Mark Traa – Taalkunde

Waar is ons eergevoel gebleven? Ooit werden de rechtbanken overspoeld met ‘injuriën, kyvagiën of verschillen van woorden‘. Tegenwoordig zijn rechtszaken met ‘eenvoudige belediging‘ als inzet veel zeldzamer. En dat terwijl schelden in sommige culturen tot kunstvorm is verheven.

Billy raakt buiten zichzelf van woede. “Op een zeker moment uitte hij de ergst denkbare vloek”, zo gaat het verhaal. “Wat hij zei was verschrikkelijk. Jullie overleden familieleden, zei hij… en hij zei het luid en duidelijk. Hij wees naar de kano en zei ‘al jullie overleden familieleden’ tegen degenen die in de kano zaten.

De ergst denkbare verspreking, die je in Billy’s cultuur kon doen, was het noemen van de naam van een overledene. Boze blikken en een fikse boete van vijf of tien dollar waren je deel. En Billy had zich niet versproken, hij had doelbewust een hele kano vol verbijsterde stamgenoten tot op het bot beledigd. Billy slikte wat weg toen hij in de kano Wohkel Dave ontwaarde, een man van rijkdom en aanzien. Hem zou Billy uiteindelijk twintig dollar, een jachtgeweer en een schelpenketting moeten schenken als genoegdoening.

Billy’s verbale pijlen hadden doel getroffen. De jonge indiaan had zijn gram gehaald en betaalde de prijs. Had hij tot een oude Germaanse stam behoord en had hij iemand voor cacatus (‘kakfiguur’) uitgemaakt, dan had hij vier goudstukken moeten betalen. Had hij in het achttiende eeuwse Drenthe geleefd, dan was een betichting als weerwolf of tovenaar hem op een boete van vijftig goudguldens komen te staan. En had hij in 1992 als wethouder in Oegstgeest een actievoerster voor fascist uitgemaakt, dan was hij door de Haagse politierechter wegens opzettelijke belediging tot een boete van 150 gulden veroordeeld.

Schelden kan dus wèl pijn doen, en de ‘marketing’ van het scheldwoord is daarop afgestemd. De houdbaarheidsdatum van schelm en broddelaer is al ruimschoots verstreken, de NSB’er is een halve eeuw oud en hoer is van alle tijden. Scheldwoorden richten zich op de teerste plekjes van het eergevoel: op seksualiteit, familie, vakbekwaamheid, etniciteit, fysieke en psychische gebreken, welstand en hygiëne.

Of op van alles ineens, zoals kunstenaar Rob Scholte in juli vorig jaar ondervond. Een Penthouse journalist noemde hem onder meer een ongehoord grote lul en een gesjeesde mavo-leerling die absoluut niets kan. Enkele weken geleden werd de journalist wegens ‘eenvoudige belediging‘ veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding en een boete van elk duizend gulden.

Soms lijken beschimpingen loos in de perceptie van anderen, maar komen ze toch hard aan: Marga van Praag noemde Willem van Hanegem vorig jaar zo onbetrouwbaar als de neten en werd prompt aangeklaagd. Dat bevreemdde menigeen, maar Van Hanegem deed wat in hun beroepseer aangetaste ambachtslieden eeuwenlang hebben gedaan: publiekelijk genoegdoening eisen.

En met het voldoen van een schadevergoeding van 2.500 gulden kwam Van Praag nog goed weg. Nog geen vierhonderd jaar geleden kwam het voor, dat de beklaagde zijn aantijgingen voor de rechter niet alleen diende in te trekken, maar zichzelf ter plekke moest vernederen. Door zich op de mond te kloppen, driemaal tegen de zon in om te keren of blootshoofds neer te knielen.

Herman Roodenburg en Theo Meder zijn verbonden aan het Amsterdamse P. J. Meertens Instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde. Roodenburg is mede samensteller van een in 1992 verschenen themanummer van het Volkskundig bulletin over eer en belediging in Nederland, in de periode 1600-1850. Meder werkt aan een databank met volksvertellingen, waaronder sprookjes, sagen en moppen.

