Olof Baltus – De Duinroos (29): ZIMMER FREI

“Iemand, die achterop raakt komt niet meer aan bod…”

De winteravonden waren lang en als moeder op die avonden met de grotere kinderen Monopoly zat te spelen of als zij zich overgaven aan een potje Mens-erger-je-niet, wist ik, die uit angst om te verliezen zelden mee deed en daarom alle tijd had om rond te kijken en te taxeren, dan wist ik dat vader, op diens luie stoel onder de staande schemerlamp, woorden van gelijke strekking door de kop drensden: “iemand die achterop raakt komt niet meer aan bod.”
Soms raadde hij mijn gedachten en gromde hij uit een soort machteloze woede, omdat ik hem betrapt had iets als: “Ga jij alvast maar naar je bed, wijsneus.”
Dan minachtte ik hem en ging blijmoedig naar boven.

Op één zo’n avond had hij het evenwel gevonden: hoe hij De Duinroos zou kunnen opstoten in de Vaart der Volkeren.
“Jij kunt toch zo geweldig tekenen,” sprak zijn stem plotseling uit het half duister van de schemerlamp.
“Gaat wel,” antwoordde ik, op erger voorbereid.
Maar hij had al een kaartje met het voorgedrukte opschrift “Hartelijk Gefeliciteerd” uit de winkella gehaald en met de onbedrukte zijde naar boven voor mij op tafel gelegd.
“Een duinroos”, het klonk als een bevel.
Die toon stond mij niet aan.
“Zeker zo één als in de vitrine?” beantwoordde ik zijn bevel met een vraag, die hem zeker niet zou aanstaan.
“Doen wat je gezegd wordt,” zei hij, “een roos en verder geen commentaar.”
Nee, dat kan je begrijpen: de kwestie “vitrine” was zo ongeveer de Achilleshiel van bloemenmagazijn De Duinroos, nieuwe stijl.

Na de sloop van het krot, waarin De Duinroos vroeger haar armetierig bestaan had geleid, was op diezelfde plek als voorheen een nieuw winkelpand verrezen.
De bouw van dit splinternieuwe bouwsel had ons geen cent gekost. De verhuurder was dezelfde gebleven: ome Dirk.
Die was in de verte familie van moeder: hij had zich, om het maar zo te zeggen, ontfermd over ons en onze benauwde veste.
Met het argument van aardigheidje en klantentrekkertje had de architect ome Dirk en vader zo ver gekregen, dat zij hadden ingestemd met het uitsparen in de gevel van een piepkleine rechthoekige ruimte, waarin een vitrine zou komen. In het steunmuurtje tussen de beide grotere winkelruiten in.
Voor die vitrine wilde de architect een gebrandschilderd raampje hebben, voorstellende een duinroos. En achter die duinroos zou dan dag en nacht een licht peertje branden, zodat de klanten ’s avonds een extra rondje om zouden gaan om die attractie met eigen ogen te kunnen zien.
In de bouwfase sprak vader zelfs van een soort Gods lampje, zoals die dag en nacht brandde in de kerk aan de overkant.
Gebrandschilderd glaswerk was echter “meerwerk” en dat werd niet betaald door ome Dirk. Toen dat duidelijk was, bleek gebrandschilderd glas ook nog heel duur te zijn. En nog veel meer zou het gaan kosten als er speciaal een ontwerp gemaakt moest worden.
“Want zeg nou zelf, Baltus,” had de glasleverancier wijselijk opgemerkt, ”wie koopt er nou vandaag de dag een duinroos?”
Daarop had vader genoegen genomen met een Theeroos, want die waren uit voorraad leverbaar.
En zoals zo vaak had moeder er zich maar bij neergelegd.
Wel traineerde zij de aanschaf van een licht peertje achter de theeroos, die een kwaadwillende misschien gebracht zou hebben tot de opmerking, dat de winkel eigenlijk de Theeroos had moeten heten, zo lang, totdat vader het verheven idee van een godslamp had laten varen: De Duinroos bleef De Duinroos.
En de theeroos in de vitrine was een taboe.
“Een roos is een roos, verder geen gelul. En nu tekenen,” sprak hij.

