Lou & Stephan – Reis Verhaal, Wandeling (33) ’t Stad Antwerpen, België

Reis Verhaal, Wandeling (33) ’t Stad Antwerpen, België

Nu Eens Dicht Bij | Vlaanderen | Wandel Land< | België

Wandeling (33) t Stad Antwerpen

 

lou & stephan

Lou & Stephan

Antwerpen is de gemeente in België met het grootste aan tal in woners in 2020, namelijk 529.274. Qua opper vlakte zijn er nog enkele gemeentes groter, maar het in woner aan tal is veel beperkter.

De derde en grootste provincie hoofd stad, waar we een wandeling maken is Antwerpen. 6 Jaar lang zag ik Antwerpen van op Linker Oeverm waar na ik via de voet ganger tunnel naar ’t stad stapte. Onze eerste op dracht voor tekenen,nu plastische op voeding, was ‘Stad aan de Rivier’, voor mij gemakkelijker dan voor de mede leerlingen, die de rivier weinig of niet zagen.

Stad aan de rivier

Eerst een beetje geschiedenis:

PrehistorieDe Schelde vloeit pas in het Paleolithicum voor het eerst door wat nu de omgeving van Antwerpen is. Voordien stroomde de Schelde doorheen het Meetjesland rechtstreeks noordwaarts, doorheen de zgn. Vlaamse Vallei. Pas vanaf het Holoceen, 10.000 jaar geleden, stroomde de Schelde doorheen de jonge benedenloop die we nu nog kennen, naar zee. Het alluviaal van de Schelde was nat en moerasachtig en voorwerp van veenvorming. Het natte Scheldegebied trok kampen van mensen uit de midden-steentijd of Mesolithicum aan. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_Antwerpen)

Romeinse tijd:Rond 250 schrijven de Romeinen over Scaldis (de Schelde) en Scinda (de Schijn). Nabij de monding van de Schijn werden er op diverse plaatsen archeologische sporen en relicten van een Gallo-Romeinse nederzetting aangetroffen. De grootste concentratie werd gevonden in de zone tussen de rivier nabij het Steen en de Grote Markt. De latere ontwikkelingen van de metropool maken het nagenoeg onmogelijk om definitief uit te maken, hoe dit Romeinse Antwerpen eruitzag, maar dat het meer was dan een gewoon dorp staat vast. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_Antwerpen)

Noormannen: (https://historiek.net/geschiedenis-van-antwerpen-schets/66456/)De Schelde was in de elfde eeuw net zoals nu een getijdenrivier. Met die nuance dat de verschillen tussen hoog- en laagtij in die periode veel minder groot waren. Is het verschil tussen beide tegenwoordig meer dan 5 meter, 1000 jaar geleden was dat amper 1 meter. De hoofdreden voor de veel minder aanwezige getijden in de elfde eeuw was, dat de Schelde niet rechtstreeks verbonden was met de Noordzee. Enkele kleinere waterwegen zorgden tussen de negende en de twaalfde eeuw voor de watertoevoer van de Schelde. Een van de bekendste riviertjes in de toenmalige delta was de Honte, ter hoogte van het huidige Perkpolder.
Aangezien de riviertjes in de Schelde-delta ondiep waren, konden enkel schepen met weinig diepgang verder inlands varen. Voor de Noormannen, die zich met hun zeer wendbare schepen op zowat alle wateren konden redden, was het bevaren van deze rivieren een koud kunstje. In 836 na Christus bereikten ze op die manier het toenmalige Antwerpen, dat ze meteen verwoestten.
De Noormannen bouwden, op een stuk grond dat uitsprong in de Schelde en dat met de rechttrekking van de Scheldekaaien na 1875 verdween, een nieuwe nederzetting. Deze werd naar goede Noormannengewoonte cirkelvormig geconcipieerd en in vier gesneden

Een stenen burcht en stadsrechten: (https://historiek.net/geschiedenis-van-antwerpen-schets/66456/)Tijdens de regeerperiode van keizer Otto I (912-973) werd een verdrag gesloten met de Noormannen. De houten omwalling rondom het tiende-eeuwse Antwerpen werd vervangen door een stenen omwalling. Otto had zo zijn redenen voor deze beslissing. Als keizer van het Duitse rijk was het zijn taak om de westelijke grens, de Schelde dus, te versterken. Aan de andere kant van de Schelde lag immers het aan macht winnende graafschap Vlaanderen, het noordelijk deel van het West-Frankische rijk (ook Neustrië genoemd). Met als doel de rijksgrens te versterken creëerde Otto markgraafschappen, militaire grensgebieden met elk een versterkte burcht. Naast Antwerpen werden ook Ename en Valenciennes in grensmarken veranderd.
In 1221 verkreeg Antwerpen stadsrechten. Het was de Brabantse hertog, Hendrik I (1165-1235), die persoonlijk naar Antwerpen afzakte om de stadsrechten te overhandigen. Dat de hertog van Brabant deze plechtigheid waarnam kwam omdat het Antwerpse markgraafschap in 1106 deel was gaan uitmaken van het hertogdom Brabant.
De restanten van de middeleeuwse burcht zijn in de negentiende eeuw verdwenen. Wat overbleef was een stuk van de omwalling die dienst deed als gevangenis. Tegenwoordig ligt dit stuk, het Steen genaamd, ietwat afgezonderd op de Scheldekaai. Het lijkt alsof het Steen een op zichzelf staand kasteel was, maar dat is slechts schijn. De neogotische afwerking werd in de jaren 1890 aangebracht, puur om het gebouw wat te verfraaien.

Stormvloeden en het ontstaan van de Westerschelde: (https://historiek.net/geschiedenis-van-antwerpen-schets/66456/)Vanaf de dertiende eeuw zorgden zware stormvloeden ervoor dat de Schelde-delta in een estuarium werd getransformeerd. Een eerste periode van stormvloeden, tussen 1288 tot 1304, speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Hontemond. Honderd jaar later volgde een tweede periode van stormvloeden (tussen 1375 en 1404) en deze zorgde ervoor dat het belang van de noordelijker gelegen Oosterschelde daalde, ten faveure van de zuidelijker gelegen Honte. Geleidelijk aan begon men de Oosterschelde als oude Schelde aan te duiden. De Honte werd vanaf de zestiende-zeventiende eeuw als Westerschelde aangeduid.

Intussen ging het bergaf met de andere grote havenstad in Vlaanderen: Brugge. De verzanding van het Zwin vond plaats in dezelfde periode waarin de Westerschelde vorm kreeg.
Toen in 1501 de Portugezen hun stapelmarkt voor specerijen in Antwerpen vestigden, was het lot van Brugge helemaal bezegeld. De bloeiperiode van het Venetië van het Noorden kwam ten einde en Antwerpen begon aan haar Gouden Eeuw.

Kogge’s, galeien en kraken: (https://historiek.net/geschiedenis-van-antwerpen-schets/66456/)In Antwerpen was het ontstaan van de Westerschelde tegen de zestiende eeuw een feit. De getijdenwerking werd aanzienlijk groter en dus ook de mogelijkheid om met grotere schepen verder landinwaarts te varen. Voor Antwerpen vormde deze rechtstreekse verbinding met de Noordzee een Godsgeschenk. In combinatie met de zwanenzang van Brugge zorgde de rechtstreekse route naar de zee via de Schelde voor een toestroom van mensen, schepen en andere zaken.
Al in de loop van de dertiende en veertiende eeuw had Antwerpen als havenstad aan belang gewonnen. Met koggeschepen (platbodems met beperkte diepgang) voeren zeelui vanuit de Brabantse havenstad naar onder meer de Hanzesteden aan de Oostzee. Hoewel zelf nooit tot de Hanzeliga toegetreden, slaagde Antwerpen er op die manier in een graantje mee te pikken van de internationale handel die dit verbond met zich meebracht
Maar ook Mediterrane boottypes slaagden er in diezelfde periode in Antwerpen te bereiken. In de jaren twintig van de veertiende eeuw meerden de eerste Venetiaanse galeien aan langs de Antwerpse Scheldekade. Hoewel Brugge toen nog steeds de hoofdbestemming was van de Venetianen, werd de basis voor de Italiaans-Antwerpse handelscontacten uit de zestiende eeuw twee eeuwen eerder gelegd. Net zoals de kogge had ook de galei een geringe diepgang, wat maakt dat de nog steeds vrij ondiepe Schelde van de Late Middeleeuwen voor dit type schepen bevaarbaar was. Toen de Westerschelde tegen 1500 een feit was konden ook zwaardere scheepstypes, zoals de kraak, tot Antwerpen varen. Kraken werden gebruikt om op open zee te varen
Het spreekt voor zich dat dit gegeven van onbetaalbare waarde was voor de groei van Antwerpen. Beetje bij beetje breidde de stad uit. Een evolutie die op Antwerpse stadskaarten vrij nauwkeurig te volgen valt. De stadsgrenzen werden gemarkeerd door natuurlijke en uitgegraven kanaaltjes, vlieten of ruien genaamd. Van deze “openbare riolen” rest nu niks meer. Een deel werd in de negentiende eeuw overwelfd, terwijl een ander deel gedempt werd. De redenen hiervoor vormden de uitbraken van de cholera, die vooral havensteden trof. De cholerabacil gedijt bovendien in vuil en stilstaand water.

De sinjoor en de Spanjaard: (https://historiek.net/geschiedenis-van-antwerpen-schets/66456/)Antwerpen groeide in de zestiende eeuw uit tot een internationale metropool. De boekdrukkunst floreerde onder invloed van de uit Tours afkomstige Christoffel Plantijn (1520-1589), de cartografie kreeg een enorme boost (onder meer Abraham Ortelius’ samenvoeging van kaarten, door Gerard Mercator korte tijd later ‘Atlas’ genoemd, was een belangwekkend feit); Antwerpen kreeg een van de meest moderne stadswallen uit die tijd (de architect was een Italiaan, Donato de Boni), een nieuw stadhuis (1565), een door dezelfde architect ontworpen Ooster- of Hanzehuis (waar nu het MAS ligt), een beurs (1531) en tal van andere gebouwen.

Woorden zoals sinjoor (een ‘echte’ Antwerpenaar) en pagadder (een klein iemand) herinneren ons vandaag de dag nog aan de talrijke Portugezen, Italianen, Spanjaarden en andere vreemdelingen die in de Scheldestad resideerden. Sinjoor is een verbastering van het Spaanse señor en werd door onder meer de Spanjaarden gebruikt om de Antwerpse hoge heren aan te spreken. Pagadder is dan weer een verbastering van het Spaanse pagador. De pagadores waren Spanjaarden die te klein waren om dienst te nemen in het leger. Dientengevolge maakten ze zich nuttig door de soldij aan de soldaten uit te betalen (pagare).

