Cor Hendriks – Richard Deacon, meester van disinformatie (with English translation in PDF)

Spionnen zijn meesters in het liegen en bedriegen. Een van de middelen, die zij tot hun beschikking hebben, is het verspreiden van zogenaamde disinformatie, zeg maar leugens. Een goede leugen, dat wil zeggen, een leugen, die gemakkelijk geloofd wordt, is gebaseerd op ware gegevens, zodat bij nader onderzoek de leugen niet ontmaskerd wordt.

Voor spionnen is het een heel normale zaak om zelf disinformatie te verstrekken in ruil voor goede informatie van de tegenpartij. Maar wat gebeurt er, wanneer een voormalig spion journalist wordt en schrijver van populair-wetenschappelijke boeken? Zal hij dan nog steeds waar dat uitkomt disinformatie verstrekken?

Richard Deacon is eigenlijk Donald McCormick (1911-1998), een Britse journalist, die als spion werkzaam was tijdens de Tweede Wereldoorlog, en daarna journalist voor de Sunday Times werd en een grote hoeveelheid boeken schreef. WorldCat spreekt van 65 werken in 400 publicaties, want veel van zijn werken zijn vertaald of meermaals uitgegeven. De meeste van zijn boeken betreffen de spionage business. Een onvolledige lijst wordt gegeven door Wikipedia:

· The Identity of Jack the Ripper. London: Jarrolds, 1959.
· The Mystery of Lord Kitchener’s Death. Putnam, 1959.
· Temple of Love. New York: Citadel Press. 1965.
· The Red Barn Mystery: some new evidence on an old murder. London: John Long, 1967.
· John Dee: Scientist, Geographer, Astrologer and Secret Agent to Elizabeth I. London: Muller, 1968.
· Murder By Witchcraft. London: Long, 1968.
· A History of the British Secret Service. London: Muller, 1969. New York: Taplinger, 1970. Reprinted in paperback, London: Grafton, 1991.
· Murder by Perfection: Maundy Gregory, the Man Behind Two Unsolved Mysteries?. London: Jarrolds, 1970.
· A History of the Russian Secret Service. New York: Taplinger, 1972. London: Muller, 1972.
· The Chinese Secret Service. New York: Taplinger, 1974. [pb] Revised and updated. London: Grafton Books, 1989.
· The Hell-Fire Club: the story of the amorous Knights of Wycombe. London: Sphere,1975.
· Matthew Hopkins: Witchfinder General. London: F. Mueller, 1976.
· The Israeli Secret Service. London: Hamish Hamilton, 1977.
· The Silent War: A History of Western Naval Intelligence. Newton Abbot, UK: David & Charles, 1978. New York: Hippocrene Books, 1978.
· The British Connection: Russia’s Manipulation of British Individuals and Institutions, London: Hamish Hamilton. 1979. Later withdrawn.
· Escape! London: BBC, 1980.
· Love In Code, or, How to Keep Your Secrets. London: Eyre Methuen, 1980.
· Kempai Tai: A History of the Japanese Secret Service. London: Muller, 1982. New York: Beaufort Books, 1983. Revised and updated edition, Tokyo: Charles Tuttle Books, 1990.
· With My Little Eye: The Memoirs of a Spy-Hunter. London: Frederick Muller, 1982.
· “C”: A Biography of Sir Maurice Oldfield. London: MacDonald, 1985.
· The Cambridge Apostles: A History of Cambridge University’s Elite Intellectual Secret Society. New York: Farrar, Straus, 1986.
· Spyclopedia: The Comprehensive Handbook of Espionage. New York: Morrow, 1987.
· The Truth Twisters. London: Macdonald, 1987.
· The Greatest Treason: The Bizarre Story of Hollis, Liddell and Mountbatten. London: Century, 1990. (A 1989 printing had resulted in a libel suit and was withdrawn; this edition had the offending material withdrawn.)
· Super Spy: The Man Who Infiltrated the Kremlin and the Gestapo. UK: Futura, 1990.
· The French Secret Service. London: Grafton, 1990.
· The Life of Ian Fleming. Dufour Editions, 1994.

Niet genoemd is het boek, dat in de studie over Madoc een grote ophef maakte en door Hubert Lampo in zijn ‘Kroniek van Madoc’ werd onderzocht, namelijk ‘Madoc and the Discovery of America: some new light on an old controversy’ uit 1967.

Onlangs (in 2014) is een boek deels gewijd aan de Deacon/McCormick-controverse verschenen, samengesteld door Robert Leeson.[1] Hierin is hoofdstuk 9 een bijdrage van Howard Kimberley over “‘Deacon’ McCormick and the Madoc Myth”. Het boek van Deacon wordt op de omslag aangeprezen als ‘an authentic documentary of a little-known piece of history, so thoroughly researched and cross-referenced that it must become a standard work on the subject.’ Niet gering dus! Het werk van Deacon-McCormick is volgens Kimberley zeer leesbaar (WorldCat waardeert zijn werk met een 6 op de lijn van jeugdliteratuur tot wetenschappelijk werk, dus bestemd voor de gemiddelde lezer) en op het eerste gezicht zeer plausibel; hij portretteert zich als een echte geleerde (genuine scholar), die feitelijke geschiedenis schrijft, gebaseerd op ‘sound painstaking research’. En hij vraagt zich af of dit een correct beeld is.

