Cor Hendriks – De Shasu van Jahwe (nieuw bewijs voor de chronologie van Velikovsky)

Sinds een aantal weken ben ik bezig met mijn hernieuwde onderzoek naar Velikovsky’s theorieën en met name de reconstructie van de chronologie van de oude geschiedenis. Uiteraard heb ik in die paar weken een heleboel nieuwe informatie verzameld, waarvan ik een groot deel nog moet verwerken. Desondanks ben ik reeds nu gestuit op een interessant, door Velikovsky over het hoofd gezien thema, n.l. de Shasu, die door hem slechts eenmaal geheel terloops worden vermeld. Ik wil hier alvast een voorpublicatie geven van mijn bevindingen.

Over de Shasu is een goed artikel bij Wikipedia te vinden (https://en.wikipedia.org/wiki/Shasu) en ik kwam ze op het spoor door het sensationele bericht over ‘de oudste Jahwe inscriptie’ op de site http://www.biblearchaeology.org/post/2017/01/20/The-Oldest-Yahweh-Inscription.aspx#Article.

Op deze site is een video (https://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=2&cad=rja&uact=8&ved=0ahUKEwiS5JnngNvYAhXJLFAKHdX-At8QuAIIMjAB&url=https%3A%2F%2Fvimeo.com%2F194261818&usg=AOvVaw3Zu2S-kTmWQoa3rhX4f-Dk) te zien van 45 minuten. Het is voor een groot deel een preek, dus u bent gewaarschuwd. Deze oudste inscriptie is in een tempel van Amenhotep III [foto’s van de tempel op deze site https://thevelvetrocket.com/2010/03/02/visiting-the-temple-of-soleb-sudan/], waarvan nog enige resten over zijn in Soleb (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Soleb) in wat thans Soedan is, op de linkeroever van de Nijl ongeveer 216 km (135 mijl) ten zuiden van Wadi-Halfa. Joel Kramer is naar de Soedan geweest om foto’s te maken van deze in zijn ogen uitermate sensationele inscriptie, die door hem gedateerd wordt in ca. 1400 voor Christus, terwijl hij de Exodus nauwelijks voor die tijd plaatst.

Yahweh inscription, c. 1400 BC (foto Bible and Archaeology - Online Museum)

Yahweh inscription, c. 1400 BC (foto Bible and Archaeology – Online Museum)

Deze afbeelding is te vinden op de site http://bibleandarchaeology.blogspot.nl/2011/09/earliest-yhwh-inscription-c-1400-bc.html en gaat vergezeld van de volgende tekst: ‘This photo displays a reproduction of the oldest known inscription of the name “Yahweh,” the personal name of God (cf. Exodus 3). The writing is in hieroglyphs and is dated to c. 1400 BC. The inscription was discovered in the temple built by the Egyptian Pharaoh Amenhotep III in Soleb, which is in modern day Sudan. The text refers to a group of wandering followers of Yahweh who are possibly the Israelites; however, this is uncertain at this time.’

Wat is er mis met dat idee? Zoals Kramer zelf zegt, heeft Mozes de naam van God (Jahwe) vlak voor de uittocht gekregen. De Israëlieten, die op dat moment nog geen naam hebben, zouden door Amenhotep zijn aangeduid met de naam van hun god. En hij zou hen hebben overwonnen, want anders had hij hen niet op zijn zuil afgebeeld.

Deze ‘zwervende volgelingen van Jahwe’ worden op zijn Egyptisch de Shasu van JHW genoemd. Wie zijn die Shasu (‘zij die te voet gaan’)? De gegevens zijn te vinden bij Wikipedia (https://en.wikipedia.org/wiki/Shasu), waar onze inscriptie als de oudste vermelding wordt aangemerkt, terwijl latere inscripties stammen uit de tijd van hetzij Seti I of Ramses II, waarin zelfs sprake is van zes verschillende groepen Shasu. Alle antwoorden, die worden gegeven, gaan in tegen het feit, dat Mozes volgens de traditie de uitvinder is van de naam Jahwe (zie Ex. 6:2) en dat er dus – althans vanuit een Bijbels standpunt – geen verering van Jahwe kan zijn vóór de exodus. Nog verder dit punt doorredenerend kan er geen verering van Jahwe zijn, voordat de Mozaïsche opvatting zich heeft doorgezet, wat pas in het tijdperk koningen (met David) het geval is. Pas dan is er een volk dat kan worden aangeduid als het ‘volk van Jahwe’, wat zijn hoogtepunt heeft in de bouw van de tempel door Salomo. Hierbij kunnen we de opmerking van Michael Astour voegen: “hieroglyphic rendering corresponds very precisely to the Hebrew tetragrammaton YHWH, or Yahweh, and antedates the hitherto oldest occurrence of that divine name – on the Moabite Stone – by over five hundred years.”