Want ook dat was een gevolg van het kosmopolitische karakter van Antwerpen in die tijd. Religieuze hervormingsbewegingen, met name het protestantisme en het calvinisme, kregen voet aan de grond in de Scheldestad. En dat konden katholieke koningen zoals Karel V en vooral diens zoon Filips II van het Spaans-Habsburgse huis absoluut niet waarderen. De gevreesde Spaanse inquisitie trad dan ook meedogenloos op, vooral na de Beeldenstorm van 1566. De Tachtigjarige Oorlog brak uit en na Brugge begon nu ook voor Antwerpen de zwanenzang. Filips stuurde de ijzeren hertog van Alva naar de Scheldestad, met de bedoeling orde op zaken te stellen. Alva liet stante pede een kasteel bouwen ten zuiden van de stad, de zogenaamde Spaanse Citadel of Zuiderkasteel (gebouwd tussen 1567 en 1572).

Citadel van Antwerpen in 1572

In 1585 viel het doek definitief. De hertog van Parma, Alexander Farnese (1545-1592), slaagde erin Antwerpen weer te veroveren voor de Spanjaarden. Van de 100.000 inwoners die Antwerpen medio zestiende eeuw telde, was enkele jaren later minder dan de helft over. Met tienduizenden trokken de veelal geschoolde Antwerpenaren naar elders. Een groot deel strandde in Amsterdam en legde daar het fundament van een nieuwe Gouden Eeuw, zij het ditmaal die van de Nederlandse Republiek.
Tussen 1585 en 1863 bleef de Schelde “gesloten”. In 1648, bij de Vrede van Münster die het einde van de Tachtigjarige Oorlog inluidde, werden de puntjes wat dit betreft nog eens op de i gezet. Grote vrachtschepen mochten niet passeren en alle andere schepen moesten ter hoogte van de Westerschelde tol betalen aan de Nederlanders. Pas met het afkopen van de Scheldetol (1863) door de Belgische regering werd de Schelde weer bevaarbaar voor vrachtverkeer. Op dat moment bestond dat vrachtverkeer niet meer uit kogge’s, galeien of kraken, maar wel uit grote zeil- en stoomschepen.

De Antwerpse kaai was hierop niet voorzien. Met haar in de Schelde uitstulpende stukken land bood de kaai geen ‘parkeerplaats’ voor de nu veel langere schepen. Een rechttrekking van de kaai drong zich op. Hier moet bij vermeld worden dat Napoleon Bonaparte enkele decennia eerder al een gedeeltelijke rechttrekking van de Scheldekaaien had laten uitvoeren. Onder zijn bewind werd de Schelde ook effectief – zij het tijdelijk – vrijgemaakt. Wat Napoleon eveneens bewerkstelligde was het leggen van de basis van de latere dokkenhaven die Antwerpen nu nog steeds is. Naast het Hanzehuis liet hij twee dokken, Grand Bassin en Petit Bassin (nu: Willemdok en Bonapartedok) genaamd, uitgraven. Napoleons bedoeling was om van Antwerpen – dat hij ‘een pistool gericht op Engeland’ noemde – een militaire basis te maken. Naast de aanleg van scheepswerven in het zuiden van de stad – waar Napoleon oorlogsschepen liet maken en waar de vader van Hendrik Conscience (1812-1883) werkte als timmerman – zette Napoleon in het noorden van de stad dus dokken neer als ‘parkeerruimte’ voor de op de zuidelijke werf afgewerkte schepen.

De dood van het historische Antwerpen: (https://historiek.net/geschiedenis-van-antwerpen-schets/66456/)

Er is veel water naar zee gestroomd vooraleer de knoop werd doorgehakt, maar vanaf 1875 begon de afbraak van wat steeds het kloppende hart van de metropool was geweest. De Werf, dat eeuwenoude trefpunt van de Antwerpenaar uit het verleden, die legendarische strook aangespoeld land waar 1000 jaar daarvoor de Noormannen hun kamp hadden opgeslagen, verdween. Ook de stadswallen verdwenen, om plaats te maken voor grote boulevards (nu: Frankrijklei, Italiëlei, Amerikalei).
Het Zuiderkasteel werd in de jaren zeventig van de negentiende eeuw afgebroken en op dezelfde locatie verrees een compleet nieuwe wijk: het Zuid, met als een van de meest markante gebouwen het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (1885). Ter compensatie van het afnemen van de Scheldekaai, kregen de Antwerpenaren aan het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw een Noorder- en Zuiderterras (1885). Omdat een ijzeren hek de toegang tot de kaai versperde en de daken van de op de kaai gebouwde magazijnen het zicht op de Antwerpse levensader teniet deed, konden de sinjoren via trappen naar beide terrassen wandelen. Op die manier zagen ze ‘hun’ Schelde nog eens.

De tijd haalde de feiten in. Met de komst van alsmaar grotere en zwaardere schepen ontstond de behoefte aan nieuwe, diepere aanmeerplekken. De Scheldekaai raakte al gauw gedateerd en waar de Antwerpse haven zich aanvankelijk zowel naar het noorden als naar het zuiden uitbreidde, sloeg de balans uiteindelijk toch in het voordeel van het noorden door. De dokken in het Zuiden van de stad werden gedempt (nu: ‘gedempte Zuiderdokken’/1969) en in het noorden kwamen er steeds nieuwe dokken bij. Omdat de grens met Nederland de doorgang wat blokkeert, is men niet zo lang geleden ook op de linker-Scheldeoever begonnen met het graven van dokken.

Bij deze wandeling vertrekken we ook vanaf Linkeroever, wandelen we door de voetgangerstunnel en starten we dan de ‘grand tour’ van de stad, veel uitgebreider dan de dagelijkse staptocht van en naar de school, tijdens het middelbaar

Stadswijk op linker Scheldeoever, eertijds “Vlaams Hoofd” of “Sint-Anneke” naar gehucht van Zwijndrecht met kapel toegewijd aan Sint-Anna, gelegen tegenover het centrum van Antwerpen. Oorspronkelijk grondgebied Oost-Vlaanderen met Schelde als proviciegrens, in 1923 bij provincie en stad Antwerpen gevoegd. Van het voormalige polderlandschap bleven, na de ophogingen, alleen de “welen”, thans met recreatieve functie, bewaard. De verbinding tussen beide Scheldeoevers werd tot 1933 (aanleg van de tunnels) verzekerd door veren; in het verleden werden in oorlogstijd ook tijdelijke schepenbruggen aangelegd.

Het probleem van de aanleg van Linkeroever ging, vooral vanaf 1874, samen met het zoeken naar een oplossing voor een vaste verbinding tussen de beide Scheldeoevers; zo ontwierp ook H. Van de Velde in 1926 plannen voor een tunnelverbinding en een nieuwe stad op Linkeroever. De definitieve oplossing voor het probleem van de vaste oeververbinding werd uiteindelijk het doel van I.M.A.L.S.O., opgericht in 1929. In deze “Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever”, zetelen Staat, provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen, steden Antwerpen en Sint-Niklaas en de gemeenten Zwijndrecht, Melsele, Beveren en Burcht. De taak van Imalso bestaat uit het bouwen, onderhouden en exploiteren van de tunnels, naast het valoriseren en verkopen van de gronden op Linkeroever. De eerst voetgangers- en voertuigentunnels, waarvan de werken door de firma “Compagnie Internationale des Pieux Franki” in 1931 gestart waren, werden in 1933 plechtig ingehuldigd.

De Sint-Annatunnel of voetgangerstunnel werd aangelegd in 1931-1931 als verbinding tussen de linker- en rechteroever. De toegangs- en ventilatiegebouwen op beide schelde-oevers werden ontworpen door E. Van Averbeke.

Voetgangerstunnelgebouw, opmerkelijke en specifieke gebouw op Linkeroever is het ventilatiegebouw van de Sint-Anna-tunnel, van 1933 naar ontwerp van E. Van Averbeke, gelegen aan Beatrijslaan ter hoogte van Blancefloerlaan. Toegangs- en ventilatiegebouw van de Sint-Anna- of voetgangerstunnel identiek aan dat op Sint-Jansvliet op rechteroever. Gewapend betonskelet van drie bouwlagen met bekleding van gele baksteen en gebruik van natuursteen voor omlijstingen en (kroon)lijsten; metalen ramen. Op begane grond: aanvankelijk open, nu beglaasde galerij aan noord-, west- en zuidzijde (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/83746)

Bij de Wet van 19 maart 1923 werd de grens tussen de provincie Antwerpen en de provincie Oost-Vlaanderen verlegd : de Gemeenten Burcht en Zwijndrecht kwamen bij de provincie Antwerpen. Tevens werd hun oostelijke grens zodanig verlegd dat 1205 hectare 44 are bij de stad Antwerpen werden gevoegd, die daardoor 647 genummerde gebouwen en 563 gezinnen bijwon. Bij dezelfde wet ging het Rijk meteen de verbintenis aan nog voor 1 januari 1924 een aanbestedingswedstrijk voor het leggen van een Scheldetunnel te houden. De financiële toestand van het land maakt dit echter niet mogelijk. De nadien door particuliere ondernemingen gedane voorstellen bleken onaanvaardbaar te zijn wegens de gevraagde overheidswaarborg in geval van mislukking.

Een en ander leidde ten slotte tot de stichting op 9 maart 1929 van de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever (IMALSO), onder de vorm van een coöperatieve vennootschap. Haar vennoten waren toendertijd: de Belgische Staat (500 aandelen), de Provincie Antwerpen (160 aandelen), de Provincie Oost-Vlaanderen (160 aandelen), de stad Antwerpen (160 aandelen), de Stad Sint-Niklaas (4 aandelen), de Gemeente Beveren (4 aandelen), de Gemeente Burcht (4 aandelen), de Gemeente Melsele (4 aandelen) en de Gemeente Zwijndrecht (4 aandelen).

Aan beide kanten is er een lift voor 40 personen of maximaal 3.000 kg,

en twee maal twee authentieke houten roltrappen. Deze roltrappen waren voor die tijd een echte nieuwigheid.

de Sint-Annatunnel is een voetgangers- en fietstunnel onder de Schelde in de stad Antwerpen. Deze 572 meter lange tunnel, die zich 31,57 meter onder de grond bevindt, wordt door de Antwerpenaren ook wel de Voetgangerstunnel genoemd en verbindt sinds 1933 de stad met de Linkeroever, met andere woorden het oudere met het nieuwere Antwerpen. De uitwendige diameter van de tunnel bedraagt 4,74 m, de inwendige 4,30 m. De binnenwand werd bekleed met keramische muurtegels in art-deco-stijl, vervaardigd door de NV “Manufactures Ceramiques d’Hemixem, Gilliot en Cie” uit Hemiksem.

De afmetingen van de tunnel en van de liften werden zo gekozen dat het mogelijk was om met een ziekenwagen of politievoertuig door de tunnel te rijden bij een incident in de Waaslandtunnel. Pas na het voltooien van de Kennedytunnel werd deze functie overbodig.
Het terugtrekkende Duitse leger heeft in 1944 het toegangsgebouw met liften en roltrappen aan de linkeroever opgeblazen. Het herstel heeft meerdere jaren geduurd. Tot die tijd moesten de reizigers weer de boot nemen, aangezien de Waaslandtunnel ook onbruikbaar was gemaakt.
In 1992 en 1993 werd de tunnel gerestaureerd. Sinds 1995 wordt stapvoets fietsverkeer in de tunnel toegestaan. In 1997 werden de tunnel, de toegangsgebouwen en de technische uitrusting waaronder de houten roltrappen als monument beschermd. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Annatunnel)

Eens op de Rechter-Scheldeoever komen we op Sint Jansvliet, een pleintje dichtbij de Schelde.