Ik tekende een roos en die ging vader onder het licht van de schemerlamp langdurig zitten bestuderen.
Ik, op mijn beurt, maakte een studie van hem. Wat was hij soms toch een eigenaardige man. Ik had eigenlijk medelijden met hem, maar dat kon ik beter niet laten blijken.

Ineens opende hij zijn mond: “Morgenochtend haal jij als eerste een vel blanco etiketten en een paar kleurpotloden, groen en rood.”
Meer werd er niet gezegd, zodat Kees en ik ons in bed suf fantaseerden over de mogelijkheden, die er allemaal wel niet waren.
“Hij heeft het in zijn bol gekregen,” besloten wij tenslotte boosaardig, “hij wil een familiewapen hebben op al zijn kasboeken en misschien ook wel op onze schoolschriften.”

God betere het, wat zouden wij uitgelachen worden. Vervuld van gespeelde zorg vielen wij in slaap. Soms voelt het goed een broer te hebben.

Daags daarop werd de speelse bezorgdheid van de avond echter omgezet in een reëels. Toen ik met het spul uit de kantoorboekhandel thuis kwam, zei vader dat ik “het materiaal”, maar zolang moest opbergen in de winkella.
Het materiaal? Hij had zich vast weer eens iets in het hoofd gehaald!
Meewarig schudde Kees van “nee, hé, dat meen je niet”, toen ik hem op de hoogte bracht.
Donkere wolken boven De Duinroos, een familiewapen.

‘s Middags na schooltijd werd ik naar boven gedirigeerd, naar de slaapkamer van vader en moeder, de voorkamer, die in de zomer dienst deed als woonkamer voor de badgasten. In die zomerse periode van verhuur sliepen vader en moeder in een opklapbed, beneden in onze eigen woonkamer.

Vader had daar nu een tafeltje naar binnen gesleept en daarop lag “het materiaal” al klaar voor gebruik.
“Je kunt meteen aan de bak,” zei hij en hij legde mij uit wat de bedoeling was.
“Kijk,” zei hij, ”Job de Bakker, die zie je niet meer met zijn kadetjes, die heeft een snack-loods geopend. Kager rijdt tegenwoordig rond in een winkelwagen van heb-ik-jou-daar. En slager Overpelt steekt zijn vrouw ook in steeds dikkere bontjassen. De Duinroos kan niet langer achterblijven, ook wij gaan voortaan zegels uitreiken…”
Hij maakte even pas op de plaats om hetgeen hij gezegd had te laten bezinken.
“ Tenminste,” vervolgde hij, ”als de mensen besteden voor een bepaald bedrag. Dan zijn wij “Nimmer Dor” (dat was de andere bloemenzaak in het dorp) mooi een slag voor. Maar als de huisvrouw na verloop van tijd voldoende gespaard heeft, krijgt zij gratis en voor niks een prachtig plantje.”

Toen ernstig, vervolgde hij: “Wel, je weet wat je te doen staat en vanavond heb je honderd duinrozen getekend, want gezien de publiciteit zal ik die hard nodig hebben.”

De deur knalde dicht en het was, alsof ik straf had.
Toch heb ik ze getekend, honderd duinrozen. En daarna heb ik ze bloem kelk voor bloem kelk ingekleurd met rood. Totdat de punt van het kleurpotlood afknapte.

Die avond verscheen het huis-aan-huisblad “Het Contact” met over de gehele breedte van pagina vijf een “belangwekkende annonce van Bloemenmagazijn De Duinroos, voor al uw Trouw- en Rouwwerk.”
En ook aan het parochieblad “Sursum Corda” had vader gedacht. Want van onze katholieke medeparochianen moesten wij het natuurlijk in de eerste plaats hebben.
Een vrolijke stemming die avond in De Duinroos. Ook moeder vond dat het er keurig uitzag, deze keer.
Zelf was ik meer van: nou we zien wel, maar ik wilde geen spelbreker zijn en dus genoot ik mee van de warme chocolademelk en de berg pinda’s op tafel.

