Olof Baltus – De Duinroos (18): Het brood van de Broeder

Het mocht geen verrassing heten, dat op zo’n dag als deze de opmerking, “Helemaal geen toveren. Het komt in een kussensloop en ik lust het brood van de Broeder niet,” vader deed ontsteken in een tomeloze woede.
Ik rende de Kerkstraat in, maar vader gaf de achtervolging pas op, toen hij in de verte Arie de krantenman ontwaarde. Arie had vader al eens eerder betrapt, terwijl hij zijn nageslacht achtervolgde.
“Zo Baltus,” had de krantenman geroepen, “je bent er weer vroeg bij.”
Dat was heel pijnlijk geweest voor iemand in zaken. Temeer daar Arie ook lid was van de biljartvereniging, waarvan vader zich tot voorzitter had laten bombarderen. Natuurlijk zou zelfs de man met het laagste moyenne niet schromen Arie de krantenman opnieuw onder algemene bijval te citeren, zeker tijdens de nazit als er wat drank aan te pas kwam.
Alleen al bij die gedachte trok er een rilling over vaders’ rug. Na die eerste keer had hij zich drie weken laten excuseren voor zijn afwezigheid. Onder het mom van een Bijscholingscursus.
Maar toen hij weer heen ging, bleek dat Arie zijn opmerking een eigen leven was gaan leiden.
Daarom, voorzichtigheid nu!
Wacht maar, zal hij wel net als in het geval van de huilende Blekkie en de uit elkaar spattende binnenpotjes gedacht hebben, mijn tijd komt nog.
Maar ik liep onder de volle kastanjes in de Kerkstraat, de sprint vertragend tot een sukkeldraf. De onvermijdelijke bestraffing zo lang mogelijk uitstellend.
Wie weet zou vader tot inzicht komen en er niet meer zo zwaar aan tillen.
Wie weet. Al wist ik wel beter.
Maar de krantenman sprak mij aan.
Met het Nieuws van de Dag onder de oksel geklemd stond hij mij op te wachten.
Het Nieuws van de Dag zijn beroep, de dorpsroddel zijn roeping.
“Wat was dat met je vader,” vroeg hij met zijn onnozele hoofd, “gingen jullie een stukje om het hardst.”
Ik antwoordde niet. Arie bekeek het maar.
Doch toen haalde Arie de Krantenman uit één van zijn broekzakken een onwaarschijnlijk blinkend muntstuk tevoorschijn en voor die ene zilverling werd ik bereid gevonden tot verraad.
Wat zou het, sprak het duiveltje in mij, op je falie krijg je toch.
En zo’n grote munt, wat zou ik er niet allemaal voor kunnen kopen.
“Eerst het geld,” zei ik.
“Een aardje naar zijn vaartje,” grijnsde de Krantenman, maar na een lichte aarzeling gaf hij toe. En ik ging mij te buiten, niet alleen over de achtervolging, maar ook over het brood, dat de Broeder op maandag ‘s avonds laat aan huis kwam bezorgen in een kussensloop.
“Tsjonge, tsjonge” sprak Arie zo nu en dan.
Of “Zo, zo . Erger moet het niet worden. En zit je moeder er dan ook bij als die Broeder er is.”
“Ja hoor, die staat dan gewoon iets te strijken, of zij is sokken aan het stoppen of zo.”
“En je vader, gaat die dan soms een rondje om. Hij heeft mij wel eens verteld, dat hij een pesthekel heeft aan De Haas.”
“Nee, die zal dan wel zitten boekhouden,” antwoordde ik, maar terwijl ik die woorden uitsprak werden mijn ogen als door een magneet naar De Duinroos getrokken. Daar was vader net bezig het zonnescherm neer te laten.
Het zou een warme dag worden en vader deed net, of hij ons niet zag.
Haastig nam ik afscheid van Arie de Krantenman. Met de gulden in de handpalm geklemd holde ik richting Varkesteertje om het een of ander te kopen.

Ik kocht drop, zoethout, wit op zwart, maar het allerbelangrijkste de droom van mijn kinderjaren, een mondharmonika.

1 Comment

  1. heleen van der leest 16 oktober 2016 at 10:52

    Wat een leuke jeugdherinnering.

Comments are closed.