Edzard Dideric – DE APPELBOOM (ofwel vreemde vruchten)

Meneer Flapuit en mevrouw Goedgelovig zitten te praten. Flapuit zit een beetje in een dip.
“Wat leven we toch in een klote wereld,” zegt hij.
“Hoezo?” vraagt ze.
“Alles wat ik doe mislukt. Ik zie het totaal niet meer zitten.”
“Gossie,” zegt ze, “dat is me ook wat.”
“Ja, ons geitje is verdronken. Vandaar.”
“Huh?”
“Zeker weten, in de sloot, en met ons kalfje erbij.”
Mevrouw Goedgelovig schudt haar hoofd.
“Wat zonde zeg. En ze gaf nog wel zulke lekkere melk.”
“Wat je zegt.”
“Dat bedoel ik.”
“En weet je,” zegt hij, “tot overmaat van ramp heeft een wolf ons lieve lammetje verslonden.”
“Je meent het, ons lammetje?”
“Precies.”
“Nou, over pech gesproken,” zegt ze.
“Inderdaad. En dan heb ik het nog niet eens over de gans die in een ton met meel viel en gestikt is.”
Zijn vrouw heft de armen ten hemel.
“Schat van me,” zegt meneer Flapuit, “als er ooit een stel voor het ongeluk geboren is, dan zijn wij het wel. Straks zijn we nog gedwongen langs de deuren te gaan om ons eten bijeen te bedelen.”
“Ja maar ik meen toch dat we ergens nog een voorraadje hadden?”
“Hadden is het goede woord, want dat is dus ook op.”
Volgens haar ziet hij de zaken wat al te donker in. De barmhartige God zal hen echt niet zomaar in de kou laten staan.
“Dat kan je nou wel beweren, maar hoe moeten we nu aan melk komen voor die arme kindertjes van ons?”
“God zal voor ons dagelijks brood zorgen en er met een beetje mazzel er nog plakjes kaas op leggen ook,” zegt ze, “geloof me nou maar.”
“Mm,” bromt meneer Flapuit.
“Luister, zolang je mij hebt,” zegt mevrouw Goedgelovig, “hoef je je echt geen zorgen te maken. Bovendien hebben we nog altijd onze appelboom. Moet je eens kijken hoeveel appels er wel niet aan die takken hangen! Als we die verkopen zijn we voorlopig uit de brand.”
Flapuit wijst haar erop dat de takken een flink eind buiten de muur van de tuin uitsteken.
“Mocht iemand ze willen stelen, dan hoeft hij er weinig moeite voor te doen.”
“Ach kom, dat gaat heus niet gebeuren.”
“De eerste de beste dief schudt de hele boom zo in een keer leeg,” voorspelt hij, “waarna de varkens erop af zullen komen om zich vol te vreten, en dat terwijl onze kinderen zo ongeveer creperen van de honger…”
Hij begint te vertellen dat er onlangs iemand in de boom zat en dat de dief, toen hij hem betrapte, van schrik pardoes omlaag was gedonderd. De vrouw van deze schurk had hem, toen ze haar man uitgeteld op de grond zag liggen, nota bene voor moordenaar uitgemaakt. Waarop Flapuit het in paniek op een lopen had gezet en het duo de appels had laten behouden.
“Raak je een appel kwijt, dan krijg je er van de lieve God tien voor terug,” verkondigt mevrouw Goedgelovig.
“Tien voor een?”
“Zeker weten.”
“Dus als je maar op God vertrouwt komt het allemaal wel goed?”
“Juist. Hij kan als hij het zou willen, de appelboom het hele jaar door vruchten laten dragen.”
“Dat is nogal een knap staaltje zeg!”
“Omdat hij almachtig is, zou hij het zelfs appeltaarten kunnen laten regenen.”
“Nou laat God mij dan maar gauw zegenen,” zegt Flapuit. “Als er zoveel voordelen aan zitten.”
Het doet mevrouw Goedgelovig deugd haar man zo lovend over God te horen spreken. Want daar waar Gods goedheid wordt geprezen, zal hij zich volgens haar aan de mens zal vertonen.
“Nou dan zet ik hier,” zegt Flapuit, “alvast deze luie stoel voor hem klaar. Hadden we niet nog ergens een lekker zacht kussen?”
“God heeft helemaal geen kussen nodig.”
“Natuurlijk wel, dan voelt hij zich meer op zijn gemak. Al geeft hij me alleen die appels maar, dan nog zal ik hem eeuwig dankbaar zijn.”
Er klinken vreemde geluiden en de stoel lijkt te schudden. Dan klinkt plotseling de stem van God.
“Zo, zeg het eens, kinderen.”
“Welkom, lieve Heer, eerbiedwaardigheid,” zegt Flapuit. “In uw ogen zijn alle mensen gelijk.”
“Oh, genadige God,” prevelt Goedgelovig. “U kijkt niet op de armen neer, die het zo vaak hard te verduren hebben in het leven.”
De stem van God weet uit ervaring welke richting dit op zal gaan.
“En, zijn er nog bepaalde wensen?”
“Jazeker,” zegt meneer Flapuit. “Ik wens dat mijn appelboom het hele jaar vruchten draagt en dat elke eventuele appeldief aan de takken blijven kleven, zodat ik hem een lesje kan leren.”
“Geen enkel probleem, wordt geregeld.”
“Duizendmaal dank, genadige Heer!” roept het echtpaar in koor.
Dan valt hun blik op de lege stoel. Terwijl Gods stem stilvalt, beginnen ze zich hevig te schamen voor hun gebrek aan gastvrijheid. Ze hadden Hem op zijn minst iets te drinken aan kunnen bieden. Nou ja, volgende keer dan maar.
“Ha,” zegt meneer Flapuit, “laat de dieven nu maar komen. Ik zal ze plukken als rijpe appelen!”
“Ons kan niets meer gebeuren,” zegt zijn vrouw, “we gaan slapend rijk worden.”