Het verschil van ruim vijfhonderd jaar is maar al te bekend van de these van Velikovsky. In zijn hypothese is Mesha van de Stele van Mesha (https://en.wikipedia.org/wiki/Mesha_Stele = de ‘Moabite Stone’) gelijktijdig met Amenhotep III en Achnaton, de schrijvers en ontvangers van de brieven van el-Amarna, in de conventionele chronologie geschreven tussen 1410 en 1370, maar in zijn chronologie tussen 870 en 840, ten tijde van koning Jehosaphat (NBG: Josafat, zie 1 Kon. 22:41, de zoon van Asa, werd koning over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël). (AiC 219) Deze naam Jehosaphat betekent ‘Jahwe is de rechter’ of ‘iemand, die oordeelt in de naam van Jahwe’. Deze koning zond Levieten door de steden van Juda met een ‘boek van de wet van Jahwe’ om het volk te leren (2 Kron. 17:9) en vestigde een gerechtshof voor de ‘rechtspraak van Jahwe’ in Jeruzalem (2 Kron 19:8-10). (AiC 224). Dus eigenlijk pas met de hervormingen ingevoerd door Josafat kunnen we spreken van een land en volk van Jahwe. Dit is om het verschil aan te geven met het land Israël, het rijk onder Achab, waar Baal werd vereerd. Wij spreken over Juda en de Judeeërs om net als de bijbel daarmee het kleine Zuidrijk aan te duiden.

Amenhotep ging in zijn vierde jaar op krijgstocht naar Nubië, vestigde daar zijn macht, bouwde er tempels, onder meer de aan hemzelf en zijn god Amon-Ra gewijde tempel te Soleb. In een artikel op de site van de Wachttoren (https://wol.jw.org/nl/wol/d/r18/lp-o/2010328) wordt erover gezegd:

Farao Amenhotep III wijdde de tempel, die hij gebouwd had, aan de god Amon-Ra. De tempel was ongeveer 120 meter lang en stond op de westelijke oever van de Nijl. Hiërogliefen, die de voetstukken van zuilen in een van de zalen sieren, vermelden de namen van gebieden, die Amenhotep beweerde onderworpen te hebben. Elk gebied wordt vertegenwoordigd door een gevangene met achter zijn rug gebonden handen en een schild, waarop de naam van zijn land of volk gegraveerd staat. Te midden van die hiërogliefen staan ook de gebieden van een aantal van de zogenoemde Sjasoe of Sjosoe volken. Wie waren de Sjasoe?

Sjasoe was de algemene naam, die de Egyptenaren aan de bedoeïenen gaven, verachte stammen, die voorbij de oostgrens van Egypte woonden. De gebieden van de Sjasoe besloegen Zuid Palestina, Zuid Transjordanië en Sinaï. Sommige onderzoekers zeggen, dat de gebieden, die volgens de beschrijvingen van de Sjasoe waren, zich in het noorden helemaal uitstrekten tot Libanon en Syrië. De lijst van onderworpen gebieden, die in Soleb te zien zijn, omvat er een, dat op verschillende manieren gelezen is: als „Jahwe in het Sjosoeland”, als „Het Sjasoeland van Jahoe” of als „Land van de Sjasoe-jhw”. De egyptoloog Jean Leclant zegt, dat de naam, die gegraveerd lijkt te staan op het schild in Soleb „overeenkomt met het ‘tetragram’ van de god van de Bijbel, JHWH”.

De meeste geleerden denken, dat de naam Jahoe of Jahwe in deze en soort gelijke contexten moet slaan op een plaats of een district. De wetenschapper Shmuel Ahituv zegt, dat de inscriptie een aanduiding is voor „het gebied, waar de clan van de aanbidders van Jahoe, de God van Israël, rond zwierf”. Als zijn conclusie juist is, zou de plaatsnaam gewoon een van diverse oude Semitische voorbeelden zijn van een naam, die zowel een plaats als de god er van identificeert. Een ander voorbeeld is Assur, dat een aanduiding is voor het land Assyrië en zijn oppergod.

Over de inscriptie in de tempel in Nubië zegt de Bijbel geleerde en archeoloog Roland de Vaux: „In een streek, waarmee de voorvaders van Israël zo veel connecties hadden, was er reeds halverwege het tweede millennium v.Chr. een geografische of etnische naam, die sterk overeen kwam, zo niet identiek was, met de naam van de God van Israël.”

Soleb is niet de enige plaats in Nubië, waar de naam Jahwe in Egyptische hiërogliefen voorkomt. Vermoedelijke kopieën van de lijst van Soleb worden ook aangetroffen in tempels van Ramses II in Amara West en in Aksja. In de opsomming van Amara blijken de hiërogliefen voor „Jahwe in het Sjosoeland” dichtbij die voor andere gebieden van de Sjosoe te staan, mogelijk Seïr en Laban. De Bijbel associeert die gebieden met Zuid Palestina, Edom en Sinaï.

Tot zover het artikel van de Wachttoren.

Veel info over Amenhotep III (in het Frans): http://antikforever.com/Egypte/rois/amenhotep_III.htm. Verder https://sites.google.com/site/historyofancientegypt/queens-of-egypt/queen-tiye.

Meer over de Shasu, zie https://chrisreimersblog.com/2013/06/18/yahweh/.

Deze blog bevat een artikel genaamd ‘The Name Yahweh in Egyptian Hieroglyphic Texts’ van Charles Aling, Clyde Billington en Gordon Govier, waarin Aling, een Egyptoloog en voorzitter van de geschiedenis afdeling van Noordwest College (St. Paul, MN), en de primaire schrijver van dit artikel, tot de conclusie komt: “that the Shasu of Yahweh, who are mentioned in the topographical texts at Soleb and Amarah-West, were the Israelites, who by about 1400 BC had settled into their own land in the mountains of Canaan.”

