Edzard Dideric – DE VIER HEEMSKINDEREN (ofwel verborgen krachten)

Koning Karel heeft in een vlaag van woede de neef van graaf Aymijn doodgeslagen. Met een lange en bloedige oorlog als gevolg. Karel doet een vredesvoorstel: Aymijn krijgt zijn zus Aye als bruid, plus een grondgebied. Dit maakt hem tot een zelfstandig heerser. Maar Karel laat het op de bruiloft afweten. De voor gek gezette Aymijn zweert dat hij alle vrienden en bloedverwanten van Karel zal doden. Inclusief de kinderen die hij bij Aye zal verwekken. Dus houdt Aye haar vier zwangerschappen geheim. De vier Heemskinderen, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Renout groeien als wezen op in een klooster.

Op zekere dag wil Karel zijn zoon Lodewijk tot koning van Frankrijk laten kronen. De bisschop eist ook Aymijn’s aanwezigheid. Karel stuurt vier ridders naar de Dordogne om hem uit te nodigen. Aye staat voor het raam van Aymijn’s burcht en ziet het vierkoppig probleem naderen.
Aymijn zit bij hun binnenkomst met zijn mannen in de ridderzaal. Ze groeten beleefd. Maar zolang Aymijn zwijgt durft niemand terug te groeten.
“Wij zijn komen u uitnodigen voor Lodewijk’s kroning. Hiervoor heeft Karel samen met de andere vorsten een wapenstilstand van veertig dagen afgekondigd.”
Aymijn zegt niets.
“U begrijpt waarom wij hier zijn?”
Geen reactie.
Aye heet de reizigers toch maar welkom en biedt hen wijn aan.
“Geef toch antwoord”, zegt ze tegen haar man.
Aymijn heft zijn hand op en geeft haar een harde klap. Het bloed druipt op de vloer. De gasten helpen haar overeind. Ze betreuren het ongewapend te zijn. Aye veegt het bloed van haar gezicht en kust haar man liefdevol op de mond.
“Zeg toch iets, schat,” fluistert ze.
“Wat moet ik zeggen? We zijn dertig jaar getrouwd en ik heb nog altijd geen zoon om mijn land te verdedigen. Lodewijk pikt steeds meer land van me en dan verwacht hij mij op zijn kroning? Ik ben niet gek!”
“Als je wel kinderen had, zou je ze dan doden?”
“Natuurlijk niet, een vader hoort zijn kroost te beschermen. Ik was gewoon mezelf niet, toen ik dat zei.”
Nu durft ze hem te vertellen dat hij vier zonen heeft. Aymijn weet niet wat hij hoort, door het nieuws verdwijnt zijn verbittering op slag.
“Dan kunnen we mooi met zijn allen naar die kroning”, zegt hij.

Zodra de verloren zonen gearriveerd zijn slaat hij ze alle vier tot ridder. Ook schenkt hij ze elk een eigen paard. Renout, de jongste en sterkste, vindt zijn paard te klein en wurgt het uit woede. Hij krijgt een groter, maar wurgt ook dit dier. Uiteindelijk laat Aymijn het wonderpaard Beyaert brengen. Renout temt het en lijkt er tevreden mee.

Tijdens de kroningsfestiviteiten ontstaan er opnieuw wrijvingen. De vier broers zitten tijdens de maaltijd op derderangs plaatsen. Ook wordt er zogenaamd vergeten hen voedsel te brengen. Het is Karels zoon Lodewijk die er stiekem toe heeft opgedragen. Renout, de driftkop, gaat volledig over de rooie en slaat de kok dood. Koning Karel wordt erbij gehaald.
“Wie deed dat?” vraagt hij.
“Renout, de zoon van Aymijn.”
“Terecht”, zegt Karel. “Ik zag ook dat die kok de jongens oversloeg. We zijn hier allemaal familie van elkaar. Dan maar een kokje minder.”
Lodewijk heeft nog iets bedacht. Die nacht moeten de broers op een keiharde bank slapen. Omdat alle bedden zogenaamd bezet zijn. Renout ontploft van woede en mept dertig ridders uit hun bed. Ze komen er de volgende dag bij Karel over klagen.
“Een beetje komen zeuren over zoiets onbenulligs,” zegt hij. “Jullie maken jezelf belachelijk.”

