Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (9): Het vraagstuk van de Tethys Zee

Van het verslag in vorige afleveringen van Steentijd mensen, die in Rigveda geïdentificeerd worden, lijkt het redelijk te veronderstellen, dat de toenmalige Rigvedische Ariërs in Sapta-Sindhu bestonden tenminste 400.000 tot 600.000 jaar geleden volgens de archeologische schatting van de ouderdom van de overblijfselen van Steentijd mensen in Sohan vallei, niet ouder dan het begin van het Pleistoceen.

De tijd van het Pleistoceen of het Quartair (https://nl.wikipedia.org/wiki/Pleistoceen) begon volgens A. Penck in de Britse Encyclopedie (18, 1954, 835) 600.000 jaar geleden, terwijl andere schattingen een kwestie van opinie van verschillende wetenschappers zijn. Hun basis is allereerst de geschatte totale leeftijd van de aarde sinds het in het begin begon als een vurige bal van gesmolten brandend materiaal. Een lange tijd ging voorbij tijdens het afkoelen van de korst voldoende om de damp in de atmosfeer toe te staan regen te worden en verzameld te worden in de dalen zonder weer verdampt te worden, en meren te vormen. Lange tijd daarna begon in deze meren eencellig leven en dat ontwikkelde zich verder tot het gefossiliseerd begon te worden op de omringende rotsen. Een studie van deze rotsen ontsluit de periode, wanneer leven gefossiliseerd begon te worden in deze rotsen. Gezegd wordt, dat de helft van deze periode van deze afgekoelde rotsen azoïsch is oftewel zonder de overblijfselen van enig leven. Vervolgens worden in de overgebleven helft de diverse geologische perioden berekend.

De welbekende schrijver H.G. Wells stelt in zijn boek ‘A short History of the World’ (voor tekst, zie https://www.gutenberg.org/files/35461/35461-h/35461-h.htm), dat de Aarde een onafhankelijk bestaan heeft gehad “voor een langere periode dan twee miljard jaar.” En: “De helft van de grote tijdspanne, dat land en zee op aarde te onderscheiden waren, heeft geen enkel spoor van leven nagelaten.” En hij geeft toe: de “sedimentaire rotsen liggen niet netjes laag op laag; ze zijn gerimpeld, gebogen, in de rondte geslingerd, verstoord en tezamen gemengd als de bladen van een bibliotheek, die vaak is beroofd en in de brand gestoken, en het slechts als een resultaat van vele toegewijde levens van werk dat de Record [de geschiedenis van de aarde in de aardlagen] in orde is gebracht en gelezen.”

Het is duidelijk, dat in deze schatting veel afhangt van de subjectieve conditie van de geest van degene, die de schatting maakt. De schatting kan niet geclaimd worden objectief mathematisch correct te zijn. Dit is de reden waarom de schattingen van het Pleistoceen of Quartaire periode variëren tussen 500.000 en één miljoen jaren. Dus als de azoïsche periode wordt beschouwd niet de helft, maar driekwart van de hele periode te hebben geduurd sinds het afkoelen van de aardkorst, dan worden alle andere geologische perioden voor de helft gereduceerd. Dus de flexibiliteit van de geologische perioden is duidelijk. En dan kan worden afgevraagd, of de tijd van de verdwijning van de Tethys zee niet kan worden gereduceerd tot ongeveer de helft van wat het thans wordt gedacht te zijn.

Het is belangrijk te herinneren, dat er twee fasen van het probleem van Tethys zee zijn. Er was een tijd dat Tethys zee (mogelijk zelfs vóór de Krijtperiode) heel Noord India, Tibet en China overdekte en verbonden was met de Middellandse Zee en bijna de hele aarde omgordde als een ware middellandse zee, het grote Gondwana continent van het zuiden scheidend van het Eurazische continent van de Noordelijke hemisfeer. De zuidelijke oever van deze grote zee kwam overeen met wat nu de centrale keten van de sneeuwtoppen van de Himalaya, waar voorbij het niet ver uitstrekte; maar ten oosten en westen van de Himalaya keten spreidden baaien van de zee over gebieden van Opper Birma en Beluchistan en een groot eind ten zuiden van deze lijn, terwijl een arm van dezelfde zee zich uitstrekte naar de Salt Range en bedekte die regio met maar weinig interruptie bijna tot aan het eind van de Eoceen periode (naar D.N. Wadia, ‘Geology of India’, 272).

