Rob Exfield – Een geweldige dag

Ik word geboren op een geweldige dag. Buurman gaat de keuken binnen en wast zijn handen. Hij heeft zojuist mijn nageboorte in de tuin begraven. Mijn moeder is bij de buren bevallen, want mijn vader is niet thuis. Piep zei de muis in het voorhuis. Hij zit in Zuid-Amerika, vast in het kanaal van Panama. Hij draagt een wit pak. Gouden strepen sieren zijn mouwen. Een anker kroont zijn pet. Het telegram is twee woorden lang: “Zoon. Rob.”
Met de oerknal ontwaakt het bewustzijn. Omdat de vroedvrouw heeft nagelaten me wakker te schudden, ontwaakt het mijne met ernstige vertraging. De Big Bang vindt jaren later plaats, aan de etenstafel. We eten spruitjes. Zij eten spruitjes, ik wil niet eten. Hij slaat me. Ik vlieg uit de stoel en kom terecht in een hoek van de kamer. Op zee noemden ze hem “Monkey”, hij heeft sterke handen. Nu is hij thuis, ik noem hem: “U.” Of ik door de klap alles van voordien vergeten heb, of me juist sindsdien van alles ben gaan herinneren, kan ik niet weten. Tot op de dag van vandaag weet ik niets. In de wereld, waarin ik wakker ben geworden, blijkt alles spel. De werkelijkheid is ondraagbaar. Vergeleken bij de man, die me heeft gemaakt, ben ik een lafaard. Een onhandig scharminkel. Een geest. Alleen in gedachten besta ik. ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’, zegt m’n moeder. Een pleister op de wond.
Ineens is er een spiegel in huis, een dubbele. Het nieuwe medicijnkastje heeft twee deurtjes, die vanuit het midden scharnieren. Als ik de hoek tussen de beide zijden tot een minimum verklein en er tussen door gluur, zie ik mijn gezicht, eindeloos herhaald als een verjaardagstaart. Ik doe een bijzondere ontdekking: de wereld heeft een binnen- en een buitenkant. Klinkklare kost, zou je zeggen, maar als je opgroeit in een leeg huis, is niets vanzelfsprekend en blijft het behelpen.
Zo slecht als zij het hebben gehad, zo slecht zal ik het nooit kennen, zeggen ze. Was ik twintig jaar eerder geboren, dan zou ik wel anders piepen. Pure armoede hebben ze gekend: als jonge kuikens hopten ze zo de Duitse bezetting binnen. Niets bleef ze bespaard: honger en gebrek, onrecht en geweld. Voor ze het wisten, waren hun kansen verkeken. Ik luister naar de verhalen, bij m’n moeder komt er geen einde aan. Voor haar is de oorlog nog steeds gaande, ze is een “nerveus wrak”, alles loopt door elkaar. Ik zie de verbanden en begrijp, dat ook ik deel van de tragedie uitmaak. In een bijzondere rol, weliswaar, mijn broertje en ik vormen haar medicijn. Het is meer dan onvoorwaardelijke liefde, door ons houdt ze de brokstukken bij elkaar. We mogen dan ook nooit ruzie maken, of denken, dat de één beter is, dan de ander. We zijn volledig gelijk, een denkbeeldige tweeling. Hoewel we negen maanden na elkaar zijn geboren en onze karaktertrekken sterk uiteenlopen. Die gedwongen gelijkstelling is ons juk, hij smoort onze individualiteit. Maar we vergeven het haar. We zijn als de dood voor wat ons te wachten staat, mocht het met haar mis gaan. Er valt niet over te praten.
