Rob Exfield – Het ijzeren gordijn (3)

Eindelijk ben ik alleen. Alles is hetzelfde gebleven en alles is anders: de kamer, de tafel, de stoelen, het bed en het behang. En ook ik, in mijn eigen ogen en in die van ieder ander, die ik me hier met me kan inbeelden. Vanuit de openstaande klerenkast klinkt rumoer: de televisie van de buren. Ze schakelen het apparaat uit. Ik hoor hun deur dichtslaan en stappen zich verwijderen door de gang. Ik sta op en open het raam. Ook buiten lijkt alles eender, het late avondverkeer trekt door de straat. Ik kijk neer op de stad, zoals ik hem het beste ken, vanuit kamer 314 op de derde verdieping van hotel Die Ecke. Zelfs het weer is onbepaald.

Marcel, Eric en René zijn eindelijk uit de veren. Het is zondagochtend en vannacht werd het laat. Tussen de lege glazen en flessen op tafel maken ze ruimte voor het ontbijt: sinaasappelsap en koffie, gebakken eieren met kaas. Marcel draagt de ochtendjas, die hij van zijn vriendin heeft gekregen, Rene loopt in z’n onderbroek en Eric zit in zijn pyjama. Er wordt aangebeld. Ze kijken elkaar vragend aan. Als ik na de beklimming van de steile trap de kamer binnenstap zitten ze alle drie aan tafel. Een compacte versie van het Laatste Avondmaal, Eric links, Rene rechts en Marcel in het midden. De laatste brengt net een hap naar zijn mond, Eric houdt een glas vast en Rene gaat staan. ‘Eet je mee?’ ‘Nee’, zeg ik, ‘ik kom alleen even afscheid nemen, over een uur vertrekt mijn trein naar Berlijn’.

Mijn kleine zilveren koffertje behoorde ooit toe aan een fotograaf. Felicia komt het op een rommelmarkt tegen en doet het me cadeau. Het is het laatste wat me aan haar herinneren kan, ik heb alles weggedaan, behalve wat nog vastzit in mijn kop. Dat is hardnekkig.

‘Wat ga je er doen?’. ‘Ik heb geen idee’. Zo koel als mijn antwoord klinkt, des te pijnlijker dicht staat het bij de waarheid.

In het koffertje zitten voor vijf dagen aan schone onderbroeken en sokken, gewikkeld in een extra trui, mijn radio annex tape-recorder met bandjes en batterijen.

De receptionist van het hotel herkent me niet, zelfs niet als ik nadrukkelijk om dezelfde kamer vraag. Ook toen al had hij alleen oog voor Felicia.

Ik ben vermoeid door de reis, ik moet slapen. Het tweepersoons bed staat klaar. Kil en onaangetast door het lot van de opeenvolgende gasten en de dromen, die hun hoofden bevolken. Ik ga liggen, laat m’n kleren aan. Over het plafond schieten in stilte de schimmen van het verkeer op straat. Ik draai op mijn kant. Ze stapt binnen.

Het is een van die nachten, dat we doelloos ronddwalen. Klaar voor een openbaring, die komt niet. Het doel van de liefde blijkt de weg er naar toe, daarna ontbreekt de bestrating. Over het bospad, met modder aan onze laarzen, zoeken we het openstaande raam. We klimmen naar binnen. ‘Het huis staat al zes maanden leeg’, zegt ze. ‘De bewoners zijn dood of op een andere reis. Nu is het van mij’. Ik zie de logica er niet van in, maar houd het voor me. We zijn onder dak, dat is wat telt. In het duister slepen we het grote matras van de slaapkamer naar de woonkamer. Felicia ontsteekt een kaars op de rand van de lege open haard. We kunnen slapen.