Eergevoel hebben we nog wel degelijk, menen ze, al lijkt het wel of beledigingen minder doel treffen. “We maken er minder werk van als we zijn beledigd”, zegt Roodenburg. “Misschien komt het, doordat we in meer sociale verbanden leven dan vroeger. Werd je vroeger in je kleine gemeenschap van slecht vakmanschap beticht, dan dreigde sociale uitsluiting. Diende je geen aanklacht in, dan werd je rechtstreeks in je bestaan bedreigd. En ook nu nog wordt een belediging zwaarder opgevat naarmate zij inkomens bedreigender is.

De terminologie is in elk geval veranderd. ‘Eer‘ riekt nog naar ridders, duels en jonkvrouwen. “In oude documenten staan begrippen als eer en schande meteen voor je klaar”, spreekt Roodenburg uit eigen bevinding. “Nu niet meer. Nu hebben we het over eigenwaarde en persoonlijke integriteit. Maar dat duidt geenszins op het verdwijnen van ons eergevoel. Word je als schoolmeisje voor hoer uitgescholden, dan komt dat nog steeds hard aan. Er is eergevoel in het geding, dat niet wezenlijk verschillend is van een paar eeuwen terug, al zijn opvattingen over maagdelijkheid en seks voor het huwelijk sindsdien aanzienlijk veranderd.

Er is wel eens onderzoek gedaan naar potenrammers in Amsterdam Noord. De manier, waarop die jongens praten over hun eigen persoon en hun deelname in die groep, doet me sterk denken aan de wijze, waarop in de zeventiende, achttiende, eeuw over mannelijkheid werd gedacht. Wilde je niet deelnemen aan het potenrammen, dan was je zelf een halve homo. Die jongens hadden daar duidelijk een heel kwetsbaar eergevoel liggen. Iedere insinuatie in die richting werd hoog opgenomen.”

Die jongens”, zegt Theo Meder, “zijn in een leeftijd, waarin ze hun daden alleen toetsen aan de normen en waarden binnen de groep. Op latere leeftijd weegt je eigen geweten zwaarder. Dat is natuurlijk altijd zo geweest. Toch denk ik wel, dat we van het ouderwetse eer begrip zijn afgestapt. Het is belangrijker dan ooit hoe je over jezelf denkt. Wat anderen vinden, daar hebben we tegenwoordig dikwijls lak aan. Maar ik denk, dat die individualisering er niet toe leidt, dat we ons tegenwoordig zomaar laten beledigen. Over Van Hanegem kon je waarschijnlijk veel zeggen, maar Marga van Praag raakte kennelijk precies een voor hem gevoelig punt.”

Beroepseer ligt inderdaad gevoelig, zo wijst ook de geschiedenis uit. Vooral mannen werden erop aangevallen; vrouwen werden aangesproken op hun seksuele eer. Roodenburg onderzocht 25 ‘scheldzaken‘ die tussen 1701 en 1710 ter bemiddeling bij een Amsterdamse notaris belandden. In een derde van de gevallen werden mannen voor schelm (tegenwoordig: oplichter) uitgemaakt, op afstand gevolgd door dief, deugniet, pokkige beest en ‘verrottigen hondt‘.

Twee derde van de vrouwen werd hoer naar het hoofd geslingerd, inclusief talloze varianten: allemanshoer, loederhoer, schoenlappershoer en Franse patshoer. Vrouwen werden ook voor beest (inclusief: ‘koeijbeest‘, ‘dondersbeest‘) uitgemaakt en soms voor ‘teeff‘. De kuisheid van de vrouw was doelwit nummer een, wat de aanleiding voor de scheldpartij ook was. Vrouwen mochten bij ieder vergrijp, al was het een diefstalletje, voor hoer of slet worden uitgemaakt. Bij mannen moest het scheldwoord wél betrekking hebben op hun (mis)daad. De enige doeltreffende wijze om een man in zijn seksuele eer te raken, was hem uit te schelden voor ‘sodomiet’.

