Rob Exfield – Het ijzeren gordijn (2)

Felicia en ik zitten in de trein. We kijken naar de sneeuw, die het landschap licht van gewicht lijkt te maken. Het is koud, maar we voelen niets. Felicia zit te praten, in zichzelf of tegen mij, het maakt niet uit. Ik heb sowieso hele andere gedachten. Het is duidelijk: de bommetjes, die we geslikt hebben, zijn los.

Felicia gelooft in astrologie. Ze legt me uit waarom onze tekens bij elkaar passen, hoe het in de sterren staat geschreven, dat we samen moeten zijn. Ik weet niet anders dan dat het zo is gegaan: Josef gaat criminologie studeren en wordt vervangen door Clarisa. Rudolf is verliefd op haar, maar zij op mij. En dan valt mijn oog op Ordelia. Clarisa jaloers. Ze schrijft me geheimzinnige en dreigende brieven. Dat ik op moet passen voor Ordelia, zij wordt mijn ondergang. Maar zo ver komt het niet. Want Ordelia maakt het uit en daardoor en daardoor alleen, ontwaar ik haar jongere zus: Felicia, de stof van mijn dromen, of het in de sterren staat of niet.

Onze trein dendert door naar de Duitse grens. Het is december. We zijn op weg naar Berlijn. Verlost van ons geweten en gewone gewicht van zijn. Voor Felicia is het de eerste keer. Ik ben van plan me met haar op te sluiten en er samen in te geloven, dat we nooit meer terug zullen gaan.

Het witte poeder heeft een wrange smaak. We brengen een flinke mespunt over op het sigarettenvloeitje en vouwen het op. Het geschok van de trein maakt de operatie niet makkelijk. We willen immers niets verspillen, de reis is lang. Iemand staat aan de deur te trekken. Met een slok gooien we de bom. Terug naar onze coupé. ‘Het is geen blindganger’, zeg ik. Ik voel de tinteling. Mijn hart slaat een slag over. De overschakeling. Nog even en ons bloed geeft licht.

Felicia heeft een geheim. Ik mag het aan niemand vertellen. Ik luister naar haar pijn, maar het deert me niet. Van boven kijk ik op onszelf neer. Twee prachtige zielen. Naakt, ontdaan van een verleden. Met de kracht om ervan te maken wat we willen. De wereld is van ons, want wij willen de wereld niet.

Het geheim gaat zo: in het nest van de jonge prinsessen Ordelia en Felicia schuilt een adder. Hij zegt, dat hij hun vader is. Hij heeft een kale kruin, waar een kroon zou moeten glanzen. Hij is glibberig.

Felicia lacht.

Ik luister, maar ik ben ergens anders. Ik ben, waar het verhaal echt begint.

Leo heeft een kat. Haren overal en het stinkt. Ik zit aan zijn tafel. Ik zit op zijn stoel. Ik luister naar zijn raad. Ik zou graag blij zijn. ‘Je kunt hier komen wonen’, zegt ie. ‘Mijn vader is nog erger. Hij is politieman.’ Leo studeert rechten. Dat is vreemd. Hij heeft in de gevangenis gezeten, drinkt te veel. Heeft iemand doodgereden. Ik kijk naar zijn boeken. “Reis naar het einde van de nacht” van Céline.

Op een avond pak ik mijn boeltje bij elkaar. Felicia komt me helpen. Mijn moeder huilt. Haar wereld vergaat. Op de mond van mijn vader staat schuim. We laden de bakfiets op. Hij trekt aan mijn spullen. ‘Dat gaat zomaar niet!’, maar het gaat.

Eindexamentijd. Ik heb de pest aan lezen, moet ik een voordracht doen in de klas. Leo zegt: ‘Als je een leeuw wilt zijn, moet je dit eens proberen.’ Zo komt dat spul in mijn leven.

Terug naar de toekomst. We zitten in de trein. We zijn op weg naar Berlijn. In de vroege ochtend zullen we op het Hauptbahnhof uitstappen. Onze spullen zitten in één tas. We hebben niet aan jassen gedacht. Het is ijskoud, maar het kan ons niets schelen. We zijn elkaars tweede huid. In de stad hebben we niets te zoeken. We zijn gekomen voor elkaar.