Het moment van de kroning is aangebroken. Na de plechtigheid krijgen alle gasten geschenken en worden er stukken land verdeeld. De Heemskinderen worden echter overgeslagen. Ze vertellen het aan Karel en ontvangen alsnog hun grondstukken. Lodewijk zweert ze ooit weer van ze af te nemen. Vervolgens dwingt hij Adelaert tot een schaaksessie. Wie wint mag de ander de kop afhakken. Adelaert dreigt te verliezen, maar is hem op het laatst nog net te slim af. Hij wil hem genade schenken, maar Renout heeft Lodewijk al de kop afgeslagen. Iedereen begint met iedereen te vechten. Uiteindelijk wordt Aymijn gevangen genomen. Zijn zoons vluchten, met z’n vieren samen op het wonderpaard Beyaert, richting Spanje.

In Spanje treden de vier Heemskinderen in dienst van de koning van de Moren, Saforet. Maar al snel bengelt alleen diens hoofd nog aan Renout’s zadel. Volgens Renout belazerde Saforet de kluit. Dus moest zijn kop eraf. Vandaar dat de broers nu achtervolgd worden door uitzinnige Moren. Ze keren het paard Beyaert en gaan recht op de vijand af, die in verwarring uiteenstuift.
“Waar is het voor ons nog veilig?” zegt Adelaert.
“Nergens, als je het mij vraagt”, zegt Renout.
“De wereld is te klein voor ons”, zegt Writsaert.
“Ik weet nog een plek”, zegt Ritseart. “Bij koning Yewe van Dordogne. Saforet vermoordde zijn vader en zijn broer. Hij zal ons met open armen ontvangen.”
“Perfect”, zegt Renout. “Op naar de Dordogne.”
Na een dag of drie rijden komt Yewe’s kasteel in zicht. Ze spietsen de kop van Saforet op een lans. De kasteelheer staat bovenop de muur. Vier ridders op een en hetzelfde paard. Dat zie je niet elke dag. Iedereen komt het wonder aanschouwen. De vier bieden de koning, na een buiging, het hoofd van Saforet aan.
“Alstublieft en tot uw dienst.”
“Welkom heren, en bedankt”, zegt Yewe. “Logeer bij mij zo lang als jullie willen. Het zal jullie aan niets ontbreken.”
“Dank u”, zegt Renout. “Mocht u ons nodig hebben, geef maar een gil.”
“Fijn, alleen zou ik graag willen weten wie u eigenlijk bent.”
“Uiteraard. Onze vader is de bekende ridder Aymijn. Ik ben Renout en dit zijn mijn broers Writsaert, Ritseart en Adelaert.”

Er wordt prima voor de Heemskinderen gezorgd. Hun wonden helen voorspoedig. Ze krijgen nieuwe schilden en wapens. Hun harnassen worden hersteld en ook Beyaert wordt in het nieuw gestoken. Onderwijl heeft Koning Yewe troepen verzameld om alles wat aan Saforet herinnert uit te wissen. Met hulp van de broers gaat elk kasteel van de Morenkoning tegen de vlakte. De mannelijke volgelingen worden vermoord. De vrouwen en kinderen mogen blijven leven. Drie jaar lang wordt er brand gesticht, geplunderd en gevochten. Dankzij de vier wordt elk gevecht gewonnen. Yewe kan tevreden zijn.

Karel komt via een spion op de hoogte van hun verblijfplaats. Hij stuurt een boodschapper naar de Dordogne met een brief, waarin hij, in verband met de dood van zijn zoon Lodewijk, om uitlevering van de moordenaars vraagt. Yewe leest de brief en roept in het geheim zijn raadslieden bijeen.
“Ik zit in een moeilijk parket”, zegt hij. “Karel vraagt me Aymijn’s kinderen aan hem over te dragen. Als ik weiger is hij beledigd. Wat moet ik doen?”
“Simpel”, zegt een van hen. “Gehoor geven aan het verzoek. Hij zal ons land aanvallen als hij zijn zin niet krijgt, en u laten opknopen.”
“Belachelijk”, roept een ander. “Wilt u als verrader te boek staan, van vier zulke dappere strijders?”
“Ik heb de oplossing”, zegt een volgende. “Schenk Renout uw dochter, zodat hij aan uw kant staat, en laat hem de op rots van Gironde een eigen burcht bouwen”.
“Briljant”, zegt Yewe. “Ga de Heemskinderen halen.”
“Koning, wat wenst u?” vraagt Renout.
Yewe legt de situatie uit en zinspeelt op een mogelijk vertrek naar een verre uithoek.
“Tja”, zegt Renout, “mijn gedachten gaan meer in de richting van de strategische rots van Gironde, als ik daarop mijn kasteel zet, knappe jongen die me er vanaf krijgt.”
“Ook goed”, zegt Yewe. “Dan krijg je mijn dochter Clarisse er bij cadeau.”

