Nicolaas Wijnberg – Een Amsterdamse steendrukker (fragment)

‘s Avonds, zijn moeder had maar niets gezegd aan zijn vader, er waren al genoeg zorgen, nietwaar, vroeg mijn Opa Frits: ‘Wat zit je toch allemaal op te schrijven, jongen?’ en toen kwam er van stukje tot beetje uit dat mijn vader 3 maal het evangelie van Mattheüs uit de Heilge schrift moest overschrijven. Als strafregels. ‘Wáááááttt?’ vroeg Opa Frits. ‘Wat krijgen we nou, hou daar meteen mee op!’ En zo is dat toen geregeld. Enfin boekbinder is hij toch niet geworden, hij heeft er maar korte tijd gewerkt. Dat zou later, vlak na de oorlog, in 1918 tóch nog van pas komen: mijn vader en moeder kwamen geheel onverwachts terecht in het ‘Aardappeloproer’, in de gevaarlijke dagen van Troelstra (de Rrrevolutie stond ommers op uitbreken, de Koningin zou worden weggejaagd). Tijdens een wandeling bij de Dam kwamen ze in een gevaarlijke situatie, doordat de te hulp geroepen infanterie uit Brabant en Limburg op het Rokin met scherp begon te schieten. Mijn vader pakte resoluut de kinderwagen met schrijver dezes erin op en rende pijlsnel bij Blikman & Sartorius, waar ze vele, vele jaren later niet wilden geloven dat de prenten van Tirade die ik hun liet zien, op hun Rotaprint R 30 gedrukt waren. Dat kan immers helemaal niet! Nee, ik moest ze niet in de maling nemen! Maar mijn vader vond het niet fijn in die boekbinderij en omdat toen de ‘aanstaande’ van zijn zuster Anna zei dat die jongen véél beter in de steendrukkerij kon gaan werken (hij kon het weten, want hij stond al achter een grote snelpers), is mijn vader steendrukker geworden. Nou, daar heeft hij nooit spijt van gehad want hij heeft zijn hele leven van dat vak gehouden en met intens plezier zijn werk gedaan.
Hij kwam als jongen achter de pers bij de legendarische steendrukker Ouwe Ko van der Werf, een prima vakman, die af en toe nog in zijn etspot piste, dát gaf pas een echte mooie ets vond-ie! Ome Ko wijdde hem in in de kunst van het uitwassen onder de dunne gom, en het nát-uitwassen, het wonder van de tinctuur en ontelbare andere kunst-handgrepen. Via de beroemde blikdrukkerij in Krommenie, alwaar hij de hele week met de pest in als ‘commensaal’ moest wonen, hij moest immers al om half 7 achter de pers staan, en waar hij nog een speciale techniek voor iets onduidelijks uitvond – later kon hij maar niet begrijpen wat de mensen van nu toch in die blikken, dozen en trommels met opgedrukt chromo-lithodecor zien , die schitterende Van Melle’s trommels, Verkadeblikken, Verpleegstercacao etc., etc., die had hij vroeger nog staan drukken, dat was toch héél ouderwets en dat kon toch godsonmogelijk zo duur zijn – via die blikfabriek kwam hij in de oorlog 1914-1918 terecht bij drukkerij Belderbosch & Coessel te Amsterdam, een grote drukkerij in de Oosterparkstraat op de hoek van wat nu Wibautstraat heet en waar toen de treinen reden naar en van het Weesperpoortstation, naast die grote bierbrouwerij die daar toen óók was. Hij moest daar o.a. de proefdrukken maken voor de politieke prent die elke week in De Nieuwe Amsterdammer, bijgenaamd De Mosgroene van Henri Wiessing, de voorloper van de latere Groene Amsterdammer, werd bijgesloten als een losse bijdrage van artistiek politieke aard. De prenten werden direct op de steen getekend door hoofdzakelijk drie kunstenaars die elkaar afwisselden. Dat waren Jan Sluijters, Piet van der Hem en Willy Sluijter, alle drie hele knappe, habiele tekenaars, waarvan Jan Sluijters wel verreweg het grootste talent had. Zijn prenten zijn het krachtigste en het meest dramatische, bovendien de minst illustratieve, maar alle drie konden ze economische wonderen verrichten, want die prenten werden om zakelijke redenen slechts in twee kleuren gedrukt, maar deze mannen kenden hun vak en wisten er alles uit te halen! Met schitterende doortekende krijtstenen, of met prachtige penseeltekeningen en hele gespritste partijen, heel raak gekleurde politieke karikaturen, behoort de serie tot het beste aan politieke prenten uit het begin van de eeuw in Nederland. Enigzins op de manier van de Duitse Simplizissimus, maar minder venijnig en vooral schilderachtiger in de opvatting, misschien daardoor wel veel Hollandser.
