Els Quaegebeur – Interview met Diana Stigter: ‘Ik hijs graag onbekend talent op het schild’

Galeriehouder Diana Stigter (53) heeft de kunstwereld in twintig jaar commerciëler en populistischer zien worden. Vorig jaar kreeg ze een herseninfarct, waarvan ze goed is hersteld. ‘Ik heb het optimisme-gen van mijn oma geërfd.’

Diana Stigter maakt espresso’s in het keukentje van haar ruime galerie voor hedendaagse kunst op de hoek van de Elandsstraat en de Hazenstraat. Ze is de dochter van schrijver K. Schippers (pseudoniem van Gerard Stigter, red.), haar zus Bianca is journalist en kunstcriticus. Het is de derde dag van het nieuwe jaar. Binnen is het bijna net zo koud als buiten want de verwarming is uitgevallen. Het herinnert haar aan de tijd dat ze als jonge kunstgeschiedenisstudent assistent was in The Living Room, dé hippe galerie van de jaren tachtig in Amsterdam. Het was daar ‘s winters zo koud dat Stigter haar werk deed in een bontjas en handschoenen met afgeknipte vingers.

The Living Room was de galerie van kunstenaars als Aldert Mantje, Harald Vlugt, Peer Veneman en Rob Scholte. Met de laatste had Stigter acht jaar een relatie. Het ging uit een paar jaar voor hij zwaargewond raakte (hij verloor beide benen) toen er een handgranaat ontplofte onder zijn auto, in 1994. “Toen ik hem leerde kennen zat Rob in de scene met Martin Bril, Dirk van Weelden, Peter Klashorst; een avant-gardistische aorta in de nihilistische, postpunkperiode in Amsterdam. Rob was in Nederland de personificatie van de succesvolle kunstenaar in de jaren tachtig, iets waar hij moeilijk mee kon omgaan. Hij had een haat-liefdeverhouding met zijn succes. Het was altijd hardcore drama. Je moest stevig in je schoenen staan om daar mee om te kunnen gaan. En nu was ik best stevig, maar ook gewoon pas een jaar of twintig.” Ze lacht schor. “Ja, dat waren turbulente tijden, een belangrijke leerschool in zowel de liefde als de kunst.”

Een steenrijke Indiase verzamelaar die ze leerde kennen toen ze met Scholte in Brussel woonde, raadde haar aan een eigen galerie te beginnen. Dat deed ze in 1992 met galerie Bloom in de Bloemstraat, met Annet Gelink. Zeven jaar later ging ze alleen verder. Inmiddels had ze een dochter, Jade (nu zestien), met haar vriend David van Doesburg, met wie ze sinds een aantal jaar de galerie leidt.

Stigter steekt een sigaret op. Roken moet eigenlijk buiten, maar vandaag even niet. En ze moet ook stoppen, niet in de laatste plaats omdat ze vorig jaar rond deze tijd werd getroffen door een herseninfarct.

“Ja, dat was wat. Ik werd midden in de nacht wakker, stond op om naar de wc te gaan en zakte door mijn been. Als een veulen lag ik op de grond, maar er ging geen belletje rinkelen dat het iets ergs zou kunnen zijn. Ik ben gewoon weer gaan slapen. ‘s Ochtends zakte ik weer door mijn been. Ik ging naar de dokter, ondersteund door David, want ik kon niet staan of lopen. De huisarts vroeg of ik met mijn wijsvinger mijn neus kon aanwijzen. Ik zat er een halve meter naast. Aan zijn gezicht zag ik dat het goed mis was. Binnen een uur lag ik op de afdeling neurologie van het OLVG met verlammings- en uitvalsverschijnselen. Pas bij het zien van mijn kamergenoten drong de ernst tot me door. De een kon niet slikken en de ander kon helemaal niets meer; dat was een plantje. Ik mocht gelukkig na twee weken verhuizen van het ziekenhuis naar revalidatiecentrum Reade op de Overtoom. Daar ging het al snel beter.”

Is er een oorzaak gevonden?

“Nou, ik deed natuurlijk een paar dingen die het risico op een herseninfarct vergroten. De pil slikken. Roken. Vooral die combinatie kan gevaarlijk zijn. Met de pil ben ik onmiddellijk gestopt. Met roken bijna.”

Hoe gaat dat, bijna stoppen?

