Tessa van Veen – Je kunst of je leven (4): Tessa

Edwin zag ze wel eens lopen in Amsterdam, de balletmeisjes, haren in een knotje en rugtasjes op. Druk kwebbelend en met de voetjes in een lichte V-vorm kwamen ze uit het metrostation Weesperplein gerend, om vervolgens de tram te pakken naar de Weteringschans. Allemaal meisjes met de ballerina droom, onderweg naar de ”Nel Roos Academie”, vanuit heel Nederland. Eén van die meisjes was ik, vanuit Deventer. Voor Edwin had een ballerina wel een bepaalde magie. Meestal lang, dun en mysterieus. Kleine voeten, gracieuze handen en absoluut geen grote boezem. Een vriendin van Edwin destijds nam hem een keer mee naar een balletvoorstelling in het Muziektheater aan het Waterlooplein of zoals iedere Amsterdammer zegt: de Stopera. Toeval bestaat niet. Ze gingen naar “Cinderella” oftewel “Assepoester” uitgevoerd door het Nationale Ballet met heel wat figurantenrollen. En één van die figuranten, dat was ik. Als page in deze voostelling mocht ik naast Reinbert Martijn (de nar) mijn kortstondige professionele balletcarrière alweer afsluiten na twee jaar, achterop de koets, en de sluier dragend van Assepoester. Het was een onvergetelijke ervaring in 1990. Deze ervaring maakte de jaren afzien in de lessen de moeite meer dan waard. Hoewel je in je latere leven ook zeker de vruchten plukt van de zelfstandigheid en de discipline die je tijdens de opleiding wordt bijgebracht. Ballet is niet voor watjes en de balletjuffen niet voor de poes. De dames en heren achter de piano die de lessen muzikaal moesten begeleiden, hadden het soms nog zwaarder te verduren dan de leerlingen. Het is immers niet niks om als mislukte of uitgerangeerde ballerina, met een veel te groot ego, iedere ochtend opnieuw de meisjes hun voetjes uit te moeten draaien. En keer op keer je frustraties bot te vieren door iedere morgen opnieuw commentaar te moeten leveren op piekhaartjes of de verkeerde taille-band, analyseer ik nu. Maar eerlijk is eerlijk, ook ik durfde nauwelijks te vragen of ik naar het toilet mocht. En aan de kant gezet worden door de juf, dat was pas de echte hel. Niet ieder meisje kwam ongeschonden uit deze strijd. Wat me vooral is bijgebleven is, dat het erger is om iemand continu te negeren, dan iemand continu te corrigeren. Mijn balletrapport zegt genoeg fysiek: onvoldoende. Werkhouding: ijverig. Na twee jaar wacht de “gewone” VWO brugklas. Met een breukensommen taakje in de zomervakantie dat wel (je loopt toch wat achterstand op, op zo’n vrije Montessori school). Maar ondanks de zeer rommelige en rumoerige klas, met leerlingen van alle niveaus door elkaar (om je voeten te kunnen strekken hoef je niet perse heel goed te kunnen leren) kan ik toch terecht op het Kennemerlyceum te Overveen.
Haarlem. Edwin zijn nieuwe uitvalsbasis na allerlei scheidingsperikelen. Honkvast zal hij wel nooit worden. Huisraad heeft hij amper, achtergebleven bij de ex, niet belangrijk trouwens, zijn kunst sleept hij wel keer op keer met zich mee. Het voelt als helemaal opnieuw beginnen. Edwin doet allerlei primitieve “woon” locaties aan, een pakhuis, een zolder, achterin een winkel etc. Een antiekhandelaar komt bij hem langs met een interessant aanbod. Hij heeft een polaroid foto bij zich, die een gedeelte van een eikenhouten bibliotheekkast toont. Het blijkt te gaan om het gehele bibliotheek interieur van Wimbledon. In de Engelse plaats wordt blijkbaar niet alleen tennis gespeeld, er werd ook gelezen in een imposante bibliotheek. Men had besloten dat een en ander ondertussen aan modernisering toe was. Alle negentiende eeuwse boekenkasten, wandkasten en los staande kasten, inclusief alle vloerdelen worden te koop aan geboden. Edwin, die met zijn meubelmakerij de nodige ervaring had opgedaan, zag het wel zitten die ongeveer vierhonderd lopende meter kast en ongeveer tweeduizend vierkante meter vloerdelen. Het wordt zijn “come-back”. Hij heeft op dat moment nog één honderdje in de zak, hij geeft het aan de handelaar als handgeld, en daarmee is de zaak beklonken. Hij durft het wel aan. Daarna is hij echter platzak. Hij zal alles op alles moeten zetten om de rest van het geld, dat hij verschuldigd is, bij elkaar te krijgen. Hij krijgt een seintje dat de gehele partij al onderweg is naar Nederland, in drie mega trailers. Die avond kan hij nog net met wat kleingeld een zak patat kopen. Hij deelt de patat met een zwerver, die hij tegen komt in de stad. Ze eten samen, op een bankje, de zak leeg.
