Joost Zwagerman – Voor een polemiek heb je geen column nodig

Critici die menen dat er geen columnisten meer zijn die met elkaar op de vuist gaan, romantiseren het verleden. Er worden bovendien nog wel degelijk serieuze polemieken gevoerd waarin misschien niet altijd de toon, maar in ieder geval wél de inzet hoog is, betoogt Joost Zwagerman….

In de Volkskrant-bijlage ‘Stroom’ maakte redacteur Kees Beekmans afgelopen zaterdag een bel ronde langs een aantal hoofdredacteuren en (ex)columnisten en constateerde dat er tegenwoordig geen columnist is te vinden die in staat en bereid is om eens lekker tegen alles en iedereen te fulmineren.
Zoals gewoonlijk was het vroeger beter. Toen bestonden er nog gevreesde polemisten: Renate Rubinstein, Rudy Kousbroek, W.F. Hermans, Jeroen Brouwers, Piet Grijs, Gerrit Komrij. Zij keken niet op een columnisten-oorlog meer of minder en vreesden de controverse en het impopulaire standpunt niet.
Kees Beekmans noteerde dat deze polemische cannonnen in hun wereld eenvoudig geen andere mening duldden (cursivering van Kees Beekmans, JZ). Met die omschrijving wordt hen achteraf een dictatoriaal trekje toegedicht, want je zou nu juist zeggen dat een béétje polemist tegenspraak wil uitlokken. Wie geen andere meningen duldt, is snel uitgepolemiseerd.
De in ‘Stroom’ gepolste redacteuren en andere krantisten die zo node een ruziënde columnist zeggen te missen zien over het hoofd dat drie van de zes voornoemde illustere polemisten zelden of nooit columns hebben geschreven. W.F. Hermans publiceerde de polemieken in Mandarijnen op zwavelzuur oorspronkelijk in literaire tijdschriften, en zij hebben allesbehalve de vorm van een column. Medio jaren zeventig schreef hij onder het pseudoniem Bijkaart wel een reeks columneske ‘boze brieven’ in Het Parool, maar die stukjes hebben alleen in de marge bijgedragen aan zijn reputatie van ‘gevreesd polemist’.
De in de diverse delen Anathema’s gebundelde artikelen van Rudy Kousbroek verschenen weliswaar in de krant, maar zelden als column. En Jeroen Brouwers heeft al helemaal nooit een column gepubliceerd. Zijn polemieken publiceerde hij hoofdzakelijk in literaire tijdschriften. Het beruchte schotschrift De nieuwe revisor verscheen in Tirade en was van een lengte waar zelfs twintig columns op rij nog ontoereikend zouden zijn geweest.
In het geval van Hermans, Kousbroek en Brouwers wordt er dus iets ‘gemist’ wat er in column vorm nooit is geweest. Blijven over: Renate Rubinstein, Gerrit Komrij en Piet Grijs. Zíj moeten het zijn op wie Kees Beekmans doelt als hij schrijft: ‘Die generatie is inmiddels dood, of moegestreden’. Rubinstein is dood, dus dat ‘moegestreden’ moet slaan op Gerrit Komrij en Piet Grijs.
Komrij schrijft tegenwoordig appreciërende, analyserende columns over poëzie. Hij maakt in die stukken in NRC Handelsblad allerminst een vermoeide indruk – het verschil is slechts dat hij zijn energie vroeger richtte op wat hem afstootte en nu op wat hem aantrekt. Piet Grijs heeft nog niets van zijn polemische houding verloren, zij het dat hij minder váák dan vroeger op oorlogspad is. Maar zijn de beide oudgedienden door die veranderde aandacht en werkwijze ook meteen maar ‘moegestreden’? En zo ja, is dat dan niet een verwijt dat je de heren zélf en niet een jongere generatie moet maken?
Er worden de laatste jaren wel degelijk substantiële polemieken gevoerd waarin misschien niet altijd de toon, maar in ieder geval wél de inzet hoog is. Het is alleen even zoeken; columns afgrazen volstaat niet.
Willem Jan Otten pleitte de afgelopen jaren in NRC Handelsblad voor een herwaardering van religieuze noties. Zijn essay leidde tot heftige discussie met, onder meer, Kousbroek.