“Beginnen met sterk verminderen en dan steeds minder en minder. Zo is het mijn vader ook gelukt. Hij begon met drie pakjes Gauloises zonder filter en hij rookt nu helemaal niet meer. David is in mei gestopt. Ik moet nu ook echt. Eind januari begin ik ermee, met stoppen. Nee, niet 1 januari. Dat kan ik niet aan.”

Heeft u er iets aan overgehouden?

“Nee, ik merk er nu niets meer van. In het begin wel. Ik kon een tijdje niet zo veel dingen tegelijk, zoals telefoneren en
tegelijkertijd mijn e-mails checken of iets opzoeken, nou ja, zoals mijn leven altijd was. Inmiddels kan ik het weer door elkaar.”

Wel jammer eigenlijk.

“Ja, het is natuurlijk heel goed om de dingen een voor een te doen. Ik moet wel zeggen dat ik meer begrip heb als mensen zeggen dat ze iets ‘er even niet bij kunnen hebben’. Als ik dat hoorde, dacht ik altijd: kun je er niet bij hebben?! Waar heb je het over? Dat doe je toch gewoon? Niets was mij ooit te veel. Ik stond ook nooit stil bij mijn gezondheid. Sinds ik ziek – bij gebrek aan een beter woord – ben geweest, snap ik het. Sterker nog, een tijdje hoorde ik het mezelf zeggen, als Jade bijvoorbeeld om tien uur ‘s avonds vroeg of ik haar kon helpen met economie. Maar goed, dat is voorbij. Mijn hersens hebben alles weer op hun plek weten te krijgen. Soms vergeet ik zelfs dat het is gebeurd.”

Bent u niet angstig dat het terugkomt?

“De kans daarop is zo klein; ik leef al vrij braaf, ik slik keurig mijn medicijnen. Nee, ik ben totaal niet bang. Nooit geweest ook. Volgens mij heb ik het optimisme-gen van mijn oma geërfd. Zij had ook een rotsvast vertrouwen en trad het leven opgeruimd tegemoet. Zo ben ik ook. Ik kan gevaar buitensluiten. Dat merk ik ook als Jade uitgaat. David ligt naast mij in bed te piekeren of het wel goed zal gaan. Ik denk daar niet eens over na, ik ga er gewoon van uit dat er niets naars gebeurt; iets anders dringt mijn hoofd niet binnen.”

Vind u het fijn om gevaar op te zoeken?

“Vroeger wel. Toen was ik echt dol op de engste kermisattracties en liep ik op straat altijd langs randjes; hoe spannender, hoe beter. Dat laatste vind ik nu wel eng trouwens. Ik heb een vreselijke hoogtevrees ontwikkeld. Vorig jaar maakte ik met een vriendin een tocht in het Atlasgebergte. De korte route terug was langs een ravijn. Ik raakt zo in paniek dat de gids me stapje voor stapje aan de hand moest begeleiden. Dat waren de angstige momenten uit mijn leven, denk ik. Doodeng, zo’n zuigende diepte.”

Maar u deed het wel. Ziet u uw lef ook terug in hoe u de galerie bestiert?

“Misschien wel. Ik, wij moet ik zeggen, hijs graag onbekend talent op het schild. Maar ja, of dat lef is, vraag ik me af. Het werken met veelbelovende nieuwe kunstenaars is een van de leukste aspecten aan mijn werk. En het is noodzakelijk. Moderne kunst ontwikkelt zich zo snel; voor je het weet, ben je een fossiel.”

Wat is de grootste verandering in de kunstwereld sinds u 25 jaar geleden begon?

“Het is veel zakelijker. Toen Annet en ik Bloom begonnen, speelde geld lang niet zo’n grote rol als nu. Het is een beetje flauw dat ik het zeg, maar een galerie hebben in Nederland was vroeger toch een soort veredelde hobby. Je deed het omdat je een passie had voor kunst en het leuk vond om met kunstenaars te werken, je werkte met gelijkgestemden en er heerste een sfeer van samen iets moois neerzetten. Dat je er geld mee kon verdienen kwam niet zo in je hoofd op. In het verlengde van de economische boom van de jaren negentig en de eerste jaren van deze eeuw kwamen er talloze superrijken uit bijvoorbeeld Rusland en China bij die als een gek aan het verzamelen sloegen. Zonder enige kennis van kunst wilden ze allemaal een Damian Hirst of een Warhol aan de muur. Kunst werd een statussymbool.”

Ik dacht dat hier een einde aan kwam toen de bubbel in 2008 uiteenspatte.