Deze omvang van Tethys zee moet behoorlijk zijn gekrompen door de bewegingen van de aardkorst, die het land in China en opper Birma toestonden op te rijzen en droog te worden, en het hoogste tafelland van Tibet te ontstaan. Tibet wordt Trivishtap genoemd in Sanskriet, wat driemaal gevouwen betekent. Het geeft aan, dat er drie zulke aardkorstbewegingen waren die Tibet ophieven. In deze beweging kromp Tethys zee tot de Kaspische zee met waarschijnlijk de Zwarte zee en de Zee van Aral eraan gevoegd. Toen moeten de wateren van deze Tethys zee neergestroomd zijn in de zuidelijke middellandse zee en onder de Himalaya, zich voegend bij de Baai van Beluchistan en Assam. De Vindhyan bergen (de oudste bergen) moeten de verdere doorstroming van deze wateren hebben voorkomen. Maar het Gondwana continent bestond nog steeds. Tijdens dit proces moet ook het land onder de Himalaya keten begonnen zijn te rijzen. Al dit moet zijn gebeurd in de periode van het Eoceen tot het midden Mioceen, zoals gesteld door de geologen.

Dus wat gebeurde met deze nieuwe Tethys zee onder de Himalaya, zich uitstrekkend van Sind en Beluchistan tot Assam? Toen de Himalaya begon op te rijzen, moet dit water neerwaarts zijn gestroomd naar het zuiden, uiteindelijk die langgerekte landbruggen onderdompelend, die het Gondwana continent verbonden met Afrika en Australazië. Dit was de tweede fase in de verdwijning van de Tethys zee van al het land. Wanneer had dit plaats?

Gelukkig was Dr. D.N. Wadia (de grote autoriteit op het gebied van Indiase geologie) in New Dehli als de geologische adviseur van de regering van India en kon gemakkelijk geconsulteerd worden. Aldus geconsulteerd antwoordde hij prompt. Zijn antwoord wordt beneden aangehaald van zijn brief, gedateerd 18 augustus 1962:

Het is correct dat tussen de Siwalik keten, de voetheuvels van de buiten Himalaya en de Vindhya bergen een depressie was geschapen gelijktijdig met de rijzing van de Himalaya aan het einde van het Plioceen. Deze depressie is sindsdien opgevuld door de alluviale afzettingen, neer gebracht door de Himalaya rivieren; de voortdurend belading van dit gebied heeft geleid tot verdere depressie, afzetting en tegelijk voortgaande zinking met de enorme noordelijke vlakten van India als resultaat. Het is niet waar, dat deze depressie werd ingenomen door de zee in Neolithische of Prehistorische dagen. Het laatste overblijfsel van de zee van Noord India werd teruggedreven vóór het Midden Plioceen en de depositie van de Siwaliks. – Er was geen landbarrière tussen de Indo Gangetische landstreek en de zee aan beide zijden ervan.”

In een tweede brief, gedateerd 3 september 1962, stelt Dr. Wadia:

De Indo Gangetische Vlakte werd geschikt voor menselijke bewoning tamelijk laat in het Pleistoceen. Pas zo’n 20.000 jaren geleden waren grote gebieden bedekt onder moerassen en jungle. Zoals ik je zei, werd Zuid Bengalen pas bewoonbaar rond 5000 V.C. Het is waarschijnlijk, dat tijdens de Neolithische periode (8 – 12.000 jaar geleden) grote delen van Noord India geen menselijke bevolking hadden.”

