Karin Veraart – Alles in één minuut

Niets is hem te gek om zijn studenten op te stuwen in de wereld van de kunst. Jos Houweling, directeur van het Sandberg Instituut, doet het met succes…

Het kwam kort geleden ‘binnen walmen’, zegt Jos Houweling opgeruimd. Het verzoek om een week lang te fungeren als gastcurator in het Centraal Museum in Utrecht of, preciezer, de Stallen bij het museum, een ruimte van toch al weer snel duizend vierkante meter. Natuurlijk zei de directeur van het Sandberg Instituut ja.
Op dit soort dingen zegt hij altijd ja, hij zoekt ze soms op zelfs. ‘Onverhoopt lege tentoonstellingsruimte? Ik doe er wel iets mee.’ Omdat hij dat ziet als een van zijn taken: het plaatsen van de student in de kunstwereld. Onder het motto: (hoezo zit de kunstwereld niet op je te wachten) je bent al een deel van de kunstwereld!
En nu moet het Sandberg dus rap met een expositie komen. Een week is echt weinig, opbouwen incluis. Maar de directeur oogt in zijn nopjes. Hij heeft in Utrecht de Eén Minuten Biënnale gedacht, een videoproject, waar hij op de hem kenmerkende manier, vol enthousiasme over kan vertellen.
Totdat hij wordt onderbroken door een wild geraas.
Het komt van boven, gebaart hij, berustend in een korte pauze. Zijn Sandberg Instituut, de tweede fase opleiding kunstonderwijs, die is gelieerd aan de Rietveld Academie, heeft kort geleden zijn intrek genomen in het Sint-Nicolaas klooster in Amsterdam Zuid.
In de verte raast de ringweg. Het is een gewilde plek, waarop projectontwikkelaars azen. Maar vooralsnog zitten ze hier goed, de circa vijfenvijftig kunststudenten. Alleen moet de belendende kapel uit 1952 nog even fiks worden opgeknapt. De Sint-Nicolaas cadeaujaren zijn aangebroken, schrijft de directeur vol vertrouwen in Verenigde Sandbergen, huisblad van de opleiding.
Jos Houweling (Amsterdam, 1943) lijkt schier onvermoeibaar. Eigenlijk sinds hij medio jaren zeventig aantreedt als docent aan de Rietveld, laat hij regelmatig van zich horen in de kunstwereld. Door opmerkelijke projecten als het 700 Centenboek (met foto’s van wat je al niet ziet op straat in Amsterdam), het Handige Jongensboek (vol tips, bijvoorbeeld over hoe snurken tegen te gaan door kikkers in een pyjama te naaien), in de hoedanigheid van Kunstombudsman – elke vraag over kunst wordt naar eer en geweten beantwoord – en met de bundel Kunstgenot Extra Speciaal – om maar een greep te doen.
Allengs ontwikkelt hij zich als drijvende kracht achter de afdeling Audio Visueel van de Rietveld Academie – die al snel onder de naam Voorheen Audio Visueel, of VAV, aan bekendheid wint – en vervolgens het Sandberg Instituut, waar hij zich sinds 1995 als directeur sterk maakt voor het kunstonderwijs. Vorige maand werd Jos Houweling geridderd tot Officier in de orde van Oranje Nassau voor zijn bijdrage aan de opleiding van generaties kunstenaars, die nu in Nederland furore maken. Hij wordt geroemd als inspirator, en als degene, die als geen ander leert, dat er meerder manieren zijn om naar kunst te kijken.
Dat was een heel bijzondere dag, de dag, dat hij koninklijk werd onderscheiden, zegt hij een beetje verlegen in zijn snor. Maar inderdaad, al sprekend over zijn bezigheden komen namen als Peter Klashorst, Rob Scholte, het duo Orgacom, Liza May Post, Joost Conijn, Alexandra Rouppe van der Voort, Job Koelewijn en wie niet al voorbij; zijn pupillen, zijn trots. Overigens, wie hem puur ziet als bescheiden vaderfiguur op de achtergrond, vergist zich toch.
‘Zo lijkt het misschien. Maar ik kreeg naast de medaille ook nog de wisseltrofee voor kunstonderwijs. Eigenlijk ben ik daar nog trotser op, een blijk van erkenning van mensen uit de wereld van de kunst, de kranten, oud studenten: een wisseltrofee, die naar mij is vernoemd, en die ik te zijner tijd mag doorgeven. Zeg nou zelf, eer genoeg.’