“Tijdens de crisis viel een groot deel van de nieuwe verzamelaars af, ja; mensen schrokken zich dood toen ze merkten dat een kunstwerk ook in waarde kan verminderen. Maar de hijgerigheid is aan een enorme comeback bezig. Ik zie het gebeuren op kunstbeurzen. Het woekert daar weer van de rijke dames met Chaneltassen, door mij en een vriendin de Albert Heijn tas van de beurs genoemd. En eigenlijk zijn zij al jaren niet meer weg te denken. De spelers op de kunstmarkt zijn blijvend veranderd, denk ik. Commerciëler, populistischer. Ook in Nederland ontkomen we er niet aan nu de subsidiecultuur nagenoeg is verdwenen.”

Hoe houden kunstenaars zich staande?

“Je hebt een top van superrijke supersterren. Daaronder zitten god weet hoeveel kunstenaars die niet profiteren van de commerciëlere kunstwereld. De plaatselijke kunstenaar in Zutphen heeft het nog net zo moeilijk als dertig jaar geleden, denk ik.”

Alleen kreeg hij toen subsidie.

“Ja. Dat is wel zo’n beetje voorbij.”

Wat vindt u daarvan?

“Ik ben er dubbel in. Een overheid moet financieel bijdragen aan cultuur, vind ik, maar het kan ook tot gemakzuchtig academisme leiden als iedere kunstenaar die afstudeert vrijblijvend een bak geld krijgt. Aan de andere kant is het veel te simpel om te zeggen dat de markt als drijvende kracht kunstenaars opzweept om beter werk te maken. Het is bepaald niet zo dat de meest talentvolle ook de meest succesvolle kunstenaars zijn. Er komt zo veel bij kijken. Je moet keihard willen werken, een goed gevoel hebben voor timing en sociaal vaardig zijn.”

“Een kunstenaar komt er echt niet meer als hij maar in zijn atelier blijft zitten. Dat hangt samen met de democratisering van kunst. Ook het grote publiek leest in de krant dat Picasso’s en Rothko’s voor tientallen miljoenen van eigenaar wisselen. Dat geeft kunst iets glamoureus. Vroeger was hedendaagse kunst moeilijk en waren kunstenaars buitenbeentjes. Nu is iemand als Tracy Emin een celebrity, die bij wijze van spreken wordt uitgenodigd voor rodeloperkwesties.”

Wat betekent dat allemaal voor u hier?

“Wij bedienen ook een veel grotere markt, maar in vergelijking met het buitenland blijft het peanuts. Heel tekenend was afgelopen weekend. Ik had Jade en haar vriendje meegenomen naar Parijs. We gingen ook naar de Gagosian Gallery. Dat is inmiddels een multinational, met zes vestigingen over de hele wereld. In Parijs zit hij vlak bij de Champs-Élysées in een pand van vijf verdiepingen met security en dertig leuke meisjes die je begroeten. Jade liep rond en zei een beetje pesterig: ‘Mama, jammer dat jullie niet zo’n galerie hebben, hè?’ Ook zij weet al feilloos het verschil tussen de periferie van Amsterdam en New York, Parijs of Londen.”

U verkoopt toch ook wel veel meer dan 25 jaar geleden?

“Zeker. Toen ik begon waren er geloof ik vijf Nederlandse verzamelaars die ertoe deden. Er zijn ook hier een heleboel mensen bijgekomen die kunst in huis willen, zonder er eerst een complete studie van te maken.”

De VT Wonen-huishoudens die iets moois willen voor boven de nieuwe bank?

“Ja. En dan niet een ingelijste poster van Ikea maar een goed kunstwerk. Die groep kunstkopers is enorm gegroeid.”

Kijkt u bij het werven van een nieuwe kunstenaar of hij of zij die markt kan aanspreken?

“Zo kijk ik natuurlijk niet naar hun werk, maar ik geloof wel dat het steeds meer onder de huid van jonge kunstenaars zelf kruipt. Zij hebben een andere verwachting van het kunstenaarschap dan dertig jaar geleden. De droom is groter. Dat komt ook door internet. Met twee keer klikken heeft iedereen van de Noord- tot de Zuidpool toegang tot wat ze maken. Daardoor lijkt het bereiken van de droom dichterbij, maar het is nog steeds ongelooflijk moeilijk.”

