Henriette Bucciarelli – Ook mevrouw Bulte dwaalt door het leven (3): La grande bouffe

Ik heb gewoon schriebes, denkt mevrouw Bulte. Soms heeft een mens dat, dat hij echt honger heeft. En thuis zal ze de hond in de pot vinden. Bovendien begint het alleen zijn de laatste tijd zo zwaar te wegen. Daar steekt mevrouw Bulte altijd onmiddellijk een stokje voor. Een stokje tegen zwaarwichtigheid noemt ze het. Gek woord trouwens, bedenkt ze zich, het zou eigenlijk een positieve betekenis moeten hebben. Zwaartekracht in een persoon is ten slotte letterlijk en figuurlijk uiterst gewenst. Anders zou een mens maar gaan zweven. Misschien is ‘zwaarmoedigheid’ meer het woord in haar geval. Dat het leven zo zwaar drukt, dat de levensmoed eruit gaat.
Nee, mevrouw Bulte moet stante pede op zoek naar uitkomst; een praatje in het park, naar de soos van Flesseman, naar de Goodwillburgh. Dat valt nog niet altijd mee, hoor. Mensen vinden. Want iedereen draait op zijn eigen uitgevonden wielletje. Je wordt altijd maar geacht je met de dingen geheel zelfstandig te kunnen vermaken. Naar de bioscoop, naar het museum of de bibliotheek. Allemaal volksvermaak, ja, maar je hoort er je eigen stemgeluid niet bij. Het blijft doodstil om je heen. Het gemoed wordt niet gelucht. Zwaarmoedigheid. Bijzonder hoe de taal, dat zo kan uitdrukken.
Terwijl het rondtolt in haar hoofd, ziet ze ineens Wilma en Jacob bij de Blauwe Druif zitten.
‘Stien, Stien!’ roepen ze.
Zo, zo, wat zitten die gebruind met goud te blinken op het terras. Verheugd stapt mevrouw Bulte er op af. De laatste keer, dat ze hen zag, is zolang geleden, dat er zich van binnen geen enkel obstakel vormt.
‘Nou ja, hoe is het met jullie?’
‘Ja goed. Wij maken het best. Kom er effe bijzitten. Dat is lang geleden!’
Al gauw weet mevrouw Bulte, dat het paar de laatste jaren overwintert in Benidorm. Daar heeft mevrouw Bulte weleens van gehoord. Dat ligt in Spanje, weet ze, maar toch krijgt ze bij de naam Benidorm altijd associaties van een soort Open dorp met zandpaden. Een soort pretpark voor bejaarden, waar het altijd mooi weer is.
‘Fantastisch!’ roemt Wilma haar tweede résidence. ‘Er is elke avond wel Sangria en Karaoke. En op het moment is salsa dansen erg populair. Het is enig!’
Mevrouw Bulte begrijpt niet goed, waar ze het over heeft, maar knikt ter aanmoediging.
‘Oh, en we golven,’ zegt Jacob ‘en we gaan bijna altijd uit eten.’
‘Zo, zo,’ zegt mevrouw Bulte met een maag, die bijna flauwvalt.
‘Straks gaan we naar IJmuiden, daar hebben we een prachtig zee appartement.’ Wilma lacht.
‘We hebben net boodschappen gedaan, Stien. Zoveel eten! Dat geloof je niet! Jacob haalt altijd voor een weeshuis in huis.’
Mevrouw Bulte proeft zomaar opeens een verkoelende zoete tros druiven in haar mond.
‘IJmuiden, dat is wel ver weg,’ zegt ze zachtjes.
‘Welnee, we zijn met de auto. Wat dacht jij dan? Daar zijn we zo hoor. In een half uurtje. Zeg, waarom ga je niet mee? Je ken ook bij ons logeren, tenslotte.’
‘O, nee,’ zegt mevrouw Bulte.
‘Jawel, je komt mee,’ dringt Jacob aan. ‘We hebben mosselen en verse zoute haring.’
Het begint mevrouw Bulte te duizelen. Iets verrukkelijkers bestaat er niet op de aardbol.
‘En we hebben krielaardappeltjes met gesmolten boter.’
‘Zo, zo. Ben jij dan zo’n kok, Wilma?’
‘Nee, joh, ikke niet. Jacob! Die kookt! Lekker, mens! Hè, ga nou mee. We hebben zoveel eten, Dat krijgen we alleen allemaal nooit op.’
Mevrouw Bulte gaat overstag. De gedachte aan al dat lekkere eten prevaleert boven haar natuurlijke voorzichtigheid.
Ze moet wel lang wachten, maar dat houdt ze wel uit. Ze denkt, dat over een uurtje haar wel iets aangeboden zal worden.
Onderweg vertelt Wilma honderduit. Ze heeft iets jeugdigs gehouden, vindt mevrouw Bulte.
Dat enthousiasme over dat strandpaleis aan zee. De nieuwe snorfietsen, die ze gekocht hebben. Mevrouw Bulte moet erkennen, dat ze levenslust hebben. Wilma praat maar door. Nou, nou, nou. Het ziet ernaar uit, dat deze twee mensen een lotje uit de loterij getrokken hebben. Het is allemaal even fantastisch.