Mijn vader is humeurig en ongeduldig. Aan de zee heeft hij de brui moeten geven en daarmee aan zijn droom van vrijheid. Verder had hij het geschopt dan zijn broers, die zitten allemaal in de sleepvaart of de visserij. Maar de Benjamin van de familie is naar de scheepvaartschool gestuurd, hij leerde er voor machinist en maakte een paar verre en lange reizen. Tot de liefde hem tot stoppen dwong. Aan lager wal in de walserijen van een staalfabriek, is hij verstrikt geraakt in het verspringende patroon van eindeloze ploegendiensten. Dag en nacht, tegen de maat. En dan haar geklaag. En wij. Niet vreemd, dat ie er soms op los slaat. Als er één ding is, dat hij haat, dan is het wel verwendheid. Hij herinnert zich zijn vaders harde hand.
De slaapkamer is heilig. We betrachten absolute stilte, we gaan op onze tenen, we spelen in pantomime. Mochten we teveel lawaai maken, mocht ons spel in ruzie ontaarden, een gevecht misschien, dan wacht ons de totale ondergang. M’n moeder staat op springen, de hoofdpijn drijft haar tot het uiterste, ze zoekt haar heil in bed. Met een natte lap dempt ze haar voorhoofd, ze neemt de pilletjes en valt terug in slaap.
Ik ben een slechte eter. Het drijft ze tot razernij. Dat ik m’n neus optrek voor de kostelijke groenten, de aardappels en de jus. Ik moest eens weten wat zij als kinderen voorgeschoteld kregen, als er al wat was. Maar in tegenstelling tot mijn broertje blijf ik iel en klein. Hij vreet alles en veel en groeit boven me uit. Tijdens ons gestoei delf ik al snel het onderspit en als ik hem er wel onder krijg, dan lacht ie me gewoon uit. Hij houdt z’n krachten in.
Soms gaat het fout. Dan geeft Ma ons met de mattenklopper. Een paar ferme zwiepen op het achterwerk volstaan. Tot die keer, dat m’n broer een stuk karton in z’n broek propt en voorover gebukt zijn straf lachend in ontvangst neemt. Ze kan ons niet langer aan.
Mijn moeder houdt van Opa, maar die is dood. Van verdriet gestorven, zegt zij. We mogen haar niet verdrietig maken. Zo leren wij wat liefde is. Een nagel aan haar doodkist is Oma, de bron van alle kwaad. Die heeft teveel verschil gemaakt tussen haar kinderen, altijd de blonde broers en zussen voorgetrokken ten koste van de anderen, volgens het Arische principe. Zij en haar man stonden niet voor niets aan de verkeerde kant. De hele club was uiteindelijk uit elkaar gevallen, met het einde van de oorlog. Opa en Oma gingen naar een strafkamp met hun oudste zonen en dochters. De achterblijvers, waaronder m’n moeder, kwamen terecht in een streng pleeggezin. Ze kregen altijd als laatste eten, droegen tweedehands kleren en werden verder aan hun lot overgelaten. De school viel in het water, ze moesten werken. Het werd “Hollands Roem”, de wasserij. Zakdoeken strijken.
Het lukt niet. We krijgen ruzie. Ze is hels. ‘Wachten jullie maar tot je vader thuiskomt, die zal jullie wel eens een lesje leren’. We weten, dat hij dat kan en wachten de hele middag op onze executie, ieder op zijn kamer. De automotor slaat af, de voordeur gaat open, ik hoor mijn moeder huilen. ‘Ze hebben me vandaag gek gemaakt!’ Hij laat er verder geen gras over groeien, ik hoor zijn driftige voetstappen al op de trap. Hij komt boven. Even is het stil. Wie is de eerste? Mijn deur vliegt open, in één grote stap staat hij voor me, hij torent hoog boven me uit. Boem!, zonder er een woord aan te verspillen slaat ie me met z’n vlakke hand hard in het gezicht. Het brandt, ik duizel, ik mompel: ‘Auw’. Ik ben te bang om m’n stem te verheffen, je weet maar nooit. Maar zijn rug schiet al weg door de deuropening, hij gaat op bezoek bij m’n broertje. Hij maakt geen onderscheid.
