Cornald Maas – ’Ik ben mezelf steeds één stap voor’: JCJ Vanderheyden zit al dertig jaar geen ideeën achterna

JCJ Vanderheyden doet niet aan vooruitgang, zegt hij, ook al was hij dertig jaar geleden de eerste kunstenaar die met video experimenteerde….

Blikken, beelden, waarnemingen. Kijken is zijn leven. Maar geef JCJ Vanderheyden het woord en het duizelt je al snel. Meteen die middag al, in zijn eeuwenoude huis aan het eind van een doodlopende straat in Den Bosch. Stel een vraag – stel niet eens een vraag – en de geest komt uit de fles. Hij wijst, in de lommerrijke tuin, op de druiven en vijgen.
‘Deze tuin is mooi ommuurd. En dat is een metafoor voor geborgenheid.’ Kijk, daar boven slaapt hij, onder een groot dakraam, zonder gordijnen, want ‘s nachts ziet hij graag de sterren. En hier, bij de keukendeur, legde hij, beschermd door doorzichtig plastic, eens een televisie neer. Op z’n kop, de beeldbuis naar boven gericht. Kon hij naar het weerbericht kijken, terwijl op hetzelfde moment regendruppels op het scherm kletterden. Vanderheyden weet alweer een ander verhaal. ‘Ik heb me laten vertellen dat vogels veel meer kleuren zien dan wij.
‘Poes trekt zich van zijn woordenstroom niets aan. Die likt, doodgemoedereerd, haar staart. ‘Ze is nu elf, en op die leeftijd weet een poes alles. Het leven valt in herhalingen, het leven is voorgoed in kaart gebracht.
”Onze vorige kat was weggelopen. We kampeerden op een caravanterrein, op vijftien kilometer afstand van Den Bosch. Na vijf jaar zat ze ineens op de vensterbank. Ze was door het dolle heen, van pure vreugde klampte ze zich met haar pootjes aan mijn vrouw vast. Ze zocht meteen ons bed op. Al haar favoriete plekjes wist ze nog.
‘Zo zijn dieren: ze weten altijd de weg. Ze worden geboren en ze weten meteen waar ze heen moeten. Daar ben ik jaloers op. Zelfs olifanten zijn slimmer dan wij, mensen.
‘JCJ Vanderheyden is net zeventig geworden – reden waarom het Noordbrabants museum van 18 juli tot en met 6 september werk van de beeldend kunstenaar exposeert. De tentoonstelling bevat onder meer veertien werken die het museum permanent in zijn bezit heeft. Maar een echte overzichtsexpositie is het, zegt Vanderheyden, niet. Hij houdt niet van terugblikken. Op niets legt hij zich vast. Op zijn lauweren wil hij niet rusten. Zijn leven is, anders dan dat van poes, nog niet in kaart gebracht. Of toch een beetje? ‘Ik zie mijn leven sinds kort als een boog, als een hechte structuur die zich voort zal zetten.
‘De leeftijd zeventig zegt me niets. Verjaardagen heb ik zelden gevierd. Maar ik ben niet iemand die vroeg oud is geworden – dat kan ik zo langzamerhand wel constateren. De toekomst durf ik niet te claimen, maar ik verwacht niet dat mijn nieuwsgierigheid ooit zal verdwijnen. En dat mijn onderzoek naar de waarneming zal stoppen.
‘Vanaf de vroege jaren zestig onderzocht hij, in zijn werk, ruimte, licht en tijd. Bekend zijn zijn ‘damborden’, met kleine vlakken in zwart en wit, en zijn horizonnen, waarbij de gezichtseinder steeds wordt teruggebracht tot zijn essentie: een simpele lijn met twee vlakken, één wit, één helblauw. Opzien baarde hij met een cabine van waaruit je, dankzij een transparant dak, de hemel kon zien, opvallend zijn de grote foto’s van de Noordpool die, vanachter een vliegtuigraam, uitzicht op de eindeloosheid verschaffen.
Hij groepeerde en hergroepeerde reeksen van beelden. Combineerde verschillende technieken en media. ‘Al dertig jaar geleden experimenteerde ik, als een van de eersten, met video. Het is zo lang geleden dat ik het zelf amper kan geloven.’ De werken op zijn exposities staan nooit volledig op zichzelf. ‘Ze zijn bouwstenen van het totaal. Maar deze moleculen zijn wél volwaardig.