Op weg naar school ga ik bij de dealer langs. Ik herken de straat door de drukkerij op de hoek. ‘Speed Limit’, kan het meer toepasselijk? Ed heeft een Afro-kapsel en bouwt schaalmodellen, gaat dag en nacht door. In een haal zet-ie zo een vliegkampschip in elkaar . Ik reken af en zeg in m’n goede moed iets verkeerds. Een grap, die slecht valt. Ed slaat me op mijn bek en laat me daarna netjes uit. Slecht getimed, maar ik heb niet de tijd om hem dat uit te leggen. Over een uur sta ik voor de klas en moet ik het boek bespreken, dat ik vannacht heb gelezen. Ik heb het verhaal zwart op wit in mijn zak, maar moet het nog van buiten leren. Ik kijk in de spiegel van het toilet. M’n kaak doet zeer, ik zie geen sporen van geweld. Ik draai gehaast m’n bommetje in elkaar. Een slok lauw water. In een flits ben ik buiten. De zon staat loodrecht boven school. Ik begin te lopen. Mijn hart past het ritme aan mijn stappen aan. Of omgekeerd, ik weet het niet. Ik loop en lees mijn woorden. Ik ets ze zonder schaduw in mijn herinnering. Zeven maal trek ik rond het gebouw. Ik omcirkel de muren van Jericho. Vanzelf zullen ze vallen. Straks, daar voor de klas.

Leo wil Wilhelmina terug. Wilhelmina is Felicia’s oudste zuster. Ze zijn getrouwd, maar het gaat te vlug. Wilhelmina raakt in verwachting en op de avond van de bevalling wordt Leo betrapt met een ander. Scheiden geblazen. Wilhelmina is bloedmooi, de mooiste trekken van haar jongere zussen komen in haar samen. Ze is intelligent. Wat meer kan een man zich wensen? Ik begrijp Leo niet.

Op mijn kamer gebruik ik de eerste keer. Het effect is overweldigend. Ik blijf op mijn bed zitten en laat het over me heen komen. Ik voel de omnipotentie van een pasgeborene. De wereld balt zich samen als een vuist in m’n buik, verleden en toekomst verenigen zich in een pure gedachte: hier en nu ben ik meester, kan ik alle kanten op, tegelijkertijd. Mijn bloed stuwt heldere gedachten, ik zie mezelf, eens krakkemikkerig, nu heel en goed. Ik ga gesprekken aan met de gestalten van mensen, die ik ken. Ik vraag vergiffenis voor mijn oude zwakte. Van nu af zal ik nooit meer de fout ingaan. Op een vel papier schrijf ik mijn beginselverklaring: zo werkt het, zo zit de wereld in elkaar. Met groot gemak, zonder weerstand, waaiert mijn theorie uit naar alle hoeken: de verbanden tussen de kleinste eenheden en de meest abstracte grootten vormen mijn spinneweb. Ik zit in het midden en wacht, ik voel de geringste trilling. Alles komt voor elkaar. Nog even en ik zal opstaan, naar buiten gaan en mijn herwonnen vrijheid vieren. Pen en papier neem ik mee.

Tegen de tijd, dat ik daadwerkelijk klaar sta om weg gaan, ontdek ik dat het veel te laat is. Alle café’s en nachtclubs zijn al lang gesloten, er is niemand meer op straat. De wereld slaapt als een baby. Op mijn fiets maak ik een rondrit door de stad. Ik ben vrij en blij. Ik peddel door de nieuwbouw, kijk op naar de sterrenhemel en zing uit volle teugen: Talking Heads 77, ik ken de hele plaat.

Leo kookt iedere avond. Er is geen geld. Als de kippenlevertjes goed voor de katten zijn, laten wij ze ons ook smaken. We eten ze iedere dag. Daarna gaan we uit. In Satisfaction zitten we aan de bar. De tent is leeg, hij speelt poker met zijn vrienden en vertelt me over de Code. Over zijn schouder kijk ik mee. De Code is de ongeschreven wet, die behelst wat je niet en wel kan zeggen, wat gemeen is en hoe ver je mag gaan. Ze zitten elkaar op te jutten, leggen elkaars zwakheden aan de dag, maar altijd met een lach. Zolang het scherts is, mag alles. De dobbelstenen ketsen tussen de glazen.