Daniel Baldino, in hoofdstuk 10 van hetzelfde boek (“Assessing ‘Deacon’ McCormick from the Perspective of the Intelligence Community”), zegt over Donald McCormick a.k.a. Richard Deacon: ‘a prodigious writer who was drawn to the thorny field of spycraft, provides an insightful case study in a person’s efforts to frame a problem and expose real-world ‘truth’. This chapter [= 10] will examine some of the dilemmas involved in information (intelligence) collection and analysis, as well as addressing how individuals might develop expectations, make decisions and reach conclusions based on imperfect data. The evidence suggests that ‘Deacon’McCormick’s judgements are systematically biased: the authenticity and reliability of many of the sources in his worldwide network remain acutely problematical. ‘Deacon’ McCormick was a persuasive storyteller – but his approach to information, based on his attraction to doubtful sources, hidden assumptions and ‘insider’ reports, enhanced the likelihood of biased verdicts and coloured his efforts to produce substantial and reliable evaluations. Key critical errors in scholarship reflected both a lack of quality of information and a record of artistic guesswork to fill gaps in knowledge. At best, he methodically overestimated the validity of his beliefs and produced a stream of inferential errors. At worst, he was a charlatan who took a dishonest, mischievous approach to gathering evidence in order to provide a more complete picture.’

Hoofdstuk 12 is de bijdrage van Richard B. Spence, getiteld ‘Donald McCormick: 2 + 2 = 5’, waarin alles wordt samengevat: “the question at the heart of this volume is the reliability, indeed, the fundamental honesty, of Donald McCormick, best known under his ‘nom de plume’, Richard Deacon. As the chapters generally attest, ‘Deacon’ McCormick could be an unreliable, even misleading source. This, of course, raises the ticklish question – why? Was it just carelessness, a cavalier disregard for proper citation, or maybe a reflexive journalistic penchant for sensationalism and exaggeration? Then again, was he a deliberate, puckish hoaxer: ‘a very clever man who enjoys his quiet fun? (Harris 1997). Or, in ‘Deacon’ McCormick do we have something more sinister: A malicious pathological liar who did not shy from outright character assassination? Was he a conscious or unconscious tool of disinformation and propaganda? Was he, maybe, a little bit of each?”

Laten we enige van de voorbeelden van bedrog, gegeven door Kimberley, bekijken. Volgens Deacon werd in 1865 een stenen tablet gevonden op het eiland Lundy. Erop staat, gebeiteld in oude stijl Welshe letters, het opschrift: ‘Mae un ffai-(th) gened-(Leith)-ol / I Madoc o Lund fudo’n ormodol / Ir mor-gor-(lle)-winol, / Ond ni ddaith byth y-(nol).’ En Deacon voegt toe: ‘Dus op een afgelegen eiland in het Kanaal van Bristol, ver weg van zijn geboorteland Gwynedd, werd Madoc de zeeman herdacht met de boude stelling: “Het is een vaststaand feit, in heinde en verre bekend, dat Madoc zich ver weg in de Westelijke Oceaan zich waagde om nooit terug te keren.”’ Kimberley nam de moeite om contact op te nemen met de Devonshire Record Office in Exeter en vervolgens met de North Devon Records Office in Barnstaple, waar hij te horen kreeg dat een archeoloog, Keith Gardner, reeds de beweringen van Deacon had onderzocht en de bron voor de Lundy Archieven niet had kunnen identificeren; hij had ook de bron van het verhaal, ene meneer G.G. Evans uit Bristol, niet kunnen vinden. Ook bestond een dergelijke steen niet op het eiland. En toen Gardner Deacon opbelde, kreeg hij ten antwoord dat al Deacons aantekeningen zich in Amerika bevonden, zodat hij niet in staat was zijn bronnen te checken. En ook, als de tekst was geschreven in de 12e of 13e eeuw, dan zou het niet in Welsh maar in Latijn zijn geweest.

Volgens Deacon is ‘lund’ Noors voor pinguïn; volgens Kimberley betekent het papegaaiduiker (Eng. puffin). Ze hebben het allebei fout. Het Noorse ‘lund’ betekent ‘bosje’, terwijl de papegaaiduiker een lunde of lundefugl is (wat mogelijk bosjesvogel betekent).

Iets anders wat Kimberley onderzocht was de opmerkelijke ontdekking door dominee E.F. Synnott, de voormalige Rector van Iden in Kent, die hij deed op een veiling te Rey in Sussex (enige jaren geleden, volgens Deacon 1967, 98). “Tezamen met een collectie oude boeken kocht hij een verzameling oude en vermolmde manuscripten die duidelijk gered waren van de ondergang. Vele ervan waren stukgescheurd en sommige verkoold alsof ze in het vuur waren gegooid voordat hun vorige eigenaar tot bezinning kwam. De manuscripten, zoals ze waren, schenen een soort havenverslagen te zijn uit de 12e en 13e eeuw, gecompileerd deels in het Latijn en deels in gebroken Engels. Mr. Synnott was van mening dat, al was niet ieder manuscript deel van een geheel, sommige delen, wanneer ze bij elkaar werden gelegd, iets vormden wat een lijst was van verloren schepen, of vermist in diverse havens van Engeland en Wales. Onder de notities was er een, die in het bijzonder de Rector van Iden interesseerde, want hij wist het een en ander van de Madocsage. Deze luidde: ‘ABER-KERRIK-GUIGNON Non sunt Guignon Gorn, Madauc. Pedr Sant, Riryd, filius Oweni Gueneti An. 1171’.” Dus Deacon verschafte eigentijds bewijs dat Madoc een schip had genaamd Gwennan Gorn (wat een corrupt Franse spelling in het handschrift wordt gegeven) en dat in 1171 dit schip vermist was of met onbekende bestemming. Rev. Synnott is inderdaad de Rector van Iden (‘Universiteitshoofd’) geweest, maar er is geen vermelding van een oud boek van vermiste schepen. Bovendien zou geen enkel middeleeuws document de datum ‘An. 1171’ in Arabische cijfers hebben – het zou ‘Annus MCLXI’ zijn geweest. Evenmin zou er enig Engels, gebroken of niet, in welk document dan ook zijn geschreven voor 1400, op zijn vroegst. (Kimberley, 203-205)