‘Zijn voornaam Jacques verving hij door initialen: JCJ is de man die schildert, Jacques de man die tuiniert, boodschappen doet en vader is. Hij schept bewust afstand: ooit monteerde hij een videocamera aan het plafond om zichzelf als beschouwer van zijn eigen werk te kunnen vastleggen – een waarneming van de waarneming. ‘Als ik schilder schijn ik een echo, een spiegeling, te hebben. Ik zie mezelf schilderen. Dat overkómt me – ik zoek het niet op. Ik ben steeds één stap op mezelf vooruit, bijna op het hallucinerende af.
‘Daar, op de achtergrond, luistert zijn vrouw mee. Geamuseerd, en soms een beetje bezorgd – zij kent de theorieën wel, lijkt ze te willen zeggen, maar zou een buitenstaander ze ook begrijpen? Af en toe corrigeert ze haar echtgenoot, kort maar krachtig. Of wordt ze, terwijl ze een vraag van hem beantwoordt, alweer in de rede gevallen.
Laat Vanderheyden zien hoe dankzij veranderingen en nieuwe samenhangen steeds weer nieuwe betekenissen ontstaan? Is het zijn doel om inzicht in het kijken te verschaffen? De kunstenaar gniffelt en schampert bijna, een vraag naar Het Doel hoeft, wat hem betreft, niet te worden beantwoord. En kán ook niet worden beantwoord. Hij is al blij dat hij, sinds kort, heeft ontdekt wat immer de drijfveer van zijn kunstenaarschap is geweest. ‘Zelfrealisatie.’ En daarmee bedoelt hij? ‘Dat ik mezelf heb leren kennen. Dat ik zo ben.’ Hoe dan? ‘Luister: dit is geen feedback die tot een pasklaar antwoord leidt. Het zingt maar zo’n beetje rond.
‘Lange tijd wist Vanderheyden niets. Op de middelbare school was hij een middelmatige leerling. ‘Ik beschikte niet over school-intelligentie. Ik deed alsof ik wist waarover ze het hadden, maar ik had geen flauwe notie. Ik ploeterde op mijn huiswerk, maar haalde amper vijven en zessen – er was geen enkele beloning of blijk van erkenning. Ik bleef een paar keer zitten, werd van school gestuurd – tot ongenoegen van mijn vader. Ik was ongelukkig. Ik dacht: ben ik onvolwaardig? Pas ik nergens in? Ik wilde iets gaan doen wat ik wél kon.
‘Een vriendje wees hem op een opleiding aan de kunstacademie. Hij besloot zich aan te melden. ‘Mijn vader zei: ik weet niet wat dat is, kunst – maar doe het maar. Zolang je wát je doet maar goed doet.’Ik stelde hem opnieuw teleur. Ook op de Rijksacademie was ik geen succesnummer. Ook daar werd ik weggestuurd. Ik werd door de toenmalige professor genegeerd. En ik dacht: heb ik hier dan toch verkeerd aan gedaan? Ben ik niet geschikt voor de kunst?
‘Hij ging in militaire dienst. En vond daarna, met vallen en opstaan, zijn eigen weg. ‘Zo rond mijn vijfendertigste was ik rijp voor deze gedachte: hoogstwaarschijnlijk ben ik kunstenaar geworden omdat ik in die hoedanigheid de dingen kan beleven zoals ik ze wil beleven. Een beetje ”ik” is daarbij niet voldoende – er moet sprake zijn van veel ”ik”; aan een beetje eigenwijs heb je niets – eigenwijs moet je helemáál zijn. Dit is het, dacht ik, dit maak ik, en al kijkt er geen mens naar om: ik vind het interessant, en hier en daar nog een vriend, misschien.
‘Zonder de ervaringen aan de academie en op school zou ik niet zijn gekomen waar ik nu ben. Misschien heb ik daar op een negatieve manier mijn vorming ondergaan. Maar dat zijn conclusies die ik nu pas kan trekken. Achteraf blijkt alles naadloos in elkaar gepast te hebben. Op het moment zelf weet je van niets.
‘Als docent – aan de Rijksacademie in Amsterdam, en aan de Jan van Eyck-Academie in Maastricht – plukte hij op zijn minst de vruchten van de ervaringen uit zijn studententijd. ‘Nooit heb ik een student gezegd dat het niet deugde wat hij deed. Meestal heb ik hem juist gewezen op de kwaliteiten van zijn werk: ik ben de buitenstaander, zei ik dan, en ik zie de waarde ervan in. Ik geloof eerder in bevestiging dan in kritiek.
