Rob Exfield – Het Maximum

1
Een gigantische antieke bijbel op een lessenaar belemmert de inkijk en dat is niet zonder reden. Dat weet iedereen op de buurt. Het huis is diep en donker als een jungle, volgestouwd met zware meubelen en antiek. De verzameling ademt cultuur en historie, maar de stank van eeuwige vochtigheid trekt op vanuit de kelder, de tuin is onverzorgd en wild. Jan, de heer des huizes, is een gelovig en vaderlandslievend man. Iedere zondag naar de kerk en op nationale of koninklijke feestdagen altijd met een speldje. Op een grote zwarte herenfiets rijdt hij ‘s ochtends naar zijn werk. In de namiddag, voor zijn thuiskomst, levert de slijter de jenever af. Zijn vrouw, nog in haar ochtendjas, doet dan schuchter open. Jan is de hoofdmeester van mijn school. Max is hun nakomertje, dat is het omgekeerde van enig kind. ‘Dat joch van tegenover, die belooft niets dan narigheid, met dat smerige lange haar’, weet mijn moeder. ‘Op school is het al fout gegaan’. En dat is waar, want ik heb het namelijk zelf zien gebeuren. Net na de middagpauze werden we opgeschrikt door gebulder. De leerlingen van alle klassen dromden samen voor de ramen. De schooldeur sloeg dicht en over het zonovergoten plein wandelde Max zegevierend weg. Tot overmaat van ramp gaf hij zijn vader de middelvinger. Dat was onze les. Max was zijn tijd ver vooruit.
Nu zit ik zelf bij onze overbuurman in de klas. Iedere ochtend pelt hij omzichtig de sinaasappel, die hij van huis heeft meegebracht. Hij rookt zwaar en we zien het sap langs zijn gele snor en bruine vingers druipen. Altijd een preek over de broodnodige vitamine en daarna biedt hij een van ons het laatste partje aan. Verdeel en heers, moet hij denken. Hij heeft niet in de gaten, dat iedereen van deze eer walgt. Tijdens het bidden worden zijn handen vuisten. Hij houdt z’n ogen streng gesloten en vat de toestand in de wereld voor God samen. Met de beste wensen voor iedereen. Amen. De schone lei werkt voor hem, maar niet voor mij, want God reikt niet verder dan mijn schooltas. Bij ons thuis wordt God nooit genoemd, behalve dan wanneer er gevloekt moet worden en dat gebeurt vaak. Ze vloeken op alles wat niet lukt of tegenzit. Ze vloeken op de natuurwetten, de zwaartekracht, het weer. Ook katholieken, protestanten, joden, politici, tv-sterren, middenstanders, zakenlui, intellectuelen en homoseksuelen moeten het ontgelden. Buren, vrienden, familieleden, niemand ontspringt de dans. En als ik zelf het doelwit van de woede ben, dan zegt Pa, zoals altijd in de derde persoon: ‘Die denkt zeker dat ie Jezus is’. Ik houd me dus vooral koest en maak me klein. Meester Jan heeft geen hoge verwachtingen van me. ik ben misschien goed voor de technische school, zeker niet voor het atheneum. Hij weet dat ook in mijn familie God het niet ver heeft geschopt. Als ik mijn moeder mag geloven, had haar vader één lijfspreuk, zijn hele leven lang: “Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje.” In zijn geval was niets minder waar. Hij hield altijd een stukje touw in zijn zak verborgen, klaar voor wie weet wat. Daar had hij ook alle reden toe. In de oorlog had Opa aan de verkeerde kant gestaan, daarna belandde hij in een kamp. De vernedering duurde een jaar, zijn gezin viel uit elkaar. Hij probeerde het leven te lijmen in een chocolade fabriek. Zijn loonzakje bleef licht. Toen stopte zijn hart. Meester Jan heeft mijn opa gekend of kent in ieder geval zijn verhaal. Hij spoort ons juist aan om vooral naar boven te kijken, naar de lucht, de bomen, de prachtige gevels van de gebouwen en niet naar onze voeten. Niet te zoeken naar centen. Mijn opa was een verliezer.