De tentoonstelling die nu bij Stigter Van Doesburg hangt, heet It’s not your paintings I like, it’s your painting en toont schilderijen en beeldhouwwerken van verschillende kunstenaars onlangs opgeleid aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. De galerie vertegenwoordigt 22 kunstenaars uit binnen- en buitenland. Het is een eclectisch gezelschap van meer gevestigde namen als Iris van Dongen en Tjebbe Beekman en onbekend talent dat net van een academie komt. Hun stiel varieert van schilderkunst tot videokunst.

“Op Liste Basel hadden we een fantastische sculptuur staan van Daniël van Straalen; een opeenstapeling van pizzadozen, tweehonderd of zo. Bijna Brancusiachtig werk, maar dan met trashy materiaal en het heette Studio life. De dozen stonden los op elkaar, dus het was heel kwetsbaar; één stootje van een elleboog en weg Brancusi. Er zat een enorme schoonheid in en ook een geweldig relativeringsvermogen. Ik vind het altijd heel mooi als kunstenaars iets uit de werkelijkheid halen en op een hoger plan zetten.”

Dat lijkt me een liefde die u deelt met uw vader?

“Met de hele familie eigenlijk. Een van de mooiste werken van Steve (McQueen, de regisseur/beeldend kunstenaar heeft een relatie met Bianca Stigter, red.) vind ik zijn fotoserie van de vilten lapjes die in Parijs in de goten liggen om het regenwater op te vangen. Wonderschone foto’s zijn dat. Het ontroert me als iets alledaags, waar de meesten van ons gedachteloos aan voorbijlopen, door een kunstenaar wordt opgetild zodat ook wij er met andere ogen naar gaan kijken. Zoals Robert Ryman doet met alle tinten wit die bestaan. Een kunstenaar die wit of een vilten lap kan verheffen tot zoiets bijzonders, dát is schoonheid voor mij.”

Als je zo naar de wereld kunt kijken, verveel je je nooit.

“Dat is een les van mijn vader. Ik weet nog dat we een keer in een Frans gehucht in een boekwinkeltje waren. De verkoopster zei dat ze zich zo verveelde. Mijn vader zei: ‘Mais madame, le spectacle est partout.’ Het spektakel is overal. Dat is ook zo, maar je moet het er wel uithalen. Mijn vader kan dat. Hij ziet het spektakel op elke straathoek. Wij zijn opgegroeid met zo’n kijk op de wereld, om te beginnen in de straten rond ons huis in Amsterdam-Zuid, waar mijn ouders nog altijd wonen. Het ging vanzelf; wij liepen met hem mee en zagen wat hij zag en hoe hij het zag. Niet voor niets heb ik een afkeer van bombastische, hoogdravende, gewilde kunst. Ik ben meer voor het grote in het subtiele.”

Weet u nog wanneer u voor het eerst getroffen werd door kunst?

“Ik groeide op met moderne kunst aan de muur, voor mij was dat normaal. Ik vroeg me nooit af wat kunst was, tot ik op mijn vijftiende in het Stedelijk De parkiet en de meermin zag, van Matisse. Het is een groot doek dat bestaat uit knipsels. Ik sloeg achterover van de zuiverheid en de sereniteit. Ogenschijnlijk zijn de vormen simpel, maar het zit zo geraffineerd in elkaar. Niemand kan het evenaren.”

Ga je kunst mooier vinden als je er meer van begrijpt?

“Ja, het werkt net als bij muziek. Hoe meer je ziet en hoort, hoe beter je blik en je gehoor worden. Maar het mooiste aan kunst is dat het nooit een rekensom kan zijn van ‘een plus een is mooi’. Bij echt goede kunst krijg je de vinger nooit helemaal op de schoonheid. Het heeft iets mysterieus en ongrijpbaars waardoor je niet verveeld raakt, hoeveel ogen er ook naar kijken.”

Loopt er in deze tijd iemand rond van het kaliber Picasso, Matisse?

“Jeetje, ja, we hebben het nu wel over hele grote kunst, hoor.”

Picasso en Matisse zijn toch ook gewoon een keer geboren.

“Even nadenken. Nou, Tino Sehgal staat wel boven in mijn top tien. Hij geeft een nieuw elan aan performance art en laat fantastisch zien hoe mensen nadenken over kunst. Op de Biënnale van Venetië een paar jaar geleden bestond zijn werk uit een ruimte met daarin alleen een paar suppoosten die rare dansjes deden onder de uitroep: ‘This is so contemporary.’ De ongemakkelijkheid die hij brengt in de confrontatie tussen kunst en aanschouwer is geniaal. En geestig. Ik vind het fijn als kunst brutale, maar subtiele humor heeft. De Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan is daar een meester in. Zijn allereerste tentoonstelling bij zijn galerie in Milaan bestond uit alleen een briefje met de tekst ‘Be back soon’. Dat was toen revolutionair, de hele kunstwereld stond op zijn kop. Nu kun je daar niet meer mee aankomen als jonge kunstenaar.”

