Theo Knippenberg – WAAR BEN IK? (7): In een Perzisch kerstverhaal

(Dit is het mooiste kerstverhaal dat ik ken. Het is van Kader Abdolah en elk jaar opnieuw deel ik het online met vrienden en relaties)……..

…Vanaf december was alles soms weken bedekt door de sneeuw. En de scholen gingen dicht. De mannen begonnen hier en daar een tunnel te graven onder de sneeuw in de bergen zodat we weer naar school konden. De klaslokalen waren koud. We moesten wachten tot de conciërge uit een ander dorp te voet met bevroren snor op kwam dagen. Eerst warmde hij zijn handen op. Daarna kwam hij met een fakkel in zijn rechterhand en een bak naft in zijn linker om de kachels te laten branden. Met dikke kleren aan zaten we op de banken te wachten tot het warm werd. Pas als de klas eenmaal warm was, verscheen de meester.
Wanneer de school uit was, holden de kinderen als vossen door de sneeuw, over de rotsen naar huis. Thuis kropen we onder de kachel. De winterkachels die bestonden uit een tafel met het smeulend vuur er onder en een grote wollen deken erover heen. Toen ik onder de kachel kroop, wist ik niets over de andersgelovigen. Wij waren Mohammedaan en ik wist niet beter dan dat Iessa (Jezus) ook een profeet was. Iemand die door onze eigen profeet goedgekeurd was. Ook mijn vader vond hem een goede profeet. Maar onze keuze ging naar Mohammad. Hij was de laatste en de laatste was de beste. Ik wist dat mijn vader het liever niet over Marjam (Maria) wilde hebben. Hoewel in het heilige boek stond dat zij door Djbraiel zwanger was geraakt, merkte ik dat hij de Marjam’s soera over sloeg. Ik las de twijfel op zijn gezicht over Marjam’s verhaal. De Marjam’s soera was de enige die ik niet uit het hoofd hoefde te leren.

Kinderboeken hadden we voor onze lange winters niet. Alleen Perzische klassieken. Radio en t.v. behoorden nog tot de zondige apparaten. Feestavonden waren ook niet voor ons bestemd. Wel kwamen mannen bij ons over de vloer om gezamenlijk uit de Koran te lezen: “Tahamolate galoe Marjam lagad djeat… Toen Marjam het kind baarde en naar het volk bracht, zei iedereen: “O, Marjam schaam je. Jij hebt iets vreselijks gedaan.”

Andere gezinnen die niet zoals wij gelovig waren, hadden andere bezigheden voor hun lange winteravonden. Men nam vertellers mee naar huis. Hashem de verteller was de beste van de streek. Hij was een oude man van een jaar of tachtig die prachtige verhalen kon vertellen. Omdat hij oud was en zijn ogen niet goed zagen was hij welkom in de binnenplaats van vele moslimgezinnen. Hij kwam rustig tussen de vrouwen en de kinderen zitten en vertelde zijn verhaal. Maar wij hadden hem niet nodig. Wat hij wilde vertellen stond wel in onze boeken op de schoorsteenmantel zei mijn vader. We mochten zelf een boek pakken, naast de kachel gaan zitten en lezen wat we heerlijk vonden. Eens moest mijn vader een paar nachten weg. Zijn moeder was ziek geloof ik. ‘s Avonds klopte er iemand op de deur. Het was Hashem de verteller. Je vader vindt het goed dat ik vanavond bij jullie verhalen kom vertellen, zei hij. ‘O, komt u binnen,’ zei ik en waarschuwde mijn moeder dat er een vreemde binnenkwam. Dorstig naar wat hij wilde vertellen, leidde ik hem naar de binnenplaats. ‘U bent welkom karbalaie Hashem,’ zei mijn moeder en sloeg haar chador om. We boden hem de beste plek van de kachel aan. Hij ging zitten. Mijn moeder zette een glas thee en een schaal dadels voor hem neer. Hij dronk zijn thee op, nam een paar dadels, keek even rond naar ons, mijn zeven zusters en ik. ‘Doe het licht uit, jongen,’ zei hij. Ik deed het licht uit en liet één kaars branden op de schoorsteenmantel. ‘Salame braje oe… Mijn salam voor hem,’ zo begon hij het verhaal van de geboorte van Iessa de profeet te vertellen. ‘Salame baraje roezie ke…Mijn salam voor de dag waarop hij geboren is en voor de dag waarop hij is gestorven en voor de dag waarop hij weer tot leven zal komen,’ ging hij verder, ‘gale ennema an alrasoel…, Ik ben een boodschapper van Allah, zei Djebraiel tegen Marjam. En ik wil je een zoon geven.’ ‘La ean konto taggieja,’ riep Marjam. ‘Rebokal golman zakieja… Het is een besloten zaak,’ zei Djebraiel. ‘Wa lam jamssanie bashar wa lam ak baggieja… Hoe kan ik een zoon ontvangen, terwijl geen man mij heeft aangeraakt.’ ‘Howa aliool haen… Het is eenvoudig, zoals de Heer het wil.’ Marjam trok zich terug van haar volk in een afgelegen oord. Zij lag bij de voet van een dadelboom. Djebraiel nam naast haar plaats. En zij ontving hem.

