Mischa Cohen – Zwagermans bibliotheek: ‘De harde schijf van Joost was overvol’

In de verweesde bibliotheek van Joost Zwagerman organiseerde zijn vriendin een bijeenkomst voor de vrienden. Ze mochten meenemen wat ze wilden. Pieter Boskma: ‘Ik heb me de laatste maanden vaak afgevraagd: hoe goed heb ik je nu eigenlijk gekend? En hoe goed heb je jezelf gekend?’

Met de Maximalen stormde hij luidruchtig de Nederlandse poëzie binnen. In zijn laatste essaybundel – met een motto van Gerrit Kouwenaar – ging het juist over het minimale, het wit, de stilte, het niets. Na zo’n dertig jaar is dit de eerste Boekenweek zonder de romanschrijver, essayist, dichter en tv-persoonlijkheid die op 8 september 2015 op zijn 51ste een eind aan zijn leven maakte. ­Familie en vrienden namen afscheid tijdens een plechtigheid in De Duif, bij zijn begrafenis in Bergen, met een literair eerbetoon in Felix Meritis en bij de tentoonstelling Silence out loud.

Het leegruimen van zijn boekenkasten bood twee weken geleden nog eenmaal de gelegenheid om Joost Zwagerman te herdenken. Vrienden kwamen bij elkaar in zijn verlaten huis, omringd door de boeken waartussen hij zich, in de woorden van zijn vriendin Maaike Pereboom, altijd zo geborgen had gevoeld.

Wat kun je in de bibliotheek van een schrijver terugvinden over zijn werk en zijn leven? En wat moeten de nabestaanden met al die boeken? De verzameling van de dichter Lucebert werd uitputtend geïnventariseerd, het restant in keurig samengebonden stapeltjes verkocht op een avond in de Amsterdamse boekhandel Perdu. De werkkamer van Mulisch is straks openbaar toegankelijk. De bibliotheek van Komrij werd deels geveild, net als veel van de honderdduizend boeken van Boudewijn Büch.

Maaike Pereboom organiseerde de bijeenkomst tussen de boekenkasten van Joost Zwagerman samen met diens jarenlange vriendinnen, schrijfster Jessica Durlacher en uitgevers Elik Lettinga en Yvonne Twisk. ‘Voor mij heeft de verzameling nu nog veel waarde omdat het bij elkaar staat en van Joost is,’ zei ze bij de ontvangst in het Haarlemse huis van de schrijver. ‘Dat gevoel wil ik delen met zijn vrienden.’

De schilderijen van bevriende kunstenaars stonden her en der tegen de wanden van het onttakelde huis. Bevriende collega-schrijvers, kunstenaars, (ex-)redacteuren, uitgevers en anderen die van hem hielden, zochten liefdevol zijn boeken uit. Alles mocht weg, behalve boeken met opdrachten en zijn eigen romans, gedichtenbundels, essays en bloemlezingen, die bestemd zijn voor het Letterkundig Museum.

De vrienden van Joost hadden er tegenop gezien. Rob Schouten: ‘Ik dacht vanochtend: ik doe het niet. Zo’n onttakelende bibliotheek versterkt alleen het gemis, vreesde ik. Maar het is juist goed, je ziet waar hij het allemaal vandaan haalde. We bevinden ons in een hoogstpersoonlijke databank, in het literaire geheugen van Joost.’ En Atte Jongstra: ‘Ik weet nu al: mocht ik ertussenuit piepen, dan doe ik het precies zo met mijn eigen boeken.’

Aangekondigd

Uitgever Elik Lettinga, dichter Pieter Boskma en beeldend kunstenaar Harald Vlugt waren er ook bij in Haarlem. Voorafgaand aan de bijeenkomst spraken ze met Vrij Nederland over hun vriend, zijn dood en zijn nalatenschap. Boskma, gedistingeerd grijs inmiddels en op zijn zestigste naar eigen zeggen ‘eindelijk geen jonge dichter meer’, draagt desondanks een hip overhemd, ontworpen door zijn vriendin Anne de Grijff. Zij verwachten binnenkort hun eerste kind, zegt Boskma. ‘Gelukkig heb ik net een bundel af, anders sluipt dat babygedoe er on­bewust toch in.’ Harald Vlugt sjouwt met een grote plastic zak boeken die hij samen met Zwagerman maakte. En Elik Lettinga, net terug van het verjaarsfeestje van Nijgh & Van Ditmar-­auteur Arnon Grunberg in Davos, heeft een stapel mails van haar vriend Joost uitgedraaid waarin ze af en toe bladert op zoek naar een ­citaat. ‘Ik heb een slecht geheugen voor anekdotes, maar juist een onuitwisbaar sterk beeld van de levende Joost.’