Met die Israëlieten bedoelt hij de zo juist uit Egypte ontsnapte groep, wat natuurlijk niet te verenigen is met de gewoonlijke opvatting, dat de exodus plaats vond in de tijd van Ramses II of later. Het is geen doordacht idee, meer een hopeloze poging iets te maken van iets, waar gewoon geen kaas van te maken valt.

De site verwijst door naar een ander belangrijk artikel, dat wordt gegeven op dezelfde site, zie http://www.biblearchaeology.org/post/2010/03/08/The-Name-Yahweh-in-Egyptian-Hieroglyphic-Texts.aspx. In dit artikel wordt wezenlijk hetzelfde, maar dan uitgebreider verteld. Het resultaat is hetzelfde: er bestond eens een groep Shasu Bedoeïenen c.q. nomaden, die in Syrië c.q. Palestina woonden, die verbonden waren met hetzij een god of een plaats genaamd Jahwe. Ook was deze naam Jahwe bekend aan de Egyptenaren van de 18e dynastie tijdens de regering van Farao Amenhotep III. Meer kan eigenlijk niet worden gezegd en de rest blijft een mysterie (de conclusie bevat voor de rest alleen vragen). Alleen is er nog de opmerking, dat het ‘significant’ is, dat er geen vermelding van de Shasu van Jahwe in Egyptische teksten is ouder, dan de regering van Amenhotep III (gevolgd door meer vragen).

De hervormingen van Josafat waren van grote betekenis voor de identiteit van het rijk Juda ten opzichte van het rijk Israël. Pas nu gingen deze Judeeërs zich zelf aanduiden als de volgelingen van Jahwe, ter onderscheiding van de volgelingen van Baal en Astarte te vinden in het rijk Israël. Josafat was echter verbonden door huwelijk met Achab, de koning van Israël, en trekt met hem op ten strijde, zoals verteld in 2 Kron. 18:1-3. Het loopt niet goed af voor hen, maar Josafat komt er zonder kleerscheuren van af en krijgt dan bezoek van een ziener (19:1-3), die hem verwijt de slechte (d.w.z. de koning van Israël, die een vereerder is van Baal) te steunen. Kort daarop neemt Josafat ‘maatregelen om de ware religie van Jahwe te verspreiden’, zoals het kopje van deze paragraaf luidt in de JB (Jerusalem Bible).

Vermeldingen van de Shasu zijn wel ouder dan de tijd van Amenhotep III, want reeds zijn illustere voorganger Amenhotep II bracht een flink aantal gevangen Shasu mee van zijn Aziatische expeditie. In Velikovsky’s schema is Amenhotep II Zerach (2 Kron. 14:9), die werd verslagen door Asa en moest vluchten met achterlating van een enorme buit. Dit sluit niet uit, dat hij op zijn terugweg naar Egypte nog een paar duizend Shasu kan hebben gevangen genomen of reeds op de heenweg gevangenen naar Egypte heeft gestuurd.

De Shasu onder Ramses II

We komen nu bij de volgende interessante vermelding van de Shasu, n.l. bij de slag bij Kadesh. Deze slag is door Velikovsky uitgebreid behandeld in zijn ‘Ramses II and his time’ (1978, 1-36), maar juist het begin heeft hij achterwege gelaten. Hij begint (op p. 20) op het moment, dat Ramses II de stad al dicht genaderd is en in de gereedstaande val loopt. Ik heb zelf een verslag gemaakt van de slag bij Kadesh (gebaseerd op o.a. Gardiner, 260). Ramses II werd in de val gelokt door twee Bedoeïenen, die zich uitgaven voor overlopers en hem wijs maakten, dat de vijand nog ver weg is. Hierdoor misleid rukte Ramses op met de Amon divisie, op enige mijlen gevolgd door die van Re, terwijl de divisie van Ptah nog verder terug was. De divisie van Sutekh was zelfs zo ver achterop, dat zij in het geheel niet meer mee deed aan hetgeen ging gebeuren. Ramses sloeg zijn kamp op ten noorden van de stad. De troepen van de vijand bleken echter verstopt achter de stad en vielen langs de zuidkant de divisie van Re aan. Deze raakte in verwarring en vluchtte noordwaarts naar Ramses, achtervolgd door de vijand.

Het gaat om de twee Bedoeïen, die Ramses in de val lieten lopen. Dat waren twee Shasu. John A. Wilson, “The Texts of the Battle of Kadesh”, in The American Journal of Semitic Languages and Literatures, Vol. 34, no. 4, July 1927, p.278 zegt over het begin van de veldslag:

As Ramesses and the Egyptian advance guard were about 11 kilometers from Kadesh, south of Shabtuna, he met two Shasu nomads, who told him that the Hittite king was “in the land of Aleppo, on the north of Tunip” 200 kilometers away, where, the Shasu said, he was “(too much) afraid of Pharaoh, L.P.H., to come south.” This was, state the Egyptian texts, a false report ordered by the Hittites “with the aim of preventing the army of His Majesty from drawing up to combat with the foe of Hatti.” An Egyptian scout then arrived at the camp bringing two Hittite prisoners. The prisoners revealed, that the entire Hittite army and the Hittite king were actually close at hand…’ (https://www.wikizero.com/en/Battle_of_Kadesh) Kemetic scouts then returned to his camp bringing two new Hittite prisoners. Ramesses II only learned of the true nature of his dire predicament, when these spies were captured, beaten and forced to reveal the truth before him. Under torture, the second group of spies revealed, that the entire Hittite army and the Hittite king were actually close at hand: When they had been brought before Pharaoh, His Majesty asked, ‘Who are you?’ They replied ‘We belong to the king of Hatti. He has sent us to spy on you.’ Then His Majesty said to them, ‘Where is he, the enemy from Hatti? I had heard, that he was in the land of Khaleb, north of Tunip.’ They of Tunip replied to His Majesty, ‘Lo, the king of Hatti has already arrived, together with the many countries, who are supporting him… They are armed with their infantry and their chariots. They have their weapons of war at the ready. They are more numerous, than the grains of sand on the beach. Behold, they stand equipped and ready for battle behind the old city of Kadesh. (Joyce Tyldesley, Ramesses II: Kemet’s Greatest Pharaoh, Penguin Books, 2000. pp.70-71.)