De eerste klant die het vereiste aantal zegels vergaard had, was de schoondochter van het mannetje van De Munk. Vader schonk haar een cyclamen.
Mij zou zij daar later op zeer onprettige manier aan herinneren, toen ik in mijn jacht op het hondje van haar schoonvader onder valse voorwendselen een bezoekje ging brengen aan de bijna honderd jaar oude man.
Maar gelukkig was dat op de dag van de prijsuitreiking nog niet te voorzien.

Ach, het leven in De Duinroos wist maar niet van ophouden.
De affaire van het tekenen van die honderd zegels lag nog vers in het geheugen, toen vader me er op uitstuurde om bij de buren een stuk vetkrijt te gaan lenen.
“ Prima,“ zei hij, “wie goed kan tekenen kan natuurlijk ook mooi en duidelijk schrijven. Liefst in sierletters.”

In gedachten zag ik mij al weer na schooltijd op de rand van het ouderlijk bed zitten om op het tafeltje, dat nu weer in de bijkeuken stond, honderd identieke aanplakbiljetten te vervaardigen. Waarna ik in het duister met gevaar voor eigen leven “het materiaal” op alle schuttingen en muren in het dorp zou moeten plakken.
Vader zou wel zorgen voor goedkope en dus niet plakkende lijm en als dan inderdaad niks wilde blijven plakken, zou ik het ongetwijfeld zijn, die daar voor moest opdraaien…

Maar het viel mee, dit keer ging het slechts om de deksel van een schoenendoos waarop hij, liefst in sierletters dus, ZIMMER FREI wilde hebben vermeld.
Zonder morren beschreef ik het stuk karton, weliswaar niet in sierletters, die tak van sport beheerste ik niet, maar wel in keurige blokletters.
Vader was tevreden en zette de kartonnen deksel met het opschrift op de vensterbank tegen de binnenzijde van het kamerraam. Nu hadden passanten wat te lezen als zij dat wilden.

Een tijd van spanning brak aan.
Ja, die huurders van een deel van je huis of van je zomerhuis: je wist maar nooit wat je je woning binnen haalde.
In het dorp deden wat de zomerse badgasten betrof de wildste verhalen de ronde. Er waren er, die erin slaagden binnen de tijd van een poep en een scheet een nieuwbouw woning totaal uit te wonen. En er vandoor gaan met medeneming van alle bestek was geen zeldzaamheid. Daarvan keek geen sterveling meer op.

“Tuurlijk, tuurlijk,“ aldus vader op zondagmorgen tegen moeder, “je kan ze niet allemaal over één kam scheren maar…“ Per slot van rekening waren ze nog niet eens zo bar lang geleden een oorlog begonnen en er vandoor gegaan met alle radio’s en fietsen, die ze tussen Maastricht en Den Helder maar hadden kunnen opsnorren.
Intussen sloegen ze in deze tijd van het jaar, februari-maart, iedere vreemdeling, die zich in de Wilhelminastraat vertoonde, hoopvol gade.

Zoals gezegd, februari was het en daarna maart. Al die tijd woei er door de straten en over het kerkplein een gure noordenwind. Stukken papier dwarrelden het kerkplein op om in de luwte te blijven liggen onder het beeld van Maria Onbevlekt Ontvangen. Schamele offergaven voor de Moedermaagd.
Aan de mensen in de Kerkstraat was te horen, dat vader er wel heel erg vroeg bij was met zijn ZIMMER FREI. Geluiden, die ook hem niet konden ontgaan, maar hij wist er wel raad mee: “Die lui, die zo praten deugen niet. Allemaal broodnijd en kinnesinne.“
Toch liepen er al af en toe door het centrum van het dorp “kijkers”: dat zijn potentiële huurders, die voor de aanvang van het seizoen willen zien, waar zij terecht komen voor hun dure centjes.
Maar hoever uit het centrum, hoever niet uit de koers, lag niet De Duinroos!
Een toerist moest echt wel verdwaald zijn om daar te geraken.

Vader kwam terug van zijn vent route door het dorp en had naar eigen zeggen weer net niet genoeg verkocht om er een negerzoen van te kunnen kopen, maar verhaalde bovendien van die en die en van zus en zo, die zich geen zorgen meer hoefde te maken, omdat de hele zomer al weg was.