‘s Morgens toen ik wakker werd, scheen de zon op de kachel. De plek waar karbalaie Hashem had gezeten, was leeg. Ik was in slaap gevallen, maar de avond, Djebraiel die alleen een boodschapper was, kon ik niet vergeten. Vooral de magische woorden die Iessa als pas geboren kind in de wieg in het Perzisch uitte: “Salam voor mij. Salam voor de dag waarop ik geboren ben…” Ik beschouwde Iessa altijd als de profeet van de mensen die in verre landen woonden. Tot mijn verbazing ontdekte ik dat de dorpelingen die één berg verder dan ons woonden ook in Iessa geloofden. Hun dorp heette Masihadorp (Messiasdorp). Hoewel in het heilige boek hun geloof was erkend, handelden de moslims niet met hen. We gaven geen dochter aan hen en het was verboden om een dochter van hen ten huwelijk te vragen. We aten niet uit hun borden en gaven ze geen hand.

Op een van de avonden van dee (december), toen ik als jongen van veertien naast de kachel in slaap was gevallen, hoorde ik mijn moeder die zuchtte: “Wakker worden jongen. Word wakker.” Ik stond meteen op. Mijn vader was niet thuis. Hij had me wel gewaarschuwd voordat hij wegging: “Ik probeer het op tijd te komen, maar er kan van alles gebeuren. Wees alert. Let op je moeder.” Mijn moeder moest van haar negende kind bevallen. Na lange tijd waarin ze niet zwanger raakte, was ze plotseling weer zwanger. Haar kinderen waren groot en ze schaamde zich voor die zwangerschap daarom sloeg ze altijd haar chador om haar rug. ‘Haast je,’ riep ze. ‘Ga de vroedvrouw halen!’ Ik kleedde me snel om, trok mijn laarzen aan en ging gauw naar de enige oude vroedvrouw die bijna alle mannen van haar omgeving op de wereld had gebracht. Zodra mijn tantes en de buurvrouwen mijn haastige voetstappen in de sneeuw hoorden kwamen ze uit het donker te voorschijn en snelden naar ons huis. Voor de deur van de vroedvrouw hoefde ik niet lang te wachten met de eerste klop op haar deur, kwam ze meteen naar buiten. Ik droeg haar tas. Ze rolde haar chador onder haar armen en we gingen huiswaarts. De onrustige voetstappen van de ervaren vroedvrouw maakten duidelijk dat ze geen makkelijke bevalling verwachtte. Ik bleef in de binnenplaats wachten en de buurmannen lagen wakker in bed. Mijn moeder gilde. Mijn tantes waren onrustig. Na een halfuurtje kwam de vroedvrouw naar buiten. Het lukt me niet, zei ze tegen de vrouwen. Ik kan haar niet helpen. We moeten madam Rachel halen. Toen wende ze zich tot mij: “Vooruit! Neem de muilezel. Ga snel naar het Masihadorp, ook al drinkt ze een glas water, laat haar meteen komen.’ Ze legde me uit hoe ik het huis van madam Rachel kon vinden.