Antwerpse vlieten, Gedempt havenkanaal in Antwerpen
De Antwerpse vlieten zijn gedempte havenkanalen die extra aanlegplaatsen voorzagen voor de grootste handelsschepen van hun tijd. Ze bevonden zich langs de toenmalige Scheldekaai en ook ten noorden van de stad. Vooral in het midden van de 16e eeuw waren ze een belangrijk deel van de Antwerpse haven- en handelseconomie. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Antwerpse_vlieten)

Tussen Schelde en Steenhouwersvest. In 1201-06 uitgegraven als zuidelijke omheiningswal van de toenmalige stad. De namen Sint-Jansvliet, Sint-Janspoort en Sint-Jansbrug zouden teruggaan op een Sint-Jansgasthuis waarover zeer weinig geweten is. In 1881-82 werd de vliet overwelfd: op de vroegere burg staat thans het ingangsgebouw van de voetgangerstunnel (1931-33), vandaar de tijdelijke benaming “Kleine Tunnelplaats”. In 1959 werd de oude naam hernomen. Beboomd plein (platanen) met tegen de kaai aan het tunnelgebouw. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/985)

Hier zijn enkele oude gebouwen te zien; vermits dit plein tegen de Schelde ligt, is er ook een stapelmagazijn

Entrepot du Congo, Pakhuis in neo-Vlaamserenaissance-stijl op de hoek van Sint-Jansvliet en Plantinkaai, naar een ontwerp door de architecten Jean Baptiste en Emile Vereecken uit 1899.

Opdrachtgever was een consortium van ondernemers met handelsbelangen in Belgisch Congo, samengesteld uit Edouard Bunge voor een aandeel van 44%, Alexandre de Browne de Tiège voor een aandeel van 38% en Ernest Paul Grisar voor een aandeel van 18%. Het gebouw werd gerenoveerd tot wooncomplex naar een ontwerp door de architecten Hugo Van den Berghe en Guy Peeters uit 1977, aangepast voor wat de pui betreft in 1978, en voltooid in 1979.

Interessant om eens de levensloop van deze mannen te kennen:
Edouard Bunge (Antwerpen, 1851-Ekeren, 1927), in 1886 gehuwd met Marie Sophie Karcher, was de jongste zoon van Charles-Gustave Bunge (1811-1884). Duitser van oorsprong, had deze laatste in 1850 te Antwerpen een filiaal opgericht van het Amsterdamse handelshuis Bunge & Co. Onder leiding van Edouard Bunge, die de firma in 1875 vervoegde en in 1884 de leiding nam, groeide Bunge & Co uit tot een wereldwijd vertakt handels-, industrieel en financieel imperium. Hij was een belangrijke financier van koning Leopold II voor de exploitatie van Belgisch Congo en startte handelsbetrekkingen op tussen België en de Onafhankelijke Congostaat rond ivoor, rubber, koffie en cacao. In 1908-1910 richtte Emile Vereecken een monumentaal kantoorgebouw op voor Bunge & Co, op de hoek van Arenbergstraat, Sint-Maartenstraat en Graanmarkt.

De bankier en politicus Alexandre de Browne de Tiège (Berchem, 1841-Beveren-Waas, 1910) was stichter en eerste afgevaardigd beheerder (1881-1889) van de bank Caisse Hypothécaire Anversoise. Hij financierde de koloniale activiteiten van koning Leopold II, was voorzitter van de Société Générale Africaine, en stichter en bestuurder van de Société Internationale Forestière et Minière du Congo (Forminière). Van Ierse afkomst, verkreeg hij in 1890 de Belgische nationaliteit, en zetelde van 1900 tot 1904 als katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Sint-Niklaas. In 1883 had Jean Baptiste Vereecken achter zijn hotel aan de Begijnenvest een kantoorgebouw opgetrokken.

Ernest Paul Grisar (1844-1899), echtgenoot van Adèle Marie Justine Constantine van den Nest (1847-1927), behoorde als kleinzoon van Jean Martin Grisar (1779-1853) tot de oudere tak van het handelaars- en scheepsmakelaarsgeslacht Grisar, dat zich in 1804 vanuit het Duitse Nievern (Rheinland-Pfalz) in Antwerpen gevestigd had. In 1894 had hij door vader en zoon Vereecken al een herenhuis laten optrekken naast zijn hotel in de Maarschalk Gérardstraat, en in 1898-1899 een monumentaal vastgoedproject in de Leysstraat.

Het Entrepot du Congo behoort tot het latere oeuvre van Jean Baptiste Vereecken, die van 1893 tot 1906 met zijn zoon Emile geassocieerd was. Vanaf midden jaren 1860 bouwde hij een succesvolle carrière uit in dienst van de belangrijkste Antwerpse makelaars- en bankiersfamilies, zoals Havenith, Grisar, Pecher, Bunge, Meeûs, Kreglinger, Good en Nottebohm. Vader Vereecken ontwierp talrijke voorname herenhuizen op de meest prestigieuze locaties van Antwerpen en Berchem zoals het Stadspark en het Prins Albertpark, naast grote aantallen burgerhuizen in nieuwe wijken als het Zuid, onder meer ook voor eigen rekening. Daarbij bleef hij trouw aan een conventioneel eclecticisme van neoclassicistische inspiratie. Vanaf midden jaren 1890 evolueerde de architectuurproductie van het bureau Vereecken, mogelijk onder invloed van zoon Emile, naar het rijker geornamenteerde neorenaissance- of neobarokidioom. Representatieve voorbeelden uit de beginjaren van de samenwerking tussen vader en zoon Vereecken zijn het hogervermelde vastgoedproject in de Leysstraat, het hotel Vandevelde op de hoek van Louiza-Marialei en Rubenslei, en het hotel Pungs in de Beeldhouwersstraat. Vanaf 1906 zette Emile Vereecken de praktijk in eigen naam tot midden jaren 1920 voort, met herenhuizen, bank- en kantoorgebouwen in beaux-artsstijl. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6159)

Samenstel van twee traditionele diephuizen op de hoek van Sint-Jansvliet en Scheldeken, uit de tweede helft van de 16de of de eerste helft van de 17de eeuw. De schilder en verfverkoper Gaspar J. De Braey liet in 1843 de vensterordonnantie van beide bovenverdiepingen aanpassen.

het Sint-Jansvliet geeft uit op de Schelde, we staan op een brug over de Scheldekaaien, hier nog even een parkeerplaats

ook hier voorlopig nog voormalige pakhuizen. Rechts is ook de keermuur te zien. Wanneer er springtij op komst is gaan de poorten aan de keermuur dicht om de stad te beschermen tegen overstroming

we bevinden ons weer op Sint-Jansvliet

Burgerhuis in in neo-Florentijnse vroeg-renaissancestijl, samen opgetrokken met het achter aanpalende winkelhuis aan de Oever, naar een ontwerp door de architect Ernest Stordiau uit 1887.

Opdrachtgever van het bouwproject was de ingenieur Frédéric Belpaire (Antwerpen, 1833-Oxford, 1917), echtgenoot van Marie Teichmann (Antwerpen, 1829-Antwerpen, 1900), jongste dochter van ingenieur Théodore Teichmann (Venlo, 1788-Antwerpen, 1867) en Marie Cooppal (Wetteren, 1798-Antwerpen, 1867), de provinciegouverneur van Antwerpen van 1845 tot 1862. Frédérique Belpaire, een invloedrijk figuur in ultramontaanse kringen te Antwerpen, richtte tijdens de latere 19de eeuw de Katholieke Kring en het Werkmanswelzijn op, en geldt als een belangrijk weldoener van het parochiaal onderwijs. Hij was de oom van de schrijfster Marie-Elisabeth Belpaire (Antwerpen, 1853-Antwerpen, 1948).

Waar Ernest Stordiau zich als beginnend architect bediende van het destijds conventionele neoclassicisme of de second empire, onderscheidde hij zich vanaf de tweede helft van de jaren 1880 met burgerhuizen in een geheel eigen, op de Florentijnse vroegrenaissance geïnspireerde bouwstijl. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6161)

We slaan rechts op het plein de straat Oever in.

Oever: Tussen Steenhouwersvest en Munstraat. Zou op een landinwaartse verschuiving van de Schelde duiden, waardoor een nieuwe oever ontstond. Eerste vermelding in 1382. Andere benamingen zijn “buyten Sinte Janspoerte” en “Vlystrate”. Ellipsvormige plaats met middenberm beplant met linden, platanen en zitbanken. Noordwaarts gezicht op de Onze-Lieve-Vrouwetoren, zuidwaarts op de kromming van de Kloosterstraat. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/11215)

als eerste zien we het standbeeld van Jacob Jordaens, jacob jordaens, standbeeld van Jules Pécher. oorspronkelijk opgericht in 1880 aan de Van Breestraat, verplaatst in 1901 naar de Gemeenteplaats. opnieuw onthuld names het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Antwerpen door Burgemeester H.B. Cools en Schepen voor Openbare Werken M. Wellens, 16 december 1986

Jacob of eigenlijk Jacques Jordaens (Antwerpen, 19 mei 1593 – aldaar, 18 oktober 1678) was een Zuid Nederlands kunstschilder uit de Antwerpse School en vooral gekend van zijn Vlaamse barokschilderkunst. Jordaens schilderde vooral grote historiestukken, maar ook genrestukken, landschappen en portretten. Tevens was hij ontwerper van wandtapijten. Na Peter Paul Rubens en Antoon van Dyck is hij de belangrijkste Zuid-Nederlandse historieschilder. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacob_Jordaens°

Herenhuis in neoclassicistische stijl, voor eigen rekening gebouwd door de aannemer Louis De Legh, naar een ontwerp uit 1880.

Het hotel behoort tot de laatste realisaties van De Legh, van wie in Antwerpen een beperkt aantal bouwprojecten zijn teruggevonden vanaf 1865, maar die in 1882 overleed. De firma Ruys & Co, een cargadoors- en expeditiebedrijf met vestigingen in Antwerpen, Rotterdam, Amsterdam, Zaandam en Marseilles, liet het pand op het achterliggende perceel uitbreiden met een kantoorgebouw in de Korte Ridderstraat, naar een ontwerp door de architect Willie Pijl uit 1920. Vandaag is het complex geïncorporeerd in een seniorenflat met dienstencentrum van het OCMW, naar een ontwerp uit 2002. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5620)

links De Groote Poort, Complex herenhuis dat uit drie vleugels rond een binnenplaats bestaat, en in kern opklimt tot de tweede helft van de 16de, en tot zijn huidige vorm werd aangepast in de eerste helft van de 19de eeuw. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5621

Rechts Woon- en handelspand in art-decostijl, Woon- en handelspand in zakelijke art-decostijl, naar een ontwerp door de Gentse architect Geo Henderick uit 1937. Opdrachtgever was Werner Neyrinck, wiens bedrijf de papiergroothandel Neyrinck-Geudens al langer op dit perceel gevestigd was.