Na de bruiloft met bijbehorende festiviteiten, roept Renout timmerlieden en metselaars bijeen om de burcht te doen verrijzen. Dubbele muren, hoge kantelen, stevig traliewerk. Een onneembare vesting moet het worden. Ook laat hij bekendmaken dat iedereen die naar de rots komt, op zijn hulp en bescherming kan rekenen. Ze zullen worden ingezet bij het aanleggen van wijngaarden, akkers, bossen en weilanden.
Binnen afzienbare tijd is het zover dat hij Yewe kan uitnodigen voor een eerste bezichtiging.
“En?” vraagt hij trots.
“Indrukwekkend”, zegt Yewe. “Wat wordt de naam?”
“Kasteel Montalbaen.”

Buiten de Heemskinderen om wordt Yewe op zeker moment gevraagd naar het hof van Karel te komen. Onder druk gezet en voor een stapel goud, belooft hij Renout en zijn broers over te leveren. Hij zal verkondigen dat Karel de strijd zat is en verzoening wil.
“Kom ongewapend naar mijn kasteel”, laat Yewe aan de Heemskinderen weten. “Alles is geregeld.”
Renout is opgetogen. Zijn vrouw vindt het te mooi om waar te zijn. Hij zegt dat ze niet moet zeuren. Toch geeft Clarisse, uit voorzorg, hun zwaarden stiekem aan Ritsaert mee. Bovendien vraagt ze de tovenaar Malegijs een aantal mannen paraat te houden dat, bij mogelijk verraad, snel te hulp kan schieten.

Zodra de broers binnen de kasteelmuren zijn worden ze door Yewe’s ridders omsingeld. Renout kan zichzelf wel voor zijn kop slaan.
“Hier, pak aan!” schreeuwt Ritseart, terwijl hij gauw de zwaarden uitdeelt.
Zonder hun wapens zouden ze in de pan zijn gehakt. Maar nu weten ze stand te houden tot Malegijs met zijn leger uit Montalbaen arriveert. Even later kunnen de vier op Beyaert ontsnappen.

Graaf Ogier, een van Karels edelen, en familie van Renout, heeft zich onttrokken aan de strijd. Een andere ridder, een zekere Gontier, wil hem straffen door middel van een tweegevecht.
“Sinds wanneer”, zegt Ogier, “speel jij voor rechter?”
Gontier voelt zich voor gek gezet. Hij geeft zijn paard de sporen en rijdt op Ogier in. Zijn zwaard knalt op het schild van Ogier. Deze raakt behoorlijk geïrriteerd.
“Sorry, maar je vraagt erom.”
Hij slaat in een beweging zijn kop eraf. Later als hij, wegens het vermeende verraad, zijn opwachting bij Karel maakt, zegt hij dat het gevecht zijn onschuld bewijst.
“Yewe, dat is de echte verrader, hem moet u pakken. Hij nam uw goud aan, maar was tegelijk de vriend van Renout.”
“Daar zit iets in.” zegt Karel. “Ik stuur Roeland er met een legertje op af.”
Ridder Roeland is bereid de klus te klaren. Andere ridders sluiten zich bij hem aan. Ze zullen met zijn twaalven naar Gascogne gaan om Yewes land te plunderen en plat te branden.
” Zodra we Yewe zelf hebben, hangen we hem aan de eerste de beste boom op.”

Yewe heeft de bui zien hangen en duikt, vermomd als monnik, onder in een klooster. De twaalf weten zijn schuilplaats te vinden en beginnen de belegering. Yewe ziet geen andere uitweg dan Renout, die hij zo laaghartig verraden heeft, om hulp te vragen.
“Vertel Renout”, zegt hij tegen zijn boodschapper, “dat ik me schaam en dat hij met me mag doen wat hij wil. Al snijdt hij mijn tong eraf, of steekt hij mijn ogen eruit. Door mijn verraad verdien ik de meest gruwelijke dood.”
De boodschapper gaat naar Montalbaen en herhaalt Yewe’s woorden.
“Nou en?” zegt Renout. “Laat Roeland hem maar afmaken, scheelt mij weer werk.”
Yewe’s vrouw, Clarisse, barst in huilen uit.
“Hij mag dan onbetrouwbaar zijn, het blijft mijn vader, en de grootvader van onze kinderen.”
Renout houdt zoveel van zijn vrouw en kinderen, dat hij overstag gaat.
“Stil maar, ik zal hem redden en met hem als mijn gevangene terugkomen.”