Nee, ik ben er overheen gegroeid en ik denk er niet graag meer aan, maar soms zie ik weer voor mij hoe onbeholpen hij zijn best deed moeder op te monteren. Bij die gelegenheden voel ik mij beroerd en weet ik dat het leven geen zin heeft.
“Geduld, moeder, geduld. De dunste hengel tukt de dikste vis, zei meester De Wit altijd”.
“Ja, maar bijten is iets anders, dan bijten en wat meester De Wit je geleerd heeft, dat hoef je mij niet te vertellen, dat zie ik iedere dag voor mij”, klonk het bitter.
En dan ging vader als om zijn gelijk aan te tonen er toe over met het bord ZIMMER FREI achter het raam te gaan staan zwaaien, zodra er een auto met een Duits kenteken de Kerkstraat in draaide.
“Toch is het dit jaar minder druk, dan vorig jaar en het jaar daarvoor,” zei hij, terwijl het pas april was en nog steeds lang geen toeristenseizoen.
Moeder boog zich nog verder over haar breiwerkje, zodat vader maar eens kuchte en informeerde hoe het met de koffie stond.
Zelf sloeg ik de pagina van mijn stripboekje om en las dat Bommel Tom Poes verzocht een list te bedenken.
De spanning in huis werd er niet minder om.

Pasen viel gunstig dat jaar, precies toen de bollenvelden in bloei stonden. Files auto’s trokken de duinstreek binnen. Opa, die op Hoogtijdagen altijd langs de Hoeverweg bezig was de aantallen te turven, zou een nieuw record komen melden, maar nog voordat wij op de ochtend van de eerste paasdag ons eitje gevonden hadden lazen wij onder ZIMMER FREI in het handschrift van vader: “Nog frei: mei-juni-juli-aug.-sept.”
Deze boodschap drukte de stemming aan de ontbijttafel behoorlijk.
Dat moeder de eitjes zo mooi beschilderd had, verhielp er weinig aan.
Simone zei iets spottend.
Niemand reageerde. Toen huilde zij met lange uithalen.
Moeder streek haar door het haar en keek met vochtige ogen naar vader.

Koninginnedag:
“Als hij nou iets flikt,“zei ik tegen Kees, “zou de politie meteen zijn vingerafdrukken herkennen.”
Zo beduimeld was het karton intussen door het veelvuldige omhoog steken als er een vreemdeling langs kwam.
Het vetkrijt gaf behoorlijk af.