Roodenburg stelde vast, dat de rechtbanken in Holland vanaf het einde van de zestiende eeuw werden overspoeld met erezaken. Notarissen, kerkenraden en buurtmeesters namen de lichtere gevallen over, en brachten de beide partijen en zoveel mogelijk getuigen van het incident bijeen. Het voorval werd minutieus beschreven; zo werd in 1772 in Drenthe aangegeven dat “de huisvrouw van Jan Remmels Hillegijn Pieters had uitgescholden voor een openbare hoere en opvreter, en na verloop van een half uur hadden Jan Remmels en vrouw weder gescholden Hillegijn Pieters voor een openbare hoere en opvreter, dat wijders Jan Remmels Tij Roelofs had gescholden voor een struikrover en schuimer bij nachte op andermans akkers en sloten en dat eijndelijk Hillegijn Pieters had gescholden Jan Remmels vrouw voor een swarte hexse.

Als de belediger zijn aantijging niet kon bewijzen, diende hij deze ten overstaan van alle aanwezigen in te trekken. Dan was hoon (en waarschijnlijk strafvervolging) zijn deel. Het bewijs, dat de beledigde zijn verdiende loon had gekregen, was dikwijls moeilijk te leveren. Veelal werd slechts een authentieke akte geaccepteerd. Wie wilde beledigen, diende dat dus bij zijn volle verstand te doen.

Serieus onderzoek naar hedendaagse beledigingen is schaars. Psycholinguïst William Labov onderzocht in de jaren zestig de groepstaal van zwarte jongeren in een aantal grote Amerikaanse steden. Hij signaleerde er het verschijnsel ‘sounding‘, waarbij scheldwoorden over en weer vliegen in een verbale vechtpartij. Het gaat er louter om de tegenpartij snel en creatief van repliek te dienen. Een fraaie overtreffende trap wordt beloond door bijval van omstanders. Iedereen weet, dat de inhoud van de beledigingen nergens op is gebaseerd.

Pas als een van de betrokkenen dit uit het oog verliest en de aantijgingen persoonlijk opvat, worden de mouwen opgestroopt. Wie geen weerwoord heeft, dat de voorafgaande belediging doet vergeten en vervolgens uit armoe maar gaat ontkennen, dat zijn moeder een hoer is, verliest aanzien binnen de groep. Beledigen reguleert de hiërarchie.

Rituele beledigingen hebben geijkte thema’s: (homo)seksuele ontvankelijkheid (vooral van de moeder van de beledigde) en armoede. Er zijn enkele vaste stramienen. De aanhef is ‘Yo’so poor…‘ of ‘I went to your house and…‘ en vooral ‘Your mother is like…‘ Wat volgt is een absurde overdrijving: “Ik ging je huis binnen, stapte op een brandende sigarettenpeuk en je moeder riep: hee, wie heeft de verwarming uitgedaan?” Of: “Je moeder is als een oude Ford: gebruikt, roestig en makkelijk te krijgen”. Of: “Je moeder is zo laag bij de grond, dat ze onder een zwangere mier kan doorlopen”.

Dat ‘sounding‘ niet van deze tijd is, beschrijft de Duitse historica en neerlandica Maria-Theresia Leuker in het scheldnummer van het Volkskundig bulletin. Ze spoorde het verschijnsel op in de klucht ‘Symen sonder soeticheydt’ van Bredero. Symen en Teuntje meten hun verbale krachten in een langdurige kijfpartij. De laatste reeks aantijgingen van Symen is 21 scheldwoorden lang, met daarbij juweeltjes als ‘ammerael vande turf-teven‘, ‘varcken‘, ‘wout-aep‘ en ‘adders vel‘. Teuntje haalt diep adem en pareert de aanval met 27 beledigingen op rij, waaronder ‘verwaande nar‘,  ‘olyphant‘, ‘eervergheten guyt‘ en ‘mallen schelm‘. Symen geeft zich dan gewonnen, maar Teuntje gaat gewoon door met schelden tot ze er – letterlijk – bij neervalt. Ze had het conflict veel serieuzer opgevat dan Symen, die zichzelf uiteindelijk toch nog tot overwinnaar mocht uitroepen.

