Cor Hendriks – De vliegende heks (5): De Grote Sprong

Dat is een schoone sprong, zei Barend, en hij stapte over een slootje.
Harrebomée I, p. 32

In het gedicht Moerin uit 1458 door Hermann von Sachsenheim uit Konstanz wordt de volgende komische situatie uitgebeeld: een oude vrouw, die nabij Urach woonde, had een toverzalf gemaakt. Daarmee streek ze het kalf in en zette daar haar man op. In één nacht snelde hij naar Praag en deed daar snel zijn boodschap. De oude vrouw had de bode bevolen geen woord (ein wort nit) te spreken, terwijl hij op het kalf zat en naar huis reed. Al spoedig kwam hij in de buurt van de Alpen en zag hij het diepe dal, daar sprong hij overheen in één sprong. De man was op leeftijd, niet jong zo meer en hij sprak: ‘Dat is de mooiste sprong, die ik ooit van een kalf zag.’ Zodra hij deze woorden uitsprak, stond hij weer op zijn eigen voeten en het kalf was verdwenen [Hansen 1901, 131f nt. p. 3, het is een variant op het thema van deuit de lucht gevallen mens’, te zien bij Gervasius van Tilbury].

Een andere versie van ‘de Grote Sprong’ is te zien in de Zimmerische Chronik:
Ain burger zu Mösskirch, Petter Schneider, nam sich an, were ain farender schuoler und mermals in Fraw Venusberg gewesen. – Er sagt auch für wahr, das er uf ain zeit in Fraw Venusberg gefaren were, und het ain burger von Mösskirch seiner gesellen ainen mit sich genommen. Nun weren sie durch alle luften uf zwaien kelbern gefaren und als sie zu angender nacht geen Rotenburg an Necker kommen, weren sie ab allen heuseren und insonderhait ob ainem würtshaus das inen auch wol bekannt hingefaren und hette dasselbig würtshaus ain vorder gros storkennest gehabt und wiewol sie baidt nit reden dörsen, er auch solichs seim mitgeferten, dem Strölin hoch eingepunden, idoch, als den Strölin bedaucht hatte, sein kalb het ob dem großen storkennest gescheucht, derhalben ain großen sprung gethonn het er unverdacht gesprochen: ‘Petter, das ist ain sprung von aim Kalb!’ und mit dem wort were der Strölin im storkennest gelegen, daraus er auch keineswegs kommen aber auch reden künden bis an dritten tag; do het er, im seiner widerhaimfart außer dem storkennest darvon geholfen und darvon gepracht [Birlinger, Aus Schwaben, Wiesbaden 1874, I, 117f nº138: Luftfart, naar Zimmerische Chronik II 80ff).
Een burger uit Mösskirch, Petter Schneider, geloofde, dat hij als ‘varende scholier’ meermaals in de Vrouw Venusberg geweest was. – Ook als waarheid, zegt hij eens naar de Vrouw Venusberg te zijn gegaan en een burger, een van zijn gezellen uit Mösskirch, had meegenomen. Nu waren ze op twee kalveren door de lucht gevlogen en toen ze bij het vallen van de nacht te Rotenburg aan de Necker aankwamen, waren ze voorbij alle huizen gevlogen en in het bijzonder boven een herberg, die ook hen welbekend was, en op deze herberg bevond zich een heel groot ooievaarsnest en hoewel ze beiden niet mochten spreken, wat hij ook aan zijn medereiziger Strölin had opgedragen [= ingepeperd (?)], alleen Strölin was dat vergeten, toen zijn kalf van het imposante ooievaarsnest schrok en zodoende een grote sprong deed, had hij onverwachts gesproken: “Petter, dat is een sprong van een kalf!” en na het uitspreken van deze woorden lag Strölin in het ooievaarsnest, waar hij niet meer uit kon komen Ook kon hij niet spreken tot op de derde dag. Toen, bij de terugtocht, heeft Petter hem er afgehaald en uit het ooievaarsnest geholpen.

Ook in de Relationes Curiosae ook wel Größte Denkwürdigkeiten der Welt van Eberhard Werner Happel, verschenen tussen 1683 en 1691, is een versie te vinden. Hij heeft het verhaal ontleend aan een volksprent (vliegend blad). Zu Bitterfeld, auf einem nahe dabei gelegenen Dorfe, dienete auf des Rats daselbst Vorwerk eine Enke [akkerknecht] und Schirrmeister [trosonderofficier] beisammen, und weil der Enke sich auf eine gewisse Zeit aus dem Bette verlor [dat wil zeggen: niet in zijn bed te vinden was] und daher in Verdacht der Hexerei kam, kommt dem Schirrmeister der Vorwitz an [vat het plan op], die Wahrheit dessen zu erfahren, mitgenommen zu werden. Hierauf präsentieren sich die folgende Nacht zween Böcke, auf einen setzet sich der Enke, auf den andern der Schirrmeister, doch warnet ihn dieser, er sollte ja kein Wort unterwegens reden. Sie kamen an den See bei Seeburg in der Graftschaft Mansfeld, da springt der eine Bock mit dem Enke in einem Hui [in een wip] über den See. Der Schirrmeister denkt, was will daraus werden? Sein Bock, der etwas kleiner und schwächer, stellet sich als furchtsam, meckert und gehet zurück. Endlich holet er aus und setzet in einem Sprung hinüber, da hebt der Schirrmeister an und spricht: ‘Je, nun! War das nicht ein Sprung?’ Augenblicklich wirft er ihn in eine Hecke, da er ziemlich zerstochen des Tages erwartet. Und nachdem er sich mit Mühe aus der Hecke gearbeitet, gehet er wieder nach Bittersfeld, woselbsten er’s angezeigt, wie es ihm ergangen [Happel 1990, 260: ‘Die teuflische Bocksfahrt’ (in gegenwärtigem Kupfer abgebildet)].