‘Zijn eigen grootste triomf: ‘Toen ik, pas in de jaren tachtig trouwens, ontdekte dat wat ik al die jaren gedaan had exclusief was – iets bijzonders. En dat ik niet zomaar een beetje de tijd verdreven had. Dat besef was een scharnierpunt in mijn leven. Zou het echt waar zijn?, dacht ik, ben ik dan toch een kunstenaar? Het bevreemdde me.’Hielp de erkenning? Vanderheyden aarzelt. Hij exposeerde in binnen- en buitenland, had grote tentoonstellingen in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en het Van Abbe Museum in Eindhoven. In 1990 ontving hij de David Roëll-prijs van het Prins Bernhard Fonds voor zijn gehele oeuvre. Maar nooit stond hij, heel nadrukkelijk, in het middelpunt van de mediabelangstelling.
Hij ging, autonoom en afkerig van poeha, in stilte steeds zijn eigen gang. Steeds weer gefascineerd door dat ene thema: de waarneming. ‘Al dertig jaar lang zit ik geen ideeën achterna.’ Spottend: ‘Al dertig jaar lang gaat mijn werk niet vooruit. Aan vooruitgang doe ik niet.’ Onderdeel van een hype was hij nooit. ‘Rob Scholte kan het niet helpen: als hij de media niet opzoekt zoeken ze hém wel op. Maar nooit zul je de media volledig naar je hand kunnen zetten. Als je niet uitkijkt, word je door hen misleid en sla je de weg in die ze je aanreiken.
‘Werd er eindelijk eens een documentaire over Vanderheydens leven en werk gemaakt, was er, toen die zou worden uitgezonden, een belangrijke voetbalwedstrijd op televisie. ‘Dwars door het groen van het voetbalveld heen kwam de mededeling dat de film kwam te vervallen.’ Een week later werd de documentaire alsnog uitgezonden. ‘Zonder aankondiging in de programmabladen, natuurlijk. Ik zat op dat moment in het buitenland. Ik dacht: ik ga niet wéér klaar zitten voor de televisie. Zul je zien dat hij wéér niet doorgaat.
‘Hij mompelt iets over Brabantse kranten die hem zelden voor een interview vroegen. ‘Soms heb ik het idee dat ze hier, in Den Bosch, anti-chauvinisme belijden.’ Klinkt hier enige ergernis door? ‘Nee hoor. Ik zit er niet mee.’ Waarom woont hij nog altijd in die stad? ‘Ik kan er doen wat ik wil doen. Maar ik heb vrijwel geen relatie met Den Bosch. Hoe het komt weet ik niet.’ Na enig aandringen: ‘Als ik me niet beheers kan ik onbeschofte dingen zeggen.
‘Toch richt het Noord-Brabants Museum op dit moment een expositie van zijn werk in – niet het Stedelijk Museum in Amsterdam. ‘Maar die kómt er. Voorjaar 1999. Een overzicht. Ik kijk er naar uit.’ Zal hij deze tentoonstelling, zoals gebruikelijk, het liefst zelf inrichten? ‘Rudi Fuchs kent mijn afwijkingen. Hij weet dat ik nogal eigenzinnig ben. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet kan samenwerken, of dat mensen hoe dan ook de pest aan me krijgen. Ik stoot niemand voor het hoofd, ik laat mensen in hun waarde.
‘Voelt hij zich met Fuchs verwant? ‘Waarom niet? Ook Rudi is eigenzinnig, en gaat geregeld dwars tegen de dingen in. Maar de ene eigenzinnigheid is de andere niet. Het is de vraag of je elkaars eigenzinnigheid volledig accepteert.
‘Hij wijst op een foto die zijn dochter maakte. De skyline van New York in de avondschemering. Vader was zo onder de indruk van panorama en compositie dat hij de foto wel wilde kopen. ‘Creativiteit is niet gebonden aan kunst. Mijn dochter werkt ook in de reclame, ze vindt verschillende wegen voor haar talent.’ Daar, verderop, in de serre die gevuld wordt met prachtig daglicht, hangen een paar door hem geschilderde horizonnen. ‘De horizon staat voor het verlangen. Verlangen naar de verte, en naar de onbegrensdheid. En tegelijkertijd draagt de horizon de beperktheid in zich mee: het is de begrenzing die het oog van zichzelf heeft.’Hij wrijft over het voorhoofd. Voor hem liggen vellen vol aantekeningen die hij geregeld citeert. En dan kijkt hij verheugd op, alsof hij zojuist een ontdekking heeft gedaan. Hij houdt zich, sinds enige tijd, bezig met een nader onderzoek van de hersenhelften. ‘De linkerhelft is analytisch en dus erg favoriet. Deze helft redeneert.’ Hij citeert uit zijn aantekeningen: ‘Zelfs het praten zit links.’ Maar woorden kunnen verhullen. ‘Ze bezorgen je altijd een ontsnappingsmogelijkheid. Met taal kun je manipuleren.
