphrah-possibly-confirmed-by-brooklyn-35-1446-papyrus/.
Dat het dezelfde persoon betreft, wordt tegengesproken door Bruce Wells in zijn boek ‘Exodus’ uit 2016 (https://books.google.nl/books?isbn=0310527562; locatie https://books.google.nl/books?id=pnhDCwAAQBAJ&pg=PT64&lpg=PT64&dq=shiphrah+Egyptian+papyrus&source=bl&ots=CLZ0Ytp1U1&sig=oYEO–OmuxQIyUYRb2UYVBWR-qk&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjH6ffrr9LYAhXRa1AKHQ4nCZIQ6AEIZDAL). Shiphrah wordt aangeduid als een wever van fijn linnen. Deze vrouw is duidelijk niet degene, aan wie wordt gerefereerd in de Bijbelse tekst, maar deze Semitische naam (met de betekenis ‘mooi, prachtig’) blijkt bekend te zijn geweest in Egypte. (NKJV, Cultural Backgrounds Study Bible, eBook: Bringing to Life the Ancient… https://books.google.nl/books?isbn=031000361X; locatie: https://books.google.nl/books?id=Ct18DQAAQBAJ&pg=PT417&lpg=PT417&dq=shiphrah+Egyptian+papyrus&source=bl&ots=UZKbZXL21T&sig=FQu7vbf8CyTnpmKy1glE1sr_GMM&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjH6ffrr9LYAhXRa1AKHQ4nCZIQ6AEIeTAO)

“We are fortunate to have a papyrus from the Middle Kingdom that deals with slaves. This papyrus was studied and published some years ago by the American Egyptologist William C. Hayes (Hayes 1972). […] But this papyrus” main significance lies in its list of Middle Kingdom slaves with names, nationality and titles or jobs held by these slaves. The list contains 95 entries. Of the 95 slaves listed, about 30 can be identified as non-Egyptian, either by their non-Egyptian names or by the designation “name”, meaning an Asiatic (Hayes: 92).
Two things of great interest emerge from a study of the Asiatic slaves on this list. First, the names are very significant to the student of the Bible. Several of them are either identical to or very similar to some names familiar to us from the Old Testament itself. A female version of the Hebrew name Menahem is present; Sk-ra-tw, also the name of a woman, is paralleled by the Hebrew name Issachar; Ashra is most certainly the feminine version of Usher; and Shepra is known to us in the Old Testament as Shiphrah, the Hebrew midwife in the Book of Exodus (Hayes: 95–96)” (http://www.biblearchaeology.org/post/2010/02/23/Joseph-in-Egypt-Part-II.aspx#Article).

Een goed artikel over deze papyrus zonder stellingname is http://cojs.org/first_person-_a_name_in_search_of_a_story-_hershel_shanks-_bar_24-01-_jan-feb_1998/.

Zeer positief is Ian Onvlee van de goed onderbouwde blog http://disc.yourwebapps.com/discussion.cgi?id=177754;article=11491; (The servants mentioned in the Brooklyn Papyrus were very likely servants of the Royal Palace, and one of them, Shiphrah, may very well have been the very same midwife mentioned in the Bible.)

Interessant is ook het artikel https://aroyking.wordpress.com/2016/04/02/has-archaeology-proven-that-the-biblical-exodus-is-a-myth/.

Tot slot nog een stukje wat ik in 1984 schreef (ten tijde van het artikel van Beekman).

In de papyrus Ipuwer wordt Egypte afgeschilderd als in puin liggend, met de bloem der natie gedood, terwijl de pest heerst en er overal bloed is, ook de rivier is bloed, zoals vermeld in de eerste plaag, zodat de mensen het water niet kunnen drinken, zoals zowel Bijbel als papyrus vermelden. De plagen zijn niet echt afzonderlijk te definiëren, zoals ook uit het Bijbelverhaal blijkt. De tweede plaag, de enorme hagelbui, die bomen velde, ging begeleid van een vuur, dat over de grond rende. Wat er nog over was op de velden werd opgegeten door de plaag van de sprinkhanen, zodat de Egyptenaren aan de honger waren overgeleverd, zoals de papyrus vermeldt. Ook de negende plaag, die der duisternis, wordt in de papyrus beschreven. De tiende plaag was een enorme aardbeving, die de huizen deed instorten. De Israëlieten werden gespaard [voor het grootste deel] door het feit, dat ze goeddeels in takken hutten woonden. Onmiddellijk na deze laatste plaag vertrokken de Israëlieten met meenemen van alles, wat er te vinden was.