In moderne sagen komt de Grote Sprong veelvuldig voor, ook als belangrijkste motief van de sage, zoals in die van de Brechschmied, ‘Ein Faust aus dem Handwerkerstande’. Net als de Schumburger Docter Kittel bezat de Brechschmied een tovermantel, waarmee hij  nachtelijke reizen kon doen. Eens wedde hij in een kwartier naar Praag te kunnen reizen om daar met een bruid te dansen [huwelijk als sabbat!], met medeneming van een getuige, die tijdens de reis moest zwijgen. Maar als deze onderweg toch spreekt, ze storten neer en ontwaken op een mesthoop in de buurt van Bakow. Op een latere reis houdt de begeleider zich langer aan het zwijgverbod, maar als ze boven de Schwarzbrunnberg zweven, kan hij het niet nalaten te zeggen: ‘Nu, dou hon m’r so schun ’n Swarzeborn,’ en valt dood uit de lucht [Kühnau 1910-13, V, 238f nº1595.5: ‘Die Mantelfahrt’, voor Dr. Kittel, zie Peuckert, Schles. S., 87ff].
Vergelijkbaar met de smid is de Gießer, in het Nederlands beter bekend als ‘loodgieter’. [loodgieten is een vorm van waarzeggen: gesmolten lood wordt in water gegoten en vormt een figuur, vergelijkbaar met het uitlezen van theebladeren of koffieprut]. In dit geval betreft het zelfs een hoofdgieter van de overkant van de Rijn, die iedere zaterdag naar huis toegaat en een collega wil weten hoe hij dat doet. De man brengt een boek en een geit, ze gaan erop zitten en na ‘Über Hecken und Stecken’ vliegen ze weg. Bij de Rijn zegt de collega: ‘Majusepp nochemol, wat e Sprunk vun er aler Gäß (oude geit).’ Hij stort neer en moet nog een heel eind lopen [Zender 1966, 387 nº1174: ‘Der Gießer reitet über den Rhein’].

Te vergelijken met de smid, die toveren kan, is de ‘Duitse schaapherder’, die vaak in Vlaamse sagen optreedt. De boerenknecht Tist is bevriend met zo’n Duitse schaapherder, Bernhard is zijn naam, en wil wel eens met hem mee naar de kermis [kermis als sabbat!] in Duitsland, 300 uur [symbolisch getal] ver weg. Beiden plaatsen zich bij de avondschemer [twilight zone] op een geit en met ‘Over al en door al’ zijn ze weg. Tist mag onderweg niet omkijken [in plaats van het preekverbod], doet het toch [waarom?] en valt neer in een wei. Zwaar gewond in een vreemd land ligt hij daar, maar gelukkig komt de schaapherder op de terugweg langs en neemt hem mee naar huis [Stalpaert 1968, II, 74f DS 20b: Van Tiste (Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit Tieltsche, Pittem 1899, 10)].
In een andere sage gaat de Duitse schaapherder elke zaterdag naar Duitsland om een schoon hemd te kopen; de drijver van de koeien van boer Bertje wil mee. Hij mag onderweg niet spreken. Buiten staan twee houten paarden klaar en de schaapherder zegt: ‘Over al en door al!’ Bij een sprong over zee zegt de koeiendrijver: ‘Wel, wat een duivelse sprong is dat!’ Hij valt aan de overkant van de zee naar beneden en is drie maanden van huis [Stalpaert 1968, II, 74 DS 15 (RdH 24, 1888-89, p. 402); vergelijk Volk & Taal 3, 10-12: De Duitse schaapherder zegt: ‘Over al en boven al,’ en op twee beesten gezeten vliegen de boer en hij naar Duitsland. Op de terugweg spreekt de boer ondanks het zwijggebod en valt van het dier af, het grote water in en het duurt drie maanden voor hij thuis is].
Maarten, de koeiendrijver van boer Maes, merkt, dat Ko, de Duitse schaapherder, zaterdagnacht niet in zijn bed slaapt en hem begluurt. Ko stampt op de grond en een houten paardje verschijnt, waarop de schaapherder met het uitspreken van de woorden ‘Over al en deur al!’ verdwijnt. Dat lijkt Maarten ook wel wat en hij vraagt de schaapherder, of hij eens mee mag. Dat mag, als hij er niemand wat van zegt. Maarten belooft het en die zaterdag gaan ze op pad. Ko drukt Maarten op het hart onderweg niets te zeggen en zo gaan ze ieder op een eigen houten paardje. Ze vliegen weg en weldra zijn ze boven zee. ‘Wel, christene zielen toch,’ zegt Maarten, ‘is dat toch een sprong!’ Meteen ligt hij op de grond en heeft drie maanden nodig om weer bij boer Maes terug te komen [Stalpaert 1968, II, 72-74 DS 14 (algemeen Vlaams) = RdH 1869-70, p. 70].

