Rob Exfield – Het ijzeren gordijn (1)

“Der Bauer sprach zu seinem Jungen:
Heut in der Stadt, da wirst du gaffen.
Wir fahren hin und sehn die Affen.
Es ist gelungen
Und um sich schief zu lachen,
Was die für Streiche machen
Und für Gesichter
Wie rechte Bösewichter.
Sie krauen sich,
Sie zausen sich,
Sie hauen sich,
Sie lausen sich,
Beschnuppern dies, beknuppern das,
Und keiner gönnt dem andern was,
Und essen tun sie mit der Hand,
Und alles tun sie mit Verstand,
Und jeder stiehlt als wie ein Rabe.
Pass auf, das siehst du heute
O Vater, rief der Knabe,
Sind Affen denn auch Leute?
Der Vater sprach: Nun ja,
Nicht ganz, doch so beinah.”

Wilhelm Busch, 1904

Om 04.15 uur gaat de wekker af. De draad, die ik bevestigd heb aan de opgewonden schroef rolt op, trekt strak en brengt het koffiekopje, dat op de rand van het buro balanceert, uit evenwicht. De val van het kopje wordt gebroken door het touwtje van de lamp, dat ik aan het oortje vastgebonden heb. Het licht floept aan. Het kopje stuitert op en valt nog een keer. Het licht floept uit. Dat laatste was niet de bedoeling, maar ik ben wakker. Tien minuten later sluit ik de voordeur van het huis zo zacht als ik maar kan.

Sinds we de hasjiesj ontdekt hebben, is niets meer wat het lijkt. We hebben geld bij elkaar gelegd om nogmaals een stuk te kopen. Na de eerste keer hebben we de smaak te pakken gekregen. Die eerste keer is eigenlijk een afgang, maar dat zeggen we niet. We zullen de hasjiesj roken en we roken niet. Klungelig bouwen we onze eerste joint. Josef weet, dat je het spul op een lepeltje boven een kaarsvlam moet houden om het eerst zacht te maken. De klok en de klepel. We zitten in lotushouding te kuchen en voelen niets of toch wel? Het is moeilijk te zeggen. De dag daarna is andere koek. We snijden blokjes van de plak af en eten ze op.

Ik ben nog maar net langs de ingang van het stadsbos gelopen, tegenover het pompstation dat wordt verbouwd, als de nachtelijke stilte wordt verbroken door het geruis van een automotor. Een patrouillewagen van de politie sluipt als een kat op me toe en stopt. Het raampje draait open. “Goedenacht meneer, en waar gaan we naar toe?”. Hij kijkt naar het opgestapeld bouwmateriaal en naar de plunjezak op m’n schouder. “Ik ben onderweg naar Berlijn. meneer”. Niets is lichter dan de waarheid. “Berlijn, aha! En hoe dacht meneer daar te komen?”. “Met de schoolbus meneer, over een half uur vertrekt ie. Ik moet nog ver en ik heb haast”. “Weet je wat”, zegt ie, “stap gerust even in, dan rijden wij je wel even”.

Alle vaders en moeders zijn vroeg uit de veren. De mijne heb ik het ongemak bespaard. Op het moment, dat de agenten de menigte rond de schoolbus zien, laten ze me gaan. “Nou, een fijne reis dan”. Alle blikken zijn op mij gericht. De geruchten doen inderdaad al de ronde, dat die binken met dat lange haar, wij dus, niet deugen. Vast al aan de drugs en nu bij school afgezet worden door de politie, wat heeft dat te betekenen? Ik doe stoer. Ze hebben me net laten gaan na een nachtje in de cel. Meen je dat? Welnee, die agent is mijn vader.

Als de bus zich in beweging zet, is het zwaaien geblazen. Van twee kanten en tot we de hoek om zijn, zwaaien ze ons uit. Ik heb niemand om naar te zwaaien dus zwaai ik naar iedereen. Ik zie verontwaardigde gezichten. Dan zijn ze weg.

