Nora – Tegenprestatie

Mijn chef loopt al de hele week zenuwachtig om me heen te drentelen. Hij moet over een paar weken een belangrijke presentatie houden over de implicaties van computertechnologie op communicatiestrategieën. Schiet het al op met de presentatie, Nora? vraagt hij ‘s ochtends als hij binnenkomt.
Begin je nu al te zaniken, denk ik.
Het vordert gestaag, meld ik hem.
En ‘s middags, tussen twee vergaderingen door: heb je de presentatie al af, Nora?
Nora, hij kan het zo nadrukkelijk zeggen. Het is natuurlijk pure tactiek van
hem.
Hij wil het baasje spelen.
Ik laat hem in de illusie dat hij de baas is.
Ik begrijp niet dat hij zo nerveus is. Als er iemand is die nerveus zou moeten zijn, ben ik het wel. Ik heb namelijk de opdracht gekregen de presentatie in elkaar te flansen. Mijn chef hoeft alleen maar acte de présence te geven met zijn witte boord en op een knopje te drukken om de dia’s te vertonen.
Dan kan hij mooi weer spelen met het product dat ik heb vervaardigd.

Ik laat mijn baas flink zweten. Hij zijn tactiek, ik mijn tactiek.
Twee dagen voordat chef de presentatie gaat houden, reik ik hem het pakketje aan.
Alsjeblieft! Ik heb mijn best gedaan, geef ik aan.
Alsof hij zelf niet heeft kunnen waarnemen hoezeer ik met bloed, zweet en tranen de woorden, de plaatjes en de kleurtjes op elkaar heb zitten afstemmen.
Hij reageert opgetogen dat het af is en zegt het nog even na te zullen kijken.

Een uur later kwakt hij het pakket weer terug op mijn bureau.
Hij kijkt ontevreden.
Ik heb er een heleboel aan moeten veranderen, Nora, roept hij verontwaardigd uit.
Het is jouw presentatie! kaats ik terug.
Kun je nog wel op tijd de wijzigingen verwerken?
Dat valt te bezien, zeg ik. Wat mankeert er trouwens aan?
Ik wil het veel concreter. Hij pakt een van de hand-outs en wappert er mee voor mijn gezicht.
Dit bijvoorbeeld. Hier heb ik het een en ander bijgeschreven.
Luister eens chef, breng ik te berde, dat zijn veel te veel woorden. Je moet met kernwoorden werken. Verhalen vertel je, die zet je niet op een presentatiedia.
Maar het is mijn presentatie! merkt chef op, met de nadruk op mijn.
Dat zeg ik net, eikel, mompel ik.
Wat? Wat is dat? vraagt hij.
Laat maar, zeg ik. Ik verander het wel.
En dan gelijk in 50-voud, draagt hij me op, want ik wil het daar ook nog uitdelen. Oeioei, ik zal blij zijn als het weer voorbij is.
Anders ik wel, verzucht ik.

Op de dag na de presentatie komt chef goedgeluimd binnenzeilen.
Het was in een woord fantastisch! roept hij verheugd.
Het liep als een tierelier en de mensen waren lyrisch over jouw dia’s, Nora!
Nou, dan heb ik ook nog eens eer van mijn werk.
Ja, denk ik, maar jij bent ermee gaan strijken.
Zo gaat het altijd. Het zijn de mensen op de achtergrond die het belangrijke werk doen. En de klappen krijgen.
De hotemetoten nemen de complimenten in ontvangst.
Nora! zegt chef. Om mijn grote dankbaarheid te tonen voor het vele werk dat je gedaan hebt, nodig ik je hierbij uit met mij te gaan eten.
Tussen de middag? vraag ik.
Nee, ik bedoel: jij gaat met mij dineren.
Oh, ga ik dat? vraag ik quasi argeloos.

Twee dagen later laat ik me overhalen. Nooit gelijk ja zeggen.
Chef troont me mee naar een exclusief restaurant, het restaurant van Joop Braakhekke.
In de spiegel zie ik Mary Dresselhuis en de beenloze kunstenaar Rob Scholte met elkaar zoenen.
Van Rob kan ik mij dit voorstellen. Maar van Mary?
Die moet toch wel iets completers kunnen krijgen dan een half ei.
Zeg, stel ik chef voor, mag ik aan jouw kant komen zitten?
Hoezo? vraagt hij met een verwonderde blik in zijn ogen.
Omdat het tafereel dat zich nu voor mijn ogen ontrolt niet in overeenstemming is met mijn ethische normen.
Toe maar, grijnst hij. Hij kijkt nieuwsgierig achterom. Maar dat zijn….!
Juist, prijs ik hem. Chef maakt vaak de indruk dat hij nauwelijks iets afweet van Hollandse beroemdheden. Hij beweert nooit televisie te kijken.
Maar hij heeft ze herkend, deze bekende Nederlanders die hier sans gêne zitten te foezelen.
Hoe zou dat nou gaan als zo’n man naar het toilet moet, vraag ik me hardop af als we gewisseld hebben.
Een heupzwaai vanuit de rolstoel, bam! zo de toiletpot op? oppert chef.
We lachen.
Dan zien we Joop Braakhekke aankomen die een klein gezelschap van vier mensen naast ons neerzet. Ik gris mijn handtasje van de rode bank om plaats te bieden aan een heer. Ik schuif schielijk een beetje weg. Ik wil zo ver mogelijk van die mensen vandaan zitten.
Braakhekke kijkt arrogant uit zijn ogen.
Ik vind dit restaurant trouwens helemaal niks. Het decor – spiegels, veel rood – komt onrustig op me over. En ik word er ook onrustig van. Het eten is matig. Ik heb in restaurants gezeten waar de gerechten smakelijker waren.

Wil je nog een afzakkertje bij mij thuis? vraagt chef als we weer buiten staan.
Haha die chef, leuk geprobeerd jongen.
Ik moet maar weer eens naar huis, zeg ik. Je wilt mij morgenochtend om acht uur toch zeker weer fris achter mijn bureau zien zitten?
Nou, stelt hij voor, als je een borrel meedrinkt, dan mag je best een uurtje later komen hoor.
Het lijkt mij verstandig dat ik dat niet doe, werp ik tegen.
Ik bedank hem voor het etentje, al vond ik er dan ook niks aan.
Altijd de beleefdheidsvormen in acht blijven nemen.
Voor de deur van het restaurant neem ik afscheid van chef.
Achter mij staan twee mannen van middelbare leeftijd hun best te doen een jonge vrouw te versieren.
Rob Scholte komt naar buiten gerold in zijn rolstoel.
Zonder Mary Dresselhuis.

https://groups.google.com/forum/#!topic/nl.eeuwig.september/2aTC1UzxWxg