Kort voor zijn dood schreef Zwagerman de gedichtenbundel ‘Wakend over God’, waarin de dood nooit ver weg is: ‘mij wacht de grootste eindeloosheid’ in ‘een dichtgetimmerd graf’. In de essaybundel ‘De stilte van het licht’ gaat het over het verlangen om afwezig te zijn. Zijn archief had hij begin vorig jaar weggeschonken aan het Letterkundig Museum. Hoe aangekondigd was zijn dood?

Pieter Boskma, met Zwagerman bevriend sinds 1984 en samen met hem een van de aanstichters van de dichtersgroep de Maximalen: ‘We hebben als vrienden een collectief schuldgevoel. Twee weken voor zijn dood kreeg ik een mailtje en daarin stond dat ene zinnetje: “Deze keer komt het niet meer goed.” Het ging wel vaker slecht en daar wende je aan: een hoop drama, maar zo was Joost nu eenmaal. Maar van dat zinnetje schrok ik, ik belde hem meteen en hij klonk matter en bedeesder dan ik hem kende. Misschien dat hij toen al de beslissing had genomen, mogelijk was het de medicatie. Rationeel kun je dit nooit begrijpen, de rationele argumenten om zoiets níét te doen zijn zo overweldigend veel sterker, al was het alleen maar vanwege zijn kinderen.’

Elik Lettinga, redacteur van verschillende ­romans van Zwagerman, mede-executeur testamentair, met hem bevriend sinds 1994: ‘De laatste vier à vijf jaar waren er vaker momenten dat het heel slecht ging. Dan belde Joost eerst Jessica Durlacher, al heel lang zijn beste vriendin. En Jessica belde mij weer, en ik Joost, die me geruststelde. We hebben veel gedaan om hem te helpen, veel gepraat, de beste psycholoog erbij gehaald – in die zin voel ik me niet schuldig. Toch zag ik zijn dood niet aankomen, het paste niet bij het gevoel dat ik altijd bij hem heb gehad en ik kon het me gewoon niet voorstellen. Ik ben niet kwaad op hem, wel op de literatuur, vanwege de loodzware opdrachten die hij zichzelf gaf en de onzekerheid die dat met zich meebracht. Iedereen wordt tot op zekere hoogte uitgehold door zijn werk, maar voor Joost gold dat in extreme mate.’

Harald Vlugt, met Zwagerman bevriend sinds 1982, via kunstcentrum Aorta in het gekraakte Handelsblad-gebouw: ‘Sommige mensen zijn chronisch zwaar op de hand, Joost niet. Er waren momenten van wanhoop, maar hij wist die hobbel steeds te nemen. Meestal was hij net als ikzelf een manisch optimist vol gein, hij had makkelijk een stand-upcomedian-avond kunnen vullen. Wakend over God lees ik als zijn afscheidsbrief.’

Pieter Boskma: ‘Er staan zeker regels in waarin je een doodswens kunt lezen.’

Elik Lettinga: ‘Maar het kan net zo goed een poging tot bezweren zijn geweest.’

Pieter Boskma: ‘Het concept van Wakend over God was duidelijk, de bundel moest lijken op Roeshoofd hemelt, de gedichten die hij tien jaar daarvoor had geschreven. Maar het is niet af. Ongestructureerde, vormeloze gedichten tussen exemplaren die opvallend strak in het pak zitten. Ik heb er op verzoek van de uitgever wat foutjes uitgehaald, maar veranderen kon ik niets. Ik kan niet in iemands werk prutsen zonder dat ik weet of hij het goed vindt.’

Elik Lettinga: ‘We zullen nooit weten of ­Wakend over God bij leven zo zou zijn gepubliceerd. De bundel verkoopt wel goed, al meer dan zeventienduizend exemplaren.’

Harald Vlugt: ‘Pieter Bijwaard en ik maken allebei een ontwerp voor het graf. In mijn ontwerp staat het gedicht “Lief” uit die bundel als een hek om zijn graf, uitgelaserd in aluminium. “Het eindigt met de zin “Misschien heeft God / Zich in mijn dood vergist”.’

Zijn vriend Rogi Wieg stierf kort nadat Zwagerman ‘Wakend over God’ had voltooid. Zwagerman citeerde Wiegs uitspraak ‘de zelfmoordenaar wil niet dood; hij wil een ander leven.’ En in ‘Door eigen hand’ schreef hij: ‘Depressieve mensen willen misschien wel dood zijn, maar niet dood gaan.’ Hoe zwaar was de dood van Rogi voor hem?

