Rob Exfield – Coupe soleil

Er staat nu al een prijs op mijn hoofd, want ik ben gekomen om David te vermoorden. Dit is de laatste keer, dat ik hem zal aanhoren, dat hij me zal aanraken en ik hem er voor zal betalen. Hij veegt nog haastig de vloer rond mijn voeten aan. Ik ben al gaan zitten. David is een kruiper. Zijn onafscheidelijke assistente Bella glimlacht me hopeloos toe. Ik zie haar in de spiegel. Ze hangt op haar plaats, alles bij het oude. Haar “Coupe Soleil” is in de zeventiger jaren voor altijd aan de hemel tot stilstand gebracht. Nu verschieten de kleuren. Bezoek na bezoek zie ik haar verder oplossen in het blauw. David maakt mijn kraag vast los. Mijn handen verdwijnen onder het schort. Van nu af aan ben ik hulpeloos. Ik wacht op ons eerste oogcontact als hij mijn schouders vastpakt, om de klemtoon te leggen, op wat hij niet langer hoeft te zeggen. ‘Meer van hetzelfde’, knik ik.

David is suïcidaal, dat maakt het lastig. Want ik ben niet zomaar een klant, ik zit in de getuigenbank van een tribunaal, dat zich nu al langer dan twintig jaar voort sleept. Ik wacht op het einde er van te midden van een berg afgeknipt haar. Hij bezemt de bewijsstukken iedere keer weer bij elkaar. Maar wat doet ie ermee? Bewaart hij de lokken als staaltjes in monsterzakjes? De zaak loopt schrikbarend achteruit. Al is het maar nostalgie, ik acht hem tot vreemde rituelen in staat. Hij heeft al verscheidene generaties zien gaan. De tranen springen hem in de ogen. Hij heeft ze allemaal tot op het laatste moment geknipt. Totdat ze niet meer op eigen kracht konden komen. Haar is David z’n laatste strohalm. In zijn agenda houdt hij de lijst van onze namen bij. Die wordt steeds korter. En vandaag ben ik aan de beurt, om voor altijd te worden geschrapt. Want ik ga verhuizen, naar een andere stad. Dat is behalve de dood de enige manier om met David te kappen.

Grappig, dat mijn gastheer na al die tijd nog steeds niet weet hoe ik heet. Het is natuurlijk ondenkbaar om nu nog naar mijn naam te vragen. Daarom speelt hij de onschuld zelf en gaat zijn blinde vlek behendig uit de weg. Ik houd hem pesterig in het onzekere. Er is zoveel meer, dat David niet van me weet. Ik kijk lang in de spiegel. Hij trekt zijn kam door mijn haar. Een dun gordijn valt voor mijn ogen. Straks loop ik hier voor de laatste keer de deur uit. Zal de kwelgeest me achtervolgen in mijn dromen? “Ik ken een spin. David is zijn naam. Hij bewaart me in een potje. Hij laat me niet gaan.” ‘En, hoe staat het er voor?’, breek ik de onheilspellende stilte. Hij perst zijn lippen samen tot iets, dat een glimlach moet wezen. Als ik niets doe om een gesprek op gang te helpen, val ik uit mijn rol. Dat hij me maar niet begint te verdenken nu en me straks in een vlaag van verstandsverbijstering de keel afsnijdt! Ik kijk naar zijn handen. Die rommelen in het laatje, dat hij onder mijn neus heeft open getrokken. Zijn trouwring heeft hij afgedaan.

De maaimachine boven mijn schedel barst los. Hij haalt wild uit met het apparaat. Verontrustend, grote plukken haar vallen in mijn schoot en op mijn schouders. Voorlopig richt hij alleen maar schade aan. Misschien is het beter als ik niet kijk. ‘En hoe is het weer nu in Nederland?’ Hij voelt het, ik ben uit mijn gewone doen. ‘Ik heb geen idee, David, misschien wil jij het mij vertellen?’ Denk ik, maar ik zeg: ‘Het zal er wel regenen. Het is er zeker niet zo koud als in Rusland.’ Nu heb ik zijn praatstoel aangeschoven. Hij snuift diep, schakelt de tondeuse uit en blaast de scheerkop schoon. David is de Oekraïne niet zonder reden ontvlucht. Toch mist hij het land van zijn geboorte, diep in zijn hart, meer als god ik-weet-niet-wat.