Het merendeel van hedendaags historisch, antropologisch en taalkundig onderzoek naar beledigingen duikt op in het sinds 1978 onregelmatig verschijnende Amerikaanse tijdschrift Maledicta, dat geheel is gewijd aan onwelvoeglijk taalgebruik. De uitgever, een voormalig chemisch analist in Wisconsin, kan vloeken in tweehonderd talen. ‘They say it, we print it‘ is zijn motto. Maledicta heeft niet het volle gewicht van een wetenschappelijk tijdschrift. Wel biedt het een schaamteloos inkijkje in de donkere steegjes van de taalkunde.

Zo wordt ‘Wo twe mu fi se Agosa abonten so‘ (‘Het binnenste van je vagina is zo vies als de straten van Agosa‘) bij het Bono volk in Centraal Ghana geroepen, in een verwijzing naar een stad, waar veel verkeer door de stoffige straten dendert. ‘W’anim se Mosini abakan‘ (‘Je hebt het gezicht van de eerstgeborene van een Mossi man’) verwijst naar als inferieur beschouwde cacao arbeiders uit Opper Volta, van wie de eerstgeborene immer een idioot zou zijn. Populair is ook ‘Wo ho kankan se broni mmotoamu‘ (‘Je stinkt als de oksels van een blanke‘); de Bono keuren daarmee af, dat Europeanen in de regel hun oksels niet scheren.

Bij Maledicta hoort een eens per kwartaal verschijnend bulletin van nieuwe aanwinsten in de wereldvoorraad scheldwoorden. Beledigingen komen, en vele gáán ook weer. “Ze moeten choqueren en op een zeker moment slijten ze gewoon”, zegt Theo Meder. In 1994 bepaalde het gerechtshof in Leeuwarden, dat klootzak geen ‘juridische‘ belediging meer is. Formeel zijn gek, idioot en schorem dat nog wel, omdat de Hoge raad dit in 1898 in een arrest bepaalde. Veel vluchtiger is de Buckler drinker, die snel uitstierf nadat de fabrikant het alcoholvrije bier mede door het offensief van Youp van ‘t Hek uit de handel haalde.

Moeders vormen al sinds mensenheugenis een geliefd doelwit van beledigingen. Dat geldt voor Amerikanen (‘motherfucker‘), voor de inwoners van het koraaleiland Ulithi in de Stille Oceaan (‘telekhel silom‘ – ‘je moeders clitoris‘) en in bijzonder sterke mate voor mediterrane culturen waar (groot)moeders een zware stempel op het dagelijks leven drukken. ‘Hijo de puta‘ (‘hoerenzoon‘) riep Johan Cruijff vorig jaar tot vier keer toe in opperste razernij naar een Spaanse scheidsrechter. De term valt door zijn beladenheid ruimschoots buiten het scheld vocabulair, dat op de Spaanse voetbalvelden wordt gebezigd. Cruijff werd vijf duels geschorst en moest omgerekend 7.000 gulden boete betalen.

Omdat ook in Spanje ritueel wordt beledigd, zijn er overtreffende trappen van ‘hijo de puta‘. De ultieme, meldt een Spaanse onderzoeker in Maledicta, is waarschijnlijk ‘La reputisima madre que te recontra mil pario‘. De term laat zich nauwelijks vertalen, maar ‘De moeder, die je baarde, was twee maal tweeduizend keer in het kwadraat een hoer‘ komt in de buurt. ‘Gewoon’ zeggen, dat de moeder van een ander – bijvoorbeeld – een miljard maal een hoer is kan natuurlijk ook, maar het succes van een belediging wordt nu eenmaal in belangrijke mate bepaald door het verblufte zwijgen, dat erop volgt.

Trouw, 17 april 1996, 0:00

https://www.trouw.nl/nieuws/taalkunde~b65fa639/

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/?s=belediging
https://robscholtemuseum.nl/?s=smaad
https://robscholtemuseum.nl/?s=laster