‘Ik zou maar bij die Max uit de buurt blijven’, zegt Ma. Ik houd mijn antwoord wijselijk voor me. Uit het zolderraam tegenover de straat schalt keiharde muziek: “Please allow me to introduce myself…ta ta ta”. Gisteren heeft Meester Jan het onkruid in zijn voortuintje gewied en korte metten gemaakt met de marihuana-planten, die daar plotseling wortel bleken te schieten. Alle buren stonden te kijken. ‘Vast door die Max geplant’, Ma spreekt er schande van. ‘Die gast is toch helemaal suf van de dope, dat zie je zo’. Mijn vader heeft het, zoals altijd, beter dan wie dan ook, in de gaten.
Rond komen van een uitkering valt niet mee, we komen altijd te kort en niemand wil ons helpen. De eerste twee weken van de maand zijn we heer en meester, we rekken de verkwanseling tot het laatste dubbeltje, maar dan ineens wordt het sprokkelen. De laatste week is pure armoede, bonen uit blik in het beste geval. Alleen het vooruitzicht op de verlichting, de dag van de volgende storting van het geld, sleept ons er door heen. De kalender intimideert ons, de klok irriteert ons, met beklemming proberen we de nog gesloten deur van de bank op de ochtend, dat de verlossing moet komen. En dan!
Max neemt de tijd. In zijn ogen weerspiegelen zich de gerechten, de een nog smakelijker dan de ander. Het speeksel loopt hem in de mond, ik zie het in de mondhoeken als hij praat. De eerste slok wijn heeft hem al los gemaakt, hij krijgt die geheimzinnige grinnik. Het gezicht van de duivel. Niet ontoepasselijk in “Il Diavolo”, de enige pizzeria die ons opgeblazen dorp rijk is. We vieren de sociale dienst en de gulheid van het leven, zo kort als het kan zijn. Max heeft me uitgenodigd, het is zijn idee, ik heb zelf niets te makken. ‘ “Quatro Stagionne”, voor twee, maar dan wel precies hetzelfde, anders krijgen we ruzie.’ De Italiaan kijkt Max leeg aan – ah, mijnheer maakt de grappen zelf, dat bespaart me de moeite – en maakt zich snel met onze bestelling uit de voeten. Het is druk in de zaak. ‘Wat een eikel’, Max fronst. ‘Kom op’, zeg ik, ‘Laten we het vrolijk houden’. ‘Je hebt gelijk.’, hij schenkt zichzelf snel nog eens in. Na de tweede fles is de pizza op. We hebben lang niet zo genoten. Max heeft de smaak te pakken, hij wil meer. Hij is in een bijzonder gulle bui, ik ken hem zo niet, waar haalt ie het geld vandaan? We gaan voor het dessert. ‘En doe er nog een wijntje bij!’, roept Max de Italiaan na. Die begint zich inmiddels vriendelijker te gedragen, de rekening loopt leuk op. Maar voor Max is hij een gedane zaak, ik voel het. Het gaat de verkeerde kant op. Ik ben dan ook helemaal niet verrast als Max de nieuwe fles onder zijn jas laat verdwijnen, langzaam opstaat en me gebaart mee te komen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, wandelt hij voor me uit naar de openstaande deur – het is licht buiten, mijn hart bonst in mijn keel – ik schiet over het topje van de aarzeling heen en we zetten het op een lopen. Maar de Italiaan heeft ons in de gaten, hij komt achter ons aan. We beginnen te sprinten. De lucht is blauw, de terrassen zitten vol, ik waan me in Rome, eeuwen geleden, hier staat de doodstraf op! We zigzaggen tussen de Duitse toeristen door, ‘Die zak kan het wel vergeten!’, gilt Max lachend. De achtervolging passeert hetzelfde punt twee maal: het publiek krijgt waar voor haar geld. De Italiaan begint te strompelen. Net om de hoek, niemand die ons ziet aankomen, is “Satisfaction”. We schieten het cafe naar binnen, regelrecht naar de plee, we moeten zo nodig. We laten het licht uit en met de haak op de deur wachten we in stilte. We tellen. We tellen de maat van het wachten. We wachten op de klop. En de klop komt. Hij heeft ons gevonden! Ik mag mijn schoenen wel eens poetsen, valt me op, terwijl we achter de Italiaan aan terug lopen naar het restaurant. De terrasjes kijken ons na, er wordt opvallend veel gelachen. Maar ik ben mak als een schaap, ik voel niets. Tot dit voorbij is, gebeurt het niet. Werk maakt hij er gelukkig niet van, de politie blijft erbuiten. Toch geen slechte vent, denk ik. Max betaalt, ik mompel mijn excuses, we mogen oprotten. Terug naar “Satisfaction”, zo snel als maar gaat. Max heeft op de plee de laatste fles verstopt en hij heeft er zojuist voor betaald. In plaats van de wijn, vinden we een briefje, een bonnetje van “Il Diavolo”, uitgescheurd in alle haast: “Losers!”, dat is geen Italiaans.

