Cor Hendriks – Heksen en het weer (4): Windhandel

Bij windhandel zal men geneigd zijn te denken aan de aandelenbeurs, maar ook anderszins is windhandel mogelijk. Harrebomée vermeldt de uitdrukking: ‘Hij verkoopt wind’; en een ‘windbuil’, Engels ‘wind-bag’ is iemand die veel praat maar weinig zegt, een grootspreker, een snoever of pochhans, zoals Van Dale meldt. Echter in vroeger tijden werd daadwerkelijk wind verkocht. De Augustijner monnik Gottschalk Hollen uit Osnabruck publiceerde in 1481 de Præceptorium, een verzameling toverijverhalen waarvan de auteur de echtheid certificeert. Onder andere vindt men er de geschiedenis van een Noorse tovenaar, die de wind opgesloten in een zak verkocht voor drie rubans. Wanneer de eerste knoop werd losgemaakt, verhief zich een zachte bries, bij de tweede knoop begon een hevige wind te waaien en bij de derde knoop ontketende zich een furieuze storm.
In de ‘Klucht van Oene’ van Jan Vos (6e druk 1662) zegt de opschepperige, zich voor tovenaar uitgevende Ritsaart op de vraag van Oene:
‘Wat kanje veur kunsten?’ ‘Ik kan de woest en dunne winden
Trots et Noorts en Lapsche Volk in leere zakken, en in oope netten binden.’[1]
Olaus Magnus (1555) schreef de windhandel toe aan de Finnen die vroeger in hun heidense tijd winden verkochten aan kooplieden die aan hun kusten werden vastgehouden door tegenwind. ‘En wanneer ze hun prijs hadden gekregen, knoopten ze drie toverknopen … gebonden met een leren riem, en ze gaven die aan de kooplieden met de instructie dat als ze de eerste losmaakten, ze een goede bries van wind zouden hebben; wanneer de tweede, een sterkere wind; maar wanneer ze de derde losknoopten, zouden ze zo’n vreselijke storm hebben, dat ze niet in staat zouden zijn vanaf de voorsteven uit te kijken om de rotsen te vermijden.’ Richard Eden, in zijn History of Travel in the West and East Indies uit 1577, kopieert Olaus in zijn beschrijving hoe Finse heksen een storm verwekken: ‘Ze knopen drie knopen in een koord hangend aan een zweep. Wanneer ze een ervan losmaken, verwekken ze redelijke winden. Als ze er nog een losmaken, wordt de wind heftiger. Maar door het losmaken van de derde verwekken ze gewoon stormen, zoals in vroegere tijd ze gewoon waren donder en bliksem te verwekken.’

Een dergelijke windhandel in China aan het eind van de 19e eeuw wordt beschreven door Pol de Mont. Daar zijn tovenaars, die de scheepskapiteins de wind voor de reis verkopen. Gewoonlijk zitten ze aan het strand en bieden de zeevaarders hun diensten aan. Ze treden bijna altijd als een stel op. De ene zit met een boek in de hand, waaruit hij van tijd tot tijd half luid leest, tussen twee bijeengebonden bossen riet; de ander zit tussen twee viskorven en houdt met de rechterhand het ene eind vast van een leren zak, die over zijn schouder hangt en gevuld is met lucht. In deze zak laat hij, naarmate men hem geld geeft, meer of minder lucht stromen. Hij slaat daarbij met een grote houten hamer, die hij in de linkerhand houdt, herhaalde malen op de grond om de geest van de wind op te roepen, die met een breedgerande hoed en een wijde rok op een grote vogel door de lucht zweeft.

In de legende van de Britse heilige Swithun is sprake van drie heksen, waarvan de derde de machtigste is. Deze laat uit een samengevouwen doek een storm ontstaan. Rademacher voegt toe, dat dergelijke windtover nog heden in Schotland wordt geloofd en reeds antiek is. Het bekendste verhaal is uiteraard dat van de zak met winden die Odysseus kreeg van Aeolus, de god der winden. Ook hier is sprake van knopen: alle ongunstige winden zitten in de zak, die is dichtgeknoopt. Odysseus’ bemanning is nieuwsgierig naar de inhoud van de zak en maakt de knopen los, zodat de winden ontsnappen en de boot teruggeblazen wordt naar het eiland van Aeolus, die geen zin heeft om het kunstje nog eens te herhalen.