Maar wel met een toren van tweehonderd pizzadozen.

“Ja, maar niet met elke toren van tweehonderd pizzadozen. Dat is nou precies het geheime aura waarover we net spraken. Wanneer is een toren van pizzadozen kunst en wanneer niet? Ik kan het moeilijk uitleggen, maar ik zie het meteen.”

U heeft uitzonderlijk veel vrouwen in uw bestand, viel me op.

“Het merendeel. Dat is niet bewust zo gegaan. Ik ben van de postjarenzeventiggeneratie; volwassen geworden in de veronderstelling dat de positie van de vrouw als vanzelfsprekend gelijkwaardig was aan die van de man. Nu denk ik geregeld: we hebben nog best een lange weg te gaan. Kijk naar de tien kunstenaars die het best verkopen en het meest te zien zijn in gezaghebbende musea: allemaal mannen. Ja, ook ik kom in discussies over dit onderwerp aanzetten met Marlène Dumas, Marina Abramovic en Agnes Martin, maar eigenlijk zijn zij nog steeds uitzonderingen. Daar kunnen we niet omheen. Net als in het bedrijfsleven heeft de kunstwereld een glazen plafond waar weinig barsten in zitten.”

Waar ligt dat aan?

“Ja, waar ligt dat aan. Als ik dat eens wist. We kunnen niet zeggen dat vrouwen geen kansen krijgen. In de kunstwereld zie ik dat in elk geval niet gebeuren. Misschien – ik durf het bijna niet te zeggen – toch het moederschap? Maar goed, dat zou ook geen obstakel meer hoeven te zijn met de kinderopvang en meer betrokkenheid van vaders tegenwoordig. Ik moet wel zeggen dat vrouwen vaak heel ander werk gaan maken als ze een kind hebben gekregen.”

Niet per se beter, aan uw gezicht te zien?

“Nee, minder aandachtig en minder noodzakelijk. Ik chargeer nu wel een beetje natuurlijk, maar ik zie het geregeld genoeg om die uitspraak te kunnen doen. De devotie die het kunstenaarschap vereist, is misschien voor veel vrouwen met een gezin moeilijk op te brengen omdat ze er ook zo voor de ander willen zijn.”

David en u doen de galerie nu samen. Gaat dat goed?

“Ja, het is inmiddels een echt familiebedrijf met alle romantische clichés die daar bij horen.”

Vinden jullie dezelfde dingen mooi?

“Vaak wel gelukkig. Anders zou het niet gaan. Niets is irritanter dan een echtpaar met een verschillende smaak. Ik zie dat heel vaak bij verzamelaars. De een wil iets, de man meestal, en die zegt dan: ‘Ik moet het even aan mijn vrouw laten zien.’ Komt mevrouw binnen, kijkt zuinig, zegt: ‘Mwah, nee, zie ik niet zitten.’ Klaar, dan komt het kunstwerk het huis niet in. Dat zie je wel heel veel, hè? We hebben het over de zwakke positie van de vrouw, maar thuis geeft ze de doorslag. In potentie hebben wij het, denk ik, enorm in ons om de baas te kunnen en willen zijn. We zijn halsstarrig onder die fluwelen handschoen. Zoals mijn vader altijd zegt: an iron fist in a velvetglove.”

Dat lijkt me voor u wel opgaan.

“Ik doe mijn best.”

It’s not your paintings I like, it’s your painting, nog te zien bij Stigter Van Doesburg tot 30 januari.

http://www.stigtervandoesburg.com/

Diana Stigter
10 juli 1962, Amsterdam
1974-1981 Barlaeus Gymnasium, Amsterdam
1982-1989 Kunstgeschiedenis, Universiteit van Amsterdam
1984-1989 Assistent in The Living Room
1989-1991 Directeur Rob Scholte BV
1992-1998 Bloom Gallery (met Annet Gelink)
2001 Opening Diana Stigter Gallery
2008 Stigter Van Doesburg (naamsverandering officieel sinds
2013)
Stigter heeft een relatie met David van Doesburg. Ze hebben een
dochter, Jade (16).

Het Parool, zaterdag 16 januari 2016

https://www.facebook.com/pshetparool/

http://www.parool.nl/