Felicia heeft in de gaten, dat ik niet luister. Ik zie haar gezicht in het landschap, dat voorbij flitst, op de ruit . Ze pruilt.

De slang in Felicia’s droom, haar nachtmerrie, is Gijsbrecht, haar vader. Vaders blijken verschrikkelijke dingen te doen. De vader van Berlijn is dood, de stad een weeskind. En wij? Wij spelen moedertje.

We hebben een kamer geboekt in hotel Die Ecke. Het twee-persoonsbed is ons hoofdkwartier. Als ik weer een en al aandacht ben, legt ze het me uit, voor de duizendste maal. Maar nooit in klare taal. Felicia spreekt in raadselen en ik durf niets te vragen. Ik doe of ik de waarheid ken. Die is eenvoudig. Haar ouders zijn gereformeerd. Het leven is een straf. Desondanks planten ze zich voort als de konijnen, een gebed zonder einde. Gijsbrecht kan er geen genoeg van krijgen. In zijn schuurtje zit hij stiekem te zuipen. Hij begluurt zijn dochters. Hij bestuurt zijn dochters. Zijn wil is wet. Of is het de wil van Theodora, moeder de vrouw, die altijd in stilte zit te breien. Ik weet niet hoe ver hij gaat. Felicia durft het niet te zeggen, ik blijf liever raden.

We naderen de grens. We nemen nog een likje van het witte poeder. Berlin, wir kommen dran!

Terwijl onze klasgenoten over hun huiswerk gebogen zitten en hun boekenlijsten nalopen, zijn Felicia en ik op weg. Het is het laatste schooljaar, maar wij hebben ons geduld verloren. Wij kunnen geen dingen afronden, wij moeten ze nog beginnen. Nu en ver van huis. Voor de bezienswaardigheden van de stad zijn we niet gekomen. We hebben het te druk. De nacht van onze aankomst brengen we door rond het bed, vermoeid, maar zonder tekenen. Eindeloos gaat Felicia door. We hebben geen honger, maar weten dat we moeten eten. We kopen witbrood en worst, stouwen het naar binnen, slikken met moeite door. Onze monden zijn droog. We drinken. Pas tegen het ochtendgloren sluiten we onze ogen, maar de trein van onze gedachten dendert door. De mijne breng ik terug tot digitale patronen. Ik tel van nul tot één en terug. Langzaam ontglip ik het lichaam, dat niet kan slapen.

De volgende dag ver in de middag ontwaken we.

Het gebeurt steeds vaker, dat ik niet kan stoppen met het maken van notities. Elke keer als ik de aantekeningen in de enveloppe opberg, schiet me nog iets te binnen, een beter idee of een verdere aanvulling, soms begin ik opnieuw. Eenmaal op pad in het nachtleven, ga ik verder op bierviltjes, servetten en rollen toiletpapier. Ik schrijf ze van twee kanten vol, draai ze om, in tegengestelde richting tussen de gekantelde regels door en tenslotte staande in de marges. Ik schrijf aan de bar, op de rand van de dansvloer, in een portiek of in het duister. Ik schrijf, omdat het moet. Woorden zijn wapens.

We rijden Duitsland door, de trein stopt hier en daar. Aan de andere passagiers te zien wordt het zelfs nog kouder. Felicia tuit haar lippen naar haar reflectie in het raam. Ze doet haar ogen, haar mond. Ik kan uren naar haar kijken. We hebben nog een flinke rit voor de boeg, maar Felicia maakt zich al op voor het einde van de reis.