De conclusie van Kimberley is: ‘Al de tot nu toe gevonden feiten wijzen er duidelijk op, dat Deacon-McCormick: bewijs fabriceerde betreffende het eiland Lundy, het manuscript en de steen; een verhaal verzon over een mysterieus register van vermiste schepen gevonden in een antiekzaak in Rey; een M. Eduard Duvivier verzon evenals een fictief manuscript in Poitiers; een vermelding van Madocs huwelijk en de geboorte van een dochter in de annalen van de Abdij van Conwy tevoorschijn toverde, terwijl er geen referentie naar Madoc is in het overgebleven uittreksel ervan; beweerde dat de annalen vernietigd waren door Edward I en dat er relicten van Madoc in de Abdij waren (er is echter geen bewijs om deze statements te ondersteunen, integendeel, van Edward I is opgetekend dat hij het kopiëren en bewaren van Annalen en Kronieken beval).” (Kimberley, 208f)

Een voorbeeld van disinformatie uit het Madoc-artikel van Wikipedia:
‘A Flemish writer called Willem, in around 1250 to 1255, identifies himself in his poem ‘Van den Vos Reinaerde’ as “Willem die Madocke maecte” (Willem, the author of Madoc, a/k/a “Willem the Minstrel”). Though no copies of “Madoc” survive, Gwyn Williams tells us that “In the seventeenth century a fragment of a reputed copy of the work is said to have been found in Poitiers”. It provides no topographical details relating to North America, but mentions a sea that may be the Sargasso Sea and says that Madoc (not related to Owain in the fragment according to Gwyn Williams) discovered an island paradise, where he intended “to launch a new kingdom of love and music”.’

Gwyn Williams is een van de door Deacon geïnfecteerde schrijvers. Hoewel hij een redelijk kritische houding aanneemt, laat hij zich toch met allerlei door Deacon verzonnen zaken in. Zo is er de betiteling van de schrijver van de Reinaert als ‘Willem the Minstrel’. Weliswaar heeft Deacon deze term niet zelf verzonnen, dat had Lampo al uitgevonden: deze komt van de Encyclopaedia Brittannica, 9e editie uit 1875 en werd gelanceerd door de Canadese schrijfster Kathleen O’Loughlin, die twee boeken over Madoc schreef. Ook Ellen Pugh in haar Madoc-boek ‘Brave his soul’ uit 1970 gebruikt deze term en beweert: ‘Willem the Minstrel, living in Flanders, translated a long romance about Madoc from the Welsh priests’ Latin.’ Maar ook Pugh is sterk door Deacon beïnvloed.

Vervolgens heeft Williams het over het 17e-eeuwse fragment uit Poitiers, een zuiver Deacon-verzinsel, waar Lampo onderzoek naar heeft gedaan. Ook de Belgische hoogleraar Louis Peeters heeft zich met Deacon beziggehouden en zegt over het Poitiers-handschrift: “Hij (Deacon) beroept zich uitvoerig op een schriftelijke mededeling van Edouard Duvivier uit Poitiers (brief 20-12-1965), die een Frans Hs. uit Poitiers, daterende uit de 17de eeuw, heeft onderzocht. De tekst zou wijzen op een vertaling van het eind van de 14de eeuw of mogelijk vroeger. Het Hs. biedt waarschijnlijk slechts een samenvatting van de ‘Madoc’ van de auteur ‘Guillaume qui fait Reynaud’. Willem zou een kennis geweest zijn van Walter Map, de auteur van ‘De Nugis Curialium’ (eind 12de eeuw), een ambtenaar aan het hof van Hendrik II in Engeland. Willem zou Welsh gekend hebben, later verkeerde hij aan het hof van Marie de Champagne in Poitiers. Dank zij Willems kennis van het Welsh kon Madoc eerst in het Latijn, dan in het Frans vertaald worden. Een Nederlandse versie zou niet bestaan hebben! Willem zou als zanger en soldaat de Vlaamse huurlingen in Engeland vergezeld hebben.” Dat de ‘Madoc’ in het Nederlands niet bestaan zou hebben waagt Peeters te betwijfelen gezien de bestaande citaten. “Maar dat volgens dit geschrift Willem zou verteld hebben van een reis van Madoc naar een ‘paradis ravi par le soleil, resplendissant com fruits de mer’ en verder nog na zes dagen varen La Mer Dégringolade [neertuimelend] had willen opzoeken,” herinnert Peeters “zeer sterk aan de wonderlijke tochten van Mador de zeevaarder in de ‘Histoire de Fouke Warin’,[2] te meer omdat ook in het Hs. van Poitiers Madoc, die tot een familie van zeevaarders behoort, betrekkingen onderhoudt tussen de heersers in Frankrijk en Engeland.” En hij vraagt zich af: “Is het Hs. van Poitiers relevant voor de ‘Histoire’ en voor onze ‘Madoc’ tegelijkertijd?” (Peeters 1968, 163)