Een sage uit Beveren (Veurne) is genaamd ‘Deur al op de makke’, wat misschien de spreuk is, die de schaapherder uitspreekt, maar er wordt alleen gezegd, dat ze schrijlings reden op hun makke paard (waarschijnlijk het houten paard uit de vorige sagen, want dat is uiteraard zeer mak) en over Duitse schaapherders, dat ze op zaterdag naar Duitsland gaan voor een schoon hemd en zondag naar Rome voor de vespers [Stalpaert 1968, II, 74 DS 16 (J. Leroy, in: Biekorf, 1890, p. 329; in: Stalpaert, Toverije, p. 43)].
In een variant uit Dudzele, getiteld ‘Zaterdagse reis’, komen grote witte geiten hen ophalen. Ze mogen niet omkijken. Eentje, die dat wel deed, werd meteen door de geit teruggebracht [Stalpaert 1968, II, 74 DS 17 (Dendooven, in: Biekorf, 1958, p. 208)].
In een variant uit Koolkerke zegt de Duitse schaapherder tegen de koeiendrijver: ‘Ga je mee in Duitsland pannenkoeken eten bij mij thuis?’ [pannenkoeken eten als sabbat]. De koeiendrijver wil wel en mag onderweg niet spreken. De schaapherder stampt op de bodem en twee vosse paarden komen aangelopen. Met ‘Over en deur al!’ gaan ze en in één sprong zijn ze bij de zee en met de tweede er overheen. ‘Sa’s pertank wel ’n sprong!’ zegt de koeiendrijver en ligt op de grond. Hij komt pas na jaren weer thuis [Stalpaert 1968, II, 74 DS 18 (Mahieu, in: Biekorf, 1957, 301 nº8: ‘Van een Duitse schaapherder’)].
In een versie uit Oedelem vraagt de koeiendrijver aan de schaapherder om hem mee te nemen als hij zaterdag voor een schoon hemd naar Duitsland gaat. Ze zetten zich op geiten en onderweg mag natuurloijk niet gesproken worden, maar de man zegt: ‘Gedomme, dat affeseert, hé, schapre!’ en meteen valt hij op de grond [Roeck & Marquet 1980, 108 uit 1963 = O. Mattheeuws, sage nº387].
In een variant zonder de sprong uit Opwijk (1937) gaat de schaapherder zitten, neemt de ongelovige koeienherder op schoot en weg zijn ze. ‘Op ne vloek en ne sakker’ zijn ze in Holland bij de vrouw van de scheper (hier dus een ‘Hollandse schaapsherder’) [A. Roeck, in: Volkskunde 99, 371f uit Opwijk 1937, Hs B. van den Broeck = Pauwels, 261].
In een Engelse variant is het een heksende pachter uit Trostrey, die een kennis inwijdt in de geheimen van zijn kunst en meeneemt op een vrijdagse rit. Ze gaan op twee kalveren en mogen onderweg geen woord spreken. Zo komen ze bij de Usk. De kennis wordt bang en fluistert: ‘Goed kalf! Breng me heel erover!’ Meteen valt hij in de plomp en de feestdag [sabbat als feest op vrijdag] was voorbij [Agricola 1976, 133 nº167: ‘Des Hexers Feiertagsanflug’].

Net als de herders worden ook de vrijmetselaars ervan verdacht meer te kunnen dan anderen. Als er vergadering was, vlogen de framassons op een bok of kalf (ook wel een meutte genoemd) door de lucht. In een paar minuten later waren ze bijvoorbeeld in Parijs [Daras 1964, 47 nº245] De bende Framassons zweeft in de lucht. Ze riepen: ‘We vertrekken van hier tot Keulen, in de wijnkelders, over haag en over heuvel!’ [Daras 1964, 48 nº250]. Jan Beek van Nijlen was zo’n framasson. Hij wil naar de bijeenkomst in de kelder [wijnkelder als sabbat] bij de notaris van Berlaar. Hij zet zich op een nuchtere meutte, dat wil zeggen een kalf, en vliegt door de lucht en is dan met één sprong over de Nete. ‘Och God, zoe ne groete sproeng voor ne nuchtere meutte!’ zegt hij en valt met zijn kloeten van de meutte [A. Roeck, in: Volkskunde 99, 372 uit Vierssel 1964 van 75-j. schrijnwerker = Daras nº246 (vergelijk Berg, 568)].