In his haste to capture Kadesh, Ramesses II committed a major tactical error. He increased the distance between his Amun brigade and the remaining Re, Ptah and Seth divisions, thereby splitting up his combined forces. When they were attacked by the Hittites, Ramesses II complained of the failure of his officials to dispatch scouts to discover the true location of the Hittites and reporting their location to him. (Santosuosso, Antonio, “Kadesh Revisited: Reconstructing the Battle Between the Egyptians and the Hittites ” The Journal of Military History, Vol 60 no. 3, July 1996.) The pharaoh quickly sent urgent messengers to hasten the arrival of the Ptah and Seth divisions of his army, which were still some distance away on the far side of the River Orontes. Before Ramesses could organize his troops, however, Muwatalli’s chariots attacked the Re division, which was caught in the open and almost destroyed. Some of its survivors fled to the safety of the Amun camp, but they were pursued by the Hittite forces. The Hittite chariotry crashed through the Amun camp’s shield wall and began their assault. This created panic among the Amun troops as well. However, the momentum of the Hittite attack was already starting to wane, as the impending obstacles of such a large camp forced many Hittite charioteers to slow their attack; some were killed in chariot crashes (Mark Healy, Armies of the Pharaohs, Osprey Publishing, 2000. p. 62.) http://www.worldafropedia.com/wiki/index.php?title=Battle_of_Qadesh&mobileaction=toggle_view_mobile.

We weten veel van deze twee Shasu, want ze zijn afgebeeld op het bovenaan staande reliëf te Karnak, waarop een tweetal geknielde mannen met in smeekgebaar opgeheven handen worden omringd door een vijftal duidelijk kleinere, met stokken bewapende Egyptenaren, waarvan één een Shasu slaat. Volgens het rapport werden de Hittieten gemarteld om inlichtingen te geven, maar de twee Shasu werden natuurlijk ook in eerste instantie gevangen genomen, d.w.z. ze lieten zich gevangen nemen en deden, alsof ze deserteurs waren; dus op het plaatje roepen ze als het ware: stop met slaan, we willen aan jullie kant komen. En deze list werkte. De twee werden geloofd en Ramses liep in de val. We mogen dus concluderen, dat deze Shasu zeer listige lieden waren. Ook valt op, dat alleen de term Shasu wordt gebruikt, het ‘van Jahwe’ deel is verdwenen om vrijwel niet meer terug te komen. We zien het echter nog wel in de tijd van Ramses II, zoals op onderstaande afbeelding.

The Shasu of YWH (foto Ancient Aliens)

The Shasu of YWH (foto Ancient Aliens)

De twee Shasu mannen op de bovenaan staande afbeelding zijn op hun knieën gezeten (eigenlijk een soort knieloop: met het ene been geknield en het andere in loopstand) net zo hoog als de mannen, die met de stokken om hen heen staan. Dit feit is ook anderen opgevallen. En zo kwam ik terecht bij de zgn. papyrus Anastasi 1 (http://www.reshafim.org.il/ad/egypt/texts/anastasi_i.htm), een papyrus uit het Nieuwe Rijk, waarin de Shasu voorkomen onder de naam Shosu en wel met vier vermeldingen. Het is onduidelijk, hoe serieus we de berichten moeten nemen. Het lijkt om reisadviezen te gaan. De eerste twee vermeldingen zijn in één paragraaf:

“Thou hast never set forth to Kadesh and to Debekh. Thou hast not gone to the region of the Shosu with the troops of the army. Thou hast [not] trodden the way to the mgr, (where) the sky is dark by day, and it is overgrown with cypresses (?) and oaks and cedars that reach the heavens; (where) lions are more plenteous than leopards and hyenas(?), and (it) is girt about with Shosu on (every) side.”

Het commentaar voegt bij, dat Debekh oftewel ‘dbx’, Tubikhi in de Amarnabrieven is, een stad waarschijnlijk ten zuiden van Damascus. Dit laatste is waarschijnlijk gebaseerd op de identificatie van Kadesh als stad aan de Orontes [zie hierover RII, 13-14: Karchemish aan de Eufraat]. Aangezien de schrijver in zijn opsomming ook de rivier Jordaan vermeldt en het in het boven aangehaalde fragment gaat over enorme bomen lijkt de Libanon bedoeld. De reis lijkt op de tocht van Ramses, die door dezelfde gebieden ging. [Ik moet de tekst nog analyseren, maar reeds nu heb ik het idee, dat het niet een literaire, maar een historische tekst is, etc.]

Verderop in de papyrus lezen we over de Shosu: “Thy groom has awoke in the night, and marked what he has done (?); he takes what remains and joins (the ranks of) the wicked, he mingles with the people of the Shosu and disguises himself as an Asiatic.”