Ook in zijn derde Madoc-artikel uit 1972 komt Peeters nog eens terug op het boek van Deacon, waarbij hij de Times Literary Supplement (March 2, 1967) citeert: ‘no shortage of theories, just a complete absence of facts’ en de karakterisering door Samuel Eliot Morison in zijn lijvige boek ‘The European Discovery of America. The Northern Voyages A.D. 500-1600’ (New York 1971), p. 106: ‘His approach to the subject is uncertain; he feels there must be something in it, but cannot say what’. Morison rangschikt het verhaal over de Madoc in kwestie onder ‘Flyaway islands and false voyages 1100-1492’. En Peeters concludeert: “Lampo’s ‘bronnen’ werden hiermee gewogen en te licht bevonden!”

Deacon nam de verouderde informatie uit de Encyclopaedia Brittannica over, waarin nog gesproken wordt over de ‘Lancelot’ van Walter Map. Deze Map, hofkapelaan van Henry II en de schrijver van ‘De Nugis Curialium’, waarin allerlei interessante ditjes en datjes te vinden zijn, werd vroeger gehouden voor de schrijver van de boeken van de Graal, maar dat wordt tegenwoordig algemeen tegengesproken. In zijn boek is niets te vinden over een ‘jongleur-bardh Willem, proud as any pecock, an singe, y-wis, as eny nightingale’ (want Map schrijft in het Latijn), net zo min als in de ‘Lancelot’ of de ‘Quest’ (die beide in het Frans zijn) en zelfs niet in de ‘Poems attributed to Walter Map’. Lampo analyseert de taal van het citaat (uit Deacon) als laatmiddel Engels uit de 15e eeuw met gebreken. Vervolgens is er de brief van Duvivier uit Poitiers, die ook Peeters was opgevallen. De zin ‘Guillaume qui fait Reynaud’ is uiterst merkwaardig, want Reynaud is de held van een bekende Karelroman (‘Reynaud de Montauban’), terwijl ‘fait’ tegenwoordige tijd is. Sowieso is het vreemd als een schrijver een boek noemt, dat hij nog moet gaan schrijven. Wel kan een kopiist de schrijver met zijn veel beroemdere boek aangeduid hebben als ‘Guillaume, qui a fait Renart’. Verder wordt van Willem beweerd (we lazen het al kort bij Peeters), dat hij zowel minstreel als soldaat was en aanvankelijk met de Engelse troepen optrok tegen de Welshmen, die onder de opvolgers van Owen Gwynned, Madocs vader, de invasie het hoofd trachtten te bieden. Willem liep over, leefde of was gelegerd op het eiland Ely, waarna hij het kanaal overstak, door de Lage Landen en Frankrijk zwierf, waar hij in Poitiers verbleef aan het hof van Marie de Champagne, dit laatste weer op basis van Walter Map. Willem had de stof voor zijn Madoc ontleend aan ‘barden en mannen van de zee’, maar moest het eigenlijk geheim houden, voor de Engelsen [een echte McCormick spionagegedachte]. Over Owen Gwynned wordt niet gerept; het zeevaardersbloed in Madocs aderen stamt van zijn grootvader, die een halve Viking was. Vermomd als monnik reisde Madoc naar het hof van Lodewijk VII, koning van Frankrijk, bij wie Thomas Becket omstreeks die tijd hulp zocht. Het verhaal is als volgt: er is sprake van een vrouw, die Madoc liefheeft, een Nimf van de Rivier, die hem en enige barden doen besluiten op zoek te gaan naar de Levensbron. Eerst vaart hij naar het eiland Ely, maar vindt daar niet wat hij zocht, en trekt dan verder de oceaan op. Madoc moet deze tocht maken als gevolg van een penitentie, hem door een bard opgelegd [= een geiss]. Na het bereiken van het ‘paradis ravi par le soleil, resplendissant com fruits de mer’, keert hij terug en rust nu twee schepen uit en ontdekt een heerlijk rijk ‘van eeuwige jeugd, liefde en gezang, waar eenieder kon delen in de overvloed der goede dingen dezer aarde’. Terwijl hij op weg is, vernemen we nochtans, dat het eigenlijke reisdoel, hem dus onder dwang opgelegd, nog zes dagen varen verder ligt. Het is een vreemde tuin in het midden van La Mer Dégringolade, ‘die geen storm kon doen verdwijnen en die de schepen verzwolg’. Met het oog op deze gevaarlijke tocht is het schip van Madoc uitgerust niet met ijzeren, maar met hertshoornen bouten, terwijl hij van Ely een ‘steen der zeevaarders’ (magneetsteen) heeft meegenomen.[3] Deacon merkt over de Riviernimf uit de brief van Duvivier op: ‘Deze geheimzinnige jonge vrouw werd ‘de Riviernimf’ genoemd, zulks op grond van haar gelijkenis met een meermin, wat hieraan was toe te schrijven, dat zij haar benen onder visnetten verborg, wat haar ongetwijfeld tot de uitvindster van de netkousen maakt!’ (103f)