Natuurlijk belanden we samen op de achterbank. We zitten op rij, zoals we op rij zitten in de gymzaal; de eerste keer, dat ons van elkaars bestaan bewust worden. In de sportles wil niemand ons kiezen, ze vormen twee teams voor de basketbal. We zijn de laatsten, die blijven zitten. Toevallig alle drie met lang haar. Het schept een band. We zoeken wat we verder gemeen hebben, dat is snel gevonden. We zijn geboeid door dezelfde schrijvers, dezelfde muziek en in voor hetzelfde experiment. In de pauzes praten we verder. Rudolf kent een gast in een hogere klas, die de reputatie heeft, het is gewoon een kwestie van vragen. Het overstapje naar de illegaliteit is verbluffend eenvoudig.

Stam, onze leraar geschiedenis, komt eraan. Hij is net koppen aan het tellen, maar raakt door ons gelach steeds de draad weer kwijt. We proberen helder uit onze ogen te kijken. Hij heeft geen idee.

Berlijn is een eind rijden. Eerst naar de grens, dan West-Duitsland door over de kaarsrechte Autobahn. De school heeft de stad gekozen als bestemming voor onze excursie vanwege het historische perspektief. Nergens is het verleden zo duidelijk voelbaar als in deze verdeelde stad. De muur markeert het eind van een tijdperk van angst en het begin van een nieuw. Een politiek stilleven, uitgehouwen in steen. Vluchtelingen worden er zonder pardon doodgeschoten, mocht er een nieuwe oorlog uitbreken, dan zal dat zeker in Berlijn zijn. De toestand is gespannen. We kennen het verhaal, we weten wat we moeten denken, maar dat kunnen we niet. We staren watterig uit het raam. Voor ons bestaat alleen het hier en nu. Er is geen morgen.

De bus stopt zo nu en dan, een uitspanning, een wegrestaurant, we hangen wat rond in de zon. Ik moet denken aan Im Lauf der Zeit, die prachtige film van Wim Wenders, die we pas nog samen hebben gezien. Jammer, dat we hier niet alleen zijn. We zouden ter plaatse nieuwe reisplannen maken, een onverwachte richting inslaan. Ik zet m’n zonnebril op, verder kan ik niet komen. Rudolf en Josef zitten op de rand van een zandbak. Tot Stam ons komt zoeken, spelen we ‘landje-pik’. Met het oog op het doel van onze reis, niet slecht gekozen, vind ik.

Op de volgende grens, die met Oost-Duitsland, komt de sfeer er pas goed in. De wereld is plat en dit is de rand. Als je eraf valt ben je een communist, ten dode opgeschreven. Het landschap wordt kaler. De horizon strak. We stoppen. Stam verzamelt onze reispapieren, we moeten rustig blijven zitten. Twee gewapende grenswachten stappen binnen. Hun gezichten verraden geen spoor van emotie, geen teken van medeleven. Buiten wordt de kofferruimte geopend, met spiegels aan lange stokken bekijken ze de bus van onderen. Ze zoeken naar smokkelwaar of – wie weet – een verstekeling. Wie zo de sprong naar Berlijn wil wagen, moet wel een heel goede reden hebben, een spion misschien. M’n stroperige verbeelding kent geen grenzen. Bij de deur wordt heen en weer gepraat, we wachten lang in stilte. Dan komt één van de wachten terug met het torentje paspoorten in zijn hand. Hij deelt ze een voor een uit, terwijl hij ons even aankijkt. Hij knikt. We gaan.

Van nu af aan is het een lange rit zonder pauze. Stam en de andere leraren zijn duidelijk gespannen. De corridor naar Berlijn wordt scherp in de gaten gehouden. Wie stopt, al is het maar om te pissen, is de pineut. De chauffeur houdt de vaart er dus in. Lege akkervelden tot aan de horizon geven niets van het land prijs. Van tijd tot tijd tillen spoorbruggen ons over brede woeste wateren in de diepte. De invallende avond lost het land tenslotte op. Rest ons de smalle vluchtstrook aan beide zijden van de snelweg, oplichtend met eindeloze regelmatige tussenposen. We dommelen.