Renout is met zijn ridders naar het klooster gereden. Bij de bosrand houdt hij halt.
“Luister, jullie blijven hier en ik ga vragen of Roeland mij Yewe mee wil geven. Is hij hier niet toe bereid, dan blaas ik op mijn hoorn en moeten jullie zo snel mogelijk komen.”
“Linke soep”, zeggen de anderen. “Die Fransen zijn niet te vertrouwen. Neem voor de zekerheid je broers mee.”
“Nee”, zegt Renout, “ik ga alleen.”
En hij verdwijnt tussen de bomen. Even verderop komt hij tot zijn verbazing Roeland al tegen. Zijn neef sleept de gezochte aan een touw achter zich aan.
“Geef mij die verrader”, zegt Renout, “dan flikker ik hem in de diepste kerker van Montalbaen.”
“Mooi niet”, zeg Roeland, “ik hang hem lekker zelf op.”
“Het is wel mijn schoonvader, neef!”
“Pech gehad.”
Roeland gooit de strop over een boomtak. Renout laat Beyaert omhoog springen en grist Yewe uit de handen van zijn neef.
“Verrader!” sist Roeland.
“Verrader?”
“Ja!”
“Ik daag je uit tot een tweekamp, op een later tijdstip, zelfde plek.”
“Aangenomen!”

Terug in Montalbaen levert Renout, voor de ogen van zijn verzamelde ridders, de verrader bij zijn dochter af.
“Vrouw, hier is die rat van een vader van je!”
Ze kijkt vol minachting naar Yewe.
“Hoe kon je?”
Dan neemt Renout het woord.
“Ik moet nog wel even terug naar het klooster.”
“Hoezo? vraagt Adelaert.
“Ik heb Roeland beloofd tegen hem in het strijdperk te treden.”
“Dat ga je verliezen, Renout”, zegt zijn broer. “Roeland is zo ongeveer de sterkste ridder die er op aarde rondloopt.”
Clarisse begint hevig te snikken.
“Stil nou, hij moet wel gaan”, zegt Malegijs. “Als hij wegblijft maakt hij ons tot schande. Ik blijf wel in de buurt om een oogje in het zeil te houden.”
Adelaert, Ritsaert en Writseart willen hun broer vergezellen.
“Ik ga in mijn eentje”, zegt Renout. “Roeland heeft mij immers beloofd ook alleen te komen.”

Als hij op zijn geliefde paard Beyaert het bos uitkomt, staat Roeland al klaar voor de tweekamp. Zodra het gevecht begint springen van alle kanten mannen van Roeland tevoorschijn. Foute boel, denkt Renout. Hij keert Beyaert en snelt terug naar Montalbaen.
Later komt Roeland bij toeval Ritsaert tegen, die met oom Malegijs aan het jagen is. Na korte worsteling wordt Ritsaert als gevangene meegevoerd naar het kasteel van Karel. Als dit Renout ter ore komt gaat hij er met een leger achteraan. Na een felle strijd komen ze tot een regeling. Ritseart mag meegevoerd worden, mits Roeland belooft dat hij niet wordt opgehangen. Intussen reist Malegijs, vermomd als pelgrim, hen vooruit. Karel, gelovig als hij is, ontvangt hem met open armen. Al snel blijkt dat men wel degelijk van plan is Ritseart op te hangen. Dankzij de magische krachten van Malegijs weten de twee net op tijd te ontsnappen.

De woedende Karel wil nu voor eens en altijd van de vier broers af. Hij begint een zevenjarig beleg van Montalbaen om de Heemskinderen uit te hongeren. Uiteindelijk lukt het de vier om op de supersnelle Byaert te ontsnappen. Ze vluchten naar een kasteel in de Ardennen. Karel’s mannen weten hen echter ook hier te vinden. Ze zijn de uitputting nabij als de zus van Karel, en tevens hun moeder, Aye, een verzoening tot stand weet te brengen. Al moeten ze helaas hiervoor wel hun wonderpaard Byaert offeren. Als het paard in de Maas verdronken wordt, flipt Renout zo, dat hij zich terugtrekt om kluizenaar te worden. Zijn broers blijven bij hun moeder aan het hof.

Het gerucht gaat dat de heilige stad Jeruzalem in handen is gekomen van Saracenen. Ofwel islamieten. Alle ridders worden bijeengeroepen, ook Renout en zijn oom Malegijs, voor overleg. Men is het erover eens dat het Heilige Land heroverd moet worden. Dus wordt er een kruistocht georganiseerd.