De schone meimaand, maand van Maria, moeder Gods, iedere avond naar het Lof om een rozenhoedje te bidden en te zingen: “Te Lourdes op de bergen / verscheen in een grot / vol pracht en vol luister / de moeder van God / Ave, Ave, Ave, Maria…”
En op een avond in die meimaand moest het geschieden, dat de kindertjes Baltus thuis komend uit het Lof moeder aantroffen in gesprek met… een huurder, althans een kijker.
Zo te zien was het een dame van middelbare leeftijd met een heel raar gezicht en met een nog veel gekker hoedje op, dat oren en zelfs ook nek haartjes aan het gezicht onttrok. Ook droeg zij volgens mij een mannenbroek.
Niettemin moesten wij ons van moeder in een rijtje opstellen met de oudste voorop en de anderen daarachter in volgorde van leeftijd.
“Schön,” riep dat mens alsmaar, “schöne naam haben die ouderen du gegeben.”
O, wij hoorden het al, een Duitse badgasten mevrouw. En ik vond het al een beetje verklaarbaarder, van dat rare gezicht en zo.
Zich opnieuw tot moeder wendend vroeg de dame wat er allemaal al weg was in het seizoen.
“Nog nichts, Fraulein.”
He, moeder sprak ook Duits, daar hoorde ik van op.
“Ach je, wenn der Heinrich das auch gut findet, wollen wir bitte die ganze zomer. Aber, Frau Baltus, die Preis?”
“Wat zegt zij nu? Vroeg Simone, die nog te klein was om Duits te verstaan.
“Zij vraagt hoe duur het is”, fluisterde ik .
Moeder zei, dat dat ervan af hing met hoeveel personen ze waren.
“Ach ja, Heinrich dabei und net, wie sie, sieben kinderen.”
“O” antwoordde moeder in het Duits, “dat zou leuk zijn. Dan kunnen ze mooi met elkaar spelen, uw kinderen en de mijne.”
Vervolgens werden onder doodse stilte van de kinderschaar de onderhandelingen geopend betreffende de huursom.
Moeder noemde een bedrag. De vrouw vond het teveel.
Moeder zei, dat in Holland in de zomer de zon altijd scheen.
“Aber heute niet,” antwoordde de Duitse heel sterk.
“Nee heute niet, dat zie ich selbst auch wel,” zei moeder, “Maar ik bedoel in de zomer. Dan wel.”
“Ach ja,” hernam de tegenpartij voor de zoveelste keer en zij leek door haar argumenten heen.
Een korte pauze en toen vroeg de vrouw, of zij de kamers ook mocht zien.
“Aber natuurlich.”
O, wat was dat een brutaal mens, liep zij zo maar zonder eerst even fatsoenlijk op moeder te wachten de trap op naar boven. Gelukkig voor haar, dat vader niet thuis was, want die had haar, huurder of geen huurder, meteen weer op de keien gezet, reken daar maar wel op.
Maar moeder zei niets en volgde, alsof zij niet in haar eigen huis was. En achter haar volgden, net als bij het handen schudden, de kinderen in een aflopende reeks.
Het deed denken aan de processies, die door het huis trokken als het begon te onweren. Vader vergaarde dan zijn kroost om zich heen in de huiskamer; desnoods sleurde hij iedereen uit bed. Slapend of wakker, dat donderde niet. Ook dan startten wij in de huiskamer en liepen wij met vader aan het hoofd van de stoet door de keuken, door de hal, de trap op naar boven. In ieder vertrek, dat wij betraden, doopte vader een takje van Palmpasen in een wijwaterbakje en alsmaar weesgegroetjes prevelend, sprenkelde hij het wijwater in het rond.
Zodoende was De Duinroos tot nu toe een blikseminslag bespaard gebleven.

Maar nu liep er zo’n raar mens voorop, een huurster.
Ook Kees zinde het maar weinig. Hij maakte een beweging van pootje haken. Doch hij moest oppassen met zijn geintjes, want zonder dat wij het in de gaten hadden draaide dat badgasten mens zich om. Wijzend op Kees vroeg zij moeder met haar akelige stem hoe oud die jongen eigenlijk wel was, maar het was duidelijk aan haar toontje, dat zij in feite iets anders bedoelde met haar vraag.
Kees kreeg er een kleur van.
“Ach ja, ich zie schon: hier is die Zimmer. Complimenten, Frau Baltus, alles ist gaans schoon. Kein Stof auf die vloer. Prima, prima, prima.” En terwijl de staart van de polonaise de kamer nog moest betreden, was de voorhoede al weer bezig, die te verlaten op weg naar de slaapkamer der gasten.
“Onweer,” mompelde ik Kees in het voorbij gaan toe, want het leek verdomme het onweerstempo, zoals dat mens maar voort stiefelde. Maar Kees liet zich nu zelfs niet meer tot een glimlach verleiden.
“Ach ja, die Schlafzimmer…”

Zij was zeker erg lui, dat zij opeens zo lyrisch en traag deed bij de bedden. Dit keer had zelfs de allerkleinste, dat was Jantje, ruim de tijd om in de kamer positie te kiezen. Het leek verdomd wel of zij expres wachtte tot een ieder er goed bij zou staan. Zoals de fotograaf het juiste moment afwacht als er een familieportret gemaakt moet worden.
Eindelijk keek zij moeder aan en vroeg of zij de bedden soms even mocht proberen.
“Geh die gang,” nodigde moeder haar uit. En Simone ging een stukje opzij. Die dacht zeker, dat de gang weer aan de beurt was.