Beschuldigd van hekserij werd ook de roversbende van de ‘Bokkenrijders’. Van de Bockreiter von Herzogenrath werd gezegd, dat ze over de Rijn heen vlogen na zich met zalf te hebben ingesmeerd, gezeten op een bok met de woorden: ‘Über alle Hecken und Strücke.’ Bij de sprong over de Rijn zei eentje: ‘Jesses, was ein Sprung!’ en werd van de bok geworpen [Zender 1966, 386 nº1169: ‘Die Bockreiter von Herzogenrath’].
In een sage uit het Belgisch Limburg is sprake van twee broers. De ene is rijk en de andere is arm, ondanks al zijn geploeter, en hij vraagt zijn broer hoe dat nou kan en zit. Deze zegt er ’s nachts op uit te gaan met de Bokkenrijders. Hij neemt zijn broer om middernacht mee en zegt hem niet over de Heer en Onze Vrouwe te spreken. Ze zetten zich op bokken en de ene zegt: ‘Over bos en struik, Door de wolken uit!
Onderweg klaagt de arme broer: Ai, ai, Jezus, Maria, wat doet mijn kont toch pijn, op die scherpe rug! Meteen gooit de bok hem van de rug af, maar een hoop zand breekt zijn val. ’s Morgens gaat hij verder, komt bij mensen, die hem niet verstaan en heeft ruim zeven jaar nodig om weer thuis te komen bij zijn vrouw, die ondertussen hertrouwd is, maar deze nieuwe man rent voor hem weg [Roeck 1980, p. 154-156 = Blécourt 1982, 497f: ‘De rit van de kandidaat Bokkerijder’].
In een door Daras in de Kempen verzamelde versie mag een man, die op een bok door de lucht rijdt, niets zeggen, maar bij een sprong over een vijver roept hij: ‘Ne goeie sproeng!’ en valt [Daras 1964, 47 nº249; ID., 46 nº238-9: ‘Bokkenrijders, een dievenbende, die op een bok door de lucht vlogen‘].
Een man uit Wehr in Luxemburg ging op een nacht schatgraven met behulp van een zogeheten geldroede (zie aflevering 2: https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-vliegende-heks-2-zalf-en-vliegstaf-vervolg/), een drie voet lange hazelaar. Die wordt daartoe in de grond gestoken. Als hij zich naar de grond toe buigt, ligt daar een schat. Op aanwijzing van de stok groef de man in de Helterbeek bij de Moezelmolen. Terwijl hij daarmee bezig was, liep hem een grote bok tussen de benen en droeg hem wel vier uur ver tot aan de Saarspitze, waar de Saar in de Moezel stroomt (vergelijk ‘de Grote Sprong’) en wierp hem daar neer. Er leven nog afstammelingen van deze man, die men Boksritters noemt. Een boer uit Lintorf in Westfalen had wieden gestolen en naar huis gaande liep hem een bok tussen de benen en vloog met hem door de lucht. Al kwam hij ongedeerd op aarde, hij heeft zijn hele verdere leven niet meer gestolen [Sloet 1887, p. 145 naar Gredt, Das Luxemburger Land, p. 329; Hartmann, Bilder aus Westfalen, p. 116].
Ook in Zwitserland bestonden er vroeger dievenbendes. Een dergelijke bende hield zich op in het Lötschendal, die de geschulten Diebe werden genoemd. Waarom ze ‘geschoold’ werden genoemd was, omdat de mede leden moesten oefenen om met zware buit op een plek, die thans nog bij Blätten wordt aangewezen, over de Lonza (de wilde gletsjerbeek in het dal) te springen [Runzeberg 1947, 69 naar Höfler, Kultische Geheimbünde der Germanen, I, 26f].

Ook in Zweden is ‘de Grote Sprong’ bekend: een tovenaar laat een man naar huis rijden op een kalf op voorwaarde, dat hij geen woord zegt. Het kalf maakt een grote sprong over een rivier en de man kan niet nalaten te zeggen: ‘Dat was een grote sprong voor zo’n (baby) kalf!’ Hij wordt onmiddellijk afgeworpen [Klintberg 2010, 260: type M111: A great leap for a calf (twee regio’s, drie variaties)].