Geo Henderick was vóór de Eerste Wereldoorlog één van de meest creatieve art-nouveau-architecten in Gent. In het verlengde van dit fantasierijke en vloeiende oeuvre ontwikkelde hij tijdens het vroege interbellum een expressionistische baksteenarchitectuur ontleend aan de sculpturale vormgeving van de Amsterdamse School, met een detaillering die aansloot bij de art deco. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/302776)

Twee meergezinswoningen in art-decostijl, op de hoek van Oever en Steegsken, kort na elkaar opgetrokken naar ontwerpen door de architect Louis De Vooght uit 1926 en 1927. Als eerste kwam Steegsken 7 tot stand, gevolgd door het hoekgebouw Oever 26-28. Opdrachtgever was Victor Sturm handelaar in vloer- en wandtegels, en aannemer van vloer- en tegelwerken.

Het complex behoort tot het latere oeuvre van Louis De Vooght, die actief was van eind jaren 1890, tot zijn overlijden in 1945. Tijdens de jaren 1920 tekende hij zowel voor een behoudende architectuur, als voor meer eigentijdse ontwerpen in een gematigde art-decostijl.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5628)

Oever gaat over in de Kloosterstraat

Kloosterstraat: Tussen Munt- en Kronenburgstraat. Bestond reeds in de 12de eeuw en maakte toen deel uit van het Kiel; bij de stadsvergroting van 1291-1314 binnen de stadsomheining gesloten. Aanvankelijk Sint-Michielsstraat (platea Sancti Michaelis) genoemd, later “Cloosterstraten van Sint-Michiels” (vermelding in 1584), thans alleen nog Kloosterstraat naar de voormalige Sint-Michielsabdij gebouwd door de norbertijnen in 1124. Hun erf strekte zich uit van Kloosterstraat tot Schelde en van Kromme Elleboog- tot Goede Hoopstraat. Vanaf 1803 werd de abdij met bijhorende gebouwen (onder meer het Prinsenhof) gesloopt om plaats te maken voor een arsenaal en scheepstimmerwerven: de kerk, ingericht als entrepot, brandde af in 1830. Op de vrijgekomen gronden werden in 1842 de Vlaanderen-, Sint-Michiel-, Verbrande Entrepot- en Arsenaalstraat aangelegd. Winkelstraat met krommend tracé, tweemaal verbreed tot driehoekig pleintje. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/11171)

Eclectisch winkelhuis, Ondiep winkelhuis in eclectische stijl op de hoek van Kloosterstraat en Steegsken, volgens de bouwaanvraag van 1901 opgetrokken in opdracht van P. Janssen. Uit het bouwdossier vallen ontwerper noch aannemer af te leiden. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5236)

twee maal Burgerhuis in neo-Vlaamserenaissance-stijl. naar een ontwerp door de architect Charles Janssens uit 1896. Opdrachtgever was Jos. Fierens, koopman in koloniale waren, wiens bedrijf gevestigd was in de 18de-eeuwse vroegere Munt – later het apostolinenklooster – op de hoek van de Kloosterstraat en de Muntstraat. Tot het bouwproject behoorde ook de uitbreiding en verbouwing van het rechts aanpalende, neoclassicistische burgerhuis. Zijn weduwe engageerde in 1911 de architect Louis De Vooght voor de bouw van een tweede burgerhuis eveneens in neo-Vlaamserenaissance-stijl, na sloop van het rechts aanpalende pand.

De woning Fierens behoort tot het vroege oeuvre van Charles Janssens, wiens loopbaan eind jaren 1880 van start ging. Uit de periode vóór de Eerste Wereldoorlog zijn zowel ontwerpen bekend in een conventioneel neoclassicisme als in een pittoreske neo-Vlaamserenaissance, de bouwstijl van één van zijn belangrijkste latere realisaties, het gemeentehuis van Edegem uit 1911. Samen met zijn zoon architect H. Janssens tekende hij in 1924 voor kantoorgebouw in beaux-artsstijl van de verzekeringsmaatschappij Securitas op het Kipdorp. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5225)

Mercator-Orteliushuis, mede genoemd naar de Antwerpse cartograaf en geograaf Abraham Ortelius (Antwerpen, 1527-Antwerpen, 1598) die hier zou gewoond hebben; in werkelijkheid woonde hij in het nummer 43 van de Kloosterstraat, een pand gesloopt in 1937.

Complex herenhuis met vier vleugels rond een binnenplaats, dat in kern opklimt tot 1547 en 1555 volgens de datering in een gevelsteen op de binnenplaats en in twee balksloffen. In 1619 werden belangrijke veranderingswerken uitgevoerd op last van de toenmalige eigenaar Peter Paschier de Deckere. In 1698 liet de koopman Norberto Schut het traditionele U-vormige complex aan de oostzijde afsluiten met een vierde vleugel in laat-barokstijl, naar plannen toegeschreven aan de Antwerpse beeldhouwer-architect Hendrik Frans Verbrugghen. Het pand raakte daarna stilaan in verval. In 1943 werd het opgekocht door de Vereniging van Historische Woonsteden die het ter beschikking stelde van de Société Royale de Géographie d’Anvers. Op 8 februari 1946 bij Koninklijk Besluit beschermd, werd het Mercator-Orteliushuis in 1950 geschonken aan de Stad Antwerpen, en in 1952-1953 onder leiding van architect Frank Blockx gedeeltelijk gerestaureerd. Tijdens de jaren 1970 volgde de restauratie van de gevels aan de binnenplaats en de achterbouw onder leiding van ingenieur-architect Roger Verdun. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5227)

Hoekcomplex in Louis-Philippestijl, Complex gevormd door een winkelhuis en twee burgerhuizen in Louis-Philippestijl op de hoek van Kloosterstraat en Vlaanderenstraat, voor eigen rekening gebouwd door de architect Pierre Paul Stoop, naar een ontwerp uit 1861.

Pierre Paul Stoop, zoon van architect Frans Stoop en broer van stadsbouwmeester Frans Jacob Stoop, trad in 1843 als architect in dienst van de provincie Antwerpen, eerst als conducteur en vanaf 1849 als onderbouwmeester van het arrondissement Mechelen. In beide functies was hij assistent van provinciaal architect Ferdinand Berckmans. Hij bleef in provinciale dienst tot 1852, om vervolgens een privé-loopbaan uit te bouwen. Tot zijn belangrijkste eigen realisaties behoren de abdijkerk van Tongerlo uit 1852-1858, en de minderbroederskerk uit 1868-1876 in Mechelen, beide ontworpen in neogotische stijl. Over zijn productie burgerlijke architectuur in Antwerpen is weinig bekend. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5244)

In de Vlaanderenstraat, een zijstraat van de Kloosterstraat richting Schelde, bevinden zich enkele merkwaardige pakhuizen.

Pakhuis Pakhuis in eclectische stijl gebouwd in opdracht van Paul Huybrechts, naar een ontwerp door de architecten Jean Baptiste en Emile Vereecken uit 1899. Tot het bouwproject behoorde een lager, vermoedelijk ondiep kantoorgebouw op het links het aanpalende perceel, dat later werd verbouwd en uiteindelijk gesloopt. Tussen 1928 en 1937 liet de firma Braunschweig & Co diverse verbouwingen uitvoeren door de architect Joseph de Lange. In 1995-1997 werd het pakhuis door Jo Crepain gerenoveerd tot eigen architectenkantoor en -woning, met toevoeging van een dakverdieping.

Het pakhuis Huybrechts behoort tot het latere oeuvre van Jean Baptiste Vereecken, die van 1893 tot 1906 met zijn zoon Emile geassocieerd was. In dezelfde periode brachten vader en zoon Vereecken nog twee andere pakhuizen tot stand in de onmiddellijke omgeving van de nieuwe Scheldekaaien, het monumentale “Entrepot du Congo” op de hoek van Sint-Jansvliet en Plantinkaai en het pakhuis Arts op de hoek van Arsenaalstraat en verbrande-Entrepotstraat. Vanaf midden jaren 1860 bouwde Jean Baptiste Vereecken een succesvolle carrière uit in dienst van de belangrijkste Antwerpse makelaars- en bankiersfamilies, zoals Havenith, Grisar, Pecher, Bunge, Meeûs, Kreglinger, Good en Nottebohm. Hij ontwierp talrijke voorname herenhuizen op de meest prestigieuze locaties van Antwerpen en Berchem zoals het Stadspark en het Prins Albertpark, naast grote aantallen burgerhuizen in nieuwe wijken als het Zuid, onder meer ook voor eigen rekening. Daarbij bleef hij trouw aan een conventioneel eclecticisme van neoclassicistische inspiratie. Vanaf midden jaren 1890 evolueerde de architectuurproductie van het bureau Vereecken, mogelijk onder invloed van zoon Emile, naar een rijker geornamenteerd neorenaissance- of neobarokidioom.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6286)

aan de overzijde van de straat het tweede pakhuis, nu met kantoren, koetshuis en paardenstal in eclectische stijl, gebouwd in opdracht van de heer L. Van den Broucke, naar een ontwerp door de architect Gerard Jan Maas uit 1897.

De uit Nederland afkomstige Gerard Jan Maas lijkt in Antwerpen als architect actief te zijn geweest vanaf de late jaren 1880 tot omstreeks 1920. Rond de eeuwwisseling past hij voor zijn residentiële productie het conventionele neoclassicisme toe, en voor zijn pakhuizen de neo-Vlaamserenaissance-stijl. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6285)

De Korte Vlierstraat is een zijstraat van de Kloosterstraat. Op de hoek met de Kloosterstraat zien we een breed gebouw

Rijkswachtkazerne in neo-Vlaamserenaissance-stijl, volgens de datering in een gevelsteen opgetrokken in 1879.

Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw viel de bouw van rijkswachtkazernes onder de bevoegdheid van het provinciebestuur. Provinciaal architect voor het arrondissement Antwerpen in deze periode was Eugène Gife, aan wie de rijkswachtkazerne van Antwerpen kan worden toegeschreven. De gebouwen werden in 2017 gerenoveerd tot wooncomplex met handelsruimten, aangevuld met nieuwbouw op de aangrenzende percelen.

wat verder vormt de Kloosterstraat een pleintje, hier staat een zeer groot standbeeld, Peter de Grote

Exact tweehonderd jaar eerder dan de revolutionair Lenin, was het een échte tsaar die in Antwerpen voet aan wal zette. Een grote voet overigens…
Ben je groot of ben je klein, als je naast Peter de Grote staat? Deze Russische tsaar was al tussen 2,05 en 2,11 m groot, maar het 2,55 m hoge bronzen standbeeld in de Kloosterstraat toont hem nog groter dan hij al was; een klassieke truc om iemand (of uzelf) indrukwekkend te doen overkomen. De aanleiding voor de plaatsing van dit beeld op deze pleintje is dat hij hier vlakbij, nabij de citadel (een grote) voet aan wal zette op 11 april 1717.