Edwin zal ergens die gigantische hoeveelheid hout moeten gaan lossen. Hij huurt op de bonnefooi een ruimte aan de Raamvest in Haarlem. Het is een grote, hoge ruimte met ruwe afgebikte muren. Daar zal het moeten gaan gebeuren, het bouwen van kasten, want alles is uit elkaar gehaald voor transport. Maar, zo heeft de handelaar Edwin verzekerd, alles is gemerkt, dus dat moet lukken. Het zijn antieke kasten, op maat gemaakt, dus alles past maar één keer. Edwin ziet het wel zitten. Kom maar op met die lading. Toet, toet, daar staat de vrachtauto uit Engeland al voor de deur. Een student, die boven de ruimte woont wordt ingeschakeld om te komen helpen lossen. Zodra de deuren van de vrachtauto opengaan is het duidelijk: er is helemaal niets gemerkt…..Het is een enorme jungle van eikenhouten planken, zijpanelen, achterkanten, kaplijsten en duizenden metalen lipjes ter ondersteuning van de planken. Er lijkt geen einde aan te komen. Heel even zakt de moed Edwin in de schoenen. Maar als alles binnen is, is het een uitdaging hier toch iets van te gaan maken. Bovendien al zijn geld zit erin, dus er moet wat verdiend gaan worden. Dagen van bouwen en passen en meten gaan voorbij. Dan is er één kast helemaal af. Nieuwsgierig steekt iemand zijn hoofd om de hoek, tussen al het losse hout staat nu één hele kast te pronken. Engels antiek is in. “Wat kost die kast?” wordt er geroepen. Oeps, tja, wat te vragen voor zo’n ding. Edwin denkt even na, en roept een prijs. “Verkocht! Kunt u hem morgen komen brengen? ik woon hier om de hoek”. En zo gaat het door tot alle hout tot kast is. Deze handel helpt Edwin er financieel weer bovenop. Er volgt nog een goede zet. Als Edwin ergens bij Beverwijk onderweg een metalen kasteelachtig ornament ziet staan, kan hij het niet laten even verder te kijken op het terrein. Edwin zoekt enkele dingen uit en vraagt aan de man, die naar hem toe is geslenterd, wat hem dat zou gaan kosten. De man kijkt hem ongelovig aan. De handelaar spreekt de woorden: “Zie je die container daar? Als je die vol koopt noem ik een prijs.” Ha, Edwin in zijn nette pak aan de slag. Direct kruipt hij onder en tussen het roestige oude ijzer door, op zoek naar decoratieve stukken. Bankjes, vazen, ornamenten, “you name it”. Ook stukken, ondefinieerbaar gek, zijn welkom. De container komt helemaal vol. Edwin is ermee in zijn nopjes, althans, nog wel. De volgende dag stalt hij alles uit voor de gevel van de winkel, samen met de student. Het ziet er goed uit, top brocante sfeer, denkt Edwin. Maar helaas. Niemand kijkt om naar de ijzerberg. Is het dan toch niets meer dan rommel voor de oud ijzer boer? Heb ik het dan toch verkeerd gezien, vraagt Edwin zich af. Maar nee, de volgende zaterdag is het raak. File voor de deur, iedereen gaat in de remmen. Bij bosjes dunt het woud aan oud ijzer uit. Kofferbakken worden vol geladen door de stroom aan klanten die ineens op gang komt. Het standwerken is begonnen. Edwin lacht. Ik maak een kiekje van Edwin staand bij, en leunend op, een wit geschilderd ijzeren Jezus beeld. Een bijzonder plaatje, zo samen. Er is meer tussen hemel en aarde en exact op de scheidslijn tussen beide staat Edwin. Het doet me nu denken aan de titel van een boek: “God is in de war, hij denkt dat hij Pieter is”.