Reimert, onze leraar Duits is thuisgebleven. Er wordt gezegd, dat hij niet goed met Stam overweg kan. Wij spreken van geluk. Hoewel ik me goed kan vinden in zijn lessen, vooral die over de Duitse literatuur, is het een opluchting om onze talenkennis niet te hoeven bewijzen tijdens de reis. Omdat ik een keer voor de grap zijn tas had verstopt in de klas, moest ik voor straf twee gedichten uit het hoofd leren en voordragen: Kennst Du Das Land Wo Die Zitronen Bluhn van Goethe en de parodie erop van Heinrich Boll. Uit citroenen groeien kanonnen. Voortdenderend in de bus schieten de strofen me door het hoofd.

Het begint te regenen. Ik zie een hoop rood licht. Masten en antennes, geblokte hekken. Een waarschuwing in vier talen. De bus stopt. Rijdt verder. Stopt. Weer worden onze reispapieren verzameld. Stam heeft een vette grijns op z’n gezicht. We naderen onze eindhalte.

Het hotel is niet ver van de Kurfürstendamm. Na de lange leegte van Oost-Duitsland is de aanblik van de Etalage van het Westen een opluchting. Een weelde aan licht, kleur en beweging. Zelfs de Gedächtniskirche baadt erin. Terwijl onze zintuigen aan de nieuwe indrukken wennen, krijgen we voor het eerst een idee over de proporties van de stad.

Het hotel is een gigantische, rechthoekige nieuwbouw van vijf verdiepingen. Speciaal ingericht voor grote groepen. In de lobby lopen scholieren en studenten uit heel Europa elkaar voor de voeten. De ene bus vertrekt, twee volgenden komen aan. We drommen samen rond Stam. In viertallen krijgen we kamers toegewezen. Maar, en hoe kan het ook anders, de langharigen blijven met z’n drieën, niemand wil erbij. Ik ben er alles behalve treurig om. Stel, dat we onze kamer zouden moeten delen met Herman, bijvoorbeeld, het waterhoofd van de klas. Zo’n gast kan alleen maar alles bederven. Hij is de zoon van de dominee, hij gaat nog steeds naar zondagsschool en speelt blokfluit – we hopen oprecht, dat hij die heeft thuisgelaten. Zelfs de braafsten van de klas houden Herman liever op een afstand. Hij raakt snel opgewonden en heeft een korte lont. We verdenken zijn genen.

In de kamer zijn twee stapelbedden. Ik deel het ene met Rudolf, Josef slaapt alleen in het andere. Hij kan, als ie zich verveelt, van verdieping wisselen – met zichzelf, voegen we er diepzinnig aan toe. We lachen schaapachtig.

En nu is het moment van de waarheid gekomen, hier heb ik de hele reis op gewacht. Ik leg m’n plunjezak op tafel.

Mijn lunchpakket is onaangeraakt gebleven. De plastic zak zit tussen mijn kleren weggemoffeld. Ik haal de de boterhammen kaas en worst te voorschijn. Rudlof en Josef staren me aan. Het laatste, waar ze zin in hebben, is een broodje van gisteren. “Wat eten we vandaag?”, vraag ik. Ik licht een sneetje op. “Kijk hier eens, belegen kaas met komijn!”. Ze doen een stap dichterbij. En hier. Ik trek de salami van een andere snee. Es ist gelungen! Es ist Gelungen! Onder het beleg zitten dunne plakjes hash verstopt. Ik ben een echte smokkelaar. Rudolf en Josef juigen. Ik maak een rondedans. In pure opwinding slinger ik het brood uit het openstaande raam. Dan verstarren we. Dat was stom. Een moment van onoplettendheid. Een voorbarig gebaar. Verblind door de vreugde. De baby met het badwater.