Hij grinnikt. Ja, je zou hem voor onderscheidingen,freak hebben kunnen verslijten. Altijd in de weer met het opstellen van lijstjes en prijzen in de meest opmerkelijke categorieën. ‘Vaak zijn die prijzen ironie. Bijna altijd. We leven in een maatschappij, waarin dat allemaal heel serieus genomen wordt, tot mijn stomme verbazing… Ach, en dan raak ik naïef enthousiast. Tot het geheel uit de hand loopt. Zo hebben we ooit de student van de maand verkiezingen gehad, vrij naar McDonald’s, zeg maar. Het begon hilarisch, maar na vijf keer was het bloedernstig: waarom die en die wel en ik niet? Uiteindelijk werd er iemand gekozen, die niet op het Sandberg zat, nou, rúzies!’
Grijnzend: ‘Ik duik altijd ergens helemaal in.’ Hij richt zich op in de volle lengte van zo’n twee meter en reikt naar een stel videobanden. Het laatste project: de Eén Minuten video’s, kortweg: de Eén Minuten. Het begon er mee, dat Houweling tegen de Amsterdamse Kunstraad mopperde over versnippering van culturele zendtijd. Kon er niet gewoon één cultuurzender komen? Hij reserveerde op voorhand een uur. En kreeg een uur. En na een tijdje zoeken vonden twee studenten dé invulling: ze lieten anderen videofilmpjes maken van een minuut, met de mooiste resultaten. Dus hij heeft het idee gewoon gebietst en uitgebouwd, zegt hij laconiek.
‘Het blijkt, dat het een fantastische maat is, één minuut; het zou best eens een soort standaard kunnen worden, net als A4. Wat je in een minuut te zien krijgt, is vaak een vondst. En het lijkt misschien makkelijk, dat is het niet. Naast hoogtepunten komt er veel saaie troep binnen. Klassieker: de minuut uit de rijdende trein; of de achtbaan.’ Op enig moment bedacht hij de (jaarlijkse) Awards, prijzen naar categorie. Voor 2002: (1) Best in the world, (2) Videographics, (3) Short Story, (4) Moving Photography, (5) Animation. De kandidaat mag zichzelf in de categorie indelen. Ook in de eerste, zo hij die van toepassing acht.
O, zegt hij herhaaldelijk, ik kan je prachtige dingen laten zien. Neem Liza May Post’s kampvuur: ‘Er spreekt zoveel gevoel uit! Heimwee, vervreemding, het heeft met teleurstelling, met doordraaien te maken…
’Voor de Biënnale nu in het Centraal Museum worden de Stallen ingedeeld in 24 landen paviljoens, met aan het hoofd van elk paviljoen een chef d’équipe, die zich over de Eén Minuten uit het desbetreffende land ontfermt.
Zijn droom: een Minuten netwerk over de wereld. ‘Ik vind, dat er in diverse landen centra moeten komen, gelieerd aan de televisiestations, die zorg dragen voor Een Minuten uitzendingen. Zodat je daar altijd je video heen kunt zenden. Stel je voor, Zuid Afrikaanse Een Minuten op de Chinese tv!’ Nu al, zegt hij, is het fenomeen in China immens populair, geweldig toch. Want dat is het doel: mondiale uitwisseling van kunst, betrekkelijk eenvoudig te bewerkstelligen.
‘Het idee heeft zoveel potentie. Daarom moet ik een risico durven nemen.’
En dat risico is, hoe kan het bijna anders, financieel; een expositie maken, zoals in Utrecht kost geld en het instituut is niet rijk. Houweling denkt er over Sandberg 2, hun expositieruimte in Hoorn, af te stoten. Met enorm veel pijn in het hart. Maar er komen eigenlijk te weinig mensen – ‘al maken de kunstenaars er juist door die totale afzondering, bepaald speciale exposities.’
Dit jaar zal ook de Kunstvlaai, Houwelings succesvolle antwoord op de Kunstrai, geen doorgang vinden. Spijtig. Een ongelukkige samenloop der dingen: de locatie, het Westergas fabriek terrein in Amsterdam, kampt nog met die vervuilde grond; maar ook heeft de Mondriaan Stichting, eerder goed voor een derde van de honderdduizend gulden ,die de Kunstvlaai ‘kost’, besloten de financiële steun aan het project stop te zetten.
Nu, ja, zegt Houweling fier, ‘Maar goed ook. Je moet een goed concept als de Kunstvlaai ook niet uitwonen: dat gaat ten koste van de kwaliteit.’ Volgend jaar weer.