Drift is een mentale functie, een mechanisme om jezelf te motiveren. Je projecteert alle ergernis en schuld voor een tegenslag op je zwarte schaap, je schuift de frustratie over je eigen gebrekkigheid af op een ander en leeft je op je doelwit uit. En terwijl je dat doet, merk je, dat het werkt, de woede maakt je sterker, puur, zo krijg je dingen gedaan, met beter resultaat. Dat beetje extra benzine in je bloed verricht wonderen. Drift is onmisbaar. Vooral als je moe of lui bent. En anderen je storen.
Door het grote raam, dat uitkijk biedt op de tuin en de achterplaats, zie ik “U” in de huiskamer zitten. Hij heeft geen geduld om naar anderen te luisteren, hij draait zich weg van mijn moeder, die op de stoel tegenover hem zit te praten. Ik zie zijn boze blik. Ze laat zich door niets weerhouden en tettert door. Ik ben blij om buiten te zijn, daar valt altijd iets beters te doen dan binnen. Deze keer plak ik de lekke band van mijn fiets. Het is de eerste keer, een uitdaging. Het zware gevaarte staat omgekeerd voor me, klaar voor de operatie. Ik wil me bewijzen. Ik heb alle stappen van buiten geleerd. Wat kan er fout gaan? De vogels fluiten, de bijen zoemen, ik heb een zee aan tijd. Door het glas hoor ik mijn moeder haar stem verheffen, gevolgd door gegrom uit de andere hoek. Ik hoop, dat het vandaag rustig in huis blijft, maar het ziet er niet naar uit. Ik concentreer me op mijn werk, maar mijn handen voelen loodzwaar onder het gewicht van het staren van mijn vader. Zijn ogen volgen mijn handelingen, zonder ze te zien. Mijn moeder eist al zijn aandacht op. Hij geeft niet aan haar toe en draait zich verder af. Zijn blik blijft hangen in een vreemde hoek tussen haar en mij. Gevangen. Ik slik, mijn handen trillen. Ik ga door. De bandenlichters vallen kletterend op de tegels. Ik probeer het meteen nog een keer. Na veel paniekerig gewriemel lukt het me, ik trek de vrijgekomen binnenband naar buiten. Ik kijk half op. Ze is gaan staan, huilt ze? Nee, nog niet. Ik duik weg achter het wiel. Door de spaken heen luister ik aandachtig naar wat zich in de woonkamer afspeelt. De stilte, die daar plotseling is gevallen, belooft weinig goeds. Ik pomp de lekke band op en dompel hem snel in een emmer water. Waar zit het gaatje? Ik vind het niet. Ze gilt. Opnieuw vul ik het rubber met lucht en herhaal de handeling. Ik heb hem het zo vaak zien doen. Maar het wil niet lukken. Ik hoor hem schelden. Het ontsnapt me. Ik kijk hulpeloos op. De lucht is blauw, veelbetekenend en nietszeggend. Dan volgt de klap. Het is de deur. “U” komt naar buiten en duwt me bruut uit de weg. ‘Twee linker handen? Jullie leren het nooit!’
Op een keer moet het grote raam eraan geloven. Het gebeurt ‘s nachts. We zijn net terug van een uitstapje. Het is zondag. Normale mensen nemen de auto en spelen toerist in eigen land, mijn moeder wil hetzelfde. Ze hebben ons meegenomen naar de wielerbaan, er is daar een toernooi gaande. We worden opgeslokt door het publiek, dat in grote getale is komen opdagen, ik zie een hoop benen en donkere ruggen. Tussen de schouders door vang ik zo nu en dan een glimp op van de sprinters, die over de binnenkant van de diepe kom scheren, elkaar rakelings voorbij schieten zonder te vallen. Het is eng en prachtig. Maar dan ineens is de lol voorbij. Mijn moeder sleurt ons naar de auto. Mijn vader volgt met tegenzin. In de auto blijft het stil, thuis volgt de ontlading. Ze zegt, dat hij naar een andere vrouw heeft staan staren, een “blonde slet”, aan de overkant van de baan. Hij ontkent het krampachtig, voegt er iets aan toe en hup, het hek is van de dam. Ze stormt gillend de tuin in, hij volgt haar. Het wil niet baten. Ik zie ze door het glas. Ze grijpt een baksteen en slingert die in mijn richting. Ze mist hem op een haartje.