Deze stellingen kunnen gezegd worden correct te zijn slechts als we herinneren, dat in “India,” zoals boven gebruikt, het gebied van Sapta-Sindhu niet is ingesloten. Daar heeft archeologie reeds aangetoond, dat Steentijd mensen leefden in Kasjmir (met gelijktijdige Rigvedische Ariërs) zo lang terug als 400.000 tot 600.000 jaar geleden. Maar bepaalde belangrijke punten dienen te worden opgemerkt. De opstijging van de Himalaya, die de Gangetische Trog creëerde, had plaats “aan het eind van het Plioceen”, wat betekent aan het begin van het Pleistoceen, oftewel tussen 500.000 en 1 miljoen jaren geleden. Maar het laatste overblijfsel van de zee kon niet zijn verdreven uit Noord India vóór het midden Plioceen. Het kan worden gezegd te zijn teruggetrokken aan het eind van het Plioceen, toen de Himalaya oprees, anders zou er droog land zijn geweest tussen het midden en het einde van het Plioceen. Het is ook correct, dat deze depressie niet overdekt kon zijn geweest door een zee in de Neolitische periode waarmee hij bedoeld 8.000 – 12.000 jaren geleden. Het kan ook waar zijn, dat Zuid Bengalen later dan 5.000 V.C. kan zijn bevolkt. Maar opgravingen te Hastinapur bewijzen nu het verhaal van de Mahabharata wat plaats had ongeveer vijfduizend jaar geleden in noordwest U.P. en lang daarvoor was de Sumerische beschaving van Harappa en Mohenjodaro, en tegen de tijd van de Mahabharata schijnen de Indiase vlaktes behoorlijk bevolkt te zijn geweest.

Hoe het ook moge zijn, het schijnt, dat in het Plioceen er de Tethys zee was onder de buiten Himalaya en deze periode kan geschat worden op 500.000 jaar geleden, hoewel sommige personen geneigd lijken te zijn er één miljoen jaren van te maken. De meningen verschillen op dit punt.

Het kan ook waar zijn, dat 20.000 jaar geleden grote gebieden in de vlakten bedekt waren met moerassen en jungle. Het houdt in, dat er tussenin droge bewoonde gebieden kunnen zijn geweest en zeker konden deze grote moerassige gebieden niet bewoond zijn geweest. Maar het kan ook betekenen, dat 50.000 jaar geleden de depressie een watervlakte kan zijn geweest, zoet water neer gebracht door de rivieren en niet het zoutige water van de zee. Zelfs dan zou het er hebben uitgezien als een zee, aangezien er geen landbarrières waren tussen deze depressie, de Arabische zee en de Golf van Bengalen. Dit zou de kaart rechtvaardigen, gegeven door H.G. Wells, van de wereld 50.000 jaar geleden in de laatste IJstijd. Op deze kaart toont hij het Deccan Plateau als een groot eiland onder de Himalaya.

Kaart uit H.G. Wells - A short History of the World (p. 50)

Kaart uit H.G. Wells – A short History of the World (p. 50)

Volgens de Indiase traditie heeft de huidige Vaivaswat Manvantar 28 x 1.200 = 336.000 jaar geduurd. Vóór deze Manvantar was de Chakchush Manvantar, aan het eind waarvan de Grote Vloed plaats had, waarin de landbruggen van Gondwana continent werden ondergedompeld en de Arische koning naar Aryanam Veijo in Armenië ging, geleid door de Vis Incarnatie. Na daar een zeer lange tijd te zijn verbleven keerde zijn afstammeling Shradha Deva terug naar India als Vaivaswat Manu en begon een nieuwe dynastie in nieuw verkregen land in een nieuwe hoofdstad van Ajodhya. Als de Grote Vloed 500.000 jaar geleden plaatsvond, dan duurde het minstens 164.000 jaar (of misschien veel meer) voor enig land om op te drogen in de Gangetische trog door het sediment neer gebracht door de Himalaya rivieren, die dat deel van de depressie, gevormd aan het eind van het Plioceen, opvullen. Dit sluit goed aan bij de prehistorische traditionele geschiedenis gegeven in de Purana’s. In feite kan Vaivaswat Manvantar zijn begonnen in Aryanam Veijo en Ariërs kunnen zijn teruggekeerd naar India in een zeer laat stadium van de Manvantar, nadat de nieuwe tradities en cultuur van de Manvantar vastgesteld waren.