2
Mijn vriendjes en ik fantaseren over de toekomst. Omdat we altijd samen zullen blijven, ligt het voor de hand, dat we gaan wonen in een gigantisch groot huis, dat ruimte biedt aan alles, wat we maar als onmisbaar kunnen verzinnen. In een grandioze parkeergarage op de begane grond staat een breed scala aan voer-, vaar- en vliegtuigen gereed voor een ieder van onze behoeften om er even tussen uit te knijpen. Dat zal niet vaak gebeuren, want het liefst blijven we thuis. Een van ons zal de boodschappen doen, een ander zal ieder dag pizza’s bakken, een derde zorgt voor de grote St. Bernard hond, die de wacht houdt op het dak en erop uitgestuurd kan worden om onze levens te redden, mocht dat nodig zijn. We hopen op hevige regenval, sneeuwstormen en zo nu en dan een aardbeving.
Zelfs de krakers hebben het pand opgegeven. Je hoeft niet aan te bellen, door een gat in de muur stap je zo naar binnen. Max wacht me op boven aan een wankele trap, hij woont op de eerste verdieping. Het is of ik een tuin binnenstap. Door de gebroken ramen is alle ontreddering van de wereld naar binnen gewaaid. Er lijkt hier iemand te wonen, die er, tegen beter weten in, toch iets van probeert te maken. Er is een poging gedaan om orde te scheppen, maar alles is onmiddellijk in de oude staat terug gegleden. De elementen hebben vrij spel. Max snuift diep, hij heeft een kater en probeert zich in het helle ochtendlicht te vermannen. Wat zich in zijn hoofd afspeelt, wat hij vannacht heeft uitgespookt, ik kan er alleen maar naar raden. En dat doe ik liever niet. Ik kom, zoals altijd, onbevooroordeeld, de nieuwe dag is een onbeschreven vel. Zo trek ik Max over de streep. We hebben immers afgesproken om vandaag samen muziek te maken. Nog altijd doet hij me aan Mick Jagger denken, maar dan in de versie van een dwerg of een trol. Een kikker, die nooit in een prins zal veranderen. Er is niets wat Max daar aan kan doen, hij heeft zichzelf niet geschapen. Wel zou hij zijn gedrag kunnen veranderen, zich beter kleden, maar alles lijkt verweven. Max is altijd boos. In een fruitmandje op tafel zie ik zijn verzamelde aantekeningen, op proppen en vodjes, zijn ideeën en plannen. Ze zijn onleesbaar. Alle asbakken zijn propvol peuken, kroonkurken en doppen. Op de versteende koffieprut in theeglazen en kopjes viert de schimmel haar vrijheid. In een oude bureaulade op de vloer zie ik een chaos van geluidscassetten in gebroken doosjes en ontsnappende tape. Een stapeltje stuk gelezen boeken doet dienst als onderzetter van een uitgedroogde plant. Een leger lege flessen staat opgesteld langs de muur. Op de dag van executie zijn ze een vermogen aan statiegeld waard. Hij heeft ze vlijtig opgespaard. Ik zie niets van blijvende waarde.