Mijn broertje is blond, ik ben bijna kaal. Hij heeft een mooie lok, met mijn kruin valt weinig te beginnen. Oma is naar Duitsland op vakantie geweest, ze kan het niet laten. Ze doet haar kleinkinderen echte Lederhose cadeau. We zien er potsierlijk uit, we lijken op elkaar. Ma kijkt ons tevreden aan. Ze is blij vandaag. Op de tv staat Heintje te zingen.
‘De beste baantjes verdelen ze onderling, die Joden’. Ze heeft het over het “Gooise matras”, een mysterieuze plek, waar de sterren elkaar ontmoeten en zich overgeven aan een eindeloze orgie. Vader zoekt driftig in de krant. Misschien is er iets beters op het andere net. Hij verstopt zich achter het papier en doet, of hij de programmering niet kan vinden. Ze gaat door: ‘Je vindt het zeker wel leuk om naar haar te kijken? Weer een blond wijf!’ Hij loopt rood aan. De mooie nieuwslezeres gaat opzettelijk door. Ze tergt ons allen.
Mijn moeder is ziek. Ze haalt zich van alles in het hoofd. Haar gedachten ratelen. Ze wil dood. De dokter moet het ontgelden. Om de twee dagen staat ze bij hem op de stoep. Librium, valium, wat ze maar wil, kan ze krijgen. Maar het is nooit genoeg. Ze eist een onderzoek. Wat is de oorzaak van haar pijn? Ik wacht in spanning. Ik wacht verschrikkelijk lang. Ik duw mijn neus tegen de ruit. Ze wil maar niet thuis komen! De uitslag is vast slecht. Zou het kanker wezen? Het is angstaanjagend stil in huis. En dan zie ik het! Ik zie het touw. Ze heeft zichzelf opgehangen! Ik zie het donkere water. Ze is gesprongen en verdronken! Ik zie alles en klim op mijn fiets. Misschien kan ik haar nog stoppen. Ik gooi m’n kleine gewicht op de pedalen, verzwaard met mijn dreigende tranen en schiet kris kras door de stad. Een schreeuw groeit in mijn keel, bonkt op de deur om naar buiten te kunnen, ik houd hem met moeite binnen. Mensen staren me na. Ik kijk in iedere gracht, onder iedere brug, in iedere steeg, achter ieder muurtje. Ik zoek haar rode jurk, haar fiets. Ik rijd tot het eind van mijn krachten, tot ik weet dat ik haar niet zal vinden. Dan barst ik los in tranen en kan ik niets meer zien. Ze staat in het midden van de woonkamer met een boeket gele en witte bloemen in haar armen. Die heeft ze op de terugweg naar huis voor zichzelf gekocht. De uitslag is immers goed. Ze is gezond.
Oma is dood. M’n moeder belt op om het te vertellen. Longontsteking. M’n vrouw en ik kijken elkaar vragend aan. Gisteren waren we nog in het ziekenhuis, ze zag er niet zo slecht uit. Het kruiswoordraadsel op het kastje naast haar bed was half opgelost, de inkt leek nog nat. Ze herkende me onmiddellijk hoewel ze me zo’n twintig jaar niet had gezien. Ik stelde haar mijn vrouw voor, zei dat die uit Israël komt en in blijde verwachting is. Ze glimlachte. Hoe je het ook bekijkt, leek ze te zeggen, je staat altijd aan de verkeerde kant.