De reden waarom deze kwestie van het terugtrekken van Tethys zee van onder de Himalaya en het voegen bij de Indische oceaan door het onderdompelen van de landbruggen, die het Deccan Plateau verbonden met Afrika en Australazië belangrijk is, is, dat deze gebeurtenis een keerpunt vormt in de prehistorische verslagen gegeven in de Purana’s. Vóór deze centrale gebeurtenis vinden we de migraties van de Heliolitische cultuur mensen naar Amerika en Afrika via deze landbruggen en na deze gebeurtenis kwamen de voorouders van Sumali’s terug uit Afrika en verschijnen in Ceylon en zetten een nieuw proces van historische gebeurtenissen op, verbonden met de verschijning van de Sumerische en Egyptische beschavingen van geschiedenis.

Maar in Rigveda wordt geen melding gemaakt van deze gebeurtenis van de recessie van Tethys zee en de gebeurtenis van de Grote Vloed. Er is bewijs, dat een verandering heeft plaatsgehad in Rigvedische ideeën als gevolg van een breuk tussen de Indische en Perzische Ariërs. Het schijnt, dat de breuk pas recent had plaatsgehad, want er is geen verslag van de gebeurtenissen, die leidden tot het conflict of van het conflict zelf. Daarom lijken de Rigvedische hymnen (behalve die in de Appendix van Rigveda) zo heel erg lang geleden gecomponeerd te zijn. Veel van de hymnen bevatten de herinnerde verslagen van gebeurtenissen, die plaatshadden lang voordat ze werden gezongen in de hymnen. Zo’n verslag was dat van de opening van de Kasjmir Vallei en het uitvloeien van de zeven rivieren om het land Sapta-Sindhu te vormen met de vernietiging van de Steentijd stompneuzige, kinloze grotbewoners in de aardbevingen, stormen, blikseminslagen, land verzinkingen en bergbreuken, die deze gebeurtenis begeleidden als de grote daad van de Hoogste God Indra. Deze gebeurtenis had waarschijnlijk plaats rond het einde van de eerste fase van het krimpen van de Tethys zee duizenden jaren vóór de Grote Vloed. Vóór de Vloed waren de Rigvedische Ariërs reeds goed gevestigd in het Sapta-Sindhu land, dat toegevoegd was aan het Gandharva land in Afghanistan in het westen. En toen stopte de formulering van nieuwe Rigvedische hymnen tijdens het verblijf van de Ariërs in Aryanam Veijo, totdat een nieuw ontwikkelde Arische cultuur verscheen in de post Rigvedische periode van de Vaivaswat Manvantar.

Het is opmerkelijk, dat in de Rigveda er niet alleen geen tempels zijn, ook geen verering van nieuwe goden, maar er is ook geen kastensysteem, behalve in de Purusha Sukta (10:90:12), de enige gerelateerd aan kasten. Deze Sukta echter is zo merkwaardig, zo vreemd ten aanzien van de trend in Rigveda, en gevoegd tussen Sukta’s gericht aan Indra en Agni, buiten alle context, dat men zich afvraag,t of hij niet een interpolatie is. Hij is ook niet verbonden met andere en latere Sukta’s over creatie. Dit is echter een “probleem” voor linguïstische experts. De Rishi van Purusha Sukta is ook Narayan, van wie de naam de klank van post Vedische literatuur heeft [CDHM 221: De naam wordt voor het eerst gevonden in de Satapatha Brahmana]. Hij heeft alleen deze ene Sukta in de hele Rigveda op zijn naam staan. Zijn naam komt nergens voor in de tekst van de Rigveda. Men vraagt zich af  of hij echt niet een binnendringer in Rigveda is. Hoewel er Dasyu’s waren in Rigvedische tijden en zelfs Dassa’s, waren ze allemaal niet Arische stammen en volken en geen verschillende kasten van Ariërs.