We kijken recht naar beneden. Vanaf de vierde verdieping van het hotel is Berlijn een donker gat. Vaag ontwaren we het platte dak van de discotheek. Zo nu en dan knipperen wat rode lampjes. Sliertjes muziek stijgen op door de nacht. We kunnen het niet opgeven. Er is geen weg terug. Twee tellen later zijn we beneden. Aan de zijkant van het gebouwtje ontdekken we een regenpijp. Josef en Rudolf houden de wacht. Ik klim zo goed en kwaad als het gaat naar boven. Het natte grind is bezaaid met rommel, die uit de ramen van het hotel is gedumpt of gevallen. We hebben goed gegokt. M’n boterhammen liggen in het midden, m’n smokkelwaar nog op haar plaats. Dat is niet zomaar iets, dat je laat liggen voor de eerlijke vinder. Ik raap alles bij elkaar. Als ik me weer opricht wordt m’n aandacht getrokken door de kleine binnenplaats. Tussen het hotel en de disco, die daar kennelijk deel van uitmaakt, is de ruimte benut voor de opslag van kratten bier. De flessen reiken tot aan de rand van het dak. Een nieuw idee krijgt gestalte, terwijl ik me langs de regenpijp laat zakken.

Onze excursies in de stad verlopen volgens schema. Stam houdt zich nauwgezet aan de opgestelde tijdslijn. Met de bus rijden we van hot naar haar. Vooral de monumenten moeten het ontgelden. De musea komen later. Een groot deel van de bezienswaardigheden bevinden zich aan de andere kant van de muur, maar het uitstapje naar Oost-Berlijn is pas op de derde dag. We bekijken de zaak dus eerst vanaf onze kant. Het niemandsland rond de muur lijkt sinds de laatste dagen van de oorlog door niemand te zijn betreden – door kogels doorzeefde gevels maken er hier en daar deel van uit. Bloemenkransen markeren de plekken, waar vluchtpogingen zijn gestrand. In de uitkijktorens aan de andere kant bespeuren we ondanks ons gezwaai geen beweging.

Die avond gaat het plan in werking. Centraal staat opnieuw mijn plunjezak. Die behoorde eens aan mijn vader toe en reisde rond de wereld met de koopvaardij. Vannacht is de reis vooral vertikaal. In het hok van de conciërge op de bovenste etage hebben we het lange verlengsnoer ontdekt. Daaraan maken we de zak vast. Rudolf zal hem vanuit het raam laten zakken. Josef staat op de uitkijk, ik wacht op het dak. Als alles goed gaat, behoeft de operatie niet langer dan een minuut of tien te duren. Niemand zal ons zien komen of gaan met de gestolen waar. Het licht in onze kamer gaat uit, dat is het teken. Ik zie de schim van de zak razendsnel langs de gevel dalen en vang hem op. Nu is het een zaak van koelbloedigheid. Het moet allemaal snel en geruisloos gebeuren. Ik balanceer op de rand om bij de flesjes te komen. Het lukt. De hele bovenste krat gaat leeg. Na tien stop ik met tellen. Het moet ongeveer het dubbele zijn. De zak weegt zwaar, misschien heb ik overdreven, maar het is al te laat. Met krachtige korte rukken begint Rudolf de vracht binnen te halen. Een aantal ramen onderweg zijn verlicht. Het is vooral zaak geen brokken te maken. Ik glijd van het dak af, laat me de laatste meter vallen en ren met Josef terug naar de lift van het hotel. We hebben geluk, die komt er net aan. Natuurlijk goed voor het verhaal, dat juist Stam eruit stapt. Overdreven beleefd wens ik hem “Guten Abend!”, even overdreven groet hij ons terug. Wij hebben zo onze bezigheden, hij heeft kennelijk de zijne.