Voor het eerst, beseft Renout, vecht hij ergens vóór, in plaats van ergens tegen. Samen met Malegijs knalt hij er keihard in. De vijand wordt terug gedwongen tot in de stad. De poorten worden hermetisch afgesloten. Katapulten bekogelen de vijand met keien. Vanaf de stadsmuren suizen de pijlen naar de kruisvaarders. Eentje doorboort de borst van Malegijs, die dezelfde dag nog sterft. Razend van verdriet stort Renout zich opnieuw in de strijd. De Saracenen ontvluchten de stad. Maar Renout weet de Sultan te pakken te krijgen. De inname van de stad is hierna een koud kunstje.
“Mijn taak zit erop”, zegt hij. “Ik ga maar weer eens huiswaarts.”

Terug in Frankrijk hoort Renout dat zijn zoon Aymerijn in de problemen zit. Hij wordt van verraad beschuldigd door ene Galeron. Om zijn onschuld aan te tonen wordt er een tweekamp gehouden. Karel zal erbij aanwezig zijn. Renout besluit er als supporter zelf ook heen te gaan.

De beide kemphanen liggen binnen de kortste tijd spartelend op de grond. Hierna zetten ze de strijd te voet voort.
“Ziet er niet uit”, roept Renout. “Zelden zo’n slap potje gezien!”
Ayemerijn loopt rood aan van schaamte. Hij heft met beide handen zijn zwaard en hakt Galeron’s linkerarm eraf.
“Geef toe dat je een liegbeest bent!”
“Mooi niet!”
Galeron hakt nu op zijn beurt op Renout’s zoon in. Ayemarijn bloedt aan alle kanten. Dan springt hij achteruit, heft zijn vlijmscherpe zwaard zo hoog mogelijk, en doorklieft het hoofd van zijn tegenstander. Galeron zakt dood in elkaar.
“Dat joch”, zegt Karel, “heeft het niet van een vreemde.”
Renout glundert. Hij beseft dat de tijd gekomen is om het wat kalmer aan te doen. Zijn kinderen redden zich zonder hem ook wel. In het geheim geeft hij een kleermaker opdracht de meest eenvoudige werkmanskleren te maken. Hij zal het scharlakenrode ridderkleed niet lang meer dragen. Hij heeft een hoger doel voor ogen.

Er wordt verteld dat in Keulen een enorme kerk gebouwd wordt, waar veel werklieden voor nodig zijn. Renout reist erheen en gaat naar degene die het project leidt.
“Kunt u mij misschien gebruiken?”
De opzichter ziet een beer van een vent voor zich staan en knikt.
“Wat wil je verdienen?”
“Een penning per dag.”
“Vier, zal je bedoelen.”
“Nee, eentje.”
“Zelf weten”, zegt de opzichter. “Morgenvroeg beginnen.”

Een halfjaar lang werkt Renout, geheel anoniem, voor een penning per dag. Hij verzet meer werk dan tien anderen samen. Als de rest pauzeert staat hij alweer cement te maken voor een volgende stapel stenen. Hij eet eenmaal per dag een homp brood en drinkt slechts water. ‘s Nachts slaapt hij op de werkplaats.
Zijn baas is enorm tevreden over hem en vraagt voor de zoveelste keer hoe hij heet. Maar Renout laat over zijn naam of afkomst niets los.
De andere werklieden beginnen een bloedhekel aan hem te krijgen. Door zijn ijver lijkt het of zij weinig of niets uitvoeren. De baas zit altijd op hen te mopperen. Ze beginnen de uitslover steeds meer te haten.
“Kreeg die eikel maar een ongeluk”, fluistert iemand.
“Met dodelijke afloop, als het even kan”, zegt een ander.
Op een nacht overvallen ze de slapende Renout en binden hem vast. Ze storten cement over hem uit en rollen hem in een tapijt. Hier gaan weer touwen omheen en vervolgens smijten ze hem in de Rijn.

Een Keulse vrouw krijgt een visioen over iets zwaars dat ze uit de rivier moet halen. Ze loopt naar de Rijn en ziet een touw drijven. Ze begint eraan te trekken. Zodra het pakket op de oever ligt, gaan in heel Keulen de kerkklokken luiden. De bevolking komt kijken wat er aan de hand is. Dan, nadat het tapijt is losgemaakt, zien ze het lijk van de naamloze arbeider. Hij draagt een gordel met een opschrift. De tekst luidt: “Ik ben Renout van Montalbaen.”

1 Comment

  1. heleen van der leest 24 februari 2015 at 10:44

    Niet uigelezen, sorry, wat een ongezellige mensen.

Comments are closed.