Susan Legêne – Nederland en de zee

In dit boek varen voortdurend schepen over het wereldtoneel, als negentiende-eeuwse vervoermiddelen van de Nederlandse expansies. (51). Schepen kruisen in de Middellandse Zee ter bescherming van de handel. Ze bombarderen Algiers en bedreigen Tripoli; ze brengen de Grieken wapens tegen de Turken en de Turken wapens tegen de Grieken en importeren Europese goederen in het Ottomaanse invloedsgebied. Schepen varen naar Japan om de shogun zijn bestelling te brengen, waaronder opnieuw de modernste wapens en moderne scheepsapparatuur, anatomische leerboeken en een encyclopedie. Een enkel schip vervoert nog illegaal slaven binnen de Caribische wateren. Schepen vergaan, op de thuisreis van Batavia naar Amsterdam; ze worden – vol Surinaamse koffie – tegengehouden door de Engelsen wegens de Engelse blokkade van de kust tijdens de Belgische opstand. In Nederland bloeit het verzekeringswezen, de politiek discussieert over handelsvoorwaarden en wapensteun, zeeslagen en bombardementen worden geschilderd volgens de beste traditie van de Hollandse zeeschilders. En gaande de eeuw, met name na 1860, wordt het zeilschip meer en meer vervangen door stoomschepen. (52).
De zee, zeeslagen en macht; ze horen bij het agressieve Nederland dat voor 1830 voortdurend ergens, vaak op meerdere plaatsen tegelijk in strijd verwikkeld was. (53). Maar ze passen niet echt in het pacifistische zelfbeeld van de koopman en de dominee, van Nederland als tolerante natie, teruggeprojecteerd tot op de Gouden Eeuw, waaraan Blakely refereert. Het is een zelfbeeld dat pas in de loop van de negentiende eeuw ontstond, in een reeks van beelden en spiegelbeelden die in Nederland en overzee werd gevormd. Het door Nederland ‘onbegrepen’ Japan biedt van die wisselwerking in beeldvorming een boeiend voorbeeld. In Nagasaki staat een Madurodam-Decima, een klein schaalmodel van dat kunstmatige eiland voor de kust dat ook wel venster op de wereld is genoemd. Ook openden de Japanners, die zich over Nederland altijd een beeld hebben willen vormen, er onlangs een Holland-dorp, een representatie van Nederland op ware grootte. De Nederlandse kunstenaar Rob Scholte schilderde daar in de Japanse replica van ons paleis Huis ten Bosch een historisch panorama van de zee en de macht. Het is een eigentijds panorama (ruim 1000 m2) van een verleden van zeeschilders en zeevaart; vol verwijzingen naar de ontdekkingen, de oorlogen, het geweld en natuurgeweld die aan die zee, aan de Nederlandse en de Europese expansie, verbonden zijn. Zijn beeldverhaal begint als een idylle: een kind ligt op zijn buik in het gras aan de slootkant en speelt met een papieren bootje in het water. Het eindigt bij de onomkeerbare verwevenheid van de wereld in een onderling verband van aantrekking en afstoting, en daar sluit het beeld weer aan bij het jongetje in het gras dat droomt over de zee.

Ook wij zullen hier beginnen met de jongensdroom van Scholtes panorama Après nous le déluge, en er – van zeilschip tot stoomschip – uiteindelijk bij terugkeren. Ook ons verhaal zou kunnen beginnen als een sprookje. Want er was eens een deftige familie. Vader stierf toen de kinderen nog klein waren, maar moeder was flink en voedde haar kinderen op tot brave burgers, die in God geloofden en trouw waren aan hun vorst. Die, op zijn beurt, liet geen middel onbeproefd om de welvaart in zijn rijk te vergroten, tot geluk van de mensheid.
De kinderen stonden midden in de wereld en namen iedere uitdaging aan. De
jongste zocht het gevaar, en zeilde weg om het weerspannige Algiers te bombarderen. Zijn broer vertrok om de kansen te grijpen die in de Oost aan zijn land geboden werden. De meest serieuze van het stel bereidde zich goed voor en zag de zonde in de West onder ogen. Het oudste zusje bood zwijgend beschutting aan haar man die de geheimen van Japan kende; het andere zusje, dat goed kon tekenen, stierf te jong.
En de stamhouder, die het koninkrijk niet zo goed durfde te verlaten, vond alles prachtig en zette de wereld in de volgorde van het alfabet. Met elkaar probeerde de familie om dat wat beschikbaar was te nemen, wat weerspannig was te bedreigen, wat tot zonde verleidde op te voeden en wat geheim was uit te leggen. Zo dienden deze kinderen de vorst, tot geluk van de mensheid.

52. De Moor 1989, p. 62.
53. Tilly (1993 p. 55) wijst erop dat Hugo de Groots verhandeling over het zeerecht (1609) als ondertitel draagt: ‘The right of the Dutch to take part in the East India Trade’. Hij spreekt over ‘the Bellicose Dutch’ en maakt dat duidelijk niet een tabel van krijgsverrichtingen tussen 1567 en 1795 (p. 68). In die periode treedt vrijwel geen pauze op; zowel op het vasteland van Europa als overzee doen zich steeds gewapende conflicten voor. Daarbij heeft Tilly dan de ‘binnenlandse’ Boni-oorlogen in Suriname buiten beschouwing gelaten (Hoogbergen 1985). Deze tabel is wat de negentiende eeuw betreft aan te vullen met gewapend optreden in de Middellandse Zee, in de Indonesische archipel, de veldtocht tegen België, en zelfs schermutselingen in Japan.

Uit: De bagage van Blomhoff en Van Breugel Japan, Java, Tripoli en Suriname in de negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur van het imperialisme, Susan Legêne, Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam, 1998