Hoewel de Dasyu’s over het algemeen bevochten en gedood werden, waren de Dassa’s [dat zijn Dasa’s, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Dasa#As_people] vaak de bondgenoten en vrienden van de Ariërs, zie 8:46:32: Dass Balbutha [dat is Dāsa Balbūtha] geeft een honderdtal koeien aan de Rishi van de Sukta [Griffith geeft als commentaar: waarschijnlijk een ‘aboriginal’ bondgenoot]. Hier wordt gezegd, dat de Dassa’s het volk van God Vayu zijn en beschermd door Indra. Het vers luidt:

Een honderd [kamelen, geen koeien] heeft de wijze gekregen
Dāsa Balbūtha’s en Tarukșa’s geschenken.
Deze zijn uw volk, Vāyu,
die zich verheugen met Indra als hun beschermer,
zich verheugen met Goden als beschermers.

Er waren geen Shudra’s of Vaishya’s of Kshatriya’s (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Shudra) als afgescheiden kasten in Rigveda. Shudra’s en Vaishya’s worden zelfs niet genoemd. Er waren koningen, krijgers, zangers van de hymnen en de uitvoerders van de Vedische Yajna’s [offers] waar alle Ariërs aan deelnamen. Er was geen onderscheid van verschillende klassen gebaseerd op kleur of Varna, zoals ontstond in de latere Arische cultuur na de assimilatie van andere culturen, waarmee de Ariërs in contact kwamen in latere tijden.

~-~-~-~

Het boven genoemde boek van Dr. Wadia, Geology of India, wordt uitgebreid geciteerd door Velikovsky in zijn Aarde in Beroering in een paragraaf over de Siwalik heuvels [zie o.a. https://www.indiawaterportal.org/articles/geology-india-dn-wadia-macmillan-publishers-1919].

In het heuvelland aan de voet van het Himalaya gebergte, ten noorden van Dehli, bevinden zich de Siwalik heuvels; ze strekken zich over verscheidene honderden kilometers uit en zijn 600 tot 900 meter hoog. In de negentiende eeuw trokken hun ongemeen rijke fossiel beddingen de aandacht van de geleerden. Dierlijke beenderen van diverse soorten en geslachten, nog levende en uitgestorvenen, werden daar in verbazende overvloed aangetroffen. Enkele van die dieren zagen er uit, alsof de natuur een mislukt experiment met hen had uitgehaald en het soort als ongeschikt voor het leven had afgedankt. Men vond daar het ruim zes meter lange rugschild van een schildpad; hoe kon een dergelijk dier zich op heuvelachtig terrein hebben voortbewogen? (naar Wadia, o.c., 268.) De Elephas ganesa (zie https://commons.wikimedia.org/wiki/File:ElephasGanesa.jpg), een in de Siwalik heuvels gevonden olifantensoort, had slagtanden, die meer dan vier meter lang en bijna een meter in omvang waren. J.T. Wheeler zegt over hen: “Het is een raadsel, hoe deze dieren ze ooit hebben kunnen dragen, gezien hun enorme grootte en hefboomwerking” (een paar slagtanden van deze afmetingen is te zien in het Paleontologisch Museum van de Princeton Universiteit) [voor meer informatie, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Stegodon].

De fossiel lagen van de Siwalik (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Shivalik_Fossil_Park) omvatten een voorraad dieren van zoveel en zozeer verschillende soorten, dat de dierenwereld van onze dagen in vergelijking daarmee sterk verarmd lijkt. Het maakt de indruk, alsof al deze dieren zo maar op een keer de wereld zijn binnengevallen; “dit plotseling op het toneel verschijnen van een zo gevarieerde bevolking van planteneters, vleeseters, knaagdieren en van primaten, de hoogste orde der zoogdieren, moet als een uiterst merkwaardig voorbeeld van snelle evolutie van soorten worden beschouwd”, schrijft D.N. Wadia in zijn Geology of India, p. 268. Het nijlpaard, dat “in het algemeen een op een bepaald klimaat ingesteld type is” (De Terra), varkens, neushoorns, apen en runderen vulden, bijna tot barstens toe, het inwendige van de heuvels. A.R. Wallace, die met Darwin de eer deelt, de ‘vader’ van de theorie van de natuurlijke teeltkeus te zijn, was een van de eersten, die in termen van verbazing de aandacht op het uitsterven van dieren in de Siwalik vestigde.