Een Schotse sage beschrijft de windhandel aldaar. De beroemdste windverkoopsters in Caithness en Sutherlandshire waren Mhor Bhan in Assynt en een vrouw genaamd Warr aan de Duncansbay; maar die zijn allang dood. Maar ook nu is het nog mogelijk in deze contreien wind of geluk [!] te kopen, alleen is thans op beide zijden weinig geloof voorhanden en verkopers zowel als kopers schamen zich voor deze handel. De wind zit in een geknoopte zakdoek of in een woldraad gebonden en wanneer men één knoop losmaakt, ontstaat een zacht briesje, een tweede geeft een stevige wind, maar de derde een hevige storm. Een boot werd door een windstilte een week lang op Orkney vastgehouden; dus gingen ze naar een vrouw in Stromness en gaven haar een halve kroon voor een woldraad met drie knopen. ‘Bij uw leven, opent niet de derde!’ waarschuwde ze bij het afscheid. Toen ze de eerste knoop losmaakten, ontstond een zachte wind, de tweede zorgde ervoor, dat ze gezwind door de Pentland Firth voeren en toen ze dicht voor de kust van Caithness waren, werden ze driest: ze besloten te proberen, wat de derde bewerkte. Daarop vlogen ze letterlijk het land op, als was de boot een luchtballon. ‘Nooit meer koop ik wind,’ verklaarde de held van het verhaal, toen hij zijn avontuur vertelde. Ook een visser uit Portessie kreeg eens van een windheks (van kopen wordt niet gesproken, zodat het neerkomt op een ‘sterk zeemansverhaal’) een stuk touw met drie knopen erin. De eerste mocht worden geopend als het zeil werd gehesen, de tweede een tijdje daarna (om de wind op te frissen). Een tijdje ging dat goed, maar toen kwam er een flauwte en ze maakten de derde knoop los, waarop een storm losbrak, zodat ze het er nauwelijks levend vanaf brachten.

De Zweedse jager, die zijn mes in de wervelwind wierp en terugvond bij de Lappenvrouw (zie §2.1: Mes in de wervelwind), wilde de volgende dag naar huis, maar wist de weg niet. Daarop kreeg hij van de Troll-vrouw (want dat was zijn gastvrouw) het advies in de Lappenslee te gaan en er een touw aan te binden, waarin hij drie knopen moest leggen. ‘Ontbind ze één voor één en je bent zo thuis.’ De jager maakte één knoop los en daar vloog het touw, de slee achter zich aan sleurend door de lucht. Daarna maakte hij de tweede knoop los en de snelheid nam toe. Tenslotte maakte hij de derde knoop los, waarop de snelheid zo groot werd, dat toen de slee kort daarop stilhield, hij de reis beëindigde in zijn tuin met zo’n klap, dat hij zijn been brak. Bengt af Klintberg geeft een samenvatting van de Zweedse varianten: Een schipper, die uit koers is geslagen of op wind wacht, wordt de eigenaar van een draad (zakdoek) met drie knopen erin. Als hij wind wil, moet hij de eerste knoop losmaken en als hij sterkere wind wil, moet hij de tweede losknopen. Hij wordt echter gewaarschuwd niet de derde knoop los te maken. De schipper kan echter de verleiding om de derde knoop los te maken niet weerstaan. Een storm breekt los en werpt zijn boot ver landinwaarts.