De tape-recorder staat voor me op tafel. Ik ben wakker geworden in Berlijn. Er liggen zoveel mogelijkheden open, het leven is te kort om te kiezen. Minstens kan ik mijn verhaal vertellen. Het begint met een wekker, deze scene staat vast. De wekker gaat af en de draad trekt strak. Wat volgt is, wat ik ervan maak. Als het goed gaat, komen de delen samen. Een glad verloop staat gelijk aan de ontvouwing van de kreukel in mijn kop. Die kreukel is Felicia. Ik druk op de opnameknop. Maar er gebeurt niets. Ik kijk over mijn schouder door de kamer. Misschien wachten ze in een hoek, de woorden, die niet komen. Ik luister naar mijn stilte.

Felicia spint rond als een tol. Ze houdt het niet meer bij elkaar. Een uitweg naar buiten is er niet, ze zoekt hem van binnen. Haar lichaam valt in vreemde handen, ze ontwaakt op vreemde plaatsen. Ze ziet dingen, die er voorheen niet waren, die niemand anders wil zien. Op een dag klopt ze bij me aan, besmeurd, in gescheurde kleren. In een open veld, vertelt ze me, heeft ze Neanderthalers en een opgejaagde dinosaurus gezien. Van schrik is ze in een sloot gesprongen. Haar verhaal is stellig, het bewijs is daar, ik kan haar alleen maar geloven. Stel, dat de geestestoestand bestaat, denk ik, dat je kunt terugkijken in het verleden, dat synchroon beleven met het heden, dat alle tijden tegelijk bestaan. Het kan zijn, dat tijd slechts een concept is, dat tijd niet echt bestaat. Ik ben een filosofische kwakzalver, om kort te gaan. En dat is het laatste wat Felicia nodig heeft. Het wordt erger.

Op de hoek van de straat koop ik een nieuw pakje Lucky Strike, ik ga op pad. In een tas onder m’n jas houd ik de recorder verborgen. Ik wil aan de aanwezigheid van het apparaat wennen. Misschien vind ik een bankje in een park of ergens aan het water. Daarboven, in mijn kamer, is de lucht te zwaar. Felicia is daar. Ze stoort me.

Mijn trots is mijn probleem. Het maakt mijn probleem draagbaar. Johannes is zijn naam. Vanuit het niets duikt hij op en hapt toe, Johannes de hyena. Hij vreet haar op en kotst haar weer uit. Ze kan hem niet vergeten. En ik toon geen spoor van jaloezie, denk ik. Krachtiger dan de liefde is de wijsheid, dat wil ik deze twee laten zien. Ik toon aan, dat ik beter ben. Ik ben ziek.

Op het perron van de U-bahn breekt de hel los. De paarse lijn komt aan en het spitsuur overstroomt me. Ik sta plotseling in het volle leven. Zonder doel, dus onbeschermd. Voetstappen en stemmen galmen me door de tunnel tegemoet. Ik kijk naar de reclames. De wereld wint het van mijn verhaal. Dit is het negatief, de andere kant van mijn bestaan: het heden.

Felicia begint te dolen, opgejaagd door de stem, de echo van haar vader. De man, die haar het leven zuur maakt. Niemand wil haar in huis, nergens houdt ze het uit. Iedere week vindt ze een nieuwe schuilplaats. De laatste keer, dat ik haar opzoek, woont ze op een tussenverdieping op een plek, die niet echt bestaat. In een gang van de studentenflat, waar haar zus een kamer heeft, licht Felicia een van de panelen op in het plafond. Me afzettend op een aangeschoven stoel hijs ik mezelf naar boven. Uiterst behoedzaam kruipen we voort over de smalle balken, onder ons slapen ze, hier en daar horen we stemmen of zachte muziek. Op een plek bij de buitenmuur, waar het geraamte steviger lijkt, gaan we stilletjes liggen. Het is pikdonker. Ik probeer met haar te vrijen, ze draait zich van me weg. Meteen heb ik spijt, ik heb mezelf blootgegeven.

Mijn oog valt op een zwangere vrouw met een aktetas. Ik heb geen idee waarom ik haar ga volgen. Na vier tussenstops komt ze op haar bestemming aan. We stappen uit, het daglicht in op de Potsdamer Platz. In de drukte verlies ik haar uit het oog. Ik laat me meevoeren door de stroom tot ie uitdunt tot drie, twee, één, ik alleen met mezelf zittend op een bankje tegenover een bankgebouw. Er is een verbouwing gaande. Het geratel en geram valt samen met het luiden van de klok van een kerk in de verte. Ik sluit m’n ogen en zet de recorder aan. Ik wacht op de eerste zin.