Dit gaat over een man, die is overgelopen naar de vijand (van Egypte), die omgaat met de Shosu en zich heeft vermomd of verkleed als een Aziaat.

De laatste vermelding betreft de gevaren, die onderweg loeren: “The (?) narrow defile is infested (?) with Shosu concealed beneath the bushes; some of them are of four cubits or of five cubits, from head (??) to foot (?), fierce of face, their heart is not mild, and they hearken not to coaxing. Thou art alone, there is no helper (?) with thee, no army behind thee.”

Dit is de meest opmerkelijke paragraaf, want de Egyptische el zou 50 cm zijn, wat de Shosu 2 meter tot 2,50 meter maakt. Wanneer we echter naar de afbeelding van de Shasuspionnen op de muur van Karnak kijken, dan is dit niet meer onwaarschijnlijk: de Shasu, althans sommige van hen, zijn heel lang. En uit hun spionnen geschiedenis kunnen we afleiden, dat ze ook heel doortrapt zijn.

In het schema van Velikovsky is Ramses II dezelfde als Necho II en leefde hij in dezelfde tijd als de profeet Jeremia, die optrad van het 13e jaar van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, tot de val en deportatie van Jeruzalem in 587. In 2:16 heeft hij het over een actie, waarbij de mensen van Nof en Tafanhes hun [i.e. Israëliërs] schedels hebben geschoren. Volgens JB is dit een referentie aan de Egyptische interventie van 608-605 (wat we kunnen zien als Ramses II in jaar 2, waarin hij Gaza verovert, en jaar 5, de slag bij Kadesh).

Jeremia is de zoon van Hilkia, de hogepriester, die van koning Josia, in diens 18e jaar, de opdracht kreeg om het zilver van de Tempel van Jahwe te nemen en daarmee de reparatie van de Tempel te bekostigen, waarop deze Hilkia bekend maakte het ‘Boek van de Wet’ te hebben gevonden in de tempel van Jahwe. Dit is naar we mogen aannemen hetzelfde boek als het boven genoemde ‘boek van de wet van Jahwe’ van Josafat. Als Josia het boek onder ogen krijgt en de inhoud er van verneemt, is hij zeer geschokt en beveelt Hilkia, Sjafa zijn secretaris, Asaja zijn minister en nog twee mannen Jahwe te gaan raadplegen betreffende dit boek. Deze vijf gaan naar Hulda de profetes, die in Jeruzalem in de Nieuwe Stad woont, die zegt, dat alles, wat in het boek staat geschreven, zal uitkomen – maar, omdat Josia geschokt is en tot inkeer gekomen, zal het niet tijdens zijn leven zijn. Toen de koning dit antwoord kreeg, ging hij naar de Tempel en las daar het hele ‘Boek van de Wet’ voor, dat was gevonden in de Tempel van Jahwe. De koning stond naast de zuil [Jakin of Boaz?] en in de tegenwoordigheid van Jahwe maakte hij een verbond om Jahwe te volgen en zijn geboden te houden. En heel het volk trad tot het verbond toe.

Daarop heeft er een religieuze hervorming plaats, worden alle cultus objecten verbonden met Baal, Asjera en de rest van het hemelse leger buiten Jeruzalem verbrand en de lieden, die zich met deze praktijken verbonden hadden, ontslagen. Zo was er in de Tempel van Jahwe een heilige paal (gewijd aan Baal) opgericht, die Josia liet verbranden en ook liet hij het huis slopen van de heilige mannelijke prostituees, dat in de Tempel was en waar de vrouwen kleren voor Asjera weefden. De zon was – net als in Egypte ten tijde van Achnaton – een belangrijke bron voor verering. De koningen van Juda vóór Josia hadden paarden [van brons] gewijd aan de zon opgesteld aan de ingang van de tempel, compleet met rijtuig. Zelfs een door Salomo voor Astarte van Sidon, voor Chemosh de god der Moabieten en voor Milcom van de Ammonieten gebouwde tempel liet hij slopen en liet heilige zuilen verbrijzelen, de heilige palen omhakken en de plaatsen met menselijke beenderen bedekken. Bij dit laatste geeft de JB als uitleg: ‘om ze voor eens en altijd te verontreinigen’, maar ik vraag me af, van wie zijn die beenderen, welke mensen? Het moeten de eigen mensen zijn, want even verderop (2 Kon. 23:16) wordt gesproken over Josia, die graven ziet op de heuvel – dit zijn dus allemaal Astarte vereerders. En hij laat de beenderen er uit halen en verbranden. Josia trekt het land Juda door en ook Samaria en overal laat hij de altaren vernielen, ontheiligen en de priesters afslachten. Terug in Jeruzalem laat hij daar het paasfeest vieren. Dit is de enige keer, dat dat gebeurde, in zijn 18e jaar, i.e. in -622.

Tijdens zijn regering was Farao Neco op weg van Egypte naar de koning van Assyrië bij de rivier de Eufraat, toen koning Josia hem onderschepte; maar Neco doodde hem te Meggido bij het eerste treffen. Zijn dienaren brachten zijn lichaam per rijtuig weg uit Meggido naar Jeruzalem, waar hij werd begraven in zijn eigen graf. Hij was 39 jaar oud; zijn 23 jarige zoon Joachaz volgde hem op. Deze regeerde slechts drie maanden. Toen werd hij door Farao Neco in de boeien geslagen te Riblah en zijn broer Jojakim werd in zijn plaats aangesteld, terwijl Joachaz werd meegenomen naar Egypte (2 Kon. 23:33-34) [Om daar te worden afgebeeld op een reliëf?].

