Edzard Dideric – ELCKERLIJC (ofwel de dag des oordeels)

God heeft het zwaar. De dingen gaan nooit helemaal als gepland. Hij is alles en alles is Hem. Nou, probeer dan maar eens het overzicht te bewaren. Een goede secretaresse zou uitkomst kunnen bieden. Maar juist omdat Hij alles is, moet God het in zijn eentje zien te rooien. Zelfs voor een goed gesprek is Hij op zichzelf aangewezen:
“God, je zal maar God zijn.”
“Ja, vertel mij wat.”
“Alles wat je maakt wordt achter je rug direct weer afgebroken.”
“En andersom hetzelfde.”
“Maar toch blijf je verantwoordelijk.”
“In naam wel, ja.”
“Dus moet je er iets aan doen.”
“Gaat ook zeker gebeuren.”
Hier breekt God het interne overleg af en gaat op zoek naar Dood, die hem moet helpen bij Zijn plan. Ah, daar zit hij zijn zeis te slijpen.
“Hé Dood, kan je even komen?”
“Jazeker, wat kan ik voor u doen?”
“Omdat de mensheid een voorbeeld te stellen, moet je naar Elckerlijc gaan om hem te vertellen dat zijn einde nadert.”
“Met alle plezier, God. Die man leeft er maar wat op los. Als zo iemand geen lesje verdient, weet ik het ook niet meer.”
“Mooi zo, doe je best.”
Handenwrijvend daalt Dood af naar de aarde. De arrogante zak zal raar opkijken, denkt hij, om mij ineens voor hem te zien staan.

Dood ziet Elckerlijc lopen en spreekt hem aan.
“Zo Elckerlijc, weer eens op weg naar een of ander feestje?”
“Wat moet je?”
“God heeft me gestuurd, de Almachtige eist je dat je tegenover hem rekenschap aflegt.”
“Rekenschap waarvoor?”
“Voor al je daden, zowel de goede als de slechte.”
“Mijn daden? Pff, weet ik veel. Wie ben jij eigenlijk?”
“Ik ben Dood, aan mij valt niet te ontsnappen.”
Elckerlijc grijpt naar zijn geldbuidel.
“Vertel maar wat het me kost om van je af te komen.”
Dood schudt zijn hoofd. Rijk of arm, voor hem is iedereen gelijk, dus kan hij onmogelijk op het aanbod ingaan.
“Geef me nog een jaar of wat, tot ik mijn zaakjes een beetje op orde heb,” zegt Elckerlijc.
“Het spijt me, maar uitstel komt niet in mijn woordenboek voor.”
“Mag ik wel iemand meenemen?”
“Als je iemand zo gek krijgt, mij best. Moet je het wel snel regelen want we vertrekken vandaag nog.”

Verdorie, denkt Elckerlijc, dat heb ik weer. De Almachtige laat geen spaan van me heel als ik voor hem verschijn. Ik heb er een zootje van gemaakt. Alsof er geen laatste oordeel bestaat. Er moet iemand met me mee om me erin bij te staan. Wacht, daar gaat Vriendschap, misschien dat krijg ik hem zover.
“Hallo, Vriendschap, ook toevallig!”
“Hoi, Elckerlijc, alles kits?”
“Niet echt, want ik zit dus lelijk in de nesten.”
“Vertel. Altijd bereid te helpen. Waar zijn vrienden anders voor?”
“Prettig te horen, Vriendschap.”
“Al moest ik er voor naar de hel, op mij kan je rekenen.”
“Nou eh,” zegt Elckerlijc, “ik vrees dat het daar misschien weleens op uit kan draaien. God heeft namelijk iemand gestuurd om me te halen. Nu ik voor de troon van de Almachtige moet verschijnen om me te verantwoorden voor mijn daden, kan ik wel wat hulp gebruiken. Ga je mee?”
“Ho even beste vriend. Zo’n reis is geen kattenpis. Laat me er even rustig over nadenken. Wanneer zijn we op zijn vroegst weer terug?”
“Er is geen terug.”
“Je gaat me toch niet vertellen dat het Dood is, die je komt halen?”
“Mm, nu je het zegt, hij had er wel iets van weg…”
Vriendschap verbleekt.
“Tot aan de hemelpoort ben ik ten allen tijde bereid je te helpen. Maar verder, nee, dat kan je van mij echt niet verlangen. Ik zou zeggen, succes ermee, en tot ziens.”
Elckerlijc blijft verbijsterd achter. En dat noemt zich Vriendschap? Al bij de minste zuchtje tegenwind laat hij het afweten. Nu ik zijn ware gezicht ken, denkt hij, wil ik hem niet eens meer meehebben. Het lijkt me sowieso beter om het aan mijn familie te vragen.