Buiten vallen de mussen dood van het dak en schuilen de mensen angstvallig in de korte schaduwen. Slechts een enkeling haast zich langs het lege etalageraam. In Davids hoofd voltrekt zich de slag om Stalingrad. Vannacht heeft hij de documentaire in vijf delen bekeken. Hij is er extra lang voor opgebleven. Ik verbaas hem. Dat ik het niet wist! De gigantische doden aantallen aan beide zijden! Hij heeft de optelsom onthouden. Die krijgt hij nooit meer uit zijn hoofd! Zijn gemoed schiet vol. Ik ben bang, dat hij me is vergeten. Het maakt niet uit, of ik nog langer luister. De enige kans om deze belegering te doorbreken en hier een eind aan te maken, is zijn ex. Ik bewaar haar, in geval van nood, voor later.

Haar verhaal is zijn doodlopende straat. Hij heeft het me zo vaak verteld, er is geen beweging meer in te krijgen. Ik heb mijn best gedaan. Ontelbare adviezen heb ik hem gegeven. Om haar op te bellen, haar eens en voor altijd zijn excuses te maken voor het maakt niet uit wat, desnoods alle schuld op zich te nemen. Zijn liefde te tonen door juwelen voor haar te kopen, een romantisch diner in een duur restaurant, een vakantie in het land van haar dromen. Ieder cliché, waar ik maar op kon komen. Maar zij wil hem kwijt, voorgoed, ze wil scheiden. Dan volgt een hartaanval, die hem niet wil helpen. Nu voel ik zijn adem in mijn nek. Hij grijpt naar de schaar voor het fijnere werk.

Ik concentreer me maar weer snel op Bella. Onze tijd samen is haast om. Vandaag nemen we voorgoed afscheid van elkaar. Hoe vaak heb ik niet in haar ogen gestaard en me vermaakt met flitsen van de vreemdste fantasieën. Van het moment, waarop de foto werd gemaakt, zal niets meer overblijven dan een laatste indruk, die ik met me mee zal dragen. Bella reist straks nog even met me door. Dan zal ik haar laten gaan. Of zullen er nog meer kopieën van haar bestaan, die de muren sieren van vergelijkbare godvergeten plekken? Waar mensen als David wachten op klanten, die zich niet meer laten zien?

In de zomer van 1995 zijn ze op bezoek in Kiev. Ze hebben daar de tijd van hun leven. Alles is anders geworden en alles is hetzelfde gebleven. Samen zoeken ze naar de verschillen. Op een avond verdwalen ze hand in hand in de oude binnenstad op zoek naar een plek om iets te eten. ‘Laten we hier linksaf slaan’, zegt ze. ‘Nee, rechts lijkt me beter.’ Hij gaat haar voor door het nauwe steegje, dat hij denkt te hebben herkend. Plotseling flitst er een zoeklicht aan. Vanaf de andere kant van de straat klinkt het galop van zware laarzen. Er wordt geschoten. David en zijn vrouw gaan tegen de vlakte. Maar de ellende begint pas als hij zijn hoofd opricht. De patrouille, waarop ze zijn gestuit, bestaat uit Wehrmacht soldaten. Die zoeken nu dekking achter kisten en kratten of dringen samen in de ondiepe portieken, met hun rug tegen de muur. Een jongetje met een veel te grote pet komt langs hun heen gesprongen. Hij zwaait in de richting van de Duitsers met een handgranaat. Dan klinkt het ‘Cut!’ in onversneden Engels en blijft de kleine partizaan naast het stel op de grond staan. Een oorverdovende stilte is gevallen. Iemand helpt hen overeind. Zijn ze nietsvermoedend de set van een oorlogsfilm opgewandeld. “De Slag om Stalingrad”, voor het gemak in Kiev opgenomen. ‘Nooit van mijn leven, ben ik zo bang geweest! Zo geschrokken!’ Zijn hand beeft nog steeds. Ik schiet haast in de lach. Nu moet ik mijn hoofd echt stil houden. Het scheermes schraapt langs mijn oor. Dit is het allerlaatste wat nog fout kan gaan. Tussen David en mij.

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/?s=Rob+Exfield

1 Comment

  1. Intrigerende tekst!

Comments are closed.