Drie bierflesjes op tafel dienen als spoelen voor een lange tape loop, die naar de grote bandrecorder leidt. Max schakelt het apparaat aan, de sliert begint te lopen, er klinkt een gil, een dubbele, een drie dubbele, dan een riedeltje op een piano, dat zichzelf lijkt te proberen in te halen. De gil komt terug, iets begint te piepen, ik begrijp het al, we zijn op weg naar een kakafonie. Max zet het snel met een vies gezicht af. ‘Heb ik toch al zo’n koppijn!’, we moeten lachen. De koffie is sterk, veel te sterk, maar voor Max is het de eerste drug van de dag. Een goed begin is het halve werk. Daarna volgen de joints, de een na de ander en in de middag is het tijd voor de eerste drank. Maar daar zal ik niet bij hoeven te zijn. Uiteindelijk maakt hij alles stuk, misschien kan hij geluk gewoon niet verdragen. Ik steel zijn beste momenten. Want het is nu of nooit. Binnenkort verhuist hij naar Amsterdam. Al zijn vroegere vrienden wonen daar. De meesten zijn kunstenaar. Met trots vertelt hij me over hun succes als schrijvers, schilders en musici, het artistieke circuit en de plekken, waar hij in wil pluggen. Hij zuigt de rook diep in zijn longen en houdt zijn adem in tot zijn ogen bijna poppen, geen atoom gaat verloren. Dan springt ie plotseling op en rochelt in een hoek van de kamer. ‘Zullen we het kort en krachtig houden?’ ‘Mij best’, zeg ik, met Max valt niet te twisten. Hij spoelt zijn mond met een schraal restje wijn.
De ellende verhuist mee naar de hoofdstad. De wc is een ramp, de keuken een ravage en door de rotzooi lopen de kamers ongemerkt in elkaar over. De verloedering heeft Max’s woning in Amsterdam genivelleerd. Ergens doemt een sofa op, daarop val ik toch in slaap. Nog even en de eerste tram zal het duister genadeloos open ritsen. Het gevecht tegen het wakker worden zal beginnen. Tenslotte zullen we verliezen. Ik ken de routine.
En zo staan we al een paar uur later aan de provinciale weg achter het Centraal Station en liften naar het noorden, terug naar huis. Het is een omgekeerde wereld. De hemel is zo blauw als wij vannacht waren. We houden ons staande, maar de auto’s willen niet stoppen. Max is een gedrocht en ik te doorzichtig. Daar komt een bestelbusje aan, schiet ons voorbij, maar vermindert vaart als een veranderende gedachte, we rennen er achteraan. Zeker een grappenmaker, denk ik nog, maar nee, hij blijft echt wachten. Achter het raampje zitten drie bouwvakkers, netjes op een rijtje, ze zijn jong en schijnen zich te vermaken. ‘Waar moeten jullie naar toe?’, vraagt een glimlach. ‘Naar Alkmaar, als het even kan, alstublieft’, antwoord Max met overdreven beleefdheid. Hij is rood aangelopen. De glimlach antwoordt met enige spot: ‘Je ziet het, hier voorin is geen ruimte, maar als jullie echt mee willen rijden, dan wordt het achterin’. Max en ik kijken elkaar aan. We moeten hier weg, dit is wellicht de enige kans, die we krijgen. We staan hier al een uur, of misschien zelfs langer. Zonder een woord te wisselen, stemmen we in. De laadruimte is volledig leeg, we gaan zitten. Max trekt de deur goed dicht, de drie lachebekken kijken over hun schouder door het raampje. Ze zijn ons enige uitzicht. ‘Ja, we zijn klaar, we kunnen gaan’, gebaart Max met een dikke duim. De bestuurder geeft gas.