Vrouwen, die meer kunnen dan anderen, zijn heksen. Een man in Dedense (Neder-Saksen) merkt, dat zijn vrouw ’s nachts weg is, vraagt haar er naar en ze biedt hem aan om mee te gaan. Zij gaat op een geitenbok, hij op een kalf en mag niets zeggen. Zegt dan: ‘Dat is pas awer ’n sprung for so’n soffkalf!’ en wordt afgeworpen [Peuckert 1966b, II, 420 nº1275: ‘Auch ein Ritt auf dem Kalbe’].
Een knecht vraagt de boerin op een mei nacht [= 1 mei, Walpurgisnacht] mee te mogen naar de Blocksberg [= locatie sabbat], krijgt een kat, mag niets zeggen, zegt: ‘Donnerwêr, dat was aber ’n kattensprung!’ en moet twee dagen lopen om weer thuis te komen [Peuckert 1966b, II, 421 nº1276: ‘Der Katzenritt zum Blocksberg’].
Een man, wiens vrouw een heks is, wil weten hoe het eraan toe gaat op Walpurgisnacht. Zijn vrouw zegt hem mee te gaan en om elf uur pakt ze haar bezem Ze smeert de steel in met heksenzalf, zegt haar man erop te gaan zitten, maar vooral geen woord te spreken. Ze vliegen door de schoorsteen naar buiten, op naar de Blocksberg, waar het al druk is. De duivel preekt, waarna er wordt gegeten en daarna gedanst. Om twaalf uur is het over. Onderweg naar huis zegt de man boven een grote waterpartij: ‘Das ist ein gewaltiger Sprung für einen kleinen Besen!’ Hij valt en moet de rest van de weg naar huis lopen [Peuckert 1966b, II, 421f nº1277: ‘Ein Sprung für einen Besen’].
Volgens een Stapelholmer [Harzland] vertelling mocht een knecht achterop bij zijn bazin zitten en op haar bezemsteel meerijden [naar de sabbat], toen hij echter bij een heftige sprong over een breed water zijn stilzwijgen verbrak, viel hij op de grond [Zaunert 1928b, 537 (Heim. 9, 64)].
In een versie uit Sleeswijk-Holstein ziet een knecht hoe zijn bazin tijdens de Johannisnacht op een bezemsteel plaatsneemt, die ze eerst met zalf bestreken heeft. Hij aapt haar na en vliegt over berg en dal, komt bij een grote waterpartij uit en roept: Das ist doch des Satans! en stort meteen neer. Ditzelfde overkwam volgens een Dithmarse vertelling iemand, die door een heks mee op haar geitenbok genomen werd, of in een Breitenburger vertelling een meid, die haar bazin mee op haar kater nam. Toen ze het stilzwijgen verbraken, vielen ze op de grond [Müllenhoff 1975, p. 537, comm. bij nº340 naar Dannewirke 1844, nº53. Wolf 1843, nº385, p. 563; Thiele, Danm. Folkes. II, 90, p. 208].

Een boerin in Kapelle nabij Antwerpen vraagt aan haar man, of hij mee wil naar de sabbat. Ze haalt twee kalveren uit de stal en ze gaan erop zitten. Ze zegt hem geen woord te spreken en roept: Over haag en heg tot Keulen in de wijnkelder! Ze vliegen weg, tot hij bij een sprong over een groot water zegt: ‘God zegen ons allen, wat een grote sprong voor een kalf.’ Hij staat hierna in een vreemd land, zo’n 60 uur van Antwerpen [Wolf 1843, 469 nº385: ‘Ein Ritt auf Kälbern’, van M. van der Voort = Peeters, in: Eigen Haard 1946, 208. Vergelijk Haver 1964, 382 nº1050:
Over haag en over heg tot Keulen in de wijnkelder’. Vergelijk nº1052: Heksen rijden weg op kalveren en bokken onder de spreuk: Over haag en over heg te Keulen in de wijnkelder (naar Welters, Limburgse legenden (…), 1875, 2, p. 66)].
In een variant uit de omgeving van Maagdenburg vraagt een vrijer aan zijn meisje om hem mee te nemen naar de Brocken. Ze zegt hem geen woord te spreken en bij haar op het kalf te zitten. Dan zegt ze enige woorden en het kalf rent met hen weg naar de Brocken, waar de heksen dansen, eten en vrolijk zijn. Ze gaan samen op het kalf terug, maar bij een groot water, waarover het kalf springt, zegt de knecht (!): ‘Das war ein gewaltiger Sprung für ein so kleines Kalb!’ Hij valt, zij vliegt verder en hij moet lopen [Zaunert 1928b, 274f: ‘Bräutigamsgeschichten’, uit Eichenbarleben bij Maagdenburg].

Dit verhaal is een aardige manier om een dagen durende afwezigheid te verklaren. In een versie uit Groningen afkomstig zei Lubbert, de jongste knecht van een boer in de Grouf bij Riep, na vijf dagen afwezig te zijn geweest, dat hij op de rug van een dikke zwarte bok over het water was gekomen. Hij mocht geen woord zeggen en toen hij dat toch deed, had de bok hem afgesmeten en had hij vier, vijf, dagen moeten lopen om thuis te komen. Maar het was de moeite waard geweest, want ze hadden rijstebrij met suiker en pannenkoeken [!] gegeten en ook hadden ze drank gekregen, maar het was een vreselijke goddeloze bende geweest en hij was blij weer in Grouf te zijn [Huizenga-Onnekes & Fijn van Draat, zonder (opgave van) jaartal, p. 40: ‘Mit heksen aan rais’ uit Godlinze, 1908].
In een Noord Brabantse versie moet een bakkersknecht in dienst bij een weduwe vóór acht uur naar bed, doet, alsof hij op de bank in slaap is gevallen, ziet de weduwe met haar dochter binnenkomen, zich uitkleden en insmeren met een zalf uit een kast, waarna ze zich schrijlings op een bezem zetten en zeggen: ‘Boven uit en nergens aan!’ en vervolgens het raam uitvliegen. De knecht doet hetzelfde, vliegt naar een heuvel, waar de duivel met heksen een orgie met drank houdt. De duivel wil de knecht doden, maar de jonge heks pleit voor zijn leven. Hij moet wel terug en de duivel tovert een groot varken, waarop hij achterstevoren moet gaan zitten. Onderweg roept hij: Jezus, is me dat een vaart!’, wordt door het varken afgegooid, sleept zich naar het dorp, maar zegt wel gelijk zijn baantje op bij de weduwe [Janssen 1978, 43f: ‘Hij had er genoeg van’. Er bestaat een grote gelijkenis met een Tirolse sage uit de collectie van Zingerle, getiteld ‘Der Bäckergeselle’. Zie ook Harrebomée I, 86: ‘Boven uit en nergens aan‘ Met als uitleg: ‘Wie, uit hoogmoed, boven anderen zich verheft, zal niets goeds tot stand brengen: hij stoot zich het hoofd, en verwerft schade en schande.’ Echter het hoofd stoten volgt op ‘Boven uit en overal aan.’].