Hij kijkt ondeugend, terwijl hij weer een brochure te voorschijn haalt: Visitatie BKV, staat er voorop, in de huisstijl van het instituut. Want Jos Houweling, de fan, die de hele wereld bestookt met zelf gemaakte Ajax kunstwerkjes; die hele recepten uitdenkt op grond van gevonden boodschappenbriefjes en het resultaat nog te boek stelt ook (pinda kool, betonsoep, ei met krenten); dezelfde, die de directeur van het Stedelijk in honderd columns toevoegt: Rudi Fuchs Eruit of Ik, en die ruimhartig roept, dat álles met kunst te maken heeft – die moet zo af en toe behoorlijk bureaucratisch zijn in de strijd met de autoriteiten en de per kabinet wisselende visies op zijn instituut.
Die visitatie dus, daar hangt weer een hoop vanaf, en Houweling probeert in het rapport keurig netjes antwoord te geven op vragen als: heeft de opleiding een duidelijke en adequate eigen visie op het beroep en de beroepspraktijk, waarvoor wordt opgeleid? Maar hij verkneukelt zich, terwijl hij de bladzijde ernaast laat zien, met een 43 punten tellend typisch Houweling lijstje.Zo is een kunstenaar lastig (punt 27), maar niet te lastig (28), leeft (11) en experimenteert (9) hij, jat en verbetert hij andermans ideeën (12), kan hij toveren, knippen en plakken (41) en eet hij met vork en mes (42). O, ja, en in de allerlaatste plaats haalt hij voldoende studiepunten.
‘Ik zou niet weten, hoe ik die moest berekenen’, mompelt hij. ‘Soms laat ik ze het zelf maar invullen. Weet je, ik ga er van uit, dat mensen, die hier zitten, al goed zijn. Ik kan ze geen talent bezorgen. Wat je kunt leren is kritisch denken en zorgen, dat ze zich een plek weten te verwerven in de kunstwereld. Want dat kan echt een probleem zijn. Soms stuit je op de prachtigste dingen van mensen van wie je nog nooit hebt gehoord. Een jaar Sandberg en daar zie je ze gaan! Het gaat voor een deel om je zelf presenteren, een eigen netwerk opzetten. We spelen geen schooltje.
‘Het is dus een noodzaak,’ zegt hij, ‘om veel (en zo goedkoop mogelijk) exposities te organiseren. ‘Ik zeg altijd: dit is een keihard beroep.’ Lopend door de kloostergangen, langs de cellen: ‘Het lijkt heel relaxed, maar je moet bedenken, dat niemand vakantie heeft. Hebben we afgeschaft. Alleen als mensen een tentoonstelling hebben kunnen ze dagen opnemen. Zo werkt het kunstvak.’
Hij wil kansen creëren voor zijn studenten. ‘Maar die móeten ze dan ook grijpen. Niet de dingen aan je neus voorbij laten gaan en dan later mopperend op Pim Fortuyn gaan stemmen.’
Mijmert: ‘Ik heb zelf heel wat kansen gekregen in het leven.’ Van tekenleraar op de LTS (‘de docent met het suffigste vak natuurlijk, mikpunt bij uitstek van spot en hoon’) tot Rietveld docent: ‘Ik vond het wat! Inmiddels wordt je gevraagd, ik moest nog solliciteren. Had een heel lesplan bij me. Dat maakte indruk, begreep ik later.’ Oprichter van de afdeling (V)AV. ‘Dat doe je als het ware op een achternamiddag. Kijken waar er nog een lokaal vrij is.’
En dan uiteindelijk het Sandberg. ‘Dat was uniek. De kans om dat helemaal op te zetten!
Nu mogen studenten bepalen, wie er gastdocent worden.’ Grinnikt: ‘Straks zit er dan iemand met dat vervelende erfgoed van mij.’ Serieus: ‘Ik heb lang gedacht, dat het allemaal te hoog gegrepen was. Dat háál je niet, Jos. Maar ik wilde heel graag net even dat extra’s geven. Dat zeg ik ook altijd tegen mijn studenten: het kan ‘m net dáár in zitten, in dat extraatje.’
‘En dan zie je de opvallendste dingen gebeuren, en realiseer je je, dat je in de loop der jaren net zo goed door je studenten bent gevormd als zij door jou. Maar inderdaad, ik heb er een hoop goeie afgeleverd. Daarom vind ik, dat ik de volgende Biënnale van Venetië mag inrichten.’ Wrijft zich in de handen: ‘Daar ga ik eens een brief over schrijven. En als ze niet snel reageren, doe ik ‘t voor een ander land.’

De Volkskrant, 23 mei 2002, 00:00

https://www.volkskrant.nl/archief/alles-in-een-minuut~a638581/

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/?s=Jos+Houweling