Als ‘Verlicht despoot’ heeft de man de grote verdienste om van Rusland een moderne staat te maken, met een open mind voor de Westerse cultuur en met extra aandacht voor wetenschappen. En natuurlijk heeft hij daarnaast ook de economische belangen van zijn land – efficiënter – behartigd. Daarvoor wilt hij o.m. de maritieme handel bevorderen. Na 1581 was voor West-Europa de dichtstbije Russische haven Archangelsk aan de Witte Zee, maar die was in de winter niet bereikbaar. Dankzij gebiedsuitbreiding aan de Oostzee kan Peter de Grote daar de stad Sint-Petersburg stichten en wil er de belangrijkste haven van maken. Daarom gaat hij op studiereis naar Nederland – toen dé zeevarende natie – om er scheepswerven te bezoeken. Er was ook heel wat scheepvaartverkeer tussen Sint-Petersburg en Nederland (in Sint-Petersburg was een heuse Hollandse wijk), maar met Antwerpen lukte dit niet. Dit had ook alles te maken met de zgn. Sluiting van de Schelde door de Nederlanders, waardoor Antwerpen minder goed bereikbaar was.
(https://www.topa.be/nl/op-reis-in-eigen-stad/rusland/rusland-040-peter-de-grote/)

op dit pleintje, Neorenaissance handelspand, op het smalle hoekperceel van de Riem- en de Kloosterstraat is een opvallend neorenaissance handelspand gelegen, opgericht rond 1878 door bouwmeester Aloïs Scheepers, oprichter van het ‘Etablissement Géographique A. Scheepers’.

Hij trad in 1863 als tekenaar in dienst van de stad Antwerpen, en bekleedde vanaf 1888 het ambt van hoofdconducteur van de dienst stadswerken onder leiding van stadsingenieur Gustave Royers. Als privé-architect en investeerder kennen wij hem op het Zuid vooral door de bouw van eenvoudige rijwoningen in reeksbouw. Het hoekpand, bestaande uit twee winkelhuizen, dat hij hier bouwt voor eigen rekening, is zeer verzorgd afgewerkt en kreeg een in het oog springende façade. Het pand markeert het smalle hoekperceel en kan gezien worden als een visitekaartje voor Aloïs Scheepers, temeer dat het één van de vroegst gebouwde nieuwe huizen is op de toen net gerealiseerde verkaveling van het Zuid. Het hoekcomplex wordt gevormd door twee spiegelende, identieke hoekhuizen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5251)

We verlaten het vervolg van de Kloosterstraat, hier zijn wegwerkzaamheden bezig, en we volgen de Riemstraat

De Riemstraat is gelegen aan de oostelijke rand van het Zuid, tussen de Scheldestraat en de Kloosterstraat. De straat maakt deel uit van de oorspronkelijke verkaveling van het Zuid, zoals ontworpen in 1875. Ter hoogte van de Riemstraat, grenzend aan de Schelde, waren de scheepstimmerwerven gelegen die geopend werden ten tijde van Napoleon. De straat kreeg haar naam in 1876. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/11236)

Eclectische meergezinswoningen gebouwd rond 1913 voor rekening van Jan Antoine, wonende in de Riemstraat op nummer 4. Het betreft een samenstel van twee identieke winkelhuizen met appartementen op de verdiepingen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/214735)

Eclectisch hoekpand. Op de hoek van de Riem- en de Rivierstraat staat een opvallend eclectisch pand ontworpen in 1892 door architect Frans Smet Verhas. De architect signeerde het gebouw op de kraagsteen onder de toren. Het pand bestaande uit twee huizen met een café op de begane grond werd gebouwd voor rekening van Mertens-Erix, een brouwer uit Kruibeke.

We komen bij de voormalige vismijn van Antwerpen

gevels van de vismijn aan de Riemstraat

De vismijn van Antwerpen werd geopend in 1894 op het Zuid. De oude vismijn van Antwerpen bevond zich in de historische kern van de stad rondom het Steen, een stadsdeel dat insprong in de Schelde en dat bij de aanleg van de Scheldekaaien volledig van de kaart werd geveegd. Voor de locatie van een grote nieuwe vismijn werd een bouwblok op de nieuwe verkaveling van het Zuid gekozen vlakbij de Zuiderdokken. Deze dokken concentreerden de handel in vis, steenkool, vlees en bouwmaterialen en het was dus een evidentie dat de nieuwe vismijn vlakbij deze dokken werd gesitueerd.
De vismijn situeerde zich op het bouwblok tussen de Sint-Michielskaai, de Scheldestraat, de Riemstraat en de Goede Hoopstraat. Dit bouwblok werd in twee gedeeld door een dwarsstraat, de Rivierstraat, die nu door de nieuwbouw van een flatgebouw privéterrein is geworden. De ontwerpen van het complex werden vanaf 1891 getekend door Gustave Royers, op dat moment stadsarchitect en -ingenieur van Antwerpen. De uitvoering van de grootschalige werken van de vismarkt, de vismijn en de burelen werd aanbesteed aan Max. Hargot, aannemer van openbare werken gevestigd op de Leopoldlei (huidige Belgiëlei) 127 in Antwerpen.
De vismarkt heeft een langgerekte, kruisvormige plattegrond, bestaande uit twee centrale open doorgangen geflankeerd door gaanderijen. De langste as strekte zich uit van de Schelde- tot aan de Goede Hoopstraat en werd gekruist door een kortere as in de Rivierstraat. Het kruispunt werd door een monumentale, zeer opvallende koepel in eclectische stijl overkluisd; dit was de blikvanger van de vismijn. Vanaf de Scheldekaaien kwam een brede, dubbele goot de vismijn binnen, toegang gevend tot de opslagplaatsen en tot elk van de gaanderijen. In de zuidoostelijke oksel van deze vismarkt bevonden zich een reeks magazijnen, met eclectische puntgevels uitgevend in de Riemstraat. Aan de Scheldestraat bevond zich het toegangsgebouw, waarin tevens burelen en toiletten waren ondergebracht. De andere toegangen, twee in de Rivierstraat en één ten noorden in de Goede Hoopstraat, bestonden uit smeedijzeren hekken tussen zware, met lantaarns bekroonde pijlers in bak- en hardsteen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6358)

op het einde van de Riemstraat kruisen we de Scheldestraat, rechtdoor is de Waalse Kaai

handelspand, Op de hoek van de Waalsekaai met de Scheldestraat ontwierp bouwmeester Aloïs Scheepers een viertal handelspanden met appartementen op de verdiepingen voor Raphaël Napoléon Fantini (°Rimini, 1842). Deze Italiaanse koopman vestigde zich in 1873 vanuit Buenos Aires te Antwerpen, samen met zijn echtgenote Thérèse Marie De Leenheer (°Mechelen, 1847). Het echtpaar betrok het hoekpand in januari 1884, en baatte er een winkel uit in kleding voor zeelui, tabak en sigaren.

Het hoekpand ontwierp Aloïs Scheepers in 1883 in een fantasierijke neo-Vlaamserenaissance-stijl. In vergelijking met het oorspronkelijke ontwerp is het huidige pand veel detaillering verloren. De keuze voor neo-Vlaamserenaissance als bouwstijl en de combinatie van een handelsgelijkvloers met appartementen op de verdiepingen, maakt het pand echter nog steeds een sprekend voorbeeld van de architectuur die de buurt rond de Zuiderdokken eind 19de eeuw typeerde.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6364)

Een korte aflag rechts richting Schelde brengt ons in de Scheldestraat

Hier zien we de grootse werken om de Schelde-oevers een heel stuk op te hogen, rekening houdende met de toekomstige stijging van het waterpeil in zeeën en in de Schelde. Ook dat kadert in het Sigmaplan. Bij hevige stormvloeden lopen de Scheldekaaien telkens onder water. Antwerpen is zeer overstromingsgevoelig door haar ligging aan de Schelde. Na de stormvloed van 1976 werd er een waterkering gebouwd: een betonnen muur met een lengte van 5,5 kilometer en een hoogte van 1,35 meter. Door de klimaatverandering en zeespiegelstijging is het nodig die waterkering te verhogen.

hier is de Scheldekaai al opgehoogd

Daar starten ze mee na de stabilisatie van de kaaimuur. Naargelang de zone zijn verschillende types waterkeringen mogelijk:
Vaste waterkeringen zijn waterkeringen die niet kunnen bewegen. Dijken, hellingen, gebouwen en zelfs stadsmeubilair kunnen als vaste waterkering worden ingezet. Dit klassieke type van waterkering wordt nog altijd het vaakst toegepast op Vlaamse en internationale waterwegen. De faalkans is veel kleiner dan bij mobiele waterkeringen; daarom krijgen vaste keringen vaak de voorkeur.
Mobiele waterkeringen kunnen wel bewegen. Alleen bij overstromingsgevaar treden ze in werking. Bovendien bieden mobiele waterkeringen fraaie uitzichten op de rivier. Ter hoogte van de Antwerpse centrumzones zijn de toegankelijkheid en de vergezichten vanuit de stad het belangrijkste. Daarom kozen we daar voor mobiele waterkeringen.https://www.sigmaplan.be/nl/projecten/antwerpse-scheldekaaien/wat-zijn-de-ingrepen/verhogen-van-de-waterkering/

De waterkering wordt met 90 centimeter verhoogd. Antwerpen beschermen tegen overstromingen is de belangrijkste functie van de waterkering. Maar zo’n constructie bepaalt ook het uitzicht van de kaaien. Daarom combineren we deze werken zoveel mogelijk met de herinrichting van de kaaivlakte.
Over een lengte van meer dan 5 kilometer geven we samen met het Antwerpse stadsbestuur de Scheldekaaien een grondige facelift. Dat is nodig, want de kaaimuur is in slechte staat en de kaaien lopen onder bij hevige stormvloeden. De kaaimuur is niet overal in even slechte staat. Daarom verdeelden we ze onder in zeven zones. In elke zone wordt een specifieke stabilisatietechniek toegepast, toegespitst op de toestand van de kaaimuur. Als kers op de taart transformeert de stad de kaaien in een gezellige plek aan het water. (https://www.sigmaplan.be/nl/projecten/antwerpse-scheldekaaien/)

Het winkelhuis “In ’t zicht der Schelde” werd in 1881 ontworpen door architect Ferdinand Hompus in opdracht van J.B. Kets. Het ontwerp werd in 1884 gepubliceerd in L’Emulation, het tijdschrift van de Société Centrale d’Architecture de Belgique, wat op een grote appreciatie van de toenmalige architectuurwereld wijst.

De woning is opgetrokken in een zuivere, fantasierijke neo-Vlaamserenaissance-stijl, waarmee de architect beantwoordt aan de verwachtingen van de S.A. du Sud d’Anvers, die deze bouwstijl verkoos boven de gestandaardiseerde neoclassicistische ontwerpen. De bouwheren en architecten die kavels kochten op de nabij gelegen Vlaamse- en Waalsekaai, werden gestimuleerd om deze bouwstijl te volgen, wat heeft geleid tot een aantal levendige ensembles rond de Zuiderdokken, gehttps://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobje… eind jaren 1870. Hompus volgde in 1880 deze trend.