Het kan nog beter. Uiteindelijk kan Edwin de gehele winkel, inclusief huurcontract en inventaris, overdoen aan een geïnteresseerde. De sterren staan goed. De onderhandelingen verlopen voorspoedig. Er wordt nog wat gebakkeleid over enige stukken in de winkelvoorraad. Edwin wil het liefst van alles in één keer af. Zo ook van een grote voorraad rollen antiek behang. Het is een lastige pluk handel, de rollen blijven niet goed op elkaar liggen, en de randjes beschadigen snel. Bovendien bleek de partij maar enkele rollen te bevatten met echt mooie motieven, met goud en zo. De rest was wat saai. Op een enkel rolletje na, liep de handel niet. De overname kandidaat twijfelt, maar dan meldt zich juist op dat moment een buurman. Hij komt met een rood hoofd de winkel binnengestormd. Hij roept hijgend: ”Heb je nog van die rollen behang, die ik laatst bij je heb gekocht?”. “Ja hoor”, zegt Edwin vrolijk, en trekt de rollen met het juiste motief voor de man uit de stapel. Man blij, Edwin blij. De overname kandidaat twijfelt nu geen seconde meer, en neemt de hele partij behang over. Perfecte timing. De deal is rond. Een dergelijke “flow” is kenmerkend voor een hypomane fase. Als iemand niet doorschiet in een manie, is er niks aan de hand, en kan het een hele tijd goed gaan. Maar het wisselgeld is bijna altijd een onherroepelijke depressie. Helaas.
Er woont nog iemand om de hoek, maar wie dat is, weet hij dan nog niet. Edwin neemt zijn intrek in een kleine woning boven een balletschool. De balletschool, waar ik na mijn poging tot professional, mij als amateur laat gelden. Daar komen we elkaar echter nog niet tegen. Dat gebeurt pas later. Bij de verhuizing raken de geluidsboxen van Edwin beschadigd. Hij baalt er behoorlijk van. Hij gaat op zoek naar een adresje om de boxen te laten nakijken. Zo belandt hij bij een bedrijf aan de Koudenhorn. Een bedrijf, dat al jaren bestaat en “The Pied Piper” luidsprekers maakt. Edwin denkt dat het wel een betrouwbare firma is en laat zijn boxen testen. Met een smoesje weliswaar, om niet te veel te hoeven betalen, veinst Edwin schade aan de boxen van zijn zus, tijdens het oppassen ontstaan. Of meneer Van Veen hem een beetje kan matsen. Maar daar trapt Van Veen niet in, althans, de leugen kan snel zijn, maar dit keer achterhaalde de waarheid haar wel heel erg snel. Na de analyse van het boxenprobleem komt de vraag: “Maar waar woon je dan?”. “In de Cornelissteeg” is het antwoord. “Ah, dan heb ik je net zien verhuizen, ik woon in de Gierstraat en kijk uit op de Cornelissteeg. Welkom in Haarlem, ik ben trouwens Gerbrand, en die boxen, dat regelen we wel voor een zacht prijsje”. Het contact is gelegd. Verkoper als Gerbrand is, kan hij het niet laten zijn eigen product uitgebreid te demonstreren. Edwin is onder de indruk van de geluidskwaliteit. Maar Edwin kan het niet laten kritiek te leveren op de inrichting van de luisterruimte. Het is een vrij kille ruimte met plavuizen en moderne meubels in een nogal zakelijke opstelling met plastic groen. Blijven hangen in “The Eighties” zo te zien. Na wat bezoekjes met glaasjes wijn over en weer komt het er toch van. De hele showroom gaat op de schop. Te beginnen met een antieke eiken vloer. Dan is de warme huiselijke sfeer al voor een groot deel daar. Afgemaakt met een klassieke Engelse boekenkast begint het al ergens op te lijken. Gerbrand zwalkt nog al eens door Haarlem, met het hondje, en bedient zichzelf (ook bij de ander) graag van een wijntje. “Vind je toch niet erg?” zei hij dan al inschenkend. Ook in de kroegen van Haarlem was hij geen onbekende. Thuis kreeg hij nogal eens de vraag: “Waar ben je geweest?” Vaak zei hij dan: “Oh, bij Edwin”. Wie zou dat toch zijn, die Edwin…vroeg ik me keer op keer af.
In een oogwenk ziet Edwin een meisje in en uit gaan met een fiets op de Koudenhorn. Hij slaat er verder geen acht op. Maar Gerbrand meldt hem dat het zijn dochter betreft. “En oh, ja trouwens, ze is binnenkort jarig, kom je een borreltje drinken?” Edwin moet even nadenken. “Je dochter? Wat heb ik daar tussen dat jonge grut te zoeken?” “Ach, doe het voor mij, voor de gezelligheid”. Probeert Gerbrand Edwin over te halen. Hij gaat overstag.