Een vergissing, want wat zich nu in werkelijkheid ging voltrekken, tart iedere beschrijving.
Benen wijd uitgespreid liet de Duitse zich ruggelings op het bed vallen, maar tijdens die duik op het bed en het daar op volgende trampoline nummer – mijn zusjes waren toen al in koor aan het huilen geslagen – werd onder het brullende gelach van vader en van niemand anders dan vader een ijsmuts in de lucht gesmeten en daarna nog twee grapefruits die kennelijk dienst hadden gedaan als boezem vulling.
Daar lag niet een huurder of desnoods een kijker, daar lag geschminkt en opgetut de man, die ons verwekt had!
Zelfs Kees en ik konden er niet om lachen. Jantje nog wel, die dacht in hem de clown te herkennen, die laatst op de kleuterschool was opgetreden.
“Pipo,” noemde hij zijn vader.
En een komische sketch voor Dame en Heer verkeerde in een tragisch dieptepunt. Zijn dochters waren zo geschrokken van de plotselinge metamorfose, dat zij niet meer in één huis wilden wonen met een vader, die in staat was tot zulke enge vertoningen. Zij waren bang voor hem en wilden hem niet meer zien.
Moeder deed er het zwijgen toe: op zo’n afloop had ook zij niet gerekend.
En Kees en ik, de mannen in het gezelschap, wij zeiden hem openlijk, dat hij malende was.
Hij zei niks. Heel bijzonder. Hij had op dat ogenblik geen verweer.

Tijd heelt echter alle wonden en vader kon goed naar zich toe rekenen. Twee dagen later bracht hij het gebeuren voor het eerst ter sprake en had het over: “een slechte generale, een goede uitvoering.”
Er was geen speld tussen te krijgen.
En al had het erg lang geduurd, de gasten kwamen.

Ze kwamen op de vijftiende juni, een keurige heer en dame, Duitsers en zij hadden veertien dagen gehuurd.
Regende het toen al of begon het pas de volgende dag te regenen?
Hun maakte het niks uit, verzekerden zij vader en moeder: hun ging het om “die Luft am Meer”. Die Luft was zo lekker “sauber.”
Ja, dat had vader ook altijd zo ervaren en die constatering was altijd een van de grootste genoegens geweest als hij thuis terug keerde van zaken elders.
Kees en ik stootten elkaar aan: waar haalde hij het weer vandaan: zaken elders?

En het regende en het regende. God leek nog maar bitter weinig op te hebben met deze hypocriete wereld.
Maar wat doet een badgast met zulk weer?
Ze wilden regenjassen gaan kopen, want ze hadden wel zwemkleding meegenomen, maar op een plaatsvervangende zondvloed hadden ze niet gerekend.
Vader vergezelde zijn huurders tot in de winkel en alles bij elkaar was die regen voor vader een goede gelegenheid geweest om zich kort vóór de bruiloft van de dochter van de manufacturen handelaar bij die lui in een gunstig daglicht te stellen. Na de badgasten ongevraagd de allerbeste en allerduurste regenjassen geadviseerd te hebben had hij terloops geïnformeerd naar het bruidsboeket, dat er moest komen en de versiering van het altaar, hoe het daar mee zat.
Toen de vader van de bruid gezegd had, dat er zeker aan De Duinroos gedacht zou worden, zorgde vader, dat er ook laarzen gekocht werden en regenbroeken.

Maar met de aanschaf van de regenuitrusting was de verbeelding of het uithoudingsvermogen van de gasten blijkbaar uitgeput. Ze kwamen de kamer niet meer uit. En de grote vraag was: wat voeren die twee daar de hele godganselijke dag uit?
Om daar achter te komen beval vader ons enkel nog op sokken door onze huiskamer, pal onder de slaapkamer van de huurders, te lopen. Spaart de vezels van de mat, heette het. En wij moesten ons aanleren niet de hele tijd zo luidop te praten.
Het was boven erg gehorig en badgasten waren altijd erg op hun gemak gesteld.
Enfin, de eerste keer, dat hij het hoorde, probeerde hij het gauw te overstemmen.
“Snap je dat nou,” sprak hij veel luider dan gezien de door hemzelf geconstateerde gehorigheid verantwoord mocht heten, “snap je dat nou?” Waarom gaan die lui niet met een bustocht naar Volendam of het monument op de Afsluitdijk? Ik zou het wel weten als ik in hun schoenen stond.”
Maar hij stond niet in hun schoenen. Zijzelf trouwens ook niet.
“Het zijn neukers,” wist Kees te vertellen. En aangezien het gesodemieter een paar uur later weer opnieuw begon, moet vader dat ook geconcludeerd hebben.
Hij veerde als door een adder gebeten op uit zijn stoel en joeg zijn gezin de regen in.
“Hup eruit, buiten spelen! Lekker een frisse neus halen.”