In een Noorse versie bootst een dienstmeisje haar bazin na en vliegt met het ingesmeerde vat naar de Bluekolls [Blue Knoll, vergelijk de Zweedse Blokula], waar de heksen luisteren naar een preek van de Oude Erik [= de Duivel, ook in Engeland vaak met ‘Old’ aangeduid, zoals Old Nick (zie Rudwin 1970, p. 32: Charles P.G. Scott, in his very interesting paper, ‘The Devil and his Imps’, lists forty-one names for the Devil with the adjective “old”, waarna ze alle 41 volgen, waaraan Rudwin er nog meer toevoegt)]. Hij ontdekt haar en laat haar tekenen in het boek; ze schrijft: Ik ben geboren van God, in Jezus’ naam! De heksen gaan er vandoor, hun middel om te vliegen met een zweep slaand; ook het meisje zweept het vat, maar zegt: ‘Wat een grote sprong voor een brouwvat!’, valt en verliest het boek [Christiansen, Folktales of Norway, 36f nº17b: ‘The Witches’ Sabbath’].

Het boek zien we ook in een Tiroolse versie van God zeggen, doet de sabbat verdwijnen’: Een knecht ontwaakt in de stal, ziet de meid zich insmeren en hoort zeggen: ‘Zetzt auf und davon und nirgends on!’ Hij doet het na, komt in een zaal met eten, drinken en dansen uit. Na een tijdje komt iemand met een boek en hij schrijft: Jesus, Maria und Josef, steht mir bei! Ich bin nicht im stande, allein auszukommen.
Met een knal is het donker en hij moet twee dagen lopen om thuis te komen [Zingerle 1969, 404 nº714 ‘Im Hennewinkel’ uit Eggenthal, Obwurzer].
Het ondertekenen is ook onderdeel van een Slezische variant, getiteld ‘Ein Hexenritt im Isergebirge’: een knecht bespiedt op Walpurgisnacht zijn bazin, die zich ontkleedt en met zalf insmeert, spreuken mompelend. De knecht doet jaar na en smeert zich ook in en volgt haar naar de keuken, waar ze op een ovengaffel met de woorden ‘Oben naus und nirgends an!’ de rooksteen uitvliegt, achtervolgd door de knecht op een mestvork, naar de Blocksberg, waar in een grote kring wordt gedanst rondom de duivel. De knecht wordt ontdekt, voor de duivel gebracht en moet een pact met zijn bloed tekenen, roept dan: ‘In Gods naam, wijkt van mij! Donder en bliksem, de duivel verdwijnt in de aarde. Ook de knecht voelt zich omvallen en denkt in de hel terecht gekomen te zijn, maar uiteindelijk belandt in zijn bed, waar hij zich afvraagt, of alles een droom was. Hij neemt de volgende morgen ontslag [Kühnau 1910-13, V, 102-104 nº1455 naar de herhaalde mondelinge vertelling van zijn oude Muhme in Neustadt in dialect, bericht door M. Rösel, in: Am Urquell, III, 1892, 31f].

Ook gewone mensen kunnen soms toveren, zoals Peter, die zijn vriend meeneemt op een bundel stro met de woorden: ‘Over bos, over berg en over dal,’ naar Egypte [= sabbat] en hem waarschuwt niet te spreken. Ze eten er, maar dan komt een stinkende schotel [vergelijk Walter Maps visschotel]. De vriend spreekt en meteen is alles verdwenen, ook Peter, die thuis in zijn bed ligt, terwijl de vriend in Egypte is achtergebleven. Peter haalt hem echter de volgende nacht terug [Teirlinck 1930, 17f uit Wetteren (O-Vlaanderen) = Wodana I, 29 = Wolf 1843, nº550; vgl. Haver 1964, 382 nº1046: Peter ging met de duivel om, aan een kruisweg ging hij op een strobundel zitten, zeggende: Over bos, over berg en over dal, en vloog naar Egypte].
Dit verhaal over Peter is een moderne versie van het verhaal van Faust, die in het volksboek een mantel heeft om mee te vliegen. Drie jonge ridders hadden graag naar het bruiloftsfeest [huwelijk als sabbat!] van de keurvorst van Beieren gewild, maar de tijd ontbrak om er heen te gaan. Bovendien waren ze niet uitgenodigd. Faust wil hen wel helpen, maar op de voorwaarde, dat ze geen woord spreken op de bruiloft. De drie gaan akkoord, krijgen van Mephistopheles, Faust‘s hulpduivel, sierlijke kleding aangeboden, waarop Faust zijn mantel op de grond legt en het trio verzoekt daarop plaats te nemen. Ook hij stapt op en dan ze zweven weg. Na enige minuten zijn ze bij het vorstelijke slot, waar ze vriendelijk worden ontvangen en zich zeer vermaken, al vindt men het vreemd, dat ze niets zeggen. Aan tafel zegt eentje echter: ‘Dank u!’ en Faust legt zijn mantel neer en roept: ‘Op weg!’ Twee  van hen weten de mantel te grijpen, maar de spreker is te laat. Nadat de anderen weggezweefd zijn, wordt hij met vragen overladen, maar omdat hij geen antwoord geeft, laat de keurvorst hem in het gevang gooien, waaruit hij ’s nachts door Faust wordt bevrijd [Daalder 1959, 116f.]. Het grote voorbeeld voor het vliegen van Faust is het vliegende tapijt van koning Salomon, waarover veel verhalen de ronde deden, die tot ver in de geschiedenis teruggaan.