Ronddwalend door de nacht valt Felicia in handen van de vele demonen, die onze provinciestad blijken te bevolken. Ze pikken haar op, gebruiken haar en laten haar tegen de dageraad weer gaan. En al die tijd gelooft Felicia heilig in mijn leugen, dat het tussen ons is gedaan. Daarom bespaart ze me geen detail. Iedere keer, dat ze me verslag doet van weer een andere aanranding of verkrachting of weet ik wat. We zijn immers vrienden.

‘s Ochtends neem ik de tijd voor het in de prijs inbegrepen ontbijt. ‘s Avonds doe ik precies dezelfde bestelling aan dezelfde tafel in ‘Die Gegenwart’, het restaurant aan de overzijde van de straat. En daartussen reis ik van station tot station, volg ik andere passagiers of tekens, die ik toevallig tegenkom, alsof ze voor mij zijn achtergelaten. Ik zeul met m’n recorder door kleurloze woonwijken, over industrieterreinen en door braakliggende zones. Ik leg m’n oor te luister in bonte winkelstraten, op brede boulevards, plechtstatige pleinen, in parken met vijvers en in bossen. Tegen de stroom in reis ik door het spitsuur, in de laatste trein deel ik de coupé met dronkaards en opgeschoten jongeren. Een keer achtervolg ik zelfs een kat. Mijn reis is doelloos, kriskras door de stad. Het is krankzinnig. Ik laat de tape maar lopen.

Maar ‘s avonds, het is weliswaar nog vroeg, maar ik weet niet beter dan te slapen gaan, keert Felicia terug. Zoals ze te pas en onpas bij m’n deur aanbelt, tot die ene keer komt, dat ik niet opendoe en ze in paniek de ruit inslaat, wat ook de laatste keer is, dat ik voor lange tijd van haar zal horen. Ze gebruikt al medicijnen, zover hebben ze haar gekregen, maar ze heeft ze niet ingenomen. De omslag is verbijsterend. Van een teer, triest en zielig hoopje, verandert Felicia in een behekste kat. Ze vertelt me de vreemdste verhalen, stelt me vreemde vragen, doet vreemde dingen, onvoorspelbaar en onverwachts. Ik kan het gefluister in haar hoofd bijkans horen. Haar agenda is onnavolgbaar.

Die nacht speur ik op het einde van de radiobanden naar morse-signalen.

Maar als ze het zou vragen, neem ik haar toch terug. Ze hoeft alleen maar van mij te houden.

Ik luister naar de opnamen. Ik hoor het getik, gehamer, gereutel, geruis, gepiep, geratel, gegrom, gegil, gerommel, gekwek, gesnater, gehijg, gesteun, gefluister, gezoem, geschuif, gesis en geklater.

Ze heeft de moed er een eind aan te maken.

Marcel, Eric en René zijn eindelijk uit de veren. Het is zondagochtend en vannacht werd het laat. Tussen de lege glazen en flessen op tafel maken ze ruimte voor het ontbijt, sinaasappelsap en koffie, gebakken eieren met kaas. Marcel draagt de ochtendjas die hij van zijn vriendin heeft gekregen, Rene loopt in z’n onderbroek en Eric zit in zijn pyjama. Er wordt aangebeld. Als ik na de beklimming van de steile trap de kamer binnenstap, zitten ze alle drie aan tafel. Een compacte versie van het Laatste Avondmaal, Eric links, Rene rechts en Marcel in het midden. De laatste brengt net een hap naar zijn mond, Eric houdt een glas vast en Rene gaat staan. We kijken elkaar verbijsterd aan. Alsof ik niet net terug ben uit Berlijn, alsof ik nooit ben weggeweest, alsof de tijd heeft stilgestaan. Dan schieten we in een gierende lach. God maakt een grapje.