Pieter Boskma: ‘Het is opvallend dat hij zo kort na de euthanasie van Rogi, op 15 juli ­vorig jaar, zelfmoord heeft gepleegd. Rogi’s dood is hard aangekomen, Joost ging helemaal door het lint uit woede over die euthanasie. Ik denk dat Joost zelf het gevoel had dat hij Rogi lange tijd behoed had voor de dood. Dat was een houvast; zolang Rogi er nog was, kon hij het zelf volhouden.’

In ‘Bekentenissen van de pseudomaan’ dichtte hij in ‘Zeven Joosten’: ‘Alles wat ze zeggen over mij is altijd waar / en samen zijn we alle zeven niemandsland.’ Hoe leerden jullie Joost kennen?

Elik Lettinga: ‘De eerste keer dat ik hem ontmoette was bij Oblomov, schuin onder een loopbrug in de Reguliersdwarsstraat waar toen de eerste Wastelandparty plaatsvond. Ik was net begonnen bij de Arbeiderspers, ik kwam daar met mijn zusje terecht en zag hem voor het eerst. Pas toen ik een bril opzette, zag ik dat er op die loopbrug een orgie aan de gang was. Joost leidde geen wild leven, maar was gefascineerd door de zelfkant en hij wilde per se die brug op, om erover te kunnen schrijven. We werden geweigerd want we hadden geen rubberen pakjes aan.’

Pieter Boskma: ‘In het verzet tegen de stille, hermetische poëzie van begin jaren tachtig vond ik in Joost een medestander. Ik zag hem voor het eerst in het propvolle keldertje van boekhandel De Verloren Tijd in de Gerard Doustraat. Het was een avond over tijdschriften; Rogi Wieg en Jan Kostwinder, allebei dood, hadden het blaadje Adem. Mijn vriend Paul van der Steen, ook dood, en ik hadden het blaadje Virus. Toen kwam Joost binnen, nog geen twintig, een studentje nog, maar hij was toch al ronkend aanwezig. Een beetje een stekelige ontmoeting en juist daardoor klikte het, we waren aan elkaar gewaagd. Kort daarna ontstond De Held, Joost trad toe tot de redactie en wij doopten onszelf de Maximalen. We hoorden bij de nieuwe generatie in de kunsten. Martin Bril en Dirk van Weelden. Peter Giele en de RoXY. The Living Room, Rob Scholte. Peter Klashorst. Theo van Gogh. Rogi Wieg.’

Elik Lettinga: ‘Als redacteur ben je voorzichtig met de term vriendschap, een auteur moet ook bij je weg kunnen als hij dat wil. Maar toen het echt niet goed met hem ging, heb ik gelukkig wel tegen hem gezegd hoe het echt zat tussen ons: je weet toch hoeveel er van je gehouden wordt? Ook door mij? Het maakt me weer verdrietig als ik in onze mails las hoe we vanaf het begin op dezelfde toon met elkaar omgingen, vol enthousiasme en hartstocht en grappen. Ook in zijn werk las ik altijd dat slapstickachtige waar hij zo dol op was, de slapstick van het dagelijks leven.’

Pieter Boskma: ‘Als Joost niet zo intensief contact had gehouden, dan had onze vriendschap zich nooit zo ontwikkeld. Toen mijn eerste vrouw ziek werd en tenslotte stierf, was hij een van de weinigen uit de literatuur die met ijzeren regelmaat contact hield. Maar zijn aandacht was ook versnipperd, hij voerde een intensief mailverkeer met heel veel mensen, duizenden mails per persoon. Daarnaast onderhield hij vetes en voerde hij oorlogen. Hij zei dat hij mij beschouwde als een van zijn beste vrienden en ik zag hem zeker ook als een vriend. Toch heb ik me de laatste maanden vaak afgevraagd: hoe goed heb ik je nu eigenlijk gekend? En hoe goed heb je jezelf gekend?’

Harald Vlugt: ‘Toen we in Bergen in de zeikende regen bij zijn graf stonden, heb ik het over onze vriendschap van 33 jaar gehad. Ik ben me pas na zijn dood de diepte daarvan gaan realiseren, achteraf kun je die optelsom pas maken. Het was gebaseerd op wederzijds vertrouwen en op intensieve samenwerking. Deze stapel boeken die we samen hebben gemaakt, getuigt daarvan. Ons laatste project was Voor en na het meesterwerk, daarin keek hij over de schouder van zijn geliefde Maaike naar negen iconische kunstenaars en kunstwerken. Hij schreef een gedicht en ik reageerde met beeld. Best lastig, het was een soort geblinddoekt hinkstapspringen.’