Uiteraard wilde Lampo meer van de zaak weten en nam contact op met Deacon, die pas na lang aandringen met de mededeling kwam niet meer over zijn aantekeningen te beschikken. De heer Duvivier bleek in Poitiers niet bekend, een dergelijk handschrift was er niet bekend, ook niet in Parijs of elders. Uit het te Aberystwyth berustende Cwrtmawr-manuscript duikelde Lampo de overlevering op, dat Madoc hoornen nagels gebruikte om zijn boot te bouwen. Het is een manuscript uit 1582 en meldt ons: ‘Madoc ab Owen Gwynned was een groot zeevaarder, die veel van reizen hield, en daar hij op geen andere manier de Draaikolk (‘Vortex’) kon invaren, ontwierp hij een schip, waaraan geen ijzer te pas kwam, en de klinknagels maakte hij uit hoorn van hertegeweien om te verhinderen dat het door de zee verzwolgen zou worden…’ (113)[4]

Een andere opmerking van Deacon is, dat Willem bijzonder veel interesse koesterde voor vroege ontdekkingen van landen in het Westen, van ‘Seneca tot Madoc’ (quotes van Deacon!), volgens Lampo een typisch renaissance kenmerk. (117f) Nog zo’n gratuite bewering is dat ‘Les Romans de Guillaume le Jongleur’ in Frankrijk en de Provence een grote faam verwierven. (131) Lampo’s eindoordeel luidt, dat ‘het erg dubieuze Willem-hoofdstuk in het vrij flodderige boek’ van Richard Deacon toch een aantal in overweging te nemen gegevens bevat. (141f) Deacon is een journalist en geen wetenschapper en Gwyn Williams noemt hem ‘Madoc’s last defender’ (van de theorie, dat Madoc Amerika heeft ontdekt), wiens boek ‘often wild and sometimes silly, but always challenging’ is.[5] Ook aan Williams’ boek kleeft een bezwaar: het notenapparaat ontbreekt, zodat soms onduidelijk waarop beweringen zijn gebaseerd. Wel geeft hij zijn bronnen aan, zowel in zijn tekst als achterin onder het kopje ‘Documentation’, waar hij meldt ‘On Willem the Fleming’:
I have found most useful E. Colledge (ed.), ‘Reynard the Fox and other medieval Netherlands secular literature’, London 1967; J.F. Willems (ed.) with essay by O. Delepierre, ‘Le Roman de Renarde’, Brussels 1837; J. W. Muller (ed.), ‘Vos Reinaerde’, Leiden 1939; J.D. Wolters on the same subject (Groningen 1959); W.G. Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’ (1950?); E.S. Hartland (ed.), Walter Map, ‘De Nugis Curialum’, trans. M.R. James with notes by J.E. Lloyd, Cymmrodorion, London 1923; E.D. Jones, ‘The reputed discovery of America by Madoc ap Owain Gwynedd’, National Library of Wales Journal, XIV (1965).[6]

Het eerste, wat aan zijn behandeling opvalt, is het spreken van ‘Celtic source’, wat een vertaling is van de ‘walschen [= Franse] boucken’ (‘Reinaert’, vs. 8). Vervolgens meldt hij: ‘The Flemish version of the story of Gawain (Gwyn), for example, was attributed to a Celtic poet Penninc whose work was said to have been “completed” by Peter Vostaert.’ Het gaat hier om de ‘Roman van Walewein’ van Penninc en Vostaert en de enige reden om van Penninc een Celt te maken, lijkt me gelegen in ‘interpretatio cambrico’ (Gwyn Williams is ook van Welshe afkomst, een ‘Celt’) of meer een ‘pun’ op het bekende pen (hoofd, zie ‘pen-gwyn’[7]). Uiteraard is ‘penninc’ hetzelfde als het Engelse penny, een oud Germaans woord opgebouwd uit ‘pand’ en ‘ding’. Over de ‘Reinaert’ zegt hij: ‘ No story was more successful than Willem’s Reynard, which followed the original French and German classics’. Ook dit bemoedigt niet, want het Duits is juist op het Nederlands gebaseerd. Niemand weet waar Willem vandaan kwam, maar in 1938 werd een gedenkteken voor hem opgericht op de Nederlands-Belgische grens nabij Hulst. Sommige geleerden hebben hem geïdentificeerd als een premonstratenser uit de Abdij van Drongen nabij Gent, die grond bezat te Hulst en Hulsterlo in Nederlands Vlaanderen; een Willelmus clericus woonde nabij Hulsterloo in 1269. Er is een andere klaarblijkelijke verwijzing naar Willem in het werk van zijn ‘near-contemporary’ Jacob van Maerlant, die het had over een priester Willem Utenhove van Ardenbourg, die een bestiarium geschreven had. Hierbij merkt Williams op, dat de ‘Reynard’ zelf Hoeckenbroeck in Ardenbourg vermeldt.[8]

Na in ‘most scholarly English’ de eerste regels van de ‘Reynaert’ te hebben weergegeven (‘Willem who laboured to indite / Madoc in many a wakeful night’) vermeldt Williams uit Maerlants ‘Rijmbybel’ van ±1270: ‘Want dit is niet Madocs droem / No Reinaerts no Artus boerden…’ Maerlant, die zelf romances rond Merlijn en de Graal geschreven had, zwoor dergelijke onzin af en ging aan de slag met enorme en onverteerbare werken met wereldlijke en bijbelse geschiedenis. En in deze werken was er geen plaats voor ‘Madoc’s dream, neither Reynard’s nor Arthur’s pranks…’ Dit bewijst dat er een Madoc-romance was, geschreven door Willem, die bekend was en in circulatie in begin van de 13e eeuw. Hiertegen is weinig in te brengen, maar dan vervolgt Williams met ‘snippets of information’, die suggereren dat Willem ‘travelled widely’ in Frankrijk en Engeland, inclusief Wales. Een ‘jongleur-bardh Willem’ was bekend aan de schrijver Walter Map. De aanhalingstekens zijn hier van Williams, die hier Deacon citeert (zonder te melden). Dan meldt hij de bekende feiten over Map besluitend met: ‘Map himself was dead by 1210, but he recorded his acquaintance with a young poet Willem, proud as a peacock, who sang like a nightingale, and who, he said, left for the court of Marie de Champagne.’ (Williams 1979, 50f)