Het spreekverbod komt overeen met het lachverbod, dat een houthakker werd opgelegd, die bij een bron te drinken gaf aan een Venusmannetje [dat wil zeggen iemand uit de Venusberg] en door hem werd meegenomen naar de Ponsdorfer bruiloft, voorzien van een kap, die onzichtbaar maakte. De gasten op het huwelijk waren hogelijk verbaasd het eten zo snel te zien verdwijnen, dat deed de houthakker lachen, waarop het Venusmannetje hem de kap afdeed, waardoor iedereen hem kon zien met een restant van het gestolen eten in zijn hand. Hij kwam er vanaf met een afranseling [Ranke 1910, 140: ‘Das verbotene Lachen’ naar Peter, Volkstümliches aus Österreich-Schlesien, Troppau 1867, II, 9, vergelijk met de vroedvrouw, die haar oog kwijtraakte, waarmee ze in beide werelden leefde, ook met de man, die door de muts van de dwergen in twee werelden tegelijk kon zijn; zijn lachen verraadde hun aanwezigheid].

Het vliegen op een ‘mantel’ komt ook voor in een roman in verzen, opgenomen in de Chronique de Normandie van ene Benoît, gedrukt in 1487, waarvan een samenvatting wordt gegeven door Lecouteux. Toen Richard verbleef in zijn kasteel Moulineaux-sur-Seine, waar hij gewoonte getrouw na het eten in het bos ging wandelen, hoorde hij een wonderlijk en vreselijk geluid van een grote menigte, die tezamen was. De herrie kwam naderbij en een van zijn schildknapen onwaarde een koning met een groot gezelschap. Men noemde hen la Mesgnie Hennequin in gewone taal, maar het was la Mesgnie Charles Quint, die vroeger koning van Frankrijk was geweest (†1380). Deze scene herhaalde zich drie keer per week. Richard verzamelde een honderdtal ridders om zich heen, vertelde aan hen, dat een koning met zijn gezelschap een vreselijke hoop herrie makend, zich onder een boom gezet had, en hij vroeg hen om hem te vergezellen om te de koning te confronteren als hij terug zou keren. Ze bereidden een hinderlaag voor, a l’heure d’entre chien et leu, à l’ avesprant [het uur tussen hond en wolf is de avondschemering; avesprer (-prir): commencer (pour le soir) à venir (DAF 46), overeenkomend met de avondwandeling (après souper) van Richard], ze hoorden lawaai en zagen twee mannen op de grond een fel bontgekleurd kleed uitspreiden; die zetten daar stoelen op voor de koning met zijn lieden, die geheel in brand staand er op plaats namen. Verschrikt gingen de ridders van Richard er vandoor en hij bleef alleen achter. Hij sprong op het kleed en bezwoer de koning om hem in Gods naam te zeggen wie hij was en wat hij kwam doen op zijn land en wie die lui bij hem waren. Ik ben koning Charles Quint de France, die in deze eeuw is overleden en doe mijn penitentie van de zonden, die ik heb begaan op deze wereld; en dit hier zijn de zielen van ridders en andere lieden, die me dienden,’ zei de verschijning. ‘Wij gaan strijden tegen de ongelovige Saracenen en verdoemde zielen om onze penitentie te doen. Richard vroeg hem, wanneer hij zou terugkeren. ‘We zullen tegen het aanbreken van de dag terugkeren en heel de nacht zullen we met hen strijden. Richard wilde hen vergezellen en meedoen met hun strijd; Charles beval hem daarop het kleed niet los te laten, wat hij ook zou zien, en zei: ‘Laten we vertrekken!’ en ze vlogen weg. Grote herrie makend en storm veroorzakend bracht het kleed hen allen naar [het klooster] Sint-Catherine van de berg Sinaï. Richard hield een stuk van het kleed bij zich en ging de mis aanhoren in het klooster. Hij ontmoette daar een van zijn ridders, die zeven jaar eerder gevangen was genomen door de Saracenen, en hij meldde hem, dat zijn vrouw verloofd was met een ander en over drie dagen ging trouwen. Deze ridder vroeg Richard tegen zijn vrouw te zeggen, dat hij nog in leven was en gaf hem als bewijs de helft van een ring mee. De Mesgnie van Charles kwam terug en nam Richard mee, singlant comme vent et tempeste. Richard hervond zich nu alleen in zijn bos, ging terug naar zijn kasteel en vervolgens naar Rouen om de boodschap te brengen aan de vrouw van de ridder, die hij in Palestina had ontmoet [Lecouteux 1999, 118].

