Theo Knippenberg – WAAR BEN IK? (5): In handen van de KGB

Voordat we eindelijk oog in oog stonden met de Grote Leider van ‘het Rijk van het Kwaad’ was er een hoop geregel en protocol. Suzan en ik werden op Schiphol door de Russische ambassadeur persoonlijk naar het vliegtuig gebracht en in Moskou direct na de landing uit het vliegtuig gehaald en via een achteruitgang van het vliegveld naar ons hotel gereden. Dat kwam goed uit want we hadden allebei geen visum voor de USSR in ons paspoort.
We werden opgevangen door een soort persoonlijke gastheer, laten we hem hier Yevgeni noemen, die zich keurig voorstelde als officier van de KGB, de Russische geheime dienst die ik alleen kende uit de boeken van John le Carré. Yevgeni was een bijzonder aardige en behulpzame man. In de drie dagen die ik hem kende merkte ik dat hij veel meer over mij wist dan ikzelf. Ik denk nog wel eens als ik bijvoorbeeld de exacte trouwdatum van mijn ouders nodig heb, dat ik dan het beste Yevgeni kan bellen, die weet dat geheid.
Suzan en ik waren een dag eerder in Moskou dan ons beider oude vriend George Wald. Er waren namelijk geen rechtstreekse vluchten tussen Amerika en Rusland in die tijd van de koude oorlog.
Het was ons echter verboden (pardon: afgeraden, nee, slechts ‘niet aanbevolen’) om die dag Moskou in te gaan zonder uitgebreide beveiliging. Veel meer dan het gebalsemde lijk van Lenin in zijn mausoleum hebben we die eerste dag dan ook niet gezien van Moskou. Zelfs mijn grote wens om ‘s avonds naar het Bolshoi theater te mogen, werd niet vervuld. Yevgeni was heel eerlijk. Als er iets met ons gebeurde, al was het maar een verstuikte enkel, dan kostte hem dat zijn baan.
Wat ik mij tot dat moment niet gerealiseerd had: Wij drietjes, George, Suzan en ik, waren de allereerste bezoekers uit het Westen aan Gorbachev sinds hij daar aan de macht was (pas een paar maanden).
En wat ik nog niet wist: Ons bezoek was niet alleen een inhoudelijke voorbereiding voor zijn eerste ontmoeting (zes dagen later in Geneve) met president Reagan, maar ook een PR-moment om de wereld te laten zien dat hij een andere, veel warmere, relatie met het Westen wilde.
Dus de eerste dag brachten we vooral door met onvoorstelbare bergen kaviaar en natuurlijk champagne, in onze hotelsuite, groot genoeg om in te verdwalen.
Dag twee was helemaal volgens protocol. Omdat we ‘samen’ met George zouden komen, werden Suzan en ik in een limousine geladen en eerst teruggereden naar het vliegveld. Daar mochten we mee het vliegtuig in om George af te halen, dat was zó leuk, en toen stonden er ineens drie limousines voor ons klaar. Eén voor elk van ons. Plus twee auto’s vol beveiligers en een enorm motor escorte.
De limousines waren van het merk ZiL, slagschepen van eigen Russische makelij. Ze hadden zelfs een telefoon achterin (dit is 30 jaar geleden!) waarmee ik nog geprobeerd heb om mijn moeder te bellen. De telefoonjuffrouw heeft mij direct doorverbonden. Maar Maman was niet thuis. En mijn vader wou ik niet bellen.
Volslagen bizar, vanaf het vliegveld tot aan het Kremlin (het was een lange rechte snelweg, zesbaans of zo) heb ik niet één andere auto gezien. Ze hadden die hele autoweg gewoon gesloten voor ander verkeer, tot wij veilig binnen waren.
In het Kremlin werden we opgewacht door een groepje hele oude soldaten, aan de kilo’s medailles op hun borst te oordelen, waren ze allemaal minstens veldmaarschalk of zo.
De blijkbaar hoogste in rang vond dat wij stropdassen moesten dragen. George weigerde beleefd, hij droeg een coltrui, daar kon geen stropdas om. Ik aarzelde, tot Yevgeni zijn eigen stropdas afdeed en mij ombond. Ik heb het ding nog, draag hem af en toe met een grinnik.

Vervolgens moesten we in processie de lange gangen van het Kremlin door. Volgens protocol moest George Wald voorop. Maar dat was echt teveel gevraagd. Dus, in overleg met Yevgeni en de baas-veldmaarschalk, besloot ik dat Suzan de kar moest trekken. Als prachtig symbool van het Westen. Suzan knikte al zonder dat ik het hoefde te vragen. En ze deed dat fantastisch, zelfs ‘majesteitelijk’, een beter woord heb ik niet.
Totdat, we hadden geen idee waar we liepen, gang in gang uit, langs het halve Russische leger, plotseling een dubbele deur voor haar werd geopend naar een soort hal waarin verderop, omring door fotografen, een groepje mannen stond te wachten, waaronder die ene met die wijnvlek.
Suzan stokte in de deuropening. Begrijpelijk. Ik botste tegen haar op en maakte van de gelegenheid misbruik met mijn hand op haar bil. Ze reageerde sissend met een Nederlands drieletterwoord, grinnikte, haalde diep adem, begon te lachen, en stapte op die man af en begroette hem alsof ze jaren uitgekeken had naar deze ontmoeting. Hij ook trouwens. Sommige mensen kunnen dat.
Deze foto is direct de wereld rondgegaan, en heeft in Oost Europa nog een rage veroorzaakt: grote geblokte shawls waren daar van de ene dag op de andere in de mode en niet aan te slepen. Net als de waterstofperoxide.
Zelf denk ik nu dat ik mijn wenkbrauwen weleens had mogen trimmen. Gek dat Suzan mij daar toen niet op gewezen heeft.

PS: Ik ben nog een aantal keren in Moskou te gast geweest bij Gorbachev. Met mijn tweede echtgenote Greet en onze babyzoon Willem. Daarover een andere keer. Maar toen Gorbachev mij daarna privé, in Nederland, voor het eerst voorstelde aan zijn vrouw Raisa, was haar eerste vraag “Where is Suzan?”.
Ik antwoordde, naar waarheid: “History”.