Na een citaat uit het commentaar van Delepierre uit 1837, die zich afvroeg of Willems ‘Madoc’ de avonturen waren van ‘Madoc, fils d’Owen Gwynedd, prince de Galle (Wales), qui vers l’an 1170 découvrit l’Amérique?’, krijgen we het verhaal van de Duvivierbrief, die we eerder al bekeken hebben. In de zeventiende eeuw zou een fragment van een zogenaamde Franse kopie van de ‘Madoc’ gevonden zijn in Poitiers. Dit is heel laat en het zou dus gemaakt kunnen zijn nadat de zestiende-eeuwse verhalen van Madoc in circulatie zijn gekomen (al gaat het Williams boven zijn pet waarom iemand in zeventiende-eeuws Frankrijk zo ver zou gaan met een dergelijke vervalsing). Een plaatselijke geleerde (dit is Duvivier) meent, dat het fragment behoort aan de late veertiende eeuw of zelfs eerder en verbindt het met de ‘romans de Guillaume le Jongleur’, die in omloop waren in de Provence en Champagne in de dertiende eeuw. ‘The author identifies himself as ‘Guillaume qui fait Reynaud’, which certainly sounds familiar!’ Het manuscript, aldus Williams, ‘itself an incomplete précis’, vertelt een romantisch verhaal. Madoc is niet verwant met Owain Gwynedd, maar een lid van een edel Welsh geslacht en zijn grootvader was half-Viking. Williams voegt tussen haakjes toe, dat Owain Gwynedds vader, Gruffydd ap Cynan, met de Noormannen van Ierland en het Isle of Man zeilde. Dan vervolgt Williams: “A famous sailor, this Madoc went on a mission to the court of France disguised as a monk (Owain Gwynedd in reality did send clerical emissaries to the French court). Madoc, whose lover dressed her legs in fishnets, went sailing to find the Fountain of Youth, landed on an island called Ely to look for the lodestone (magnet) which he could safely use because the nails of his ship were made of stag horn. Sailing out from Ely, he found an island paradise bathed in the sun, and returned to Ely for more ships to launch a new kingdom of love and music. Willem mentions an island surrounded by a very large fish, identified as one of the magic isles of Gwerddonau Llion and a ‘treacherous garden in the sea’ reminiscent of explorers’ stories and sailor’s yarns of the Sargasso Sea and the ‘warm sea in which plants grow’, an untraceable Madoc reference attributed to Cynwric ap Gronw.”

Dit verhaal (if in any way authentic) combineert, aldus Williams, de tradities van romance en enige trekken van middeleeuwse speculatieve geografie. Het zou behoren tot het bekende Quest-genre van reizen naar de ‘Isles of the Blessed’, de ‘Fortunate Isles’ en ‘Antilla van de Zeven Gouden Steden’, gemixt met de vele ‘waarnemingen’ van ‘fly-away islands’, die laat middeleeuwse kaarten bevolken. Williams wordt door de nagels van hoorn herinnerd aan verhalen over een halfmagisch schip Gwennan Gorn, die in Noord Wales zijn aan te treffen, en verbindt dit met het bericht uit 1582 over een race langs de kust van Gwynedd, waarbij sprake is van een schip Gwennan Gorn, gebouwd door Madoc met hertshoorn in plaats van nagels, dat echter toch in moeilijkheden kwam. Ook de vermelding van Ely is opmerkelijk, want die naam werd ooit gegeven aan Lundy Island in het kanaal van Bristol [naar de patroonheilige Sint Helena, de moeder van Constantijn de Grote]. Lundy, als Ynis Wair, wordt in oude Welshe geschriften geïdentificeerd met de Bron der Jeugd. En in late tradities wordt het genoemd als het startpunt van Madocs tweede reis. (Williams 1979, 51f)

Williams holt door met verhalen over varende Welshmen, Vikingen en stelt dan de mogelijkheid dat een of ander verhaal over Madoc niet alleen de Europese literatuur indrong in de dertiende eeuw, maar ook in de serieuze wetenschappelijke speculatie terechtgekomen is. Dit Madoc-fragment van Willem, ‘in its simultaneous “southern” atmosphere of sun-drenched islands, seas of weed and isles of Llion and “northern” hints of semi-Vikings and Lundy, and above all in its concern for stag-horn protection against the deadly powers of magnetism’ doet Williams denken aan een van de beroemdste van de ‘lost texts’ van vroege geografische speculatie, nl. de veertiende-eeuwse Engelse ‘Inventio Fortunata’, waar John Dee en Richard Hakluyt vergeefs naar zochten. In dit verband komt Williams met de brief van Mercator aan John Dee met het verhaal van de Bosschenaar Cnoyen in wiens bronnen sprake zou zijn van een ‘Willem of Ghent’.[9] (Williams 1979, 54f)