Deze roman kent enige varianten. Tijdens een rijtochtje bemerkt Richard een ronde (carolle) en moet meteen aan de Mesgnée Hanequin denken, spoort zijn paard aan om er heen te gaan, maar een van zijn schildknapen, al dood sinds een jaar, verspert hem de weg en legt hem uit, dat hij penitentie doet (je fais ma pénance) en dat al degenen, die de ronde vormen, onder bevel van Helequin staan; Richard gaat rekenschap vragen aan degene, die ‘sans mon congé chasse en ceste forest cy.’ Helequin houdt zich op onder een meidoorn en verklaart: God, die onze meester is, heeft ons verlof gegeven om de hele nacht te gaan, tot de ondergaande zon […], en wij lijden ieder van ons zoveel angst en pijn, dat het niet te vertellen is in een week. Hierna volgt hetzelfde avontuur [Lecouteux 1999, 119 naar Meisen, 77-79 en 85-94].

Te vergelijken is een verhaal uit de Formicarius van Johan Nider (†1438): een edelman doorkruist ‘s nacht een woud nabij de Rijn met zijn schildknaap, die hij er op uit stuurt om de omgeving te verkennen. Deze ziet een groot leger met ruiters naderen. Hij waarschuwt zijn meester, die gaat kijken, of het vriendschappelijk is of vijanden zijn. De legermacht passeert, hij komt het bos uit en ontmoet een ridder op een ros, die een ander paard bij de teugel voert. Hij vraagt, of hij soms zijn vriend is, die onlangs is gestorven, en de ander bevestigt het. ‘Wie zijn degenen, die je vooraf gingen?’ – Het zijn de edelen en ridders,’ en hij noemt hun namen,die net als ik, vannacht naar Jeruzalem gaan, aangezien dat onze penitentie is. De edelman vroeg voor wie het paard was, dat hij meevoerde. ‘Dat is voor u, als ge wilt meegaan naar het heilige Land,’ en hij voegt toe, dat hij de ros rustig kon bestijgen. Ondanks de protesten van de schildknaap bestijgt de edelman het ros en verdwijnt uit zijn blikveld. De volgende dag blijft de schildknaap wachten op zijn meester, daar, waar deze verdween en vindt hem veilig en wel . De dode heeft zijn vriend een serviette de salamandre [= een asbestdoek] en een mes in een schede (mappulam parvam salamandra et cultellum in vagina) gegeven, zodat hij niet denkt, dat het allemaal een illusie was (ne phantasma omnino fictum illa fuisse credatis) [Lecouteux 1999, 116f].

Door Jacob Grimm is er een verband aangebracht in het onderzoek naar het stokpaardje door te wijzen op een Noorse overlevering, de sage van Thorsteinn boearmagn (15e eeuw?). Deze Thorsteinn lag in het riet verborgen en hoorde een jongen in [= naar] de heuvel roepen: ‘Moeder, reik me kromstaf en bandhandschoenen, ik wil op de toverrit (gandreiđ), er is huwelijk [huwelijk als sabbat] beneden in de wereld!’ Daarop werd uit de heuvel de krôkstafr aangereikt, de knaap besteeg hem, trok zijn handschoenen aan en reed, zoals kinderen dat doen. Thorsteinn ging naar de heuvel en riep dezelfde woorden. Meteen kwamen staf en handschoenen naar buiten, Thorsteinn ging op de staf zitten en reed de jongen achterna. Ze kwamen bij een rivier, doken er in en reden naar een rotsburcht, waar veel lieden aan tafel zaten en allemaal wijn dronken uit zilveren bekers, de koning en de koningin zaten op een gouden troon. Thorsteinn, die door zijn stok onzichtbaar was geworden, bracht de moed op om een kostbare ring en een doek te grijpen, maar verloor daarbij de stok, zodat hij door iedereen gezien en achterna gezeten werd. Gelukkig kwam zijn onzichtbare reisgezel op de andere stok, die Thorsteinn nu ook besteeg, en zo ontkwamen ze beiden [Haberlandt, in: HDA I, 1150 naar fornm. sög. 3, 176-8. Vgl. sprookjes van het type ATU 307].

In Zweden is de sage bekend van de tovererende koetsier, die met zijn koets door de lucht heen vliegt, zodat de passagiers niet te laat komen op het huwelijk [Klintberg 2010, p. 271, type M195: Coachman drives through the air (twee registraties). In vliegende vaart (Van Dale 1984, 3070: met een vaart: in dolle vlugge, vliegende, volle vaart)].

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-vliegende-heks-1-zalf-en-vliegstaf-intro/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-vliegende-heks-2-zalf-en-vliegstaf-vervolg/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-vliegende-heks-3-zalf-en-vliegdieren/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-vliegende-heks-4-toverzalf-in-komische-situaties/
https://robscholtemuseum.nl/?s=heksen