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6363)

aan de overzijde van de straat bevond zich de voornaamste toegang tot de Vismijn

Van dit gehele complex blijven enkel de gebouwen van de hoofdtoegang in de Scheldestraat, en een deel van de opslagplaatsen aan de zijde van de Riemstraat over. De koepel, de open vismarkt zelf, de gaanderijen, moesten plaats ruimen voor grote nieuwbouwcomplexen waarin residentiële appartementen en standingvolle handelszaken zijn ondergebracht. Het complex aan de zijde van de Scheldestraat werd door architect Ferre Verbaenen ontworpen in 2002. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6358)

Ensemble van café- en winkelhuis

Op de hoek van de Schelde- en de Riemstraat werd rond 1879 een opvallend, neoclassicistisch ensemble gebouwd van drie panden met café, winkels en appartementen op de verdiepingen. Het is een ontwerp van architect L. Van Opstal voor Reusens, wonende in de Kloosterstraat. Het winkelhuis in de Scheldestraat 23 kreeg een volledig nieuwe pui en parement; het winkelhuis in de Riemstraat 51 behield de originele houten winkelpui. Het hoekpand met café op nummer 21 behield de oorspronkelijke grandeur. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6359)

Brouwerij Van Tilt

Dit monumentale ensemble van twee enkelhuizen in neo-Vlaamserenaissance-stijl werd in 1880 ontworpen door bouwmeester Charles Dens als huis met opslagplaats en winkel voor de mademoiselles Van Tilt uit Leuven, “Factory in bieren”. Boven de toegangspoort staat in de cartouche nog het vervaagde opschrift te lezen “Brouwery Van Tilt Gezusters te Leuven”. Bouwmeester Dens ontwierp op het Zuid een aantal opmerkelijke, beeldbepalende panden, zoals het ensemble op de hoek van de Waalsekaai en de Wapenstraat en een reeks modelwoningen in de De Vrièrestraat. Het complex is opgetrokken in een zuivere neo-Vlaamserenaissance-stijl, waarmee de architect beantwoordt aan de verwachtingen van de S.A. du Sud d’Anvers, die deze bouwstijl verkoos boven de gestandaardiseerde neoclassicistische ontwerpen. De bouwheren en architecten die kavels kochten op de nabij gelegen Vlaamse- en Waalsekaai, werden gestimuleerd om deze bouwstijl te volgen, wat heeft geleid tot een aantal levendige ensembles rond de Zuiderdokken, gebouwd eind jaren 1870. Dens gaf gehoor aan deze trend, ook voor dit pand in de Scheldestraat. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6360)

We komen nu in het gebied van de Zuiderdokken. De Zuiderdokken op het Zuid in Antwerpen waren vroeger een onderdeel van de haven van Antwerpen. Aanvankelijk waren er drie: het kooldok, het schippersdok en het steendok (van zuid naar noord)

In de 16de eeuw was op de plaats van de Zuiderdokken een citadel voor Spaanse soldaten. Ook het zogeheten ‘Zuidkasteel’ werd toen gebouwd en zou voor bijna drie eeuwen het uitzicht bepalen. Vanaf 1874 werd gestart met de bouw van de eerste Zuiderdokken.

Kaart van Antwerpen uit 1572 waarbij onderaan zich het Spaanse fort bevindt (https://www.oudelandkaarten.nl/europa/category/antwerpen)

Hier lagen de binnenschippers rustig, met hun lege of geladen schip in afwachting voor afvaart met een gunstig getijde, naargelang zij noord- of zuidwaarts moesten varen. De noordwestelijk gelegen Zuidersluis lag ongeveer in het midden van het Schippersdok. Naargelang het op- of afgaande getij voeren de houten – en later de ijzeren – binnenvaartschepen in of uit de sluis. Het versassingssysteem werkte toen zoals de Bonapartesluis en de Kattendijksluis. Met kaapstanders, hydraulische water-, stoom- en mankracht, hielpen de sasseniers de scheepvaart. In de invaart naar het dok werd er een opening aangehouden om de vrachtschepen gemakkelijker buiten en binnen te laten, en naar een ligplaats te begeven. Aan de Zuiderdokken werden vooral steenkool, stenen, zand en mosselen verscheept. In de volksmond werd al gauw gesproken van de mosselkaai. De Vlaamse Kaai had een doorlopende kade, terwijl de tegenoverliggende Waalse Kaai verbreed was, naargelang de kaden aan het Steen- en Kooldok. Over de Waalse Kaai liep ook een spoorlijntje dat de dokken met de Scheldekaaien verbond. De schepen lagen aan de ene kant van het dok vier schepen breed, terwijl er aan de andere kant maar twee schepen lagen, met in het midden een passagevaargeul. De houten zeilvrachtschepen toen waren maar 4 tot 4,50 meter breed, net als de ‘houten waal’. Later kwamen de ijzeren spitsen van 5,05 meter breedte.

Ooit toegang tot de zuiderdokken(internet)

Foto 2 zuiderdokken, links op de foto is nog net de Schelde te zien

Kaart van Antwerpen waar links onder de plaats van de Zuiderdokken te zien is

Uitsnede van de kaart met de opeenvolging van de drie dokken

In de loop der jaren werden de Zuiderdokken verouderd en te smal voor grotere en bredere schepen. Men besloot ze te dempen omdat de haven noordwaarts groter, moderner en drukker werd. Het laatste schip voer in 1967 het dok uit en startte men de werken om ze te dempen. Deze waren twee jaar later, in 1969 afgerond (https://nl.wikipedia.org/wiki/Zuiderdokken)

Aan de zijde van de Schelde bevond zich de Waalse Kaai, zijde stad was er de Vlaamse Kaai. De benaming van de kaaien beef, ook na het dempen, behouden.

De Gedempte Zuiderdokken vormden een parkeerplaats waar kermissen, circussen en andere grote evenementen konden worden gehouden. Tussen 1969 en 2014 was het de vaste plaats van de jaarlijkse Sinksenfoor. De pakhuizen bleven meestal overeind en kregen een andere bestemming: woonblokken, ateliers, tavernes, eethuizen, huisbrouwerij ’t Pakhuis en garages.

Terwijl het Zuid zich vanaf de jaren 80 ontpopte tot een culturele, creatieve en toonaangevende wijk, bleven de Zuiderdokken een weinig inspirerend, grijs plein. Nu komt daar verandering in.

In september 2015 viel de beslissing dat er iets nieuws moest gebeuren met de Gedempte Zuiderdokken en werden er voorwaarden vastgelegd. Parkeren blijft belangrijk in deze zone, dus de parkeerplaatsen verhuizen ondergronds. Dat maakt bovengronds ruimte vrij voor een volledige heraanleg. De stad wilde hier ambitieus mee omspringen en schreef een ontwerpwedstrijd uit. Het winnende ontwerp is van het Belgisch-Zwitserse team Tractebel, ADR Architects, Georges Descombes in samenwerking met Les Eclairistes Associés & Erik De Waele. Het maakt van het plein een geheel nieuwe wereld: Dok Zuid.

Het nieuwe plein heeft twee grote functies: parkeren ondergronds en een park bovengronds.

Op 24 augustus 2018 werd het aangepaste definitieve ontwerp van Tractebel, ADR Architects, Georges Descombes, LEA en Erik De Waele goedgekeurd. Daarin werkte het team hun oorspronkelijke ontwerp verder uit na een uitgebreid inspraaktraject.

Op 1 maart 2019 werd een omgevingsvergunning verleend voor de eerste fase van de aanleg van Steendok. Daarop werden een aantal bezwaren ingediend. De stad ging in dialoog met de betrokkenen wat resulteerde in een aangepaste omgevingsvergunning die op 27 juni 2019 verkregen werd.

Het aangepaste definitieve ontwerp met in het rood aangeduid, de omgevingsvergunning voor de Zuidelijke tafel, goedgekeurd op 27 juni 2019 © AG VESPA, Tractebel – ADR Architects – Georges Descombes i.s.m. Les Eclairistes Associés & Erik De Waele(https://www.antwerpenmorgen.be/nl/projecten/gedempte-zuiderdokken/over)

De tegenover elkaar liggende Vlaamse- en Waalsekaai werden genoemd naar de twee landsdelen van de staat België. In deze buurt werden ook talrijke straten vernoemd naar Belgische steden die in de 19de eeuw de economische rijkdom van België vertegenwoordigden. De bebouwing van de Vlaamsekaai speelt volledig in op de havenactiviteiten: vanaf eind jaren 1870 worden de kavels verkocht aan investeerders die er grote complexen inrichten met winkels en cafés op de begane grond, appartementen op de verdiepingen en opslagplaatsen op de ruime achterliggende binnenplaatsen. Net als in andere straten op het Zuid duurt het lang vooraleer alle kavels bebouwd zijn.

Onze wandeling gaat verder langs de Vlaamse Kaai.

De bebouwing langs de lange Vlaamsekaai kan in drie grote gehelen bekeken worden, elk met hun eigen karakter. Het langste, meest noordelijke stuk tussen de Scheldestraat en de Gillisplaats, werd in 1993 bijna volledig beschermd als stadsgezicht omwille van het gaaf bewaarde, zeer typische architecturale ensemble van meergezinswoningen en pakhuizen in neo-Vlaamse renaissance. Het bouwblok ten zuiden van de Gillisplaats en de Namenstraat wordt gekenmerkt door een monumentale, begin-20ste-eeuwse gevelwand. Het laatste stukje, ten zuiden van de Namenstraat, hoort morfologisch en architecturaal bij de Gentplaats. Het grote bouwblok tussen de Scheldestraat en de Gillisplaats, is in zes even brede loten ingedeeld, telkens begrensd door een zijstraat uitgevend op de Leopold de Waelplaats. Het is een symmetrisch opgedeeld blok, met als centrale dwarsstraat de Museumstraat, die uitgeeft op de voorgevel van het Museum voor Schone Kunsten. De percelen in dit gedeelte van de Vlaamsekaai werden meteen na aanleg van de straat verkocht en grotendeels in de jaren 1870-1880 bebouwd. Een belangrijke investeerder was de Waalse baron Ernest de Senzeille. Hij kocht van elk van de zes loten de centrale percelen en liet er in 1879 door de Brusselse architect J.V. Delpierre, meergezinswoningen met achterliggende pakhuizen op bouwen. Het werden zes opvallende ensembles in neo-Vlaamse renaissance, telkens met een gevelbreedte van dertig meter, waarmee Delpierre in totaal 180 meter of 45 procent van de totale lengte van de Vlaamsekaai invulde. Met de rode bakstenen gevels, voorzien van rijke, pittoreske neo-Vlaamse-renaissance-ornamentiek, beantwoordde Delpierre aan de verwachtingen van de S.A. du Sud d’Anvers, die deze “betere” bouwstijl verkoos boven de gestandaardiseerde neoclassicistische ontwerpen. De andere bouwheren en architecten die kavels kochten op de Vlaamsekaai, werden gestimuleerd om deze bouwstijl te volgen, wat heeft geleid tot een zeer levendig, rijk versierd straatbeeld, dat zeker tussen de Schelde- en de Pourbusstraat zeer gaaf is bewaard. In 1993 werd dit gedeelte dan ook beschermd als stadsgezicht. Het zesde bouwblok, tussen Pourbusstraat en Gillisplaats, heeft dezelfde architecturale kenmerken, maar werd veel meer verstoord door nieuwbouw, waardoor het buiten de bescherming als stadsgezicht werd gelaten.