In Estland is een sprookje van het verhaal van de drie knopen gemaakt onder de titel ‘De verboden knoop’. Eens vingen de vissers helemaal niets en zochten raad bij de oude Karel, die ooit de vriend van de zeekoningin was. Een delegatie ging naar de oude man, die hen een halsdoek gaf met drie knopen erin: De eerste zorgt voor een gunstige wind, de tweede lokt de vis in de netten en de derde mogen ze niet openen; ook moeten ze tevreden zijn met wat de zee geeft en het net niet een tweede keer uitwerpen. Op zee knopen ze de eerste knoop los en de wind blaast hen naar een plek, waar ze de tweede knoop losmaken en de vissen zwemmen in hun net. Ze vullen de boten, maar besluiten door te vissen, waarop de netten leeg blijven. Dan openen ze de derde knoop en inderdaad komt er een vis, een snoek van enorme grootte, die ze met veel moeite aan boord hijsen. Later horen ze hoorngeschal en dat er wordt gezegd dat de bok zonder staart nog niet thuis is. Nogmaals klinkt hoorngeschal en de snoek beweegt, maar kan de boot niet uit, die overigens zo vast ligt als een huis. Bij dageraad horen ze weer die stemmen en weer wordt gemeld, dat de bok zonder staart er nog steeds niet is. De hoorn schalt weer en de snoek beweegt weer en wordt door de schipper overboord gesmeten en ze horen zeggen, dat de staartloze bok is teruggekeerd. Dan steekt een vreselijke storm op, die hen meesleept naar een rotsachtig eiland, Chioe-Maa genaamd, waar een oude man met een baard tot zijn voeten hoort wat ze gedaan hebben en de volgende dag weer een knoop in de halsdoek van Karel legt, waardoor de storm gaat liggen en de vissers weer naar huis kunnen varen.

De windhandel wordt ook behandeld door W.C. Mackenzie in ‘The Races of Ireland and Scotland’ (1916, 37ff). Hij behandelt eerst de Lappen naar Richard Eden: ‘Ze maken drie knopen in een touw hangend aan een zweep. Wanneer ze een ervan losmaken, laten ze gematigde winden ontstaan; wanneer ze een andere losmaken wordt de wind krachtiger, maar bij het losmaken van de derde laten ze pure stormen ontstaan, zoals ze in oude tijden gewend waren donder en bliksem te laten ontstaan.’ Het verkopen van wind was geen Finse monopolie, maar het geknoopte touw is volgens Mackenzie een Lapse specialiteit. In Regnards Journey to Lapland wordt gezegd dat de ‘geknoopte’ wijze van windhandel ‘zeer gewoon’ was in Lapland. ‘De minste tovenaars hadden deze kracht, ten minste wanneer de gewilde wind al was begonnen te blazen en alleen hoefde te worden opgepord.’
Dan volgt een Schotse versie (die sterk lijkt op de bovenstaande): ‘Op een keer werd M’Ryrie diverse dagen opgehouden te Stornoway door een tegengestelde wind. Hij liep een dag of twee, drie mopperend vanwege de vertraging rond ter plaatse en ontmoette toen een man op straat, die hem adviseerde naar zekere vrouw te gaan, die voor hem een gunstige wind kon maken. Hij ging ’s morgens naar haar en betaalde wat geld. Ze gaf hem een touwtje met drie knopen erin. Ze zei hem de eerste knoop los te maken [aan boord] en hij zou gunstige wind krijgen. Als hij de wind niet sterk genoeg vond, moest hij de tweede knoop losmaken, maar niet voordat hij in de buurt van het vasteland was. De derde knoop mocht hij als zijn leven hem lief was niet losmaken. De wind veranderde terwijl hij met haar sprak en hij zette zeil nog die morgen. Hij ontknoopte de eerste knoop op de reis en de bries ging prima door; de tweede knoop maakte hij los toen hij in de buurt van Loch Ewe was en de bries werd fris en sterk. Toen hij nabij Plocard was aan de kop van Loch Ewe, zei hij tegen M’Lean dat geen grote schade hen zou overkomen als hij de derde knoop zou losmaken, aangezien ze zo dicht bij de kust waren. Dus hij maakte de derde knoop los. Meteen was er zo’n orkaan dat de meeste huizen in Poolewe en Londubh van hun dakstro werden beroofd. De boot werd hoog en droog gesmeten op het strand van Dal Cruaidh, net onder het huis van Kirkton; de bemanning kwam er met de schrik vanaf. Er wordt gezegd, dat toentertijd er diverse vrouwen rond Stornoway waren die de macht hadden door hun kunsten om de wind gunstig te maken.’
Lezers van Scotts ‘The Pirate’ zullen zich herinneren hoe Norna uit Fitful-Head gunstige winden verkocht en in zijn noten bij deze romance citeert hij Olaus Magnus, die vertelt over ene koning Eric van Zweden, genaamd Windhoed (Windycap), als toespeling op zijn kracht om de wind te laten blazen uit welke hoek hij wilde door zijn hoed in de begeerde richting te draaien. Dit was exact het soort toverij die de Scandinaviërs waarschijnlijk leerden van de Lappen of Finnen. Het prototype van Scotts Norna was Bessie Millie die meer dan 100 jaar geleden te Stromness in de Orkneys leefde en een bloeiende handel had als verkoopster van gunstige winden aan door stormen gekluisterde schippers. De goodwill van Bessie’s handel werd verworven door ene Annie Tulloch of Mammie Scott, die gunstige winden verkocht tegen de prijs van 18 pence het stuk. Haar methode van het toepassen van het principe van het geknoopt koord was de schippers te instrueren de zee op te gaan tussen twee reven in het hoofdzeil, waarvan slechts één mocht worden uitgeschud tijdens de reis. Als beide werden uitgeschud, ontstond een tegengestelde storm, maar als de boot werd teruggedreven naar de Orkneys, kon een ‘hele-zeil’-bries worden gekocht van de inschikkelijke Annie voor een verdere attentie.