Bij de opening van de tentoonstelling ‘Schrijver kiest Kunstenaar’ zei hij dat kunst meer voor hem was gaan betekenen nu hij ouder werd. ‘Vroeger las ik een boek en kreeg er zelf ook weer zin in. Nu is het vaker kunst die deze goede zin aanjaagt.’

Harald Vlugt: ‘Als jongen van een jaar of achttien kwam Joost al langs bij Aorta, in het gekraakte Handelsbladgebouw. We schudden de ingeslapen beeldende kunst op zoals Joost en zijn Maximalen dat met de poëzie zouden doen. Joost was veel jonger dan Peter Giele, ­Aldert Mantje en ik, hij kwam als een snotaap binnen, maar was toen al gefascineerd door vernieuwende beeldende kunst. Zijn kunst­essays zijn niet uit de lucht komen vallen, zijn optredens bij DWDD ook niet. Wel een ernstige misser dat ze daar nog geen week na zijn overlijden met een vervanger doorgingen.’

Pieter Boskma: ‘Joost wilde zelf ooit ook kunstenaar worden. Zijn alter ego Walter van Raamsdonk in Gimmick! is een talentvol schilder, net als zijn vriendin Sammie trouwens, die hij modelleerde naar Sandra Derks.’

Harald Vlugt: ‘Hij heeft als jongen ooit één tentoonstelling gehad en ik geloof één enkele tekening verkocht voor tweehonderd gulden, daar deed hij zelf sarcastisch over. Hij zei over zichzelf dat hij juist omdat hij zelf een “absoluut non-talent” had voor het maken van welke beeldende kunst dan ook een grote bewondering had voor kunstenaars.’

Pieter Boskma: ‘De mensen uit de tijd van Gimmick! waren ook bij de herdenking van Joost in De Duif: Rob Scholte, Sandra Derks en zelfs fotograaf Paul Blanca. Alles kwam daar samen.’

Wat is de belangrijkste literaire nalatenschap van Joost Zwagerman? Het essentiële gedicht, essay, boek waardoor hij herinnerd zou moeten worden?

Elik Lettinga: ‘Toen Joost net was overleden, vroeg mijn dochter welk boek van Joost ik zou aanraden voor haar leeslijst. Ik dacht meteen aan Gimmick!. De tegenhanger van dat boek is Zes sterren, waarin hij zijn liefde belijdt voor de brave burger, de ruggengraat van Nederland, de vrouwen van middelbare leeftijd in windjacks en met klapperende fietstassen. Hij beschreef het grappig, maar de bewondering was zeker gemeend. Het gaat in dat boek over opgroeien in provinciestad Alkmaar, de blinkende ramen van de doorzonwoningen, de moeder die haar zoon bijna wegpoetst, heel navrant soms. In dat boek staan ook passages over zelfmoord waarvan ik nu denk: Joost, wat goed gezien en opgeschreven. Maar waarom heb je het desondanks toch gedaan?’

Harald Vlugt: ‘Ik heb Nomade meegenomen, het boek van Bonk Editions dat door Komrij is omschreven als het mooiste Nederlandse ­bibliofiele boek van na na 1945. Hier, acht kilo zwaar, in kalfsleer gebonden, op handgeschept papier. Er hoorde een foedraal omheen en een vitrinekast, in een oplage van honderd exemplaren. Joost heeft het literaire deel gecureerd, met onder anderen Adriaan van Dis en Cees Nooteboom. Pieter Bijwaard en ik deden het kunstgedeelte met kunstenaars als Ulay en Pieter Laurens Mol. Joost was voor mij vooral de vriend met wie ik samen dit soort mooie dingen heb gemaakt.’

Pieter Boskma: ‘Proza: Gimmick! Poëzie: De ziekte van jij. Non-fictie: Transito. Met proza was hij opgehouden en de laatste jaren zei hij tegen me dat hij zichzelf vooral als dichter zag. Zelf vind ik dat hij zich in de non-fictie beter ontwikkeld heeft. Hij heeft zoveel gedaan, teveel misschien. Veel boekjes, Tomaatsj, Hitler in de polder, Het jongensmeisje. Hij schreef snel.’

Harald Vlugt: ‘Joost had een sterke publicatiedrift, alles werd meteen een boekje. Hij dacht in bundels: als het maar een rug had.’

