Henriette Bucciarelli – Ook mevrouw Bulte dwaalt door het leven (7): Oorlogssoep

Wat ben ik toch een raar mens, denkt mevrouw Bulte. In deze hele maatschappij is er niet één, die geen magnetron heeft, behalve ik. En nu ziet ze zo’n ding bij het grofvuil staan.
Als hij het nog deed, zouden ze hem niet hebben weggedaan, bepeinst ze.
Zo een ding is bovendien veel te zwaar om mee te nemen.
Mevrouw Bulte wandelt met langzame pas verder. Ze fantaseert over een wonderoven. Een oven, die alles kan. Eén, die voedsel bereidt zonder sporen van afwas.
Als je geen potten en pannen hoeft te gebruiken, kost het leven een habbekrats, mijmert ze. Al dat kant en klare voedsel, dat kost goud geld. Het is de arbeid, die je betaalt. Maar de mens is lui en heeft geen zin in al die rompslomp. Want dat krijg je van al dat gekook. Dan maar blikjes. Daar heb je ten minste geen overlast van.
Maar het is niet zo gezond, weet ze. De gegoede mens eet vers en daarom heeft hij de magnetron uitgevonden.
Ze loopt verder en denkt aan erwtensoep en stamppot. Ze gelooft waarachtig, dat ze de geur ruikt.
Ach, wat een onzin, denkt ze dan weer. Jij kunt best in een pannetje koken, Stien Bulte. Een pan is zo oud als de mensheid zelf en als de pan duizenden generaties begeleid heeft, kun jij je er ook nog wel even mee redden. En daar heeft ze ook weer gelijk in.
Ze maakt meteen halt bij een groenteboer. De groenten worden beschenen met halogeen lampjes waardoor mevrouw Bulte de indruk krijgt, dat de rauwkost  hier als goud gewogen wordt. Er zijn bovendien zoveel soorten groenten, dat mevrouw Bulte niet goed na kan denken. Wat moet ze zeggen, als de groenteboer vraagt, wat ze blieft? Gelukkig staat er nog iemand en heeft ze nog even tijd.
Een kooltje! denkt mevrouw Bulte gewiekst. Neem maar een kooltje, daar kun je je geen buil aan vallen.
Gelukkig, dat ze dat zojuist bedacht heeft, want mevrouw Bulte is al aan de beurt.
‘Doet u maar kool, groenteman,’ zegt ze deftig.
‘Witte kool, rode kool?’ vraagt hij, terwijl hij een rood kooltje aanwijst.
‘Rode kool is goed,’ zegt mevrouw Bulte. Op dit moment is alles goed.
‘Appeltje erbij?’
Oei, nu wordt het lastig. Wil ze appels? Het duizelt haar een beetje. Tot ze beseft; rode kool met appeltjes!
Ze dacht, dat men die alleen uit de diepvries at. En moesten daar geen hele rare kruiden bij?
‘Nee, een stengel prei,’ zegt ze ferm. Ze is blij, dat ze Nederlands spreekt.
De man doet gewillig een prei in de zak.
Ik ben blij, zo blij, zingt het van binnen. Maar daarop volgt meteen een andere gedachte. Wat nou blij? Wat nou blij? Natuurlijk doet die man, wat je zegt. Je betaalt er toch voor. Ze weet zelf niet, waarom ze altijd een terechtwijzing verwacht. Ze knispert met een briefje van tien euro in haar vuist.
De prijs valt reuze mee. Ze krijgt veel kleingeld terug. Wat heb je toch een levensangsten, berispt mevrouw Bulte zichzelf als ze even later op de stoep staat. Ze eten je niet op!
Ze loopt gauw naar huis.
Het is vreemd thuis te komen met de groenten. Ze voelen heel koud aan.
Het zijn, geloof ik, knollen, bepeinst mevrouw Bulte.
Nou, geef het maar aan je zelf toe, denkt ze. Je hebt weer gek gedaan. Nu zit je met een kool in je maag. Die gaat over een week de vuilnisbak in. Mevrouw Bulte legt de kool op het aanrecht en bestudeert hem op afstand.
Ja, er ligt een kool op mijn aanrecht. Nou en?, denkt ze dan. Het gaat ten slotte om het avontuur. Het is zo lang geleden, dat ik dat soort knollen in mijn handen had. Dat trekt je weer even in het maatschappelijk bestaan.
En het is werkelijk een bijzondere gewaarwording, hoe de kool stroef onder haar vingers voelt.
Met haar jas nog aan, snijdt ze een paar koolbladeren in stukjes. Hoe mooi steekt het paars af bij het wit. Ziezo, denkt ze. Dat is het voordeel van het alleen zijn. Al kook je oorlogseten. Niemand, die je het verbiedt. Je bent vrij, Stien Bulte. Knoop dat nou eens goed in je oren.
Ze doet er een beetje water bij en bedenkt opeens, dat ze nog een bouillonblokje heeft.
Zo is dat. Ik maak soep!, denkt ze triomfantelijk.
Ze zet het pannetje op en loopt naar de huiskamer. Hé, wat is het hier lekker warm. Ze doet haar jas uit en pakt de krant. Tram wordt weer duurder staat er met grote letters.
Na tien minuten gaat mevrouw Bulte maar eens kijken.
Alles in het pannetje is helemaal blauw geworden. De prei en de stukjes aardappels ook. Of ze blauwe plekken hebben. Het is echt oorlogssoep geworden.
Eet het nou maar gewoon op, zegt mevrouw Bulte tegen zichzelf. Dat is krachtvoer. Ze doet de soep in een bordje.
Hé, maar het is verrukkelijk! De soep smaakt mevrouw Bulte boven verwachting. Zo heeft ze rode kool nog nooit gegeten.
‘Nou, nou’, zegt ze bij elke hap hoofdschuddend. ‘Wat een ontdekking!’ De mensen moesten eens weten. Hier kan ik iedere dag wel een bordje van eten.
Ze is er helemaal vol van. Ze bedenkt hoe ze wel niet zou kunnen variëren. Sperzieboontjes, witte kool, spinazie.
Je hebt er maar een handje vol van nodig. En die kool komt wèl op. Morgen gaat ze naar de bibliotheek. Ze wil weten wat er nou precies aan voedingsstoffen in rode kool zit. Zachtjes fluitend spoelt ze het pannetje en haar bord om.
De soep in de buik van mevrouw Bulte spreidt een warm gevoel uit, dat tot diep in haar hart gaat.

1 Comment

  1. heleen van der leest 7 december 2016 at 12:24

    Wie houdt er nu niet van mevrouw Bulte?

Comments are closed.