De contacten tussen Vlaanderen en Holland enerzijds en Engeland anderzijds zijn van alle tijden, maar er kwam een intensivering in de tijd van Willem de Veroveraar, die getrouwd was met Mathilda, de dochter van graaf Boudewijn V van Vlaanderen. Een aantal van die Vlamingen vestigde zich in Engeland, maar bleef in contact met het moederland. Ze zijn ook te vinden in Rhos in Zuid-Wales, wat gemeld wordt door Gerald van Wales in zijn ‘Itinerarium Kambriae’, een ‘reisgids voor Wales’: ‘De mensen, die in de buurt woonden, kwamen van Vlaanderen. Ze waren daarheen (d.i. Zuid-Wales) gezonden door koning Henry I om het gebied te koloniseren (bedoeld is moerasland om te zetten in cultuurland, zoals ze dat ook in Vlaanderen deden). Ze zijn een dapper en robuust volk, maar erg vijandig tegenover de Welshe bevolking en in voortdurende staat van conflict ermee. Ze zijn erg bedreven in de wolhandel, bereid tot hard werken en hebben het er voor over gevaren van land en zee te trotseren omwille van gewin. Als de tijd en gelegenheid zich voordoen, zijn ze maar al te gewillig hun hand ofwel aan het zwaard (als huurlingen) of aan de ploeg te slaan.’ Deze groep was door Henry I verplaatst vanuit Northumbrië. De 16e-eeuwse humanist Lucas de Heere schrijft over de kolonie in Pembrokeshire: ‘Daer den Conyngh hen een plaetse verordende aent oost eynde: Van waar zy in West Wallia vervoert waeren. Waer datse vermenichten, ende haer geslachte tot noch aen de sprake ende andersins bekent is ghelyc Humprij Lhuijd seyt; ende Ick hebbe ooc med eenighe ghesproken die noch goed Vlaemsch spraken tzelfde aen haer ouders ende als van vader tot kinde gheleert hebbende.’
Dus eeuwen later had men nog de oude taal behouden.[10] Janssen brengt dit ter sprake in verband met de oude vermeldingen van de naam Walewein. Hij moet vooral in Wales tot de verbeelding hebben gesproken, waar te Rhos tijdens de regering van Willem de Veroveraar (1066-1087) het graf van Walewein werd gevonden. William van Malmesbury bericht, dat Waleweins lijk daar was aangespoeld en begraven aan de kust. Een typisch ‘Keltische’ trek in de ‘Roman van Walewein’ is het doen van een ‘tegenvloek’: de vos was de door zijn stiefmoeder betoverde prins Roges, die op zijn beurt zijn stiefmoeder had getoverd in een pad, wat ze moest blijven zolang hij een vos is.[11]

Tot slot: op de omslag van Lampo’s ‘Kroniek van Madoc’ staat enigszins gratuit een afbeelding uit de ‘Hortus sanitatis’ van Johann Neeck von Kaub (Jean de Cuba) uit 1509, want in het boek van Lampo wordt hierover niet gesproken. De afbeelding is onduidelijk, doordat de zee op de voorgrond is vervangen door het blok met de naam van de schrijver en de titel. Wat we zien is een schip, dat zinkt, doordat de spijkers uit het schip – we zien er twee in de lucht hangen – wegvliegen naar de magneetberg. Dit herinnert aan de hertshoornen bouten, waarmee het schip van Madoc was uitgerust in het ‘Duvivier-fragment’.

Literatuur

Arturus Rex (Vol. I: Catalogus): Koning Artur en de Nederlanden. La Matière de Bretagne et les Ancien Pays-Bas (ed. W. Verbeke, J. Janssens, M. Smeyers), Leuven 1987.

Leuvense bijdragen. Tijdschrift voor Moderne Filologie, 48 (1959) 93-107: L. Peeters, ‘Willem’s Madoc’.

Leuvense bijdragen. Tijdschrift voor Moderne Filologie, 57 (1968) 150-164: L. Peeters, ‘Madoc als zeevaarder’.

Stichting Heliogabalos, Spectator. Tijdschrift voor Neerlandistiek, 2, 1972-1973 nº4 (december), 185-195: L. Peeters: ‘Madoc en de Reinaertprologen. Recente literatuur – Nieuwe perspectieven’.

Lampo, Hubert, Kroniek van Madoc, Amsterdam 1975

Skeat, Walter W., The Concise Dictionary of English Etymology, Ware 1993 [= 1884].

Williams, Gwyn A., Madoc. The Making of a Myth, London 1979.

Noten

[1] Leeson, Robert (ed.), Hayek: A Collaborative Biography (Part III), [Macmillan] 2014. Het boek is (nog) niet aanwezig in de UB Leiden en ik heb me dus moeten behelpen met de twee pagina’s die via het internet van ieder hoofdstuk te lezen zijn. De rest van het boek heb ik vluchtig doorgelezen met Google search, die me in staat stelde vrijwel heel hoofdstuk 9 te lezen.

[2] Zie mijn bijdrage op deze site (RSMuseum, 16 okt. 2015, https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-mador-episode-in-de-romance-van-fouke-fitz-waryn-een-onvoltooid-hoofdstuk-uit-de-droom-van-madoc/): De Mador-episode in de De Romance van Fouke Fitz Waryn (een onvoltooid hoofdstuk uit ‘De droom van Madoc’).

[3] Lampo 1975, 77-79. In het gedicht La Vie de Saint Thomas Becket van de Franse dichter Guernes de Pont-Sainte-Maxence uit 1174 wordt gezegd, dat onder de Welshmen, die op het eind van Beckets leven onder zijn getrouwen waren, zich een ‘Madoc, messager de Thomas Becket’ bevond (Lampo, 95).