Angstig reed ik op de muilezel in het donker. Van af een rots keek ik naar beneden, naar het dorp dat in de sneeuw tussen de stenen lag. In de nacht was het meestal een donkere plek, maar nu schitterde het dorp in het donker. Ik had het dorp nog nooit zo helder gezien. Ik reed de berg af en ging voorzichtig het dorp binnen. Op het dorpsplein hing overal een heerlijke geur. Een vreemde geur die ik niet kende. Een mengeling van een soort vers brood en rozengeur. Ik passeerde een simpel gebouwd kerkje. Wat ik toen niet kon begrijpen, dat men op die avond een soort voorlopige stal had opgebouwd waarin een namaak herder en een paar echte schapen, drie vorstelijke figuren en drie echte kamelen waren gezet. Tussen hen in stond een beeld van Marjam die een kind op haar schoot hield. Ik zocht naar het huis van madam Rachel. Haar raam was verlicht. Een groot raam. Bij ons waren de ramen klein en er hing altijd een gordijn. Voor de woonkamer was versierd met papieren sterretjes en er stond een tafel met een maaltijd. De familie zat bij elkaar. Kinderen, jonge vrouwen die geen sluiers droegen. Ik klopte aan. Een vrouw met grijs haar deed de deur open. ‘Goedenavond. Ik kom voor madam Rachel.’ ‘Dat ben ik. Wat is er jongen.’ ‘Een probleem. Mijn moeder kan niet bevallen. Zou u misschien snel langs willen komen?’ Nu ik er aan terug denk, weet ik dat het de avond voor kerst was. Ik had eigenlijk moeten zeggen: “Mobarak madam. Prettige kerstdagen.” Maar ik wist het toen nog niet, kende de traditie niet. Ik doe het nu, hoewel ze niet meer leeft en in de bergen begraven ligt: “Mobarakbad madam Rachel. Zalig kerstfeest mevrouw.” De geur van wat ik hier als suikerbrood herken, ruik ik nu opnieuw in mijn studeerkamer in Nederland. En het gebraden vlees dat in een schaal op tafel lag, zou niets anders kunnen zijn dan een haas waar er honderden van in de bergen van de ene rots naar de andere sprongen. De moslims joegen ze niet. Het was verboden, maar de bewoners van het Masihadrop vingen ze gemakkelijk met hun eenvoudige vallen. Nu ik de kerstfeesten met mijn Hollandse vrienden vier, weet ik hoe belangrijk dat feest voor de familie van madam Rachel was, desondanks haalde haar man zijn trekker uit de garage. Ik op de muilezel en zij met de trekker naar ons huis, waar iedereen ongerust op madam wachtte en niemand wist dat we haar bij een belangrijk feest vandaan haalden. De christelijke ervaren vrouw hielp mijn moeder. En mijn broertje werd geboren. De volgende avond kwamen de oude mannen van onze familie bij elkaar om een naam voor de pas geborene te kiezen. Ze zetten een gaslamp op tafel en haalden het oude exemplaar van het heilige boek uit de kast tevoorschijn om een naam te zoeken. Grootvader deed zijn ogen dicht, kuste de kaft en opende het. De mannen bogen zich over de bladzijde die geopend was. Mijn vader las het citaat luid op: “Attenie alkotob en djaelnie nabieja… Toen wees ze naar het kind. Maar iedereen zei, hoe kunnen wij tot een wiegekind spreken?” Na een kleine aarzeling van mijn vader mochten we de geborene Iessa noemen.

Er ontstond een nieuwe relatie tussen mijn vader en de christelijken. Vroeger zwaaide hij alleen naar hen. Nu drukte hij hun hand, maar zodra hij thuis was, spoelde hij zijn hand wel af. ‘Neem Iessa maar eens mee naar mijn huis,’ zei madam Rachel een keer tegen mijn vader. ‘Goed,’ zei hij. Maar hij deed het niet. Als hij bij haar op bezoek ging, zou hij eerst in bad moeten voor hij zou gaan bidden. ‘Jongen, breng je broertje naar madam,’ zei hij tegen mij. Ik zette mijn broer in het zadel en reed naar Masihadorp. Daar vonden twee belangrijke gebeurtenissen plaats: Mdam Rachel gaf me een klein oud boek met een lerenkaft, De bijbelse verhalen. Misschien was het helemaal niet nodig, maar ik heb het mijn vader nooit verteld. Nu staat het boek naast het heilige boek van mijn vader in mijn kleine Hollandse bibliotheek. En ik verloor mijn hart aan een meisje dat bij madam Rachel was en mijn broertje in haar armen nam. En het was de eerste keer dat een man van mijn familie op een christelijke viel.

1 Comment

  1. Mooi verhaal.
    Ik hoop dat men ooit zal beseffen dat het niet uitmaakt hoe men de Eeuwige noemt en welk verhaal men kiest.
    Wij zijn allemaal mensen en onze taak is elkaar te accepteren zoals we zijn.
    Ten diepste zijn wij samen EEN, zoals ook de Eeuwige EEN is.

Comments are closed.