Veel van de geslachten, die een weelde van soorten omvatten, werden tot op het laatste exemplaar toe uitgeroeid; enkele geslachten zijn nog vertegenwoordigd, maar slechts door enkele soorten. Van de bijna dertig soorten van olifanten, aangetroffen in de Siwalik lagen, is er maar één in India in leven gebleven. “De plotselinge en wijdverspreide vermindering van de zoogdieren van Siwalik is zowel voor de geoloog als voor de bioloog een uitermate onthutsende gebeurtenis. De grote vleeseters, de verschillende soorten olifanten rassen, die tot niet minder dan 25 tot 30 soorten behoorden (…) de talloze families van grote en in hoge mate gespecialiseerde hoefdieren, die zulk een geschikte woonplaats in de Siwalik oerwouden uit het Plioceen vonden, worden in de onmiddellijk daarop volgende periode niet meer gezien.” (Wadia, 279) Men placht aan te nemen, dat de komst van de ijstijd hen doodde, maar later heeft men ingezien, dat er in het tijdperk van de mens, veel dichter bij onze tijd, grote verwoestingen hebben plaatsgevonden.

De oudere geologen meenden, dat de Siwalik afzettingen van alluviale aard waren, dat ze bestonden uit overblijfselen, die door uit de Himalaya woest neerstortende bergrivieren waren meegevoerd. Maar men zag in, dat deze verklaring “onhoudbaar schijnt op grond van de merkwaardige homogeniteit, die de afzettingen bezitten” en van de “gelijkvormigheid van de lithologische samenstelling” in een menigte geïsoleerde bassins, die op aanzienlijke afstand van elkaar liggen (Wadia, 270). Er moet een of andere enorme kracht zijn geweest, die deze dieren meevoerde en ze aan de voet van het Himalaya gebergte neerlegde, en die, nadat er een geologische periode was voorbij gegaan, ditzelfde nog eens herhaalde – want in de Siwalik heuvels zijn er dierresten van meer dan één verwoesting. Ook is de grond in beweging gekomen: “Het afgescheurde deel van de vouw is in zijn geheel over grote afstanden voort gegleden en heeft zo het oudere Pre-Siwalik rotsgesteente van de binnenste bergketens over de jongere rotsformaties van de buitenste ketens geduwd.” (ID., 264)

Als de oorzaak van deze geweldige werkingen en verwoestingen niet plaatselijk was, moest zij soortgelijke uitwerkingen hebben gehad aan het andere uiteinde van het Himalaya gebergte en daarbuiten. Tweeduizend kilometer vanaf de Siwalik heuvels, in Midden Birma, zijn de afzettingslagen, die door de Irrawaddy rivier doorsneden worden, ‘misschien wel 3.000 meter dik”. “Twee fossielen bevattende lagen in deze reeks worden van elkaar gescheiden door ongeveer 1.200 meter zand.” De bovenste laag, gekenmerkt door mastodont, nijlpaard en rund, komt overeen met een van de lagen in de Siwalik heuvels. “De sedimenten vallen op door de grote hoeveelheden fossiel hout waarmee ze vergezeld gaan (…) Honderden en duizenden complete stronken van versteende bomen en enorme houtblokken, die er in het zandsteen liggen” doen denken aan een ontbossing van ‘dichtbeboste’ streken (ID., 274f). Dieren vonden de dood en stierven door elementaire natuurkrachten, die ook bossen ontwortelden en van Kasjmir tot Indo China duizenden meters hoge bergen zand over soorten en geslachten wierpen [Vel. 84-86].