Het eerste wat we samen drinken is thee. Iedere middag na school gaan we of bij de een of bij de ander langs. Onze moeders zitten trouw op ons te wachten met een trommeltje koek. Het geeft ze de gelegenheid om erachter te komen wie we zijn en of er gevaar in onze vriendschap schuilt. We zitten netjes aan tafel en geven beleefd antwoord. Er volgen zelfs heuse gesprekken, vooral met Rudolf’s moeder gaat dat vlot want die is op tijd aan de sherry. Alles gaat goed tot m’n verjaardag. Rudolf en Josef zoeken me ‘s avonds op. In de kelderkast ontdek ik een fles brandewijn. Er zit niets anders op. Pa en Ma stemmen er noodgedwongen mee in, er is niets anders in huis. Na een glas of wat begint Josef vreemd te praten, hij kan niet meer op zijn benen staan. Rudolf en ik besluiten hem weg te brengen voor het verder fout gaat. Onderweg gaat hij vreselijk te keer. Uit de voortuintjes, die we passeren, stellen we een gigantisch boeket bloemen samen. Het is de bedoeling om Josef’s moeder ermee te verrassen. Na een hoop moeite – Josef gaat herhaaldelijk tegen de vlakte – bellen we aan bij de nietsvermoedende familie. Het is laat geworden en zijn vader en moeder komen samen naar de deur. Ze kijken ons verbijsterd aan. We proberen onder woorden te brengen waarvoor we zijn gekomen en geven Josef een duwtje. Hij zijgt kreunend ineen op de deurmat. De theeceremonies zijn voorgoed voorbij.

We worden wakker in vreemde bedden, in een vreemde kamer, in een vreemde stad. Het gestolen bier heeft zijn werk gedaan. Zo duidelijk als alles gisteren leek, zo vertekend is het heden. Rudolf brengt de sfeer terug door in het Olympisch stadion een toespraak van Hitler na te bootsen. Hij doet dat verbluffend goed en veel te hard. Een groepje toeristen, dat in de diepte rondstruint, kijkt verschrikt op. Voordat Stam de lange klim naar ons toe heeft gemaakt, zijn we weer vertrokken. De mist in onze hoofden vertroebelt de grenzen. Alleen wat lachwekkend is, schudt ons even wakker. Het bezoek aan de Siegessäule en Zoo Berlin, de dierentuin van de stad, maakt onze toestand er niet beter op. We slenteren lusteloos in de staart van de groep tot het eind van het programma. Stam loopt in de spits, maar ziet zelf redelijk bleek.

‘s Avonds proberen we ons geluk in de discotheek. De plek is een ramp, het lijkt wel een clubhuis. Schemerlampjes en gefineerd hout. De muziek is dom en toch wordt er uitzinnig gedanst. Zelfs Herman laat zich gelden. Alleen de aanwezigheid van een Duitse meisjesschool verzacht de omstandigheden. Voor Rudolf althans. Als Josef en ik teruggaan naar onze kamer, omdat het bier daar goedkoper is, blijft hij hangen.

Het hoogtepunt van onze reis is het bezoek aan Oost-Berlijn. Bij het ontbijt neemt Stam het woord. Hij steekt er een sigaret bij op. Bohr, de leraar natuurkunde, fluistert hem duidelijk hoorbaar toe: “Zou je dat wel doen?”. Straks ontplof je! Kennelijk ademt Stam nog alcohol. Het gerucht gaat, dat hij iedere nacht de bloemetjes buiten zet en na sluitingstijd van de receptie via een achterdeur het hotel wordt binnengelaten. In de klas kleedt hij de meisjes, die een beurt hebben, met zijn ogen uit. Hier in Berlijn, ver van vrouw en kerk, gaat hij zonder schaamte een stapje verder.

We krijgen lunchpakketten, Oostduitse marken en een kaart. Een uur later zijn we bij Checkpoint Charlie. Met bus en al verlaten we het westen. Niet nadat de grenswacht ons met speurhonden en spiegels weer eens goed heeft bekeken. Ook de paspoortcontrole duurt tergend lang. Op een bord staat in vier talen aangegeven, dat het verboden is om hier te fotograferen. Als we ons eindelijk weer in beweging zetten, druk ik toch mijn camera tegen de achterruit en schiet een plaatje.