Aangekomen schrikt mevrouw Bulte zich een hoedje. De woning blijkt een hele gewone doorzonflat te zijn. Het is er nogal kaal ook. En toch ontbreekt er niets. Het is net een compleet poppenhuis. Er hangt vitrage en er staat zo een televisiemeubel. En er hangt een lamp aan het plafond, maar het is er toch vreemd. ‘Het is alsof ze in een showroom wonen,’ denkt mevrouw Bulte.
Er staat een groot plastic beige bankstel, dat wel zeven mensen kan herbergen. Wilma is er aandoenlijk trots op. ‘Ze doet, of ze net de bruid geworden is en dit hun eerste optrekje is,’ denkt mevrouw Bulte.
Over eten wordt niet meer gesproken. Ook ziet mevrouw Bulte niemand aanstalten maken om iets te bereiden. In plaats daarvan wordt de keuken hartstochtelijk geprezen.
Maar mevrouw Bulte ziet niets anders, dan een heel eenvoudige witte keuken. ‘Een speelgoedkeuken,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Helemaal geen plek om uitgebreid te kokkerellen.’
Maar mevrouw Bulte toont zich enthousiast en roemt de rijkdom van het paar. Het valt niet mee, want er valt weinig opvallends te bezien. Ondertussen wordt het gat in haar maag alsmaar groter. Ze voelt zich helemaal naar. Gelukkig krijgt ze na lang wachten een kopje thee. Als Wilma en Jacob zich even verwijderen om die beroemde boodschappen op te bergen, steelt ze gauw een handjevol koekjes. Ze stopt ze gauw in haar zak.
‘Ik steel niet graag,’ denkt ze, ‘maar dit is nood.’ Net op tijd, want het paar keert al weer druk pratend terug.
Wilma sluit beslist de koekjestrommel en zet hem in het televisiemeubel. Mevrouw Bulte betast de koekjes in haar jaszak. Wat een tegenwoordigheid van geest. Mevrouw Bulte complimenteert zichzelf.
Ottelenooie. Waar blijft dat eten nou? Krakend van de biscuitjes staat ze op en laat zich het toilet wijzen. Daar eet ze haastig de kaakjes op en drinkt uit een piepklein kraantje kleine slokjes water. Ziezo. Ze is toch weer even gesteld.
Het is allemaal haar eigen schuld, vindt ze. Want wat is de eerste regel des levens? Juist ja. Nooit met een lege maag ergens naar toe!
Nou ja, troost ze zich zelf, nu zullen ze wel zo gaan eten. Dan neemt het wachten een einde. Het is natuurlijk kant-en-klaar voedsel, dat slechts even opgediend moet worden. Het is al negen uur s ’avonds. Is dat geen mooie tijd om een kleinigheid te nuttigen?’
Maar dat dat er voor vandaag niet meer in zit, merkt mevrouw Bulte als de gastheer opeens aankondigt, dat mevrouw Bulte zich terug mag trekken in de trots van hun huis; de gastkamer. Het is een treurige kamer, waar de zon waarschijnlijk nooit binnendringt. Maar het is goed. Hij past precies bij het gemoed van mevrouw Bulte. Er staat niets meer in dan een opklap bedje (ja, kèurig hoor) en een soort gymnastiekapparaat.
Mevrouw Bulte strekt zich op het piepende geval uit. Morgen het ontbijt. Uren ligt ze wakker. Waarom is ze toch met die gekken meegegaan? Veel geblaat, weinig wol.
Maar ‘s morgens is het toch wel aangenaam in die lege, gelijkvloerse flat. Het licht is hier toch anders, bedenkt mevrouw Bulte als ze naar buiten kijkt. Moderner. Dat donkere, historische van de Amsterdamse lucht hebben ze hier niet. Daarvoor in de plaats hebben ze hier zo’n opgewekte zestiger jaren hemel.
Ze stommelt naar de keuken. Nou, Wilma is al op, hoor. En Jacob ook. Allebei in een identieke badjas. En zie, er wordt daadwerkelijk wat gerommeld in de keuken.
Verheugd zet mevrouw Bulte zich met al haar hoop, geloof en liefde aan het formica tafeltje en doet zo opgewekt mogelijk. Ook het paar heeft niets aan geestdrift ingeboet. Triomfantelijk zet Jacob een ei voor haar neus. Keurig in een daarvoor bestemd eierdopje. Mevrouw Bulte herinnert zich niet zoiets ooit bezeten te hebben.
‘Ja, we eten maar één eitje, hé,’ zegt Wilma. ‘Anders bederven we onze eetlust maar, want vanmiddag komt er zo’n uitgebreid maal.’
‘Als je het in een boek leest, geloof je het niet,’ denkt mevrouw Bulte. Ze zou het liefst naar huis willen. Maar ze moet nog wachten. Op de grote Bouffe.