Na het dempen van de Zuiderdokken in 1969, ging de Vlaamsekaai een minder florissante tijd tegemoet. Zowel het plein als de bebouwing verloren hun relatie met de haven en kwamen deels leeg te staan. Vanaf de jaren 1980 begon men op het Zuid met een opwaardering, waarbij de eerste grote projecten zich concentreerden rond deze Zuiderdokken. Op de Waalsekaai werden grote industriële panden omgevormd tot musea en cultuurcentra; de panden op de Vlaamsekaai werden herbestemd tot luxueuze winkels en hippe eet- en drinkgelegenheden.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/11330)

Kolenmagazijn, In 1879 dient kolenhandelaar Ad. Verset een aanvraag in voor de bouw van opslagplaatsen op zijn grond tegenover het toen nog niet uitgevoerde, maar al wel duidelijk geplande Kolendok. In oktober 1877 richtte Verset al een vraag aan het College van Burgemeester en Schepenen of hij op deze plaats een bakstenen opslagplaats voor kolen kon optrekken met één verdieping. Dat werd toen goed bevonden, op voorwaarde dat “les façades aient une hauteur et un aspect convenable”. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209278)

Aan de overzijde van het gedempte dok, zien we een erg opvallend gebouw

het Zuiderpershuis. Het imposante Zuiderpershuis op de Waalsekaai werd gebouwd in 1882 naar ontwerp van onderingenieur van de stad Paul De Wit. Tussen 1885 en 1975 stond dit hydraulische station in voor de aandrijving van ongeveer 200 havenwerktuigen langs de Scheldekaaien, vooral walkranen en kaapstanders.

Vanaf 1865 kende de Antwerpse haven een grote bloei. Tussen 1877 en 1886 werd over een lengte van 5,5 kilometer aan de rechteroever van de Schelde een nieuwe havenstrook aangelegd, de Scheldekaaien. Tegelijkertijd werd in de nieuwe verkaveling van het Zuid een groot terrein vrijgehouden voor de aanleg van de Zuiderdokken, waar de handel in vis, kolen, vlees en bouwmaterialen werd geconcentreerd. Om de volledige haven te bedienen, werden tussen 1865 en 1904 acht pershuizen opgericht, waarvan er momenteel nog drie bestaan: het Zuiderpershuis aan de Waalsekaai, het Noorderpershuis aan de Indiëstraat en het pershuis van het Sint-Felixpakhuis op de Oudeleeuwenrui. De techniek van de hydraulische stations, om door middel van onder druk gezet koud water energie over een afstand te verdelen, werd rond 1865 in Antwerpen geïntroduceerd en toegepast in het Koninklijk Pakhuis aan het Bonapartedok; de stad nam dit procedé over.
Het Zuiderpershuis werd in 1881 getekend door Päul De Wit, onderingenieur van de stad onder Gustave Royers. In 1887 publiceerde L’Emulation een afbeelding van het pershuis, maar op naam van Ernest Dieltiens; de link met deze architect is niet duidelijk. De uitvoering van de werken werd aanbesteed aan R. Hargot uit Sint-Gillis (Brussel). Het basiscomplex bestond uit twee gebouwen waarin enerzijds machinekamers en werkplaatsen, en anderzijds de administratie met directiewoning en aanpalende schrijnwerkerij. Er werden regelmatig uitbreidingen, aanpassingen en herinrichtingen doorgevoerd. Rond 1900 werd een stapelplaats aangebouwd tegen de stoomketelzaal gebouwd, tien jaar later werd een nieuwe weegbrug van 30 ton aangekocht (Eugène Hurstel, Verviers). Verdere uitbreidingen van vóór 1923 beslaan enkele werkplaatsen en bergruimtes. In 1923 gebeurden de laatste uitbreidingen tot de huidige omvang van het complex.

Kort na de buitendienststelling van het Zuiderpershuis rond 1975 werd het complex beschermd als monument bij K.B. van 20 februari 1979. Midden jaren 1980 herbestemde men het pand tot theater- en kunstencentrum, eerst voor de Internationale Nieuwe Scène, later voor het Wereldculturencentrum Zuiderpershuis. Intensieve restauratie volgde tussen 1992 en 2007.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6376)

We wandelen verder langs de Vlaamse Kaai

Meergezinswoning met kolenhandel van G. Le Comte. In 1881 dient architect Ferdinand Hompus een bouwaanvraag in voor de bouw van een huis in naam van Grégoire Le Comte de Mey. Le Comte vestigt hier kort na de bouw een kolenhandel, zoals blijkt uit het opschrift in de natuurstenen band op de gevel en uit de milieuvergunningen. Deze locatie is weloverwogen, want op dat moment wordt het Kolendok aan de overkant van de straat gegraven.

Het gaat om een meergezinswoning aan straatkant, met in de linker travee een poortdoorgang naar de achtergelegen magazijnen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209277)

Ensemble ontworpen door Delpierre, Groep A

Dit opvallende ensemble van meergezinswoningen met achterliggende magazijnen in neo-Vlaamse renaissance werd rond 1879 gebouwd naar ontwerp van de Brusselse architect J.V. Delpierre in opdracht van de Waalse baron de Senzeille. Van elk van de zes bouwblokken tussen de Scheldestraat en de Gillisplaats, kocht de Senzeille de centrale percelen op. Delpierre realiseerde er zes gelijkaardige groepen op de Vlaamsekaai voor de Senzeille, waarmee hij in totaal 180 meter of 45 procent van de totale lengte van de Vlaamsekaai invulde. Met de rode bakstenen gevels, voorzien van rijke, pittoreske neo-Vlaamse-renaissance-ornamentiek, beantwoordde Delpierre aan de verwachtingen van de S.A. du Sud d’Anvers, die deze “betere” bouwstijl verkoos boven de gestandaardiseerde neoclassicistische ontwerpen. Neorenaissance gevels vertegenwoordigden  tevens door hun exclusievere ontwerpen en door de duurdere bouwmaterialen een betere sociale status van de bouwheer. Bij het beoordelen van de bouwdossiers, poogde men er voor te zorgen dat de volledige Vlaamsekaai in deze bouwstijl zou bebouwd worden. In dat opzicht zette Delpierre met zijn realisaties de toon voor de verdere ontwikkeling van de Vlaamsekaai.

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209276)

gebouwen behorend tot dezelfde groep

Neo-Vlaamse renaissance meergezinswoning met opslagplaats en paardenstal van 1906

Deze hoge, opvallende neo-Vlaamse renaissance meergezinswoning met achterliggende paardenstal en opslagplaats werd rond 1906 gebouwd naar ontwerp van bouwmeester Eug. Wattiez voor Cornelis Claessens. Dit gebouwtype past zowel qua functie als qua bouwstijl naadloos in de huizenrij van de Vlaamsekaai, die gekenmerkt wordt door complexen met aan straatkant meergezinswoningen met op de begane grond handelsfuncties of poortdoorgangen en achteraan opslag- of werkhuizen, meestal gerelateerd aan de activiteiten in de Zuiderdokken, namelijk aanvoer van bouwmaterialen, kolen, vis en slachtvee. Cornelis Claessens, op dat moment wonende in de nabijgelegen Scheldestraat 45, is “aannemer van verven” en verplaatst wellicht met de bouw van dit pand zijn handel naar de Vlaamsekaai.

Het achterliggende gebouw met paardenstal en opslagplaats is een baksteenbouw van drie traveeën en drie bouwlagen onder platte bedaking. Op de begane grond zijn vijf paardenboxen ondergebracht, met daarboven een opslagplaats van twee bouwlagen hoog. Bakstenen lijstgevel met speklagen en segmentbogige muuropeningen, waaronder een centrale laaddeur. De lijstgevel is afgewerkt met een balustrade met centrale doorgang naar de bovenverdieping.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209273)

Hoekpanden van architect J.V. Delpierre. Op beide hoeken van de Vlaamsekaai met de Vorstermanstraat bouwde architect J.V. Delpierre rond 1881 een ensemble van twee identieke hoekpanden in neo-Vlaamserenaissance-stijl. Hij markeerde op de geveltekeningen in het bouwdossier dat het gaat om “maisons à loyer”

Op de hoek met de Museumstraat realiseerde Delpierre twee jaar eerder een gelijkaardig duo hoekpanden. Daarmee vulde deze Brusselse architect voor eigen rekening de reeds bestaande neo-Vlaamse renaissance gevelwanden aan die hij in opdracht van baron de Senzeille een paar jaren eerder had gebouwd op de Vlaamsekaai. In totaal zorgde hij zo voor een neo-Vlaamse renaissance gevelwand van bijna 200 meter, die het straatbeeld van de Vlaamsekaai volledig bepaalt. De panden die door andere architecten tussen deze realisaties werden ingeplant, volgden doorgaans dezelfde bouwstijl, waardoor de homogeniteit van de bebouwing op de Vlaamsekaai zeer sprekend is. Om deze reden werd de gevelrij tussen de Schelde- en de Pourbusstraat integraal beschermd als stadsgezicht in 1993. Typerend voor de Vlaamsekaai is dat de hoeken met de zijstraten doorgaans als café werden gebruikt, wat hier ook wellicht het geval was, gezien de indeling van de begane grond aan de zijde van de Vlaamsekaai.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209272)

het tegenoverliggende hoekgebouw, in spiegelbeeld van het vorige

Op de hoek met de Verlatstraat werd rond 1906 een hoekpand met café gebouwd door Alphonse Peeters-Vervoort voor eigen rekening.

Dit type opbrengsteigendom, met een combinatie van handelsgelijkvloers en appartementen op de verdiepingen, is typerend voor de Vlaamsekaai. De panden spelen ofwel met een achterliggende opslag- of werkplaats ofwel met een café of winkel op de begane grond, in op de havensactiviteiten in de tegenovergelegen Zuiderdokken. De bouwstijl van het pand echter, eclectisch met gebruik van gele baksteen voor het parement, wijkt af van het algemene straatbeeld van de als stadsgezicht beschermde Vlaamsekaai, dat bijna integraal bestaat uit rode bakstenen panden in neorenaissancestijl.
De kelders waren oorspronkelijk toegankelijk van op de straat met een kelderdeur en bevatten ruime bier-, voorraad- en kolenkelders. De lijstgevels hebben een geel bakstenen parement met banden siermetselwerk in rode en zwarte baksteen. Begane grond met gebruik van hardsteen voor plint en afgeschuinde hoek en een doorlopende, ijzeren puilijst met rozetten boven de rechthoekige muuropeningen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209264)

We nemen hier links de Verlatstraat, naar kunstschilder Karel Verlat (1824-1890), vooral bekend als dierenschilder en bestuurder van de Academie van 1885 tot aan zijn dood.