Hoe belangrijk was het om weer een roman te schrijven? Kort voor zijn dood stapte hij over naar uitgeverij Hollands Diep van Robbert Ammerlaan, die voor 2017 een nieuwe roman aankondigde.

Elik Lettinga: ‘Ze hebben daar heel concrete afspraken over gemaakt, die kwam ik tegen bij het opruimen van de werkkamer. Ik herkende die plannen uit zijn tijd bij De Arbeiderspers. Was het ditmaal maar gelukt, dacht ik.’

Pieter Boskma: ‘Niet zo lang voor zijn dood heeft hij me vrij uitvoerig verteld over zijn nieuwe roman. Maar hij leed aan chronisch tijdgebrek en stuitte steeds weer op de drukte. Die kunstessays en die televisieoptredens deed hij geweldig, enthousiasmerend. Het betaalde goed, maar je kon merken dat het aan hem begon te knagen. Daar heb ik tien jaar lang discussies met hem over gevoerd. Je doet teveel, zei ik tegen hem. Televisie, krantenstukjes, het gaat van je creatieve energie af en zo komt die roman er nooit. Je hebt ruimte in je hoofd nodig om zelf iets nieuws te kunnen maken.’

Elik Lettinga: ‘Ik heb echt wel geprobeerd om hem bij te sturen, als uitgever is dat lastig, je hebt zelf ook een belang. Mijn houding was: als je geen roman schrijft, dan doe je dat toch niet? Als hij zélf maar iets schreef, in plaats van te reageren op het werk van anderen.’

Pieter Boskma. ‘Als hij niet zo in de war was geraakt, was die roman er wel gekomen. Is er iets teruggevonden in de nalatenschap?’

Elik Lettinga: ‘Geen ongepubliceerde manuscripten. Wie weet vindt het Letterkundig Museum, dat zijn archief gaat beheren, nog iets. Het zal een flinke klus worden voor een eventuele biograaf, Joost had een enorme bewaar- en verzameldrift, hangkasten vol met talloze onderwerpen en met elke snipper die er ooit door en over hemzelf is gepubliceerd. Ik kreeg het er een beetje benauwd van. Ik heb ook wat gegrasduind in zijn computer, maar ik dacht al snel: wat zoek ik eigenlijk? Ik raakte al snel de draad kwijt, de harde schijf van Joost was overvol.’

Pieter Boskma: ‘En niets dat naar zijn zelfgekozen dood verwijst? Een soort verklaring, of een berichtje voor de achterblijvers?’

Elik Lettinga: ‘Nee, niets.’

Pieter Boskma: ‘Er moeten honderdduizenden mails en briefjes op die computer staan. Je zag het ontsporen, het was teveel, dat hoofd is ontploft. Eindeloos doorgaan met zoveel in je opnemen over zoveel onderwerpen, dat is niet vol te houden, dat is roofbouw. ’

Elik Lettinga: ‘Hij had altijd veel plannen, ook op het laatst nog: nu eerst de essays afschrijven, en dan! Hij was bezig aan een literair nonfictieboek over de dood van dokter Tromp, zijn huisarts toen hij na zijn scheiding in een vakantiehuisje in Tuitjenhorn woonde. Heel wrang: juist de arts die de diagnose stelde dat Joost depressief was, en hem toen voor zelfmoord behoedde, maakte niet lang daarna een eind aan zijn leven nadat hij was beschuldigd van onzorgvuldigheid bij euthanasie.’

Harald Vlugt: ‘We zijn er alledrie tot en met vandaag mee bezig, net als de familie, Jessica, en Maaike natuurlijk. Maar op een gegeven moment moet je klaar zijn met de dood, het leven is vele malen interessanter. Laat het dus verder over zijn kunst gaan en over zijn kunstenaarschap. Want dat overleeft alles.’

‘Silence out loud’, tentoonstelling samengesteld door Joost Zwagerman, tot 12 juni 2016, Museum Kranenburgh, Bergen.

Joost Zwagerman, ‘Wakend over God. Gedichten’, Hollands Diep, 92 p., € 19,99.

Speciale editie in een oplage van 150 genummerde exemplaren met een op Zwagermans poëzie ­geïnspireerd kunstwerk van Harald Vlugt, € 275,–.

Joost Zwagerman, ‘De stilte van het licht’, de Arbeiderspers, 376 blz. €24,99

Vrij Nederland, 12 maart 2016

https://www.vn.nl/

1 Comment

  1. heleen van der leest 27 maart 2016 at 20:07

    Joost was als een kaars die te snel is opgebrand.

Comments are closed.