Citaat: ‘The New Kingdom inscriptions which refer to “the Land of the Shasu of Yahweh” are found in two topographical lists. The lists are found inscribed on the walls of temples, one at Soleb and the second at Amarah-West.’ (https://chrisreimersblog.com/tag/egyptian-hieroglyphics/)

Merenptah binds the Shasu (foto Mike Luddeni)

Merenptah binds the Shasu (foto Mike Luddeni)

Een ander citaat, geheel in de conventionele chronologie: ‘However Yahweh was for some reason treated very differently. Clearly the Egyptians knew about Yahweh as can be seen in the Soleb and Amarah West topographical lists, but they did not worship him, and they apparently did not want to worship him. Nor was Yahweh equated to or identified with any Egyptian deity. There were no temples to Yahweh built by the Egyptians, nor were there any artistic representations made of him, or in fact even any discussions of him in Egyptian texts. It appears that the ancient Egyptians placed Yahweh into a category all by himself. To say the least, this is very strange for the syncretistic Egyptians. A possible explanation is that Yahweh was seen by the Egyptians as an enemy God, of an enemy tribal group which was a part of the hated Shasu peoples who lived north of Egypt.’ (https://chrisreimersblog.com/tag/egyptian-hieroglyphics/)

De geschiedenis van het Jahweïsme moet nog geschreven worden. Materiaal voor de bestudering van de geschiedenis van Jahwe is verzameld in de ‘YahwehNotes’, een PDF opgesteld door Dr. Michael Heiser. Een groot deel er van is uit het artikel Yahweh uit de ‘Dictionary of Deities and Demons in the Bible’ (DDD), geschreven door Karel van der Toorn, een van de drie editors van de DDD. (Leiden 1995, col. 1711-1730).

Vanuit de eigen doelstelling van het Jahweïsme, geformuleerd in het eerste gebod van Mozes, is een syncretisme van Jahwe met andere goden niet mogelijk. [Syncretisme is geloofsafval, vgl. de Duivelsverzen van Mohammed.] We hebben al gezien, dat daar waar het Jahweïsme de overhand krijgt – zoals ten tijde van Josafat en Josia overgegaan wordt tot een ware beeldenstorm (in de trant van de protestantse beeldenstormers en van ISIS). Alles wat met de verering van de sterren en planeten (Baal, Ashera, etc.) te maken heeft, wordt stuk geslagen en verbrand. Dit is niet bepaald iets, wat de Egyptenaren op prijs konden stellen! Die waren zeer gehecht aan hun goden, zoals wel bleek uit de reactie op de ‘hervormingen’ van Achnaton.

Nog een citaat: ‘In the Nubian city of Amara-West the remains of a temple of Ramses was uncovered. A list of 104 Asiatic names were discovered which names places in the Negeb, Edom, the city of Dor, and some think Jericho (Horn 1953, 201-3). One interesting name that was found is yhw which is “Yahweh” in Hebrew (Horn 1953, 201; Giveon 1964, 244). The line reads t3 s3sw yhw which I translate as “Yahweh of the land of the Shasu” (Horn 1953, 201; Giveon 1964, 244; Astour 1979, 17).’ (https://www.bibleandscience.com/archaeology/exodus.htm).

The Shasu (foto bibleandscience.com)

The Shasu (https://www.bibleandscience.com/archaeology/exodus.htm)

Over de bovenstaande afbeelding: ‘About 13 years ago the brilliant Anson Rainey suggested that Shasu pastoralists were depicted on a well-known relief of the Egyptian Pharaoh Merneptah (1209 BC) featured on one of the walls of the temples at Karnak in southern Egypt.’

Een andere opname van dezelfde groep Shasu op onderstaande afbeelding:

The Egyptian Pharaoh Merneptah Crushing His Shasu Foes (1209 BC)

The Egyptian Pharaoh Merneptah Crushing His Shasu Foes (1209 BC)

Vervolg citaat: ‘At least four Shasu are pictured as being trodden under by legs of the horse of Merneptah. Note their headdresses and pointed beards. He furthered noted that the Shasu pastoralists were active east of the Jordan River—from whence the Israelites entered Canaan—and that the Israelites may have been a sub set of these Shasu (reference below). Even if one does not follow Rainey in all of the details it would seem that the relief of Merneptah is about as close as we can get to a “photograph” of Israelites (or their cousins) from the Early Iron Age (1200–1000 BC)! https://holylandphotos.wordpress.com/2014/08/06/what-did-the-ancient-israelites-look-like/ (Rainey, Anson F. “Shasu or Habiru — Who Were the Early Israelites?” ‘Biblical Archaeology Review’ vol. 34, no. 6, November/ December 2008: 51–55.).

Mijn stelling is dus, dat deze Shasu niet de ‘Early Israelites’ zijn, maar de werkelijke Israëlieten uit de tijd van Merneptah, die farao Hofra is in de Bijbel (Jer.) en Apries bij Herodotus. Dat hij een ‘campagne’ had in het gebied van Israël weten we van de zgn. Israël stele, die door Velikovsky uitgebreid wordt behandeld in ‘Ramses II and his time’ (p. 191 e.v.).