‘Hij citeert nog eens: ‘De rechter-hersenhelft is de niet-analytische. Met die helft herken je gezichten van mensen. Daar zit het visuele.’ Dus hij functioneert en floreert vooral dankzij de rechterhelft? ‘Ik heb een overall view. Als ik ergens binnenkom, overzie ik ogenblikkelijk het totaal. Ik neem met gemak verbanden waar. Visueel ben ik ontzettend snel. Een tentoonstelling zie ik in twaalf minuten. En als ik ‘s avonds in bed lig weet ik precies wat ik gezien heb. Alsof ik een videorecorder ben die een perfecte registratie heeft gemaakt.
‘Dus in zijn geval wint het beeld het uiteindelijk van het woord. ‘Het woord en het beeld hebben een haat-liefde verhouding. Het woord is mannelijk, en superieur.’ Zijn vrouw: ‘Wat bedoel je daar nou mee, met dat haat-liefde?’ Hij, onverstoorbaar: ‘Het beeld is passiever.
‘Een gesprek met Vanderheyden is per definitie een bonte verzameling gespreksflarden. Hij zegt: ‘Zien is de allersnelste manier van waarnemen. Je kunt niet vlugger schrijven dan je schrijft of lezen dan je leest. Romans lees ik zelden. Ik heb er niet het geduld voor. Als een alinea me niet bevalt sla ik de bladzijde al om. Korte verhalen bevallen me beter.’ Zijn prangende vraag: ‘Hoe ver kan de snelheid nog worden opgevoerd?
‘Vanderheyden wordt tegenwoordig op zijn wenken bediend. Er is een informatie-bombardement. Sneller dan ooit kan er worden gecommuniceerd. Hij maakt gebruik van een fax, oefent op een nieuwe computer (‘de nabootsing van onze linker-hersenhelft’), experimenteert met digitale technieken. En dan is er ook nog Internet. ‘Maar Internet toont nu al zijn beperkingen. We zijn met alles en iedereen verbonden maar kunnen er geen gevolg aan geven. Er is meer informatie beschikbaar dan we verwerken kunnen. Onze mogelijkheden zijn begrensd. Informatie alleen is niets – het gaat erom hoe we er mee omgaan.’De tijd dringt. In het informatie-tijdperk, in zijn leven, in dit gesprek. ‘We hebben het nog niet over het oosten gehad. Het Westen is maar het westen.’ Maar geen verhandeling nu over zijn reizen naar India en Nepal, geen lange beschouwingen over beschaving, en evolutie, en zelfreproductie. Al wil Vanderheyden nog zo graag. Soms, heel soms, denkt hij: was ik maar als mijn broer. ‘Die liep, jarenlang, op volkomen vanzelfsprekende wijze met zijn trombone in de carnavalsoptocht mee.’Wat rest hem? ‘Ik wil mijn nieuwsgierigheid blijven vasthouden. Ik wil schilderen zonder vooropgezet plan.’ Hij laat een recent schilderij zien, bergtoppen in Tibet. ‘Ik zou er vorige zomer heen gaan, maar was, vanwege problemen met mijn been, op het laatste moment verhinderd. Het schilderij is er evengoed gekomen.’ Wat Vanderheyden maar wil zeggen: ‘De verbeelding wordt door de kwaststreek op gang gebracht. Daar heb ik de werkelijkheid niet voor nodig.
‘Zo zal het blijven. ‘Ik wil me niet laten leiden door redeneringen en door oorzaak- en gevolg-kwesties. Mijn gevoel voor richting wordt bepaald door wat me invalt. Die onbevangenheid wil ik blijven koesteren.
‘Kijk, daar komt een hommel de serre binnen. ‘Ik houd van hommels. Ze zijn zo mooi fluweel. En ze doen je niks. Ze steken niet.’ De hommel vliegt hulpeloos in het rond. ‘Hij wil naar het licht maar hij merkt niet dat hij het licht niet bereiken kan omdat hem de weg wordt versperd door een dak van glas.
‘ Maar dieren, zei hij eerder, gaan toch altijd rechtstreeks op hun doel af? Vanderheyden hoort het niet. Hij zegt, een beetje beduusd: ‘Die hommel ziet niet eens dat de deur gewoon openstaat.’

JCJ Vanderheyden: Zeventig jaar, Noord-Brabants Museum, Verwersstraat 41, Den Bosch, 18 juli – 6 september 1998.

De Volksfront, 17 juli 1998, 00:00

http://www.volkskrant.nl/recensies/-ik-ben-mezelf-steeds-een-stap-voor-jcj-vanderheyden-zit-al-dertig-jaar-geen-ideeen-achterna~a475282/