Volgens Frazer (de schrijver van de Golden Bough) kopen de Shetlandse zeelui nog steeds winden, in de vorm van geknoopte zakdoeken of draden, van oude vrouwen die beweren de stormen te beheersen.[2] Heksen op het vasteland van Schotland hadden andere middelen om de wind te verheffen, hetgeen vroeger veel makkelijker was dan thans. De gewoonte van het geknoopte koord was ook bekend op het Eiland Man, waar een vrouw te Siseby aan de Slei winden verkocht aan de haringvissers op die wijze.[3]

Mitchell beschrijft in zijn studie naar hekserij en toverij in de Noordse Middeleeuwen de weermagie, zoals die uit de saga’s naar voren komt. In de Þorsteins saga Víkingssonar beweert iemand een ‘weerzak’ te hebben, die, wanneer hij hem schudt, zo’n koude en woeste wind eruit blaast, dat een meer bevriest. In de Óláfs saga Tryggvasonar is Rauðr, een offeraar (blótmaðr), zeer bedreven in de magie (fjọlkunnigr), in staat dankzij zijn magie om een goede wind voor zijn oorlogsschip te krijgen, wanneer hij maar wil. Wanneer in de Laxdæla saga een heksengezin wordt beschuldigd van misdaden, richt de vader een ritueel platform op en het hele gezin beklimt het en zingt toverspreuken totdat ze een grote storm hebben opgewekt, gericht tegen hun vijanden. In de Eyrbyggja saga regelt Þóroddr met de heks Þorgríma, dat zij een toverstorm opwekt tegen een man, die over een hei gaat.[4]

Dit is het materiaal voor paragraaf 4 van het tweede hoofdstuk van mijn boek ‘Heksenstreken’. Dit hoofdstuk is getiteld ‘Heksen en het weer’ en de eerste paragraaf ‘De wervelwindheks’ komt sterk overeen met mijn artikel ‘Het mes in de wervelwind’ (https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-mes-in-de-wervelwind-the-knife-in-the-whirlwind/), de tweede paragraaf ‘De dienstmaagd van de pastoor’ met mijn artikel ‘Het paard van de duivel’ (https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-paard-van-de-duivel/), en de derde paragraaf ‘De heks met hoefijzers’ met het gelijknamige artikel (https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-heks-met-hoefijzers/). Aan het eind van dit hoofdstuk zal ik een PDF geven met het gehele hoofdstuk.

[1] Trots: ‘niet onderdoende voor’: Trots et Noorts en Lapsche Volk = net zo goed als de Lappen in Noord Scandinavië.

[2] Mackenzie 1916, 39 naar The Golden Bough, pp. 322-6.

[3] Mackenzie 1916, 39 naar Thorpe, Northern Mythology, iii., p. 23-4.

[4] Mitchell 2011, 65. Vaak gebruiken de saga-schrijvers weermagie als een literair middel om de toon te zetten of een sfeer te creëren, maar vaak ook wordt het afgebeeld als deel van een ‘climatic arsenal’, vaak te huur, een wapen om in te zetten tegen vijanden.

PDF:
Windhandel

1 Trackback / Pingback

  1. Cor Hendriks – De vliegende heks (7): Vliegen met de Fairies en de Laplandse tovenaar | Rob Scholte Museum

Comments are closed.