Op een gegeven moment komt er een marskramer aangelopen. Het is meneer Onverzadigbaar. De lange tocht die hij achter de rug heeft, heeft hem hongerig en dorstig gemaakt. Hij ziet de prachtige boom, zwaar van de appels, en klimt erin om zich eens flink tegoed te doen. Het echtpaar kijkt gniffelend toe hoe meneer Onverzadigbaar zich al etend in de nesten aan het werken is.
“Krijg nou wat,” roept de marskramer na een tijdje, “ik lijk verdorie wel vast te zitten!”
Niet veel later hebben ook Wanorde, een jonge man, en Wellust, een pittig meisje, de boom ontdekt. Ze wijzen elkaar op de fraai glanzende vruchten.
“Zulke verleidelijke appels,” zegt Wanorde, “heb ik echt nog nooit gezien.”
“Nee,” zegt Wellust, “ik ook niet. Ze hangen daar vast niet voor niks, die komen natuurlijk ons toe.”
“Alhoewel,” zegt haar vriend, “die ene vrucht, daar tussen de takken, heeft verdacht veel weg van een woedende marskramer.”
“Appels in overvloed,” zegt meisje Wellust. “Ik zou zeggen, scoren!”
Ze klauteren omhoog en laten zich het sappige vruchtvlees prima smaken. Maar dan komt plotseling mevrouw Goedgelovig aangerend.
“Stelletje vuile appeljatters!”
Meneer Flapuit volgt in haar voetspoor.
“Daar zullen jullie voor boeten!”
Het jonge stel probeert zo snel mogelijk weg te komen.
“Huh, wat is dit?”
Ook hen laat de boom niet gaan.
“Gedeelde smart,” zegt de marskramer, “is halve smart.”
Dan horen ze vreemde kreten. De man die hen betrapte lijkt iets van een hartaanval te krijgen. Hij is totaal in paniek en schreeuwt het uit. Op dat moment verschijnt de Dood en richt het woord tot hem.
“Meneer Flapuit, gij zult sterven!”
Oei, dat ziet er slecht voor hem uit.
“Je tijd is gekomen. Bereid je er maar op voor.”
“Een momentje, beste Dood.”
“Ik doe niet aan momentjes.”
“Maar het enige wat ik vraag, is mij een appel te laten proeven van de boom, die ik altijd zo goed bewaakt heb.”
“Voor deze ene keer dan,” zegt de Dood, “ik zal er eentje voor je halen.”