Ik heb een beschrijving van de Shasu uit Redford (1992, 279) vertaald, die geheel in de conventionele chronologie redeneert: “…Reeds in de tweede helft van de 15e eeuw VC maken zij zo’n 36 % van de Palestijnse gevangen uit teruggebracht door Amenophis II… Ze worden steevast beschreven als verdeeld in ‘clans’, ieder bestuurd door een ‘hoofd’… Hun hang naar interne strijd lokte uitdrukkingen van verachting uit vanuit Egypte. Hun conflict met Farao en, in mindere mate, de plaatsvervangers van de laatste binnen de Kanaänitische vorstendommen kwam niet voort uit bezwaren tegen de belasting of de dienstplicht…, maar in hun welverdiende reputatie als rovers en boeven, wier gedragscode weinig genade met hun slachtoffers toeliet. Ze leefden in tenten, in bergachtige districten, ver van steden, waar wouden en roofdieren het reizen riskant maakten. Hun belangrijkste inkomensbron was hun vee en ze waren ook bekend om een aromatische gom, die zij mogelijk in het wild vonden. Maar hun leven moet de Egyptenaren zo Spartaans hebben geleken, dat ze verachtelijk aan hen refereerden als ‘levend als wilde dieren’.”

Dit zijn dus niet de Kanaänitische, maar de Israëlische vorstendommen, voor zover die nog bestonden, want het noordelijk rijk is in de periode van Farao Necho (Ramses II) reeds naar Assyrië afgevoerd, maar er is nog steeds het rijk Juda, waar zich de ware aanhangers van het geloof in Jahwe bevinden. Er bestaat een verhaal over verwantschap van de Spartanen met de Israëlieten (zie b.v. http://www.israelite.info/research/sourcedocumentsfiles/spartan.html en https://judaism.stackexchange.com/questions/12310/how-are-spartans-the-son-of-abraham). Het is belangrijk om niet te vergeten, dat deze Jahwe aanhangers gering in aantal waren ten opzichte van de Kanaänitische en Samaritaanse medebewoners en die stammen, die niet geloofden in Jahwe, maar in Baal en Astarte.

Op Wikipedia worden zes groepen van de Shasu onderscheiden. Allereerst zijn er de Shasu van Yhw, d.w.z. van Jahwe, dus de stam Juda in mijn optiek. Dan wordt er melding gemaakt van de Shasu van Rbn, wat dus de stam Ruben kan zijn, die in het Overjordaanse gebied woonde. De andere namen vereisen wat meer gepuzzel; in elk geval is de benaming Shasu van Seïr geen correcte invulling van Shasu van S’rr, zoals Wikipedia het weergeeft. Seïr ligt in Edom en valt buiten het gebied van de Shasu, die noordelijker verblijven. Allerlei Bijbelse teksten, dat Jahwe van Edom komt, etc. zijn totaal niet relevant, want zeggen niets over de herkomst van de Jahwe godsdienst, maar over de aanvliegroute van de planeet, die in een bepaalde baan over de aarde komt en daar rampen aanricht. Voor het gebruik van dergelijke teksten, zie b.v. https://www.wendag.com/forum/showthread.php/928-The-Midianite%E2%80%93Kenite-Hypothesis-Revisited-and-the-Origins-of-Judah.

Er was een voortdurende onderlinge strijd van de Israëlieten met elkaar, maar ook met de andere, niet Israëlitische bewoners, ook na de terugkeer uit de ballingschap, waar we terecht komen in de periode, die door Velikovsky in zijn ‘Peoples of the Sea’ is behandeld. Hier hoort de afbeelding op Wikipedia van de gevangen Shasu, die is afgebeeld op Ramses III’s reliëf te Medinet Habu.

Shasu prisoner as depicted in Ramesses III's reliefs at Madinat Habu (foto Wikipedia)

Shasu prisoner as depicted in Ramesses III’s reliefs at Madinat Habu (foto Wikipedia)

De Shasu maakten onderdeel uit van de zogenaamde ‘zeevolken’. Dit is een ingewikkeld verhaal, dat ik nog moet uitzoeken, maar reeds nu heb ik hier het bewijs ook voor de theorie van Velikovsky. Zoals reeds gezegd noemt Velikovsky de Shasu slechts één maal geheel terloops. Het betreft een paragraaf uit ‘De Zeevolken’ over tempelarchitectuur en kunst, waarin hij zegt, dat het vanuit ons [= zijn] standpunt heel normaal is, dat de teksten op de Ptolemeïsche tempels erg lijken op de teksten van tempels van Ramses III. Jean Yoyotte, die de Ptolemeïsche tempel te Edfu bestudeerde, was verbaasd op de muren van deze tempel, afgebouwd door Ptolemeus VIII (Soter II), een tekst te zien, die spreekt over de koning, die zijn vijanden vernietigt, ‘de Meshwesh in stukken hakt, de Shasu afslacht, de Tjeker in de pan hakt.’ Yoyotte was verbaasd over dit gebruik van namen van volken, die de Egyptenaren bijna 1000 jaar eerder kenden en die zogenaamd al die tijd van het historische toneel waren verdwenen, lang voor Alexander de Grote. Een inscriptie in de Kom Ombo tempel spreekt over de Meshwesh, de Shasu, de Tjeker, de vijanden bekend van de oorlogen van Ramses III. Yoyotte schrijft: ‘Bij de huidige stand van historische documentatie had de enige massale aanval tegen Egypte van de Tjeker, een van de Zeevolken, plaats tijdens de regering van Ramses III.’ Dus waarom zouden sommige Zeevolken met name genoemd en aangeduid als vijanden in de tempel van een van de latere Ptolemeeën? Het antwoord is – aldus Velikovsky: ‘De oorlog van de Zeevolken had plaats slechts een halve eeuw vóór Ptolemeus I, zoon van Lagus, een generaal van Alexander, op de troon van Egypte steeg en een nieuwe dynastie vestigde. De vraag, waarom de tempel van Medinet Habu de vernielingen van -663 en -525 overleefde, vindt een gereed antwoord: deze tempel werd niet rond -1180 opgericht, maar rond -370, en daarom ontkwam hij aan de vernielingen van Assurbanipal en Cambyses. Het andere probleem van de nauwe overeenkomst van de bouwwerken van Ramses III met de Ptolemeïsche vindt zijn verklaring in dezelfde oplossing. De referentie aan de volken opgesomd in het register van de binnenvallende Zeevolken op de tempels van de Ptolemeeën is dus eveneens niet verbazingwekkend.’ (PotS 1979, 80f.)