Het was altijd werk met grote spanning want de eerste steen was meestal thuis in het atelier getekend, maar de twee kleur moest er op de drukkerij bijgetekend worden. De artiesten moesten dus wachten tot de tweede steen klaargemaakt was met een duidelijke klatsch, voordat ze aan het werk konden gaan, nadat ze een proefdruk hadden gezien.
Mijn vader was altijd het meest te spreken over Piet van der Hem, dat vond-ie een aardige man, die had altijd wel een lekker verhaal bij de hand en leefde méé met het werk. Willy Sluiter was geloof ik een echte ‘Hagenees” en Jan Sluijters was een flinke “zenuwelijer’, die was altijd nerveus en humeurig, en bleef dan ook nooit bij de pers wachten, die ging dan zenuwachtig rondjes rijden op zijn racefiets voor de deur en moest altijd geroepen worden. De drukkers liet hem wel eens extra lang wachten en gingen dan allemaal voor de ramen staan kijken naar de steeds sneller rondjes draaiende artiest: ‘Kijk, daar rijdt-ie!’ Totdat ‘t echt te gek werd. Dat rondjes rijden op de racefiets door Jan Sluijters, daar wist mijn moeder óók van te vertellen, want dat kende ze van het Spui en de Kalverstraat, waar ze bij Pander werkte als behangers-naaister: gordijnen, luxe draperieën, embrassen en chique kussens en waar deze schilder vaak op jacht was naar nieuwe modellen uit de verschillende naai-ateliers in de binnenstad. Als-ie een meisje of een vrouw gezien had die hem wel beviel, begon hij eerst rondjes te draaien om haar heen, steeds kleiner totdat hij haar aansprak. ‘t Leek wel zo’n roofvogel’, zei ze. Zo zie je maar weer dat talent en ‘aardigheid’ niet met elkaar van doen hebben. ‘Ja, die Van der Hem, dát was een aardige man, dat was ook de enige die altijd stiekem een paar fijne sigaren in het laadje van de drukker legde’.
Hoe dan ook, die drie mannen hebben toch maar enkele jaren gezorgd voor een schitterende seie originelen grafiek! Mijn vader had de hele serie compleet met een stel héél mooie proefdrukken zonder tekst, die werd er later pas opgezet met een z.g. ‘overdruk’, op grote vellen chamois-kleurig Banzai-papier. Helaas is op een drietal proeven na, bijna de hele verzameling verloren gegaan in de paniek van de meidagen in 1940. De buurt waarin wij woonden, oud ‘Nieuw-Zuid’ langs de Amstel en Jozef Israëlskade, werd hoofdzakelijk bewoond door socialistische en communistische arbeiders, mensen die wél, meer dan andere groepen, op de hoogte waren van wat ons te wachten stond als de Duitse Heilslegers je land kwamen ‘bevrijden’, deze buurt werd na de Duitse inval door een vreselijke paniek bevangen en enkele dagen later leek ‘t wel of ‘t plotseling in mei was gaan sneeuwen en vriezen en of een wonderbaarlijke laag ijs de Amstel en vooral de Josef Israëlskade bedekte. Het water was letterlijk geheel onzichtbaar onder een dikke witte laag haastig weggeworpen socialistische en communistische dagbladen, tijdschriften, propagandaliteratuur, boeken, foto’s, affiches, pamfletten, en alles wat de Duitsers maar aanstootgevend zouden kunnen vinden, werd voor de veiligheid maar vast verwijderd! Bij ons thuis brandde de kachel zó hoog, alsmaar gevuld met papier, dat de dikke laag fijne witte as, die van onderen uit de mooie met geëmailleerde Jugendstilfiguren versierde vulkachel liep, witte bergen op de vloer maakte, dat hij tenslotte helemaal niet meer wou branden. In deze afschuwelijke paniek, achteraf ook onnodig, gingen helaas de zéér anti-Duitse, complete jaargangen van De Notenkraker en haast alle prenten van De Mosgroene verloren. Het moest hem héél wat gekost hebben deze hem zo dierbare dingen te moeten verbranden! Gelukkig heb ik de collectie later weer in huis gekregen, geruild met die goede kunsthandelaar Wijngaard uit Groningen, en heeft mijn vader ze nog verschillende keren met veel herkennende instemming bekeken.

Uit:
Nicolaas Wijnberg – De twee hoeden: De hoed van Cézanne, Van de hoed en de rand, Onbruikbare herinneringen van een Amsterdamse schilder, Memori Inutile, 2 vols., Uitgeverij Van Spijk, Venlo-Antwerpen, 1997
Van de hoed en de rand, blz. 14 t/m 18

http://nicolaaswijnberg.nl/