Olof Baltus – De Duinroos (21): De dood op Paaseiland

Op 31 oktober 2004 lag de “Abel Tasman“, een schoener, 23 meter lang en voorzien van drie, in lengte verschillende, masten voor anker achter de levensgevaarlijke branding vóór het vaste land van Paaseiland.
Aan boord waren drie mensen, schipper Homma, diens vriendin Gerda en mijn persoon.
Het ging op het Beagle kanaal en de stad Ushuaia aan, waar wij rond de 20ste december zouden arriveren. Paaseiland was onze laatste stop en foerage mogelijkheid tot Kaap Hoorn.
Ik was aan boord gekomen in Papeete, Tahaïti, waar ik via Londen en Los Angeles was heen gevlogen.
Op de vluchthaven van Papeete had ik een schelpenketting omgehangen gekregen en toen begon de reis. Eerst een uitstapje naar het eiland Moorea, waar Paul Gauguin nog heeft rondgelopen en geschilderd, waar hij en passant ook nog de geslachtsziekte syfilis heeft geïntroduceerd.
Tja, met Bredero zeg ik: het kan verkeren.
Vervolgens hadden wij nog de vulkanische ring van Les îles  Gambier aangedaan, waar ik, mocht ik onverhoopt oud en rijk genoeg worden, het liefst mijn laatste dagen zou willen slijten.
’s Nachts een fosforescerende zee, vliegende vissen, die op het dek neer kletterden en die smaakten als groene haring, ‘s morgens de mooiste zonsopkomst aller tijden.
Op deze eilanden zijn ooit de opnames gemaakt voor de film “Muiterij op de Bounty”. En terecht.
Ik herinner mij ook de potvis met jong, die plotseling naast onze boot opdoken om ons een tijdje aan de buitenkant te escorteren. Memories are made of this.

Op de eerste november, Allerheiligen voor de R.K. kerk, zou ik jarig zijn.
Je kon het je in de subtropische sfeer van Paaseiland nauwelijks voorstellen, hoe de weersomstandigheden normaal gesproken zijn gedurende deze tijd van het jaar in Nederland.
Later begrepen wij, dat men daar in Holland allerminst mee bezig was. Via de moderne communicatiemiddelen vernamen wij, dat Theo van Gogh vermoord was en de oud-wereldkampioen wielrennen Gerrie Knetemann ook dood door een hart verkettering op het Mountainbike traject in de duinen van Schoorl.

Dat alles geschiedde, terwijl wij door het tijdsverschil tussen Amsterdam en Paaseiland nog bezig waren met het vieren van mijn verjaardag. Thuis waren ze al een dagje verder.
In de werkelijkheid van de tijdmachine Paaseiland was het op de vooravond van mijn verjaardag nog maar pas 31 oktober.

Ik zocht die avond niet al te laat mijn hut op. Vanwege mijn verjaardag, de volgende dag, had de schipper mij vrijgesteld van de Wacht.
Die nacht droomde ik een chaotische en panische droom.
Mijn moeder, die steeds meer leed onder haar dementie en van wie ik, toen ik uit Holland vertrok, al afscheid had genomen voor altijd (want zo zou het best kunnen zijn) stond plotseling op de gestolde lava van Paaseiland aan de andere kant van de branding.
Zij riep mij iets toe, maar ik kon haar door het luide gebulder van de zee niet verstaan.
Ik boog mij over de reling, maar nog steeds hoorde ik door het huilen van de wind heen alleen maar een heel dun stemgeluid. Nog verder hing ik overboord en toen kletterde ik te water. Een octopus klemde zich om mijn benen en trok mij naar de bodem, sleurde mij een soort grot in, die van binnen verlicht bleek te zijn en waarin zich alleen maar jonge mannen bevonden, die er stuk voor stuk uitzagen als koningen. Zij zaten aan een ongelooflijk lange tafel aan het einde waarvan ik tot mijn onbeschrijfelijke verbazing opeens mijn moeder zag zitten. Nee, het was mijn moeder niet: het was een skelet, dat wel mijn moeders kleren droeg, maar dat op de plek, waar bij mijn moeder haar wipneus was, twee zwarte gaten te zien gaf.
Het skelet sprak:
“Mijn jongen, ik ben dood. Nu moet ik op al deze kinderen passen. Allemaal zijn zij voor één jaar koning geweest. Allemaal bereikten zij op de jaarlijkse wedstrijd, die bepaalde wie het komende jaar op Paaseiland de uitverkorene der Goden was en die daarom een jaar lang de koning zou zijn, de eerste prijs:
alleenheerser worden over Paaseiland. De man, die alles kon en mocht doen, wat hem in zijn kraam te pas kwam. Niets of niemand mocht hem in de weg staan: aan vrouwen, goederen en vee een overvloed.
Maar na dat ene jaar moesten deze vorsten stuk voor stuk onherroepelijk sterven.
Sommigen vluchtten of probeerden dat, eer het zover kwam, dat het afgelopen zou zijn. Zij konden niet anders, dan de zee op, maar al die één jaar- koningen verdronken, stierven van de dorst of verhongerden en werden door de achterblijvers op het eiland als lafaards en verraders gezien.
De Blijvers werden volgens de heersende riten gedood en gecremeerd. Hen was een hemel beloofd, waarin zij het leventje, dat zij het laatste jaar op aarde al hadden geleefd, tot in eeuwigheid zouden kunnen voortzetten.
Maar ooit is er één jonge man ontkomen en verder op de ruwe zee niet verhongerd, van dorst omgekomen of verdronken.
Ze hebben mij verteld, dat de geest van die persoon door toeval is verhuisd in jou.
Al die vermoorde of verdronken jongemannen hier, links en rechts van mij, eisen jou nu op, omdat zij via jouw dood denken genoegdoening te krijgen.”

Ik schrok wakker.
Tranen liepen over mijn wangen: morgen zou mijn jaar op zijn.
Ik zat rechtop op mijn matras.
Ik huilde niet meer, ik snikte enkel nog wat na en besloot wat water te gaan drinken.
Ik knipte een lichtje aan en zag plotseling, dat Gerda en Jack in het kombuis slingers hadden opgehangen. Daarom hadden zij mij natuurlijk vrijgesteld van de Wacht. Lief bedoeld.
En op een stuk karton hadden ze in sierlijke letters geschreven: HIEP HIEP HOERA VOOR OLOF.
Ik liep naar de kraan en dronk een glas water: nu wist ik, dat niet ik dood ging, maar dat in plaats daarvan mijn moeder was gestorven in de verre Prins Hendrik Stichting te Egmond aan Zee.

Moeder

In een tragische loodlijn hangt boven de daadkracht
Het vlijmscherpe wapen van het negeren

MAAR…

Nu zullen komen in haar morfinedroom mogelijk
de Bleek de witte lakens van de Bleek
die aan geschiedenis en tranend oog onttrekken
het gruwelijk Galgenveld
het gruwelijk Galgenveld

Zij zal zien een kar bloeiende bloemen voort schuiven richting Zeeweg
en pas op de driesprong valt het muntje
zij wachtte de man die onze vader wezen zou en die in de hemel is
en intussen draagt al die tussenliggende tijd de dood een vriendelijke mondkap

Soms valt er water
Wij noemen het gemeenzaam de regen
soms ook huivert de aardhuid
wij noemen het een beving
soms echter scheurt in een verre tempel het voorhang
dan is de Christus opnieuw overleden en
niemand hoeft te zwijgen.

1 Trackback / Pingback

  1. Olof Baltus – De Duinroos (33): Smal scheepje… | Rob Scholte Museum

Comments are closed.