Hetzelfde antwoord kan gegeven worden op de vraag, hoe het komt, dat de Shasu, nadat ze bijna 1000 jaar niet meer genoemd zijn, ineens opduiken tussen de vijanden in de tempel van een der latere Ptolemeeën.

Aangezien mijn onderzoekingen nog voortgaan, is er geen einde voor dit artikel, dat voor een blog al tamelijk lang is. Aanvullende suggesties, verbeteringen of gefundeerde kritieken worden op prijs gesteld.

Nadat ik dit had geschreven (de 25e), ben ik door mezelf ingehaald, want het blijkt, dat Velikovsky ook in ‘Ramses II and his time’ melding maakt van de Shasu, d.w.z. Shosu, maar zonder opname in de index. Het betreft zijn bespreking van de stele van Merneptah. We bevinden ons in de periode na de val van Jeruzalem, als het merendeel van het volk van Juda is afgevoerd naar Babylon. Jeremia, in eerste instantie meegevoerd, was vrijgelaten en teruggekeerd. De tot gouverneur benoemde Gedalja werd door Jismaël vermoord (41:2), waarop de andere Joden, bang voor repercussies van de Babyloniërs, besloten naar Egypte te vluchten (41:17). Dit zijn, aldus 40:11, al de Judeeërs, die in Moab onder de Ammonieten, in Edom en in alle landen vertoefden, en die waren teruggekeerd uit de verstrooiing. Dus na de moord namen Jochanan, de zoon van Kareach, en al de legervorsten het gehele overblijfsel van Juda (zij ,die waren teruggekeerd uit de verstrooiing) en al de mensen die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, had achtergelaten, ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Neria, en zij trokken naar het land van Egypte, want zij luisterden niet naar de stem van Jahwe [die gezegd had, niet te gaan]; en zij kwamen tot aan Tachpanches. (43:5-7) Dit is in het kort beschreven aan het einde van het tweede boek Koningen (25:25-26). Door Velikovsky wordt dit verbonden met een bericht van een frontofficier, waarin wordt gezegd:

“We have finished letting the Shosu tribes of Edom pass the fortress of Meneptah-hotiphima‘e, which are in the Tjeku-nome, in order to sustain them and sustain their flocks through the good pasture of Pharao life prosperity, health!, the good sun of every land.” (Caminos, Late-Egyptian Miscellanies, Oxford 1954, 293)

Hetzelfde in de vertaling van Israel Finkelstein and Neil Asher Silberman, The Bible Unearthed (The Free Press, New York, 2001, 58: “We have completed the entry of the tribes of the Edomite Shasu [i.e., bedouin] through the fortress of Merneptah-Content-with-Truth, which is in Tjkw, to the pools of Pr-Itm which [are] in Tjkw for the sustenance of their flocks.”

Volgens Velikovsky is Tachpanches (Tahpanhes in het Engels), waar volgens Jeremia (43:9) een paleis van de farao was, Tjeku, de grensstad van de oostelijke delta. Dit komt niet overeen met de plek, waar Tjeku gewoonlijk wordt gelokaliseerd (zie kaartje, waar Daphné, i.e. Tachpanches, hoger ligt: https://en.wikipedia.org/wiki/Wadi_Tumilat), dus dat moet ik nog verder uitzoeken, evenals de verbinding met het kanaal van Necho II, die naar wij weten de alter ego van Ramses II was.

Ik wil het hierbij laten voor het moment, want er zitten vele kanten aan deze discussie. Zo stuitte ik op de blog van Michael Heiser (http://drmsh.com/antisemitic-bible-study/), waaruit blijkt dat ook antisemitische schrijvers (Makow bijv., zie mijn artikel over de Protocollen van de Wijzen van Sion: http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-protocollen-van-de-wijzen-van-zion-pro-en-contra/) zich met het onderwerp bezig houden, uiteraard naar mijn mening op basis van verkeerde argumenten, n.l. de conventionele chronologie, die de Egyptische vermeldingen in 1400 v.C. dateert, in een tijd, waarin volgens diezelfde chronologie de uittocht nog moest plaatsvinden.

http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky

Leave a comment

Your email address will not be published.

*