In dezelfde krant bestempelde Bas Heijne zichzelf bij wijze van polemische geuzentruc tot een schrijver in de ivoren toren. Hoog en droog smaalde Heijne tegen iedereen die pleitte voor ook maar een onsje meer ‘straatrumoer’ in kunst en literatuur. Zelfs met een pistool op je slaap zou je Heijne nog geen gelijk willen geven, maar hij hééft het wel ergens over.
En onlangs publiceerde P.F. Thomése in De Revisor een haat serenade tegen wat hij noemt een narcistische samenzwering onder uitgevers en schrijvers voor wie autobiografie en literair exhibitionisme de nieuwe kwaliteitscriteria zijn, met als gevolg een funeste verkwanseling van de literatuur.
Wie na deze voorbeelden blijft klagen over een leemte ná de generatie van Hermans en Rubinstein, lijdt aan wat in Amerika generational chauvinism wordt genoemd. Je bent een ‘generational chauvinist’ als je bijvoorbeeld Rob Scholte verwijt dat hij niet net zo schildert als Karel Appel. Of als je zegt dat Felix Rottenberg het er alleen maar goed vanaf brengt als hij net zo hamerend debatteert als destijds Joop den Uyl.
Voor de ‘generational chauvinist’ is het nooit goed: wie het, zoals Otten, Heijne en Thomése, anders doet dan volgens de maatstaven van de oude garde, doet het automatisch altijd minder. En doe je het voor de verandering wél volgens hun normen, ben je ook de lul want een epigoon.
‘Generational chauvinist’ bij uitstek is Bob Polak. Het is komisch om uitgerekend Polak te zien worden opgevoerd als getuige à charge tegen de huidige columnisten. Diezelfde Polak moest het destijds in Jeroen Brouwers’ ‘De nieuwe Revisor’ ontgelden als één van degenen die het literair klimaat in de jaren zeventig verpestte met een overdaad aan oeverloze lolligheid. Als Brouwers érgens tegen te keer ging, dan was het tegen de Bob Polak-achtigen.
Polak wordt verder herinnerd als de kwal die zich in het onderbeen van W.F. Hermans had gezogen door zonder toestemming diens werk in druk uit te geven en tegen wie Hermans zich genoodzaakt achtte te procederen. Van Bob Polak duldde W.F. Hermans inderdaad niets, nee.
Beekman schrijft fijntjes over Polak dat hij in de jaren tachtig ‘berucht was om zijn gemene stukjes’. Gemene stukjes schrijven kan iedereen, voor polemiseren is er méér vereist. Een onderwerp, bijvoorbeeld. Dat had Polak zelden. Types als hij verpuberaliseerden het genre van de polemiek met een op de man gespeeld gescheld en afzeikertjes over iemands uiterlijk. Meer had hij niet in huis.
Als de zogenaamd ‘moegestreden’ Grijs en Komrij dan toch moeten worden opgevoerd als uitgebluste verzet strijders, dan was Bob Polak hooguit een oververhitte F-sider. In dat opzicht is het alleen maar een zegen dat de meeste columnisten van tegenwoordig niet voldoen aan Polaks kennelijke ideaalbeeld.
En als Polak dan toch iets heeft te klagen over een babbel cultuur onder columnisten over ‘relaties en je eigen uiterlijk’, dan zou hij er toch bij moeten zeggen dat de meesten dit vermoedelijk hebben opgepikt bij Renate Rubinstein, behalve gevreesd polemiste tevens koningin-moeder van de column waarin het persoonlijke politiek is en vice versa.
Behalve over Weinreb, kernbewapening en feminisme kon Rubinstein óók zeer gedreven uitweiden over huiselijke besognes. Want net zo min als de polemiek is verdwenen, is het ‘babbeldebabbel’ iets exclusiefs voor huidige columnisten.
Lees er Rubinstein maar op na in het stukje ‘Tuttel & Co’ uit haar bundel Liefst verliefd. Volgens de overlevering was Rubinstein kennelijk iemand die in haar wereld geen andere mening duldde, maar ze bliefde gelukkig graag een kopje koffie.’Ik moet ‘s avonds geen koffie drinken; vroeger had ik dat niet, maar tegenwoordig heb ik dat wel. Ook moet ik niet om drie uur naar bed gaan, want dan ben ik te moe om in te slapen en word toch weer wakker op de gewone tijd. Ik weet het best, maar ik onthoud het niet. (. . .) Want ik hou van koffie en gezelligheid kent geen tijd.’

De Volkskrant, 21 oktober 1998, 00:00

http://www.volkskrant.nl/archief/voor-een-polemiek-heb-je-geen-column-nodig~a447911/