Het ene moment sta je in het gras, met je voeten op de vaste grond en je wilt wegvliegen, het volgende zoek je wanhopig houvast aan de vloer, die onder je vandaan schiet. Je maakt jezelf zo zwaar als maar kan, maar het wil niet helpen. De bouwvakkers gieren het uit. Na een wilde draai, scheuren ze weg in de verkeerde richting en ze gaan steeds sneller. Ik klauw me vast aan een kleine ribbel in het metaal, de zwakke glooiing is te glad. Dan remmen ze en Max en ik knallen op elkaar. Ik krijg zijn schoen in m’n gezicht. De pijn schudt me wakker: dit gebeurt echt! Het effect bevalt de bouwvakkers, ze lachen zich rot. De chauffeur doet er een schepje bovenop en zet een zigzag in. Nu is het einde zoek. We geraken in een gedwongen worstelpartij. We vliegen naar alle kanten. Er is niets, maar dan ook niets, om ons aan vast te houden behalve elkander. En ook dat helpt niets. Ons publiek is in alle staten. De wereld gaat steeds sneller. Dan schieten we de duisternis in. ‘We zitten in de tunnel’, roept Max. Ik kan geen woord uitbrengen, ik zet me schrap. Lichtflitsen. ‘We gaan naar Amsterdam-Noord’. Dat klinkt niet goed, nu loopt het echt uit de hand. Ze hebben kennelijk een plan. Ze kijken niet om, het duurt verschrikkelijk lang. Het geeft tijd om te denken, maar dat kan ik niet. Plotseling gaat de grote spot weer aan, de klaarlichte dag. Niemand in de wereld weet wat er zich hier afspeelt, we zijn verschrikkelijk alleen. De intimiteit is ondraagbaar. We moeten naar buiten. Ze slaan af. Het terrein wordt hobbelig. Tussen hun hoofden door schieten boomtoppen heen en weer. We zijn op open terrein, ver verwijderd van de beschaving. Er zijn hier geen getuigen, het is met ons gedaan. We slingeren door de laadbak, de chauffeur mist geen kuil, een laatste scherpe draai en dan: boem, op de remmen. Even is het stil, niemand beweegt zich. Ik kreun iets en Max geeft de deur een trap. En zie: onze vluchtweg is open. Ik zet het op een lopen maar Max blijft staan. Door het geopende portierraam bijten ze hem iets toe, ik kan het niet verstaan en dan komen ze, vol gas, achter mij aan. Met een lafbek als mij zijn ze nog lang niet klaar. Ik begin een fabuleuze slalom. Geen stuntman doet het me na. Ze willen me pletten. Ze komen gevaarlijk dichtbij. Dan maak ik de sprong. Het is een sloot. Het is mijn redding.

3
Op een nacht worden mijn vriendjes en ik gewekt door het gegil van sirenes. De brandweer raast in haar volle uitrusting door de straat. In onze pyjama’s gaan we er achter aan. De grote boerderij van Kouwenaar staat in de brand, het rieten dak stoomt. De witte rook lijkt zich niets aan te trekken van de duisternis, boven de hooizolder kleurt ie oranje. In het tumult ontwaren we Ouwe Piet, hij heeft een deken om zich heen geslagen. Uit een lek in een brandweerslang spuit water naar alle kanten. ‘Toen ik de staldeur opentrok, sloeg de vlam in de pan’, zegt ie. ‘Het vuur was dorstig voor zuurstof’, antwoordt een agent hem geleerd. ‘Mijn beesten gaan eraan, het is te laat’, huilt hij zonder tranen. ‘Ja, we vrezen voor het ergste.’ Ik luister aandachtig, maar hoor geen koe, die loeit, geen paard, dat hinnikt, geen schaap, dat blaat, geen kip. Wel zie ik een bemodderd konijn heen en weer schieten tussen de brandweerlaarzen. ‘Vast aangestoken, het zal de eerste keer niet wezen’, één van de toeschouwers schijnt er zeker van te zijn. ‘Wie weet wel het werk van een pyromaan!’, valt een ander hem bij. Nu wordt het interessant. Over brandstichters hebben we eerder gehoord. Zo weten we bijvoorbeeld, dat ze vaak opduiken in de nasleep van het misdrijf, als door een magneet aangetrokken, kunnen ze het niet laten. Ik kijk ogenblikkelijk rond en neem de aanwezigen goed in me op, de hele buurt staat er. Een deel van het brandende dak stort krakend in, een vonken zee wordt de nacht ingezogen, de mensen doen een stapje achteruit. In hun ogen zie ik het vuur. Dan stokt mijn adem, ik hap naar lucht. Hand in hand komen uit het bungalow-park aan de overzijde van de straat Mignon Van Brakel en haar vader het erf op lopen. Mignon is het mooiste meisje van mijn klas. Ze speelt blokfluit en eet graag een appel. Ik zou graag meer van haar weten. Mignon ziet me niet, ze is één en al aandacht voor het gesprek, dat haar vader – hij is wethouder – voert met meester Jan. De twee kunnen het kennelijk goed met elkaar vinden. Max, het zoontje van de meester Jan, heeft Mignon op het schoolplein een keertje lastig gevallen. Haar vader kwam die avond zijn gram bij Jan halen. Hij ging waggelend weer naar huis. ‘Dat joch zal wel geen straf gekregen hebben, hij is zo verwend’, zei mijn moeder, terwijl ze het gordijn dichttrok. ‘En dan heeft ie ook nog een grote bek’, gokte Pa. Want die informatie kwam niet uit eerste hand, die kwam van “horen zeggen”.
Max heeft zichzelf uitgenodigd en mij op sleeptouw genomen. We wandelen door de Jordaan, we komen bij de Rozengracht en wachten voor het voetgangers licht. Het is avond, de maan is vol, de lucht is zacht. We gaan door rood. Max voorop, want hij kent de weg, ik volg hem gedwee. Uit het portiek van één van die eeuwige coffeeshops maken zich drie gestalten los. Ze slenteren in onze richting. Twee praten druk, de rustige volgt op een afstandje. Onze paden kruizen. Max zet net de pas erin en stoot pardoes tegen een schouder aan. ‘Hé, kan je niet uitkijken, zie je wel waar je loopt, of ben je soms te stoned?’ Ik weet niet wie wat zegt, waarschijnlijk is Max de eerste, dat past hem en nu zit hij in de penarie. Een van de twee grijpt hem vast en duwt Max naar de muur. De ander maakt aanstalten. Max rukt zich los en begint te rennen. ‘Stelletje klootzakken!’ Ze gaan achter hem aan. Los van het tafereel kijken de rustige en ik elkaar glimlachend aan. We staan er immers buiten. Ik trek mijn schouders vragend op, hij doet een stap naar voren en boem!, raakt me voluit op mijn kaak. Collateral damage, zo heet dat.
Het feest wordt gegeven op een gigantische bovenverdieping in Amsterdam, het lijkt wel een clubhuis. Er zijn veel oude vrienden en er zijn heuse plees, waarvoor je in de rij moet staan. De drank raakt steeds op, maar dan verschijnt er weer nieuwe, er is een schokkerige aanvoer gaande. Nieuwe gasten komen aan tot ver na middernacht en iedereen brengt wat mee. De muziek is hard en uiterst dansbaar. Gesprekken worden geschreeuwd en blijven zelfs dan onverstaanbaar. Je duwt je mond in een oor, maar kan je eigen stem niet horen. Het maakt niets uit, we zijn niet gekomen om te ouwehoeren, het gaat om de vibe. Als dolle zwaluwen schieten de de feestvierders door de ruimte. Ineens komen ze allen op mij af. Het gerucht gaat, dat ik dope heb. Het is waar, maar ik sta het niet graag af. Iedereen wil namelijk een likje, daar is mijn voorraad niet op gebouwd. Toch ga ik met de een na de ander naar de wc om een lijntje te delen, waar zijn vrienden anders voor? Vrienden voor één nacht. Het feest begint opnieuw, maar nu op volle toeren. Max zorgt voor extra drank. Dat is het laatste zinnige, dat nog van hem zal komen, van nu af gaat hij over top. Iedereen, die danst of praat, ongeacht