De Verlatstraat is gelegen op het Zuid tussen de Vlaamsekaai en de Leopold De Waelplaats. De straat maakt deel uit van het originele verkavelingsplan van het Zuid, opgemaakt in 1875. Oorspronkelijk was deze straat een deel van de Schildersstraat; vanaf 1890 kreeg het deel van de straat ten westen van de Leopold De Waelplaats een eigen naam.

Het heterogene beeld van de Verlatstraat komt ook voort uit de combinatie van de bouwstijlen waarmee de aanwezige burgerhuizen zijn opgetrokken. Het gaat doorgaans over woningen van rond 1900, enkelhuizen van twee tot drie traveeën en drie bouwlagen. De combinatie van witte, neoclassicistische gevels met veelkleurige, eclectische parementen die we overal op het Zuid aantreffen, is in deze straat expliciet aanwezig (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/11328)

opslagplaatsen, gebouwd rond 1900

het laatste van deze witte gebouwen is de voormalige cinema Tokio. Het geheel van deze witte gebouwen is nu een bekende veilingzaal

Centraal in de Verlatstraat bevindt zich de vroegere “Cinema Tokio”. De bioscoop werd in 1912 ingeplant in deze drukke buurt, vlakbij de Hippodroom op de Leopold De Waelplaats. Het huidige uitzicht, met de art-decogevel, werd in 1922 ontworpen door het Brusselse bedrijf “Le Plasticolor” onder leiding van aannemer Hendrik Driesmans. Het pand wordt anno 2012 als veilingzaal gebruikt, waarbij de structuur van voorbouw en zaal bewaard bleef.
In 1912 diende aannemer en projectontwikkelaar Philip Ahlstrand een dossier in voor “het opbouwen van eene zaal voor cinéma Verlatstraat achter de huizen nummer 20 en 22”. Het project bestond uit twee appartementsgebouwen onder zadeldak aan de straatzijde, waarachter zich over de hele breedte van deze panden een zaal De zaal bestond uit een ijzeren constructie op slanke zuilen, onder een laag zadeldak. Op de begane grond van de voorhuizen bevonden zich de inkom en twee drinkzalen, met in de uiterste traveeën de trapzalen naar de appartementen op de verdiepingen. De voorhuizen hadden zeer eenvoudige, bakstenen lijstgevels met regelmatig geplaatste, rechthoekige en segmentbogige muuropeningen. Volgens de publicatie van Heirman werd de zaal toen uitgebaat door John De Backer en was het een filmzaal met een rijkelijke, oosterse aankleding.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de cinema zwaar beschadigd. Frans de Backer, de broer van John De Backer, liet de zaal heropbouwen in 1922, dit keer met een opvallende voorgevel die een visitekaartje moest zijn voor de achterliggende bioscoop. Het eerste ontwerp dat wordt ingediend was een ontwerp van architect Ernest Pelgrims. Het gebouw kreeg een gevel in Beaux-Artsstijl, met natuurstenen parement, getypeerd door gebogen fronton waarin het opschrift “Tokio”, korfbogige muuropeningen en een open korfboogarcade als inkom. De achterliggende zaal zou heropgebouwd worden als betonconstructie. Dit dossier werd echter vervangen door een nieuw voorstel, met plans die opvallen door een veel modernere, zuivere art decostijl. De nieuwe plans werden opgemaakt door het Brusselse bedrijf “Le Plasticolor” van aannemer Hendrik Driesmans. Hendrik Driesmans en zijn zoon architect Marcel Driesmans realiseerden verschillende bioscoopzalen tijdens het interbellum. Ze werden tevens beroemd door de ontwikkeling van een eigen decoratief plaatmateriaal genaamd plasticolor, wat ook de naam werd van hun bedrijf. Het ontwerp van de firma Le Plasticolor, onder leiding van aannemer Hendrik Driesmans, werd uitgevoerd.
De nieuwe bioscoop kreeg dezelfde structuur als de vooroorlogse cinema, met een voorbouw aan de Verlatstraat waarachter zich de zaal bevindt, over de gehele breedte van het perceel. Het betreft een constructie in gewapend beton, onder platte bedaking. In de smalle voorbouw zijn inkom en foyer ondergebracht, toiletten en trappen naar de bovenliggende kamers. De scene bevindt zich aan de achterkant van het perceel en bevat lichte art-decotoetsen aan de trappen.

De cinema kreeg een opvallende, veelkleurige art deco lijstgevel, die nu echter volledig witgeschilderd is. Overeenkomstig de naam van de bioscoop, werd gekozen voor decoratieve elementen geïnspireerd op de Japanse architectuur, ornamenten die echter allemaal verdwenen zijn. Het schrijnwerk werd rood gelakt, de erker was versierd met draken en oosterse plantenmotieven, de vensters in de zijtraveeën kregen een pagodevormige luifel. Na de Tweede Wereldoorlog werd de naam van de cinema veranderd in “Artis”, waarbij de oosterse versieringen werden verwijderd. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/214170)

en

beide samen Woon- en handelspanden van 1902. Deze twee totaal verschillende panden, werden samen opgetrokken in 1902 als “burgerwoning met bureelen, magazijn en stalling” naar ontwerp van Jean De Vroey voor Edmond Janssens. Het jaartal 1902 is aangebracht in een hardstenen cartouche in de deurtravee van nummer 29. Het combineren van panden voor wonen en werken in opdracht van één bouwheer is typisch voor de Verlatstraat. Soms betreft het woningen waar de bouwheer zelf ging wonen, in andere gevallen zijn het opbrengsteigendommen. In dit geval is het niet duidelijk of Janssens op nummer 27 heeft gewoond. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/209078)

De Verlatstraat mondt uit op het Leopold De Waelplaats, Politicus uit België (1823-1892) ,Jonkheer Léopold Charles Norbert de Wael was een Belgisch politicus voor de Liberale Partij.

De Leopold de Waelplaats is een langgerekt, rechthoekig plein centraal op het Zuid, tussen de Volkstraat en de Leopold de Waelstraat. Het plein maakt deel uit van het oorspronkelijke verkavelingsplan van het Zuid, opgemaakt in 1875. Oorspronkelijk werd dit plein de Volksplaats genoemd, sinds 1894 heeft het de huidige benaming, naar burgemeester Leopold De Wael die in 1892 was overleden.
Het Zuid wordt gekarakteriseerd door een patroon van rechte straten die op vele plaatsen straalsgewijs samenkomen op een rond of rechthoekig plein. Dit is ook het geval bij de Leopold de Waelplaats, waarop in totaal elf straten uitgeven. Het gekasseide plein is een vrij druk knooppunt, waarop ook tramlijnen passeren. Naast culturele functies als het Museum voor Schone Kunsten en het variététheater De Hippodroom, werden op dit plein vooral meergezinswoningen gebouwd met winkel- of caféfunctie op de begane grond. De bouwhoogte van deze panden loopt op tot vier bouwlagen, een bouwhoogte die enkel op grotere pleinen en brede verbindingswegen werd toegestaan.

De Verlatstraat is één van de straten die straalsgewijs in de hoeken van de langwerpige Leopold De Waelplaats uitkomen. Dit plein is het voorplein van het Museum voor Schone Kunsten, een gebouw dat van bij de planningsfase een centrale plaats op het Zuid in nam. De panden grenzend aan dit plein kregen allemaal een fraaie, representatieve gevel mee en hadden doorgaans een gelijkvloers voor horeca of winkels. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/11312)

053 

op de hoek van de Verlatstraat en de Leopold De Waelplaats, Eclectisch ensemble van woningen en winkels ontworpen door G. Van Oenen. Het gaat om een complex van zestien woningen die door een homogene, overkoepelende gevelafwerking als een groot ensemble zijn afgewerkt en om die reden zijn beschermd als stadsgezicht.

Het complex werd gebouwd rond 1904 naar ontwerp van architect Guillaume Van Oenen in opdracht van aannemer Philip Ahlstrand. Van Oenen, zelf wonende op het Zuid, tekende heel wat ontwerpen voor woningen in deze buurt en koos daarbij vaak voor een eclectische, rijk versierde stijl. Philip Ahlstrand, eveneens wonende op het Zuid, komt naar voor als investeerder en aannemer in de wijk, met belangrijke realisaties in de buurt van het Museum voor Schone Kunsten, met onder meer ook de bouw van Cinema Tokio in de Verlatstraat. Soms stond Ahlstrand zelf in voor de ontwerpen, bij andere projecten, zoals hier, verzocht hij een architect de plannen te tekenen.
Het complex bestaat uit zestien burgerhuizen met een exuberante gevelafwerking die voor een overkoepelend uitzicht zorgt. In het bouwdossier werden enkel de twee hoekhuizen als winkelhuis aangeduid, de andere als woonhuis. Ondertussen werden alle panden ingericht voor horeca en winkel. De monumentale gevelwand die uitkijkt op het Museum voor Schone Kunsten, groepeert de gevels van tien burgerhuizen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/208957)

Het meest opvallende gebouw is het Koninklijk Museum voor Schone Kusten

het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, nog steeds in verbouwing. In 2011 ging het museum dicht en misschien zal het openen in 2022

Gebouwd tussen 1884-90 in opdracht van het stadsbestuur met financiële tussenkomst van de Staat voor het in 1804 door Napoleon in het minderbroederklooster ingerichte museum.

Nadat de verzamelingen aldaar bedreigd waren door brand op stadswaag (1873) werd gezocht naar een meer geschikte ruimte voor de groeiende schilderijenverzamelingen (onder meer door talrijke legaten); uiteindelijk werd besloten tot de bouw van een museum in dit nieuwe stadskwartier. Uit de voor de uitgeschreven wedstrijd ingezonden ontwerpen werd dat van twee jonge Antwerpse architecten, J. Winders (1849-1936) en F. Van Dijk (1853-1939), laatstgenoemde voor de binneninrichting, verkozen.

Hierin werd duidelijk geopteerd voor een monumentale eclectische architectuur met spatieuse binneninrichting voorzien van indirecte verlichting. Een dergelijke “tempelachtige” opzet past geheel in de imposante 19de-eeuwse museumarchitectuur zoals die eerder werd toegepast voor de musea van Wenen, Dresden, München, Amsterdam (in opbouw).

Na de herinrichting van de benedenverdieping in 1921 onder leiding van architect F. Van Dijk, werd het museum in 1944 getroffen door een V-bom: niet alleen de binneninrichting, maar ook alle daklichten waren vernield; door te lange waterinsijpeling werd de toestand kritiek. Bovendien voldeed het gebouw niet meer aan de moderne museumfuncties. Een bibliotheek, een vergaderzaal (oostvleugel) en een cafetaria werden ingericht, terwijl op de bovenverdieping een documentatiezaal met schilderijen uit de reserve voor het publiek werd opengesteld (1973); 1976 met het oog op de grote Rubenstentoonstelling: gehele restauratie en herinrichting van het bouwvallige museum (nu volledig staatseigendom) onder leiding van architect W. Van Synghel. Gevels gereinigd en verstevigd, onder meer met stalen staven en slechte stenen vervangen,