“Wie komt daar nu weer aanzetten?” vraagt meneer Onverzadigbaar.
“Allemachtig,” zegt meisje Wellust, “het lijkt verdorie de Dood wel!”
“Help, help,” piept haar vriend Wanorde, “die komt ons vast halen!”
De Dood begint in de boom te klimmen. Maar tot hun opluchting is hij slechts op een appeltje uit. Als ook hij merkt dat de boom hem niet meer loslaat, beseft hij met open ogen in de val gelopen te zijn.
“Haha,” roept meneer Flapuit, “heb ik je even mooi tuk!”
“Laat me gaan!”
“Echt niet, ik ben veel te blij dat ik leef!”
Hoe de Dood ook smeekt om hem te bevrijden, Flapuit en Goedgelovig geven geen krimp. Zolang hij vastgekleefd zit hebben zij het eeuwige leven.

Ondertussen begint in de Hel de aanvoer van zondaars te stokken. De Duivel heeft de Dood al enige tijd niet meer gezien, en gaat ongerust naar hem op zoek.
“Dood,” roept hij, “waar zit je, hallo?”
Dan valt zijn oog op de appelboom.
“Zeg Dood, waar ben jij nou weer mee bezig?”
“Flikker toch een eind op, man.”
“Altijd op zoek naar nieuwe manieren om mensen te laten sterven?”
“Lul niet zo, haal me hier liever uit.”
“Ik kom er al aan.”
De Duivel klimt in de boom en begint aan de Dood te sjorren. Om al snel te merken dat hij volgende klant is die vast komt te zitten. Onverzadigbaar, Wanorde en Wellust, kijken verlamd van angst toe en vrezen voor hun leven.
“Maak je niet druk,” zegt de Dood, “zolang alles en iedereen vastzit, kan er jullie niks gebeuren.”
“Moet je nou eens kijken,” zegt Flapuit tegen zijn vrouw, “hoe dat hele zootje als ratten in de val in onze boom zit!”
Ze slaat een kruis en richt zich tot de Duivel.
“Helse geest, wat doe je hier, wat moet je in onze boom?”
“Niets bijzonders, laat me alstublieft gaan.”
“En mij erbij,” zegt de Dood.
“Klep dicht,” zegt meneer Flapuit, “hoe blijf ik leven als ik je laat lopen?”
“Veertig jaar.”
Vervolgens richt hij zich tot de Duivel en vraagt wat deze hem, in ruil voor zijn vrijheid, te bieden heeft.
“Dat ik u nooit meer tot zonden zal verleiden.”
“En jij, marskramer?”
“Mijn volledige voorraad aan handelswaar.”
“En dit jonge stel?
“Onze jassen.”
“Alstublieft,” roepen de gevangenen in koor, “geef ons onze vrijheid terug! We zweren al onze beloften na te zullen komen!”
“Goed, smeer ‘m dan maar gauw. Zorg er wel voor dat ik jullie hier nimmer meer terugzie. En vertel aan iedereen die jullie tegenkomen waarom ze maar beter uit de buurt van de appelboom kunnen blijven.”

1 Comment

  1. heleen van der leest 15 april 2015 at 11:20

    leuk verhaal

Comments are closed.