wat, Max klampt ze aan met een gore grap, een groffe opmerking, een insinuatie. Tegelijk probeert hij zelf wat pasjes te maken, maar dat gaat moeilijk, hij staat scheef en valt tegen alles en iedereen aan. Dat is op zich geen probleem, het probleem is, dat hij blijft doorgaan. Niets en niemand kan hem stoppen, geen woord kan hem raken. En zo ontstaat de samenzwering, ik zie het met eigen ogen, langzaam maar zeker is iedereen het eens: Max moet buiten gevecht gesteld worden, hij moet neer. De stoerste treden aan, de vraag is hoe het te klaren. De beste oplossing lijkt om met Max te dansen en hem pootje te haken. Ze proberen het één voor één. Maar of het nu tijdens een langzaam nummer of een snelle pogo is, Max weet zich steeds uit zijn val te herstellen. Hij heeft misschien zelfs in de gaten, waar iedereen op uit is, ik zie zijn ogen schitteren van blijdschap als die van een klein kind, dat door de vader in de lucht geworpen wordt. Ze krijgen het niet gedaan. Het moet teamwork worden: Max is dan wel Max, maar wij zijn met z’n allen. En zo gezegd, zo gedaan, zoals het cliché gaat: één bukt achter hem, een ander geeft Max een harde duw. Het werkt. Max stort neer en kan niet meer overeind komen. Ik kijk weg, in deze ellende schuilt weinig vermaak. Zijn dronken lijk wordt weggesleept. Voor een begrafenis ben ik niet gekomen. Ik ga op zoek naar een emmer water.
‘Die Max van je, is een stofzuiger, het is gewoon weerzinwekkend’, zegt mijn vriendin. Ik zie wat zij ziet en kan het niet ontkennen. Alles wat hem aan drank en drugs voorbij komt, gaat bij hem naar binnen. Het lijkt inhaligheid maar dat is het niet. Max neemt terug, wat hem is ontnomen. Hij tilt zijn leven naar een hoger plan, “de politiek van de extase”. Het is leugenachtig, het is rampzalig, maar hij is mijn vriend. Er wordt gelachen. Iedereen is op komen dagen, alleen Max laat op zich wachten. Het heeft natuurlijk stijl om iets later dan afgesproken te verschijnen, maar stijl is niet zijn sterkste kant. Er wordt geroddeld en er worden grappen gemaakt: hij moet maar eens op zijn nummer gezet worden, dit is een buitenkans. In het midden van de kamer plaatsen we de bierflessen in een cirkel, ze zijn gevuld met water en in elk steekt een rietje. Als er straks zal worden aangebeld, zullen we allemaal op de knieen gaan en met het rietje in de mond wachten op de binnenkomst van ons proefkonijn. In de cirkel blijft één plek vrij.
Stoned en aangeschoten komt Max de hoek omzeilen. Ik zie de schrik op zijn rode gezicht. Hij kan zijn ogen niet geloven. Hij doet een stap achteruit en houdt zich met moeite in de deuropening staande. Niemand kijkt op, niemand zegt een woord. Er heerst absolute stilte. Vanachter onze ellebogen kijken we elkaar stiekem aan. We smoren onze lach, nog even en we exploderen! Ik heb gewed, – en ik ben de enige – dat hij er niet in zal stinken. Maar ik weet beter.
Stront lazerus dondert hij diezelfde nacht van de trap. Hij is het langst blijven plakken. ‘Gaat het een beetje?’, roep ik in het donkere gat en daal met tegenzin af om hem te helpen. ‘Jezus man, wat zie je eruit!’ Hij voelt geen pijn. Om de zaak te bezegelen, geef ik Max de kus. We weten beiden, dat we elkaar nooit meer zullen zien.

4
Gekneusd en vol schrammen zakken we onderuit in de lege coupe. De zon doorzeeft de trein. Niets is gerust stellender, dan het openbaar vervoer, zomaar, midden op de dag. We wachten op de conducteur, we hebben geen geld voor een kaartje, maar ons verhaal houden we klaar. Zal hij het geloven?

Opgedragen aan Max Trenning