Micha Kat – Lees mee met vluchteling Micha Kat (60): Harry Mulisch | De Aanslag

De oorlog was prominent aanwezig in ons gezin en in het dagelijks leven in ons rijtjeshuis in Eindhoven. Bijna elke dag kwam de oorlog wel ter sprake. In de bibliotheek van mijn ouders van rond de 6000 titels nam de oorlog natuurlijk ook een voorname plaats in. Als klein kind bracht ik uren door voor die rijen boeken -natuurlijk met de witte banden van de ‘wetenschappelijke editie’ van de serie Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van prof. Lou de Jong als de meest prominente eye catcher. Mijn ouders hadden een ‘abonnement’ op deze serie en ik herinner me nog goed, dat weer een postpakket werd bezorgd met het zoveelste deel (24b). Dat waren bijna sacrale momenten, waarin niet alleen het boek zelf uit het karton te voorschijn kwam, maar ook alle omgekomen joden. Deze lijvige boeken waren voor mij als kind nog ontoegankelijk, maar gelukkig hadden we ook de vijf handzame pockets van zijn tv serie De Bezetting, die wel uiterst geschikt waren voor het ‘leergierige kind’: ik kende ze reeds op mijn achtste zowat uit mijn hoofd. De drie dikke delen van de Weinreb zaak (grijs, groen en oranje), Ben Sajet, het Memorboek, Opkomst en Ondergang… als ik mijn ogen sluit is het, alsof ik weer voor die boekenkasten loop. Het gaat hier allemaal non fiction werken. De roman De Aanslag van Harry Mulisch uit 1982 doorbrak de muur van ‘sacrale wetenschap,’ die tot die tijd eigenlijk alles wat met de oorlog te maken had bepaalde en ‘opende’ de problematiek van collaboratie en verzet voor ‘het grote publiek’, met name ook door de zeer succesvolle verfilming uit 1986, die zowel een Oscar als een Golden Globe won.