De meisjes in hun dunne zomerjurkjes, Kees en ik in onze korte kaki broeken, Jantje in een wollen kruipbroekje, kippenvel op de schonkige armpjes en knobbelige knietjes, en allemaal de neusjes plat gedrukt tegen het raam, zo trotseerden wij de tranen van de Schepper. Achter het glas stond vader op de zitting van een stoel met een ragebol tegen het plafond aan te rammen.
Het moest onmiddellijk afgelopen zijn, het was hier geen bordeel!

ZIMMER FREI, het had zo prachtig kunnen zijn, maar in ons geval volgden op de Neukers een gezin met kleine kinderen.
Wel, de familie Siebert was een gezin naar Pruisisch model. De vader had nog onder generaal Paulus gevochten in de slag om Stalingrad. En ook de kinderen waren ongehoord volgzaam.
Wij , Baltusjes, konden er een puntje aan zuigen, oordeelde vader.
Zelf waren Kees en ik aanzienlijk minder enthousiast. De oude Siebert meende namelijk dat hij niet alleen een gedeelte van ons huis gehuurd had, maar ook de kinderen van dat huis als speel makkertjes van zijn eigen kinderen.
Mij was Klaus toebedeeld, die ik meteen een brillenjood in Lederhose noemde.
Vader vond echter, dat ik niet moest gaan lopen zeuren.

Met lood in de schoenen introduceerde ik Klaus bij de jongens van de club.
Wat ik meegenomen had?
“Een badgast.”
Maar wat de rest van de club met die gozer aan moest?
“Ik moet van mijn vader met hem spelen,“ verdedigde ik onze badgast.
“Hij zal eens niet moeten. Als hij niet moet poepen, dan moet hij wel weer iets van zijn vader.”
Ik kon opdonderen met die mof. Ze hielden niet van N.S.B.-ers.
Met Klaus achter mij aan sjokte ik de Wilhelminastraat in. Die zei dat de clubleden hem niet heel “sympatisch” waren.
Vooral om zijn spekkige nek en zijn in Lederhose gevatte kont haatte ik hem.
Maar nog had ik de beker niet tot op de bodem geledigd; ik moest haat leren kennen en het kwadraat van haat.
“Ah, da gibt es schon die zwei Freunde,“ riep de oude Siebert.
“Ja, dikke maatjes,” beaamde vader, hij was ongetwijfeld nog meer in zijn schik met de Schnaps, die Siebert hem tapte, dan met de twee maatjes.
“Makkelijke Hose trouwens, solche Leder.”
“Bitte, Herr Baltus? “
Siebert had hem niet begrepen.
Daarop vertelde vader de Pruisische oud-strijder hoe ongedisciplineerd ik mij placht te gedragen. Ik klom bij voorbeeld in bomen en dat kostte hem zo ongeveer een broek in de week.
Siebert schudde het hoofd: hoe was zoiets nou mogelijk, een kind, dat tegen de wil van de vader in bomen klom.
“Toch flikt hij mij dat keer op keer,” klonk het bitter.
“Bitte, Herr Baltus?”
“Nee niks, nur schade dat man in Holland nicht von die lederen Brücken hat.”
“Ah so.” Meer zei hij niet, de schooier. Hij tapte nog eens bij.

Maar hij had het gesprek onthouden, met Duitse Grundlichkeit. Toen ze al gepakt en gezakt klaar stonden om af te reizen naar de Heimat, wilde hij mij bij het handje schudden “ein kleines Present” overhandigen: de Lederhose van Klaus. Thuis had Klaus er nog een paar andere en deze was hem eigenlijk te klein geworden.

Ik dacht: “dat nooit!”
Ik zag mij al lopen.
Ik hoorde de jongens op school al lachen.
Maar nog steeds zie ik mij lopen, nog steeds hoor ik de jongens lachen.
Het verleden is onherroepelijk.

2 Comments

  1. Genoten!

  2. Zo herkenbaar, zo derps.

Comments are closed.