De droefgeestigheid slaat toe. Oost-Berlijn is kaal en leeg. De tijd heeft hier minstens dertig jaar lang stilgestaan. De dood spookt nog rond op Unter den Linden. We zien het wisselen van de wacht bij de Neue Wache. We zeulen van monument naar monument over de verlaten straten. De Oostduitse marken uitgeven blijkt moeilijk. We zoeken ijs- of patatkramen. Die zijn er niet. Dan lopen we Herman tegen het lijf. We bieden hem ons geld. Het is niets waard, zeggen we. Geef ons maar guldens. Misschien kan jij er wat mee doen? Hij is in de war gebracht door onze plotselinge vriendelijkheid. Of denkt hij ons slimmer af te zijn? Hij tuint erin.

Voort sjoggend over lege pleinen maken we nieuwe plannen. Onze voorraad is er doorheen, we moeten de plunjezak weer laten zakken. Na een blik achter het IJzeren Gordijn achten we het zaak om de viering van onze Westerse vrijheid te verdubbelen. Van de hasj hebben we iedere ochtend een hoekje afgeknabbeld, er is weinig over. Alleen bier kan ons leven redden.

De wereld is in vreemde handen gevallen. Wij staan op de muur. De luchtbrug naar onze drank is opengehouden, we takelen het probleemloos door het raam naar binnen. Beneden op straat houdt Stam een taxi aan en verdwijnt andermaal in de nacht.

Waar praten we over? Ik weet het niet. We praten snel en iedere zin eindigt in een lach. We zijn zonder kompas. Na verloop van tijd knijpt Rudolf ertussen uit, hij neem wat flesjes met zich mee. Josef en ik wachten in spanning. De Duitse meisjesschool vertrekt morgenochtend en Rudolf gaat afscheid nemen. Na een uur of twee komt ie terug. Hij grijnst, er schittert licht in z’n ogen. We springen verschrikt op. Nee he, ja toch. We kunnen het niet geloven. Het is hem gelukt. Hij trekt een flesje open en brengt een toast uit naar de lucht. Ja vrienden, ik ben ontmaagd! We trekken gezichten als doktoren en onderwerpen hem aan een verhoor. We moeten alles weten. Alsof het onszelf is overkomen, maar we de details even zijn vergeten. We huilen van plezier. Laten we vannacht wachten tot Stam terugkomt en hem verrassen bij de achterdeur. Ik zou z’n gezicht wel eens willen zien. Plotseling zijn we vol grote plannen en van niets en niemand meer bang. We drinken leeg. We schenken nog eens in. Niet veel later storten we verlamd neer op onze stapelbedden. Als Rudolf dan toch nog moet pissen, komt hij niet verder dan een hoek van de kamer. Op het bloemetjesbehang schrijft hij zijn naam in hoofdletters. Wij komen niet meer bij.

Van de laatste dag in Berlijn gaat alle herinnering onmiddelijk verloren. Onze hersenen weren verdere indrukken af. We zitten in de bus, Rudolf met een pleister op zijn wenkbrauw. Op de valreep heeft hij een dreun gekregen. Herman is woest. Hij wil zijn geld terug. Rudolf daagt hem heupwiegend uit. De hele ontbijtzaal zit te kijken. Het kan verkeren.

Het schooljaar loopt straks af. Wij zullen blijven zitten. Alleen Josef gaat over en verdwijnt uit ons leven. Of het zijn ouders zijn of die van Herman, God mag het weten. Het fatale telefoontje, dat tot onze ontmaskering leidt, blijft een vraagteken. Ik kom thuis en mijn vader en moeder zitten klaar. Het is met me gebeurd. Ze gaan tekeer. Ze weten het, ze weten alles. En ik moet kiezen. Of delen. Of ogenblikkelijk stoppen met die troep. Of het huis uit. Voorgoed. Ik beloof ze alles, wat ze maar van me vragen. Ik ben murw. En veel te stoned.

De dag daarna verschijnen we kaalgeknipt in de klas. Voor straf? Nee. Als teken van onze goede bedoeling en van het nieuwe begin, moet op z’n minst ons lange haar eraf. De andere klasgenoten zitten te gniffelen. En wij? Wij kijken elkaar spottend aan. Want nog even en het is 1977.