Onze eerste dag in Berlijn slapen we. In de avond serveer ik ons ontbijt: koffie en meer van het poeder. We komen op gang zonder ons te verplaatsen. We pikken de draad weer op. Vannacht wacht onze kans. We zijn al opgewonden. Vannacht gaan we uit, de stad verkennen, mensen ontmoeten, dingen beleven, wie weet? Maar eerst het voorspel. We bereiden ons voor. Felicia trekt me op het bed. We kussen. We praten. We kussen langer en kleden elkaar weer uit. Het duurt uren, we raken steeds weer afgeleid. Het ene moment zijn we hier, in elkaars armen, het volgende schieten onze gedachten naar tegenovergestelde uithoeken van het universum. We zijn koning en koningin. Het doel van mijn gedachten is de blanco staat: het eindpunt, waarin alles begint of kan beginnen. We komen klaar. Uit onze tas diept Felicia haar garderobe op, ze begint met haar passen en meten, dan volgt haar astrologische kaart, alles wat ze kiest is op de maat van een hoger plan, iets wat alleen zij kan bevatten. Op de koffietafel ligt een stapel tijdschriften, ik blader ze razendsnel door. Zo op het punt van vertrek, is het nooit te laat voor een gedicht. In de geest van Burroughs trek ik m’n pen. Ik noteer de woorden waarop mijn oog, door het toeval gedreven, valt en trek ze samen tot zinnen. Uit een wirwar van artikelen, interviews en advertenties, ontstaan in hoog tempo nieuwe verbanden. Mijn oog knipt en plakt. Mijn brein is een stopwatch. Alles is beeld. Ik ben neutraal. Felicia is bezig met haar eigen gedachten, ze laat me gaan. Later druk ik m’n neus tegen het glas van het grote raam en staar in het duisternis van de stad. De lichtpunten vormen sterrenstelsels, beelden die het verleden en de toekomst van de stad bijna prijsgeven. Intussen is Felia weer naakt, ze kan haar kleding maar niet kiezen. We beginnen opnieuw.

Pas in de vroege ochtend stappen we het hotel uit. Het sneeuwt inmiddels. We schieten het dichtstbijzijnde station van de U-bahn binnen, kopen kaartjes en laten ons ontvoeren door het toeval.

Wilhelmina neemt wraak. Leo wil haar, ze geeft hem steeds een beetje en trekt het dan weer terug. Ze probeert hem gek te maken. Ze heeft gelijk. Ik zeg het niet, ik voel gevaarlijk veel voor haar. Felicia of niet, zij is mijn ideaal. Onbereikbaar. Ik ben Leo’s gijzelaar.

Boeken zijn nieuw in mijn leven. Ik ben zonder boeken opgegroeid. Ik was al zo zoet met een stapeltje lucifers, zei mijn moeder. Onbedoeld werd de Bijbel het eerste boek in mijn leven, ze stuurden me naar de Christelijke school. Die was het dichtste bij. De onheilspellendheid van het Woord ontnam me de lust tot lezen. Liever speelde ik met m’n eigen gedachten. Maar nu moet ik wel aan de slag. Als ik de school wil afmaken. Minstens twintig boeken per vak. Ik kan het niet, ik kan het wel, ik stel het uit. Soms ben ik vol vertrouwen, soms moedeloos. Ik hou m’n winnende kaart verborgen in mijn mouw. Het witte poeder doet wonderen.

In Kreuzberg stappen we uit. Het spitsuur is losgebroken. Vanachter het raam van een leeg koffiehuis kijken we naar de Berlijners op weg naar hun werk in de dwarrelende sneeuw. In een etalage ontdekt Felicia een tweedehands bondjas. We wachten tot het winkeltje opent. Felicia past het beest, ik bekijk haar in de spiegel. Mijn God, ik hou van haar!

Het aftellen is ingezet, een koele stem ratelt de getallen. Zonder emotie, er zijn nog zoveel te gaan. Tussen iedere tel schuilt een eeuwigheid, waarin we ons verbergen.

Terug op ons hoofdkwartier in Hotel Die Ecke vieren we onze eerste indrukken. Felia wil, dat ik haar vastbind op een stoel. Ze is naakt onder haar jas. Ik kietel haar. We lachen.

Blackout.

Ik heb de tijd, want het is te laat. De nacht voor het eindexamen gaan we uit, Wilhelmina, Leo en ik. We worden dronken. Om Leo te tergen doet Wilhelmina of ze met me vrijt. Hij wil, dat ze ermee stopt. Het is een grap, Wilhelmina lacht hem in zijn gezicht uit. En ik? Ik kan niet kiezen. Leo is woest en stapt op.

Later, terug op mijn kamer, vind ik zijn briefje. Ik kan niet langer blijven.

Ik neem meer van het spul en lees in een ruk The Catcher in the Rye uit.