“Hallo, Elckerlijc, lang niet gezien man, kunnen we je ergens mee helpen?” vraagt Familie.
“Hoe zie ik eruit?” vraagt Elckerlijc.
“Bar slecht,” zegt Familie.
“Ik zal vertellen hoe dat komt. Er is me opgedragen een verre reis te maken. Ik moet me verantwoorden voor de Heer.”
“Oh, waarvoor dan?”
“Voor mijn zonden, voor de tijd die ik verkwist heb, en ga zo maar door. Als jullie nou eens meegingen om een goed woordje voor me doen…”
“Ten overstaan van de Almachtige? Dank je hartelijk, zeg! Jouw tijd mag dan misschien gekomen zijn, wij zijn beslist nog lang niet zover. Er staat ons nog veel te veel te doen.”
Elckerlijc vindt zichzelf een kolossale sukkel dat hij ooit hun mooie praatjes geloofd heeft. Als de nood aan de man is, laten ze je vallen als een baksteen. Tja, naar wie kan hij nu nog gaan? Het moet iemand zijn om wie hij altijd veel heeft gegeven. Maar natuurlijk, hij kan Bezit vragen.
“Zeg, waar hang je ergens uit, Bezit?”
Na lang zoeken vindt hij hem beschimmeld en half weggerot in de kelder.
“Wat moet jij nou weer?”
“Je moet me helpen, kom op!”
“Zeg maar aan welke dingen je behoefte hebt.”
“Het gaat ditmaal niet om dingen, geliefd Bezit. Ik moet voor God verschijnen en vraag je daarom mijn naam van elke smet te zuiveren.”
“Ik? Laat me niet lachen man, ik ben zelf door en door bedorven!”
“Mijn hele leven heb ik je gekoesterd, en nu weiger je met me mee te gaan?”
“Inderdaad. Want wie afvaart naar de hemel, moet nu eenmaal al het aardse achterlaten. Handig voor de achterblijvers om van te profiteren.”
“Wat een treurige gedachte,” zegt Elckerlijc.
“Welnee, het is eigenlijk best grappig.”