De papyrus Ipuwer zegt iets over een revolte van de bevolking, van een weg vluchten van de armen en van het ten onder gaan van de farao in bijzondere omstandigheden. Over wie de farao van de uittocht was heeft al menigeen zijn hoofd gebroken vanwege het feit, dat die farao altijd in het Nieuwe Rijk werd gezocht. Ramses II of zijn opvolger Merneptah werden aangewezen als waarschijnlijke kandidaten ondanks gebrek aan redelijk bewijs. De farao van de uittocht was echter een onbeduidende figuur aan het eind van het Middenrijk tijdens een periode, waar we bijzonder weinig van af weten. Zijn naam is Thom [vgl. Pithom = huis van Thom], bij Josephus Tutimaeus of Timaios, tijdens wiens regering Egypte werd getroffen door een ‘inslag van hemels ongenoegen’ (a blast of heavenly displeasure). Met betrekking tot het einde van deze farao heeft Velikovsky een monument weten op te sporen, de zgn. schrijn (‘naxos’) van El-Arish, een badkuip-achtige monoliet, met inscripties uit de Ptolemaeïsche periode, die echter verhalen over veel vroegere gebeurtenissen, n.l. die van koning Thom en zijn opvolger Geb. De tekst vertelt over een grote beroving van het land en dat er een grote duisternis van negen dagen over het land kwam. In de Bijbel wordt gesproken over drie dagen duisternis. In oude Midrasj teksten wordt hierop een aanvulling gegeven. De duisternis duurde zeven dagen, waarbij men de eerste drie dagen nog van positie kon veranderen, maar de daarop volgende drie dagen aan zijn plaats gekluisterd was. Ook wordt op de schrijn vermeld, dat de farao ten strijde trok tegen de handlangers van Apopi (de vurige god der duisternis) en opgenomen werd in een draaikolk. Zijn zoon Geb gaat op zoek naar zijn vader, maar zijn gezelschap wordt getroffen door een enorme ontploffing en de prins loopt zelf ernstige brandwonden op. Vervolgens zijn er invallers, die de kinderen van Apopi worden genoemd, die het land veroveren om het nog meer te vernielen. De prins is genoodzaakt om zich terug te trekken en het land aan de rebellen uit het oosten, de Amu, te laten. Ook over de identiteit van deze Amu, ook wel Hyksos genoemd, heeft menig geleerde zich het hoofd gebroken. Josephus identificeert de Amu met de Israëlieten, maar tegenwoordig wordt de exodus veel later gezocht. Velikovsky heeft echter de Amu geïdentificeerd met de Amalekieten, die de Israëlieten enige dagen na hun vertrek uit Egypte tegen kwamen en in een enorm gevecht wisten te verslaan, waarna de Amu naar Egypte trokken en de Israëlieten de andere kant uit.

Lees het vervolg: Het Velikovsky Syndroom (15): De Mythe van het Einde der Tijden

PDF’s:
Cor Hendriks – Admonitions of an Egyptian Sage (Infofile)
A.H. Gardiner – The Admonitions of an Egyptian Sage

http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky

1 Comments

  1. Thank you for commenting on my article about the Biblical Exodus (https://aroyking.wordpress.com/2016/04/02/has-archaeology-proven-that-the-biblical-exodus-is-a-myth/). In writing that piece, my interest was in possible errors in the conventional chronology used by most researchers in evaluating the Bible’s account of the Exodus. I do have an interest in the broader models of history and pre-history that are promoted by conventional scholarship, which models I think are also in error. Your study of Velikovsky makes me think that you have a similar interest.

    Am I correct that you are Cor Hendriks, the author of the articles that have been posted here at the Rob Scholte Museum website? I’m interested to know more about you and your work. Do you have a bio posted somewhere? What is your connection to the museum?

    Cheers,
    Roy King

Leave a comment

Your email address will not be published.

*