In de vroege ochtend is alles me duidelijk. Zonder dat ik het weet, fiets ik in plaats van naar school naar het station en neem de trein naar Amsterdam. Daar woont Rudolf, ik ga hem verrassen. Rudolf is een drop-out, een wegloper. Ik wil zijn voorbeeld volgen. Ik heb geluk, hij is thuis. We slepen bier aan en ik laat hem van het poeder proeven. We praten opgewonden, er komt geen eind aan. In onze overmoed krijgen we het idee om ter plaatse een tijdschrift in elkaar te draaien, dat moet kunnen lukken voor de avond valt. A la Kerouac et Cassidy gaan we aan de slag, maar steeds dwaalt onze aandacht af. Onder onze vingers verzanden de plannen. We hebben de energie en de kracht, maar die blijken moeilijk te richten. Als het bier op is, haal ik uit m’n zak een klein bruin pakketje te voorschijn. Het is heroïne, geschonken door Wilhelmina, mijn geheime heldin. Stoer rook ik het spul van een stukje zilverfolie af. Rudolf bedankt. Dan ga ik buiten westen.

Ik word op Rudolf’s bed wakker. Het is ochtend, iemand trekt aan m’n mouw. Ik probeer op te staan, maar dat gaat niet. In een mist ontwaar ik gestalten. Het zijn Rudolf en Felicia. In paniek heeft Rudolf haar gebeld. Ze dachten, dat ik dood was. Steunend op hun schouders strompel ik de kamer op en neer. Ik reanimeer. Het gaat weer. Felicia wil me naar huis brengen, ik geef toe. We nemen de tram naar het Centraal. Bij de ingang van de stationshal ga ik over m’n nek. Een uur later stap ik bij m’n ouders binnen. Ik zeg, dat ik ziek ben.

Onze laatste dag in Berlijn loopt synchroon. We worden ‘s morgens samen met de stad wakker en gaan op tijd op pad. In de gevangenis van Plotzensee executeerden de Nazi’s hun politieke tegenstanders door ophanging of met de guillotine. Na de oorlog word het gebouw een monument. Er zijn vrolijker plekken om naar toe te gaan, maar Felicia wil het niet laten. In een sneeuwstorm reizen we naar Oost-Berlijn. We gaan de gevangenis in. De plek is verlaten. We zijn de enigen, die door de lege ruimte dwalen.

Das Mittelpunkt is de naam van het cafe, waar we die nacht toevallig stranden. In de plee krikken we onszelf op met de laatste restjes van het goedje. M’n slapen bonzen. Felicia gaat weer eens te keer. We drinken van alles door elkaar. We zien de mensen komen en gaan. We zijn de laatsten. In een steeg naast de kroeg is het vrijen geblazen. Felicia tegen de muur. Mijn broek zakt op mijn enkels in de sneeuw. Boven ons wordt een venster geopend. Er klinkt een verwensing , gevolgd door het gekletter van een emmer water. We zijn vrij.

Ik heb m’n boeltje bij Leo opgehaald, hij wil niet met me praten. Ik heb geen keus, ik ga terug naar huis. Van het eindexamen ben ik ontslagen, volgend jaar doe ik het over. Ik zoek troost bij Felicia, ze laat me binnen. maar doet raar. Ik kijk haar aan. Ze komt net bij Leo vandaan. Om haar nek draagt ze een sjaaltje. Onder de rand van het doekje piept het blauw van een hartstochtelijke kus.

Zurückbleiben bitte! schalt de stem buiten. Onze trein komt aan.

Der Bauer sprach zu seinem Jungen:
Heut in der Stadt, da wirst du gaffen.
Wir fahren hin und sehn die Affen.
Es ist gelungen
Und um sich schief zu lachen,
Was die für Streiche machen
Und für Gesichter
Wie rechte Bösewichter.
Sie krauen sich,
Sie zausen sich,
Sie hauen sich,
Sie lausen sich,
Beschnuppern dies, beknuppern das,
Und keiner gönnt dem andern was,
Und essen tun sie mit der Hand,
Und alles tun sie mit Verstand,
Und jeder stiehlt als wie ein Rabe.
Pass auf, das siehst du heute.
0 Vater, rief der Knabe,
Sind Affen denn auch Leute?
Der Vater sprach: Nun ja,
Nicht ganz, doch so beinah.

Aus Wilhelm Busch, Zu guter Letzt, München 1904