En zo werd 1 april 1996 een rare dag. Met een doos bonbons met marsepein (mijn favoriet) en een bloemetje had Edwin een goede eerste indruk gemaakt. Een bijzondere verschijning, die Edwin, lang, dun, grote handen. Gekleed in ruiten jasje, overhemd en choker (met een diamanten speldje in de vorm van een klavertje vier). Intrigerend. Deze verschijning bleef bij mij nogal hangen. Hij was dus niet klein en een beetje te dik, met baard, zoals ik alle vrienden van mijn vader qua uiterlijk in mijn gedachte per definitie categoriseerde. Na wat onnozele bezoekjes mijnerzijds, mee naar zijn domein. Achter een lange boekenkast ging een heel andere wereld schuil. Edwin’s wereld. Een donker houten hemelbed, bloedrode muren en Japanse prentkunst aan de muur. De prenten waren ingelijst in verweerde sloophouten lijsten met korstmossen erop. Er hing ook een ingekleurde ets van een tabaksplant, en een heleboel oude foto’s van klassieke auto’s in stoffige, verweerde lijstjes, met kapot glas. Edwin maakte kaneelthee, en serveerde die in elegante Sèvres porseleinen kopjes, wit met gouden randjes. De geur in de ruimte was heel exotisch, dat kwam waarschijnlijk door een mengeling van de kaneelthee, sandelhout en meubelwas. Er stond een set van drie Frank Lloyd Wright-achtige stoelen, die bijna de gehele ruimte vulden. “Het stelt vader, moeder en kind voor” vertelde Edwin. Pa was nogal pompeus met een vale okerkleurige bekleding. Ma was eleganter met roestbruine bekleding. Het kind was een vierkante voetenbank of kruk met dezelfde bekleding als pa. De frames van eikenhout met wit ingewassen, waardoor je de spiegels in het hout goed zag. Het bed was netjes opgemaakt met wit kanten beddengoed en achter het bed hing een verweerde antieke spiegel. In een donkere ruimte (die voor keuken door moest gaan) zwierf een vuilniszak met muizen eromheen, die zich snel uit de voeten maakten. Een mannenhuishouden. Hier werd duidelijk nooit gekookt.
Per ongeluk belandden we, met Pasen, getweeën in een uiterst chique eetgelegenheid. Edwin mocht onlangs dit etablissement voorzien van de broodnodige sfeer. De sfeer werd gedragen door een hele notariskamer en aangevuld met de benodigde Engelse boekenkasten. We rolden zo maar in een zeer onverwacht en onuitwisbaar eerste afspraakje. Edwin had mijn ouders mee willen nemen, maar een al lang vergeten kennis, uit het hoge noorden, meldde zich onverwachts. Ze vonden het lullig voor die man of zo, bla bla bla. “Who cares” hoe we daar terecht waren gekomen. Daar zitten we dan. Na verrukkelijk eten, aan het dessert met goddelijk vruchtensorbetijs met een randje marsepein er omheen. Begeleid met een hemelse Sauternes. Geen moment vallen er pijnlijke stiltes, bediening met epauletten, entourage een tien, gezelschap een tien. Wie weet waar dit toe leidt.
Bleu was ik zeker niet met mijn twintig jaar. Maar dat ik zo makkelijk de grens opzocht van een onontgonnen gebied, dat had ik niet verwacht. Ik had er in ieder geval niet eerst over nagedacht en er dus ook niet over getwijfeld. Na wat tedere onzin, floepte het eruit. “Doe me pijn”. Wat volgde, daar is vijftig tinten grijs niets bij. Bovendien heb ik een hekel aan de kleur grijs. Het leven “an sich” is al veel te grijs. Trek wat spannends aan, doe eens gek. Eng was het zeker niet, spannend des te meer. En, weet je wat het goede nieuws is: dit minnespel kan door de man tot op hoge leeftijd zeer succesvol worden volgehouden. Moet je als vrouw overigens wel een echte zijn. Jouw motto: pijn is fijn. Doet ie het even niet, lekker belangrijk. Wat hebben we nog, breed plat, dun venijnig, of dat radertje met die hele scherpe puntjes. Oneindige mogelijkheden dienen zich aan. Maar opgepast: na een “subspace” is al het andere maar slappe thee. Mijn motto: beter één doppio dan vijf bakken snelfilter maling. Misschien ga ik hier wat snel: barista ben je ook niet van de ene op de andere dag. Maar één ding is zeker, met deze man in mijn leven in ieder geval “never a dull moment”. Soms doet het ook echt pijn. Pijn om met iemand, zoals Edwin te leven, maar ik heb het er voor over.

1 Comment

  1. wat een leuk stuk ik moet er bijna van poepen

Comments are closed.