In essentie gaat het boek over de zoektocht van Anton Steenwijk naar wat er in de oorlog daadwerkelijk is gebeurd met zijn famile, nadat voor hun huis het lijk is aangetroffen van een door het verzet vermoorde NSB’er, de Duitsers zijn ouders en broer executeren en zijn huis in brand steken. Voor de huizen van mijn familie – dan gaat het natuurlijk om die van mijn grootouders – is nooit het lijk van een vermoorde NSB’er aangetroffen, dat weet ik zeker. Maar wat er dan wel allemaal is gebeurd in de oorlog met mijn familie en mijn ouders, die toen jonge kinderen waren, dat is mij nooit duidelijk geworden. Op diverse plaatsen in deze serie heb ik hierover het een en ander verteld. Anton Steenwijk ontdekt de dramatische waarheid stap voor stap in de periode tot 1981 vooral via ontmoetingen met allerlei mensen, die een betrokkenheid hebben bij wat er destijds is gebeurd. Ik heb de waarheid nooit ontdekt, waarschijnlijk omdat de geheimen, die verborgen moeten blijven te groot zijn – of omdat ik de ‘juiste mensen’ nooit heb ontmoet. Wat was de werkelijke rol van mijn grootvader van vaders kant, die na de oorlog zou uitgroeien tot de hoogste vrijmetselaar van Nederland? Het ‘officiële’ verhaal is natuurlijk, dat hij een verzetsheld was, die als arts vele joden ‘redde van transport’ door ze medische verklaringen mee te geven, dat ze besmet waren met allerlei enge ziektes. Dit wordt zelfs beschreven in de genoemde serie van Lou de Jong. Ook is er een verhaal, dat hij vlak voor de bevrijding werd gearresteerd en afgevoerd naar concentratiekamp Amersfoort, maar dat het ‘toen al zo’n chaos was, dat er geen vervolgtransport meer kon plaatsvinden naar de vernietigingskampen’. Mijn oma vertelde, dat hij in mei 1945 ‘opeens weer voor de deur stond’ – hij was komen lopen vanaf Amersfoort. Met mijn kennis van nu zet ik wel enige vraagtekens bij beide verhalen, net zo als bij het verhaal, dat in het huis van mijn moeder een ‘joodse onderduiker’ zou hebben gezeten, ene ‘tante Saar’. Ook is er het dramatische verhaal van mijn oma van moederskant, dat zij bij een bezoek aan het Joodse hospice, waar haar Joodse man lag te sterven, werd geconfronteerd met een razzia van de Duitsers, waarbij al het Joodse bezoek werd meegenomen om te worden vergast. Mijn moeder als klein meisje ging met haar mee en mijn oma wist haar te verbergen onder het bureau van de portier van het hospice – zo zou ze zijn ‘ontkomen’. Ze vertelde ons dan, dat ze met kloppend hart van angst na de razzia naar de loge liep van de portier om te kijken, of mijn moeder er nog was. ‘Van afstand zag ik het bolletje op de pluim van haar muts onder het bureau uitkomen en toen wist ik, dat ze er nog was’. Hoe mijn oma zichzelf wist te redden vermeldde het verhaal niet. Als kind werd mij verteld, dat mijn vader was ‘ondergebracht’ bij een katholiek gezin in Twente als ‘katholiek kind,’ maar hij heeft nooit de boerderij willen laten zien, waar hij in de periode woonde. Mijn moeder werd – zo luidde weer een ander verhaal – als kind ‘ingezet’ door het verzet als ‘koerier’ met in haar manteltje ‘vervalste persoonsbewijzen,’ die zij dan als kleuter moest afleveren op bepaalde adressen. Er zijn veel meer van dit soort verhalen. Het is allemaal too dramatic, too perfect, maar ik heb het nooit aangedurfd dit alles te onderwerpen aan een ‘journalistiek onderzoek’. Wellicht komt dit mede, omdat ik me reeds vroeg realiseerde, dat het ergens niet fair is mijn ouders de morele plicht op te leggen de waarheid te spreken over de jaren 1940-1945. Het is allemaal gewoon te emotioneel, te indringend en de menselijke geest gebruikt de fantasie nou eenmaal als een van de belangrijkste methodes om bepaalde traumatische gebeurtenissen te kunnen verwerken. Wat ik wel zeker weet, is, dat mijn drang de waarheid te achterhalen zijn wortels vindt in de onzekerheid, die ik al als kind voelde bij wat mijn ouders vertelden over de oorlog, een drang, die ik later als journalist gelukkig naar hartenlust heb kunnen botvieren en die nu, op het moment, dat ik dit schrijf, mede heeft geleid tot het exposen van Joris Demmink. Het vermoorden van baby’s door machtige perverts, die worden beschermd door de complete macht van de staat – ja, hiermee zijn we dan direct weer terug in de donkere dagen van de oorlog. Er is opnieuw sprake van een holocaust – ik heb het op mijn websites al jaren geleden aangekondigd – nu niet van Joden, maar van baby’s en kinderen.

In 1981 komt Anton Steenwijk er achter, dat het lijk van de NSB’er die niet voor hun huis is vermoord maar voor dat van hun buren, de familie Korteweg, juist bij hun op de stoep werd gedumpt omdat de andere buren Joodse onderduikers hadden. De familie Kortweg wist dit wel en de familie Steenwijk niet. Door het lijk voor het huis van zijn ouders te leggen, wilde de familie Korteweg het leven van de Joodse onderduikers van de andere buren redden. Ik kan me voorstellen, dat het heel belangrijk voor iemand kan zijn dit soort waarheden te ontdekken, omdat ze antwoorden geven op cruciale vragen, waar iemand zijn hele leven mee kan worstelen. In mijn geval speelt dat allemaal niet – geen lijken voor de deur, geen executies van ouders. Voor mij was het veel makkelijker alles te laten rusten, mijn eigen leven op te bouwen en vorm te geven zonder verder te gaan lopen wroeten in een verleden, waarin zonder enige twijfel vele lijken in vele kasten liggen… want dat is altijd zo.

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/?s=Micha+Kat
https://mijnlevenin100boeken.com/
https://robscholtemuseum.nl/?s=Harry+Mulisch
https://robscholtemuseum.nl/?s=Joris+Demmink

1 Comment

  1. Van koetsbeen 24 maart 2019 at 00:13

    wat een fantastische artikelenreeks, leer deze nu pas kennen. Erg leuk. Ga zo door

Comments are closed.