[4] Zie de blog van Stephen Grant Davies, ‘Pre-Columbian References to Madoc’ (6 febr. 2014): Unfortunately, modern researches in Poitiers fail to unearth support for any of this fabrication. Even the great cynic, Professor Gwyn Alf Williams, unusually for him, was taken in by Deacon’s fabrications about the ‘Poitiers translation’. Unfortunately, he seems to have accepted Deacon’ s fables about Willem and the lost précis in Poitiers, without checking its veracity – and allowed it to impress him as the best plank in a shaky tale.

[5] Williams 1979, voorwoord, 2e pagina. Ook anderen hadden dezelfde ervaring als Lampo met Deacon. The Lundy stone – Richard Deacon claims in his book that in a load of granite that arrived in Barnstaple in 1865, there was a partly-defaced tablet with a carving in old-style Welsh which read ‘It is an established fact, known far and wide, that Madoc ventured out into the western ocean, never to return.’ Unfortunately, this vital piece of evidence cannot be authenticated. Deacon claimed that he had been informed of the discovery in a letter from Mr D G Evans of Bristol, but extensive enquiries failed to find this person. At the time, The Lundy Society contacted Deacon for more information, but he said that all his papers were in America. Richard Deacon is dead and his papers are untraced. The Barnstaple Museum and Devon records have no knowledge of such a find. On 24 July 1967, the Bristol Evening Post published an article on the story and asked for any information about the identity of D G Evans or any trace of the inscribed stone. No response was forthcoming and the truth of the claim must remain in doubt. (mededeling van internet: Prof. Bernard Knight CBE, President of MIRA, de Madoc International Research Organisation, die ook schrijft: Even the great cynic, Professor Gwyn Alf Williams, was impressed by Willem’s role in the search. Willem says he travelled to Wales, Lundy and probably Herefordshire where he knew the writer-priest Walter Map, who was dead by 1210 and who says knew Willem.)

[6] Williams 1979, 208. De laatste vermelding is waarschijnlijk per ongeluk uit de volgende rubriek ‘On Wales, Madoc and America’.

[7] Zie Skeat, 342: In a tract printed in 1588, we read that Sir F. Drake gave a certain island the name of Penguin Island in 1587, from the penguins found there. The word appears to be W[elsh] pen gwyn, i.e. white head. If so, it must first have been given to another bird, such as the auk (the puffin is common in Anglesey), since the penguin’s head is black.

[8] Williams 1979, 50. Ik heb niet kunnen terugvinden waar Williams dit op baseert.

[9] Zie mijn publicatie van de brief van Mercator aan John Dee op deze site (RSMuseum, 8 okt. 2015, https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-brief-van-gerard-mercator-aan-john-dee-1577/). In deze brief komt geen Willem, Ghent of Gent voor.

[10] Als voorbeeld kan ik wijzen op een passage uit de Prologue van de ‘Eneydos’ van William Caxton (1422-1491), waarin hij het heeft over de problemen met het Engels, dat nog niet is gestandaardiseerd: ‘And that comyn englysshe that is spoken in one shyre varyeth from another.’ En hij geeft het voorbeeld van kooplieden, die over de Thames (Tamyse) varend wegens gebrek aan wind stil bleven liggen in Forlond (North Foreland in Kent) en daar boodschappen gingen doen. Een van hen vroeg om ‘eggys’, waarop de goede vrouw zei, ‘that she coude speke no frenshe’. De koopman werd boos, want ook hij kon geen Frans spreken, maar wou ‘egges’ en ze begreep hem niet. ‘And theene at laste another sayd that he wolde haue “eyren” then the good wyf sayd that she vnderstod hym wel. Loo, what sholde a man in thyse dayes now write, “egges” or “eyren”?’ Eyren = eieren, dus Nederlands, maar niet meer als zodanig gezien door de ‘good wyf’. (Trevelyan I, 78 naar ‘Eneydos’, E.E.T.S., 1890, 1-4).

[11] Citaten naar Janssens, Jozef, ‘Arturstof in de Nederlanden’, in: ‘Arturus Rex’ 1987, 103-143, hier 107f.

Ik heb aan dit artikel 2 PDF’s toegevoegd. De eerste is een Engelse vertaling van dit artikel en het enige verschil is de aan het eind toegevoegde afbeelding uit de ‘Hortus Sanitatis’. De tweede (Madoc-info) is ook in het Engels, kort (25 pp.) en bevat een vijftal artikelen van het net.
Eerst volgen enige pagina’s uit het boek van Kerry Ross Boren en Lisa Lee Boren, dat geheel is geïnfecteerd door Deacons theorieën. Dat John Dee de Rozenkruizers-manifesten (die pas in 1614 verschenen toen Dee allang dood was) zou hebben geschreven of een ‘geheim boek van Madoc’ of ook er een geheim Madoc-genootschap op na zou hebben gehouden, zijn waarschijnlijk ook allemaal Deacon-verzinsels (ik heb zijn boeken niet kunnen lezen).
Als tweede volgt een review van het boek van Deacon uit de Welsh History Review van 1968/69 door E.D. Jones. Als derde volgen drie kritische postings van Stephen Grant Davies uit 2014, gevolgd door een blog van Beach Combing uit 2010. Als laatste heb ik het belangrijke hoofdstuk 9 uit het boek van Leeson opgenomen (met enige hiaten).

PDF’s:
Richard Deacon – Master of Disinformation
Madoc-info