Elckerlijc, denkt hij, wat ben je toch een ongelooflijke eikel. Het is toch niet meer dan logisch dat niemand zo’n schertsfiguur als jij wil helpen? De laatste die je wellicht zou kunnen proberen, is Deugd. Maar of je daar veel aan zal hebben? Je hebt gewoon teveel zonden op je naam staan. Het is nog maar de vraag of Deugd zo’n last aankan.
“Deugd?”
Er klinkt gekreun. Deugd ligt half verlamd in bed.
“Aan mij zal je weinig hebben,” zegt Deugd, “je zonden hebben mij volledig ten gronde gericht.”
“Maar ik moet voor de almachtige verschijnen!”
“Ik kan niet eens overeind komen, laat staan lopen.”
“Iedereen laat me barsten,” zegt Elckerlijc, “ik weet me geen raad meer!”
“Ga naar mijn zus, misschien dat die met je mee wil. Ze schijnt vaker met dit bijltje te hebben gehakt.”
“Hoe heet je zus?”
“Haar naam is Inkeer. Je kan haar van hieruit roepen, ze bevindt zich in de kamer naast ons.”
Elckerlijc roept de zus. De deur gaat open, en daar is ze al. Zo, denkt hij, die is bepaald niet lelijk. Haar helderblauwe ogen herinneren aan de hemel.
“Elckerlijc,”zegt ze, “laat mij je maar onder mijn hoede nemen.”
Hij knikt gehoorzaam en voelt zich als een hondje dat op zijn rug ligt.
“Zodra mijn zus met je klaar is,” zegt Deugd, “kom je bij me terug. Hopelijk ben ik tegen die tijd weer fit genoeg om met je mee naar boven te gaan.”
“We zullen zien,” zegt Inkeer, “en nu op naar Biecht!”
Inkeer neemt hem bij de hand en leidt hem naar de kerk waar Biecht meestal is te vinden.
Hij moet voor haar knielen, want zij staat zeer hoog aangeschreven bij de Almachtige.
“Biecht,” zegt hij, “ik smeek u mij te verlossen van al mijn zonden. Dood heeft me opgedragen een lange reis te maken. Zuiver mij, want Deugd is er bijzonder slecht aan toe.”
“Elckerlijc,” zegt ze, “omdat je samen met Inkeer bent gekomen, zal ik je helpen. Ik ga je een attribuut schenken dat hierbij van pas komt.”
Ze overhandigt hem een zweepje. Hij kijkt er even naar en geeft het vervolgens door aan Inkeer.
“Het zweepje is voor de boetedoening,” legt Biecht uit. “Hoe vaker je je laat slaan, hoe gezonder Deugd wordt. Ik zou zeggen, Inkeer, ga je gang.”
“Met alle genoegen, Biecht.”
Na eerst een uitgebreid gebed te hebben opgezegd, richt hij zich tot Inkeer en kijkt haar diep in de hemelse ogen.
“Inkeer,” roept hij, “laat nu de zweep maar knallen!”
Ze glimlacht even en dan gaat het loos.
“Au! In naam van de vader, de zoon en de heilige geest, straf dat lichaam af! Het heeft het verdiend! Au! Nee, niet stoppen, ga door, ga door!”
Onder de lakens begint iets te bewegen. Het is Deugd die zich langzaam opricht en uit bed stapt. Het tempo van de zweepslagen wordt al minder.
“Ik voel me als herboren,” verklaart Deugd.
“Elckerlijc, moet je kijken!” roept Inkeer.
Als hij ziet hoe Deugd is opgeknapt, barst hij in huilen uit.
“Het kwaad is overwonnen,” zegt Deugd, “ik blijf voor altijd bij je.”
Inkeer legt de zweep weg en overhandigt Elckerlijc een kleed dat hij aan moet trekken.
“Waarom?”
“Het is een boetekleed. Doorweekt van de tranen die je zo even plengde, zal de Almachtige het op waarde weten te schatten.”
“Goed, kunnen we dan nu gaan?”
“Nee,” zegt Inkeer, “er moeten ook nog drie anderen mee.”
“Oh, wie zijn dat dan?”
“Wijsheid, Kracht en Schoonheid. En oh ja, ook Vijf Zinnen natuurlijk. Roep het hele zootje maar, dan komen ze vanzelf.”
Elckerlijc zet zijn handen aan zijn mond en roept. Ze verschijnen vrijwel onmiddellijk ten tonele.
“Wij zijn je ware vrienden,” klinkt het in koor, “en blijven bij je, wat er ook gebeurt.”
“Luister,” zegt de ontroerde Elckerlijc, “hier in jullie aanwezigheid maak ik mijn testament op. Met liefde en nederigheid schenk ik de helft van al mijn bezittingen aan de armen. De rest gaat naar mijn wettige erfgenamen.”

Elckerlijc is met zijn gevolg, Deugd, Inkeer, Wijsheid, Kracht, Schoonheid en Vijf Zinnen, aangekomen bij de plek waar zijn graf reeds gedolven is.
“Ik voel mijn ledematen al zwaarder worden,” zegt hij met bevende stem. “Kijk, hier is de kuil waarin ik af zal dalen om me met de aarde te verenigen.”
“We zullen stikken in dat donkere gat!” roept Schoonheid.
“Ja maar het is wel voor de Heer,” zegt hij.
“Neem me niet kwalijk, maar dit wordt me te dol. Ik ga niet met je mee.”
“Elckerlijc,” fluistert Kracht, “ik moet er helaas ook vandoor.”
“Gaat lekker zo,” zegt Elckerlijc, “nog meer dappere klanten?”
Wijsheid steekt zijn vinger omhoog.
“Welja, smeer jij hem ook maar, en neem meteen Vijf Zinnen mee. De enige die me niet in de steek laat is God. Althans, dat mogen we hopen.”
“En mij niet te vergeten,” zegt Deugd, “want ik blijf voorgoed bij je.”
Mijn enige kameraad dus, stelt Elckerlijc vast.
“Zeg Inkeer, gaat jij me nog verlaten of niet?”
“Pas als je leven voorbij is, Elckerlijc, en geen seconde eerder.”
“Dank je wel, lieve Inkeer.”
Nu weet hij het zeker. Hij kan met een gerust hart sterven.

1 Comment

  1. Elcerlyc herverteld op een prachtige manier.
    Leuk wakker worden.

Comments are closed.