Velikovsky geeft het volgende overzicht: Volgens het algemene geologische schema verschenen 500 miljoen jaar geleden de eerste levensvormen op aarde; 200 miljoen jaar geleden ontwikkelde dat leven zich tot reptielachtige vormen, die het toneel beheersten en reusachtige afmetingen bereikten. Die grote reptielen stierven 70 miljoen jaar geleden uit en toen namen de zoogdieren bezit van de aarde – zij behoorden tot het Tertiair. Volgens dit schema vonden de laatste bergverheffingen tegen het einde van het Tertiair, tijdens het Plioceen, plaats; deze periode duurde tot een miljoen jaar geleden, toen de periode van het Quartair, de periode van de mens, begon. Het Quartair is ook de periode van de ijstijd of het Pleistoceen – het Paleolithicum of de oude steentijd; terwijl de allerlaatste einde van het Quartair, vanaf het einde van de ijstijd, de recente periode, het Neoceen wordt genoemd: het Neolithicum (late steentijd), bronstijd en ijzertijd. Sedert de mens op aarde verscheen, of sinds het begin van de ijstijd zijn er geen bergverheffingen op grote schaal geweest. Met andere woorden: men liet ons weten, dat het profiel van de aarde met haar bergen en oceanen reeds bestond toen de mens voor het eerst verscheen.

In de laatste tientallen jaren hebben bergen en valleien ons echter talloze feiten verschaft, die een heel ander verhaal vertellen. In Kasjmir ontdekte Helmut de Terra sedimentaire afzettingen van een oude zeebodem, die op sommige plaatsen tot een hoogte van 1500 meter of meer omhoog was gerezen en was gekanteld over een hoek van wel 40 graden; het zeebekken was door het oprijzen van de berg opgetrokken. Maar wat volkomen onverwacht was: “Deze sedimenten bevatten paleolithische fossielen.” En dit zou het, volgens Arnold Heim, Zwitsers geoloog, aannemelijk maken, dat de bergpassen in de Himalaya in de levensperiode van de mens duizend meter of meer zijn omhoog gerezen, “hoe fantastisch veranderingen van zo grote omvang de moderne geoloog ook mogen toeschijnen.” (Heim & Gansser 1939, 218; voor een PDF: http://pahar.in/wpfb-file/1939-throne-of-the-gods-first-swiss-expedition-to-the-himalayas-by-heim-and-gansser-s-pdf/).

Studies on the Ice Age in India and Associated Human Cultures, in 1939 uitgegeven door De Terra, die voor het Carnegie Instituut werkte, en bijgestaan werd door prof. T.T. Paterson van de Harvard Universiteit, is één lang betoog en één lange demonstratie, dat het Himalayagebergte gedurende de ijstijd begon omhoog te rijzen en zijn tegenwoordige hoogte pas na het einde van de ijstijd, in feite dus in historische tijden, heeft bereikt. Over andere bergketens kwamen soortgelijke rapporten. De Terra verdeelde de ijstijd van de Kasjmir hellingen van de Himalaya in Lager Pleistoceen (omvattend de eerste ijsperiode en tussenliggende perioden), Midden Pleistoceen (de tweede, grote ijstijd en het volgende interglaciaal) en het Boven Pleistoceen, omvattend de laatste twee ijstijden en een tussen ijstijd). “Het toneel, dat dit gebied bij het begin van het pleistoceen opleverde, moet wel sterk hebben verschild van dat in onze tijd (…) De Kasjmir vallei lag minder hoog en haar zuidelijke bolwerk, de Pir Panjal, miste die Alpine grootsheid, die de reiziger heden zo boeit (…)” Toen kwamen verscheidene groepen formaties in beweging “zowel horizontaal als verticaal, wat een zuidwaartse verplaatsing van oudere rotsen op sedimenten van het voorland ten gevolge had, gepaard gaande met een omhoog rijzen van de bewegende strook” (Terra & Paterson 1939, 223; zie voor dit boek: https://archive.org/details/in.ernet.dli.2015.57289/page/n5).

De hoofdmassa van het Himalaya gebergte ging steil omhoog rijzen, waardoor de meer beddingen van Kasjmir samengedrukt en tegen de helling van de beweeglijkste bergketen omhooggetrokken werden (…) De bergverheffing ging gepaard met een zich zuidwaarts verplaatsen van de Pir Panjal bergmassa naar het er voor liggende land van noordwest India.” (ID., 225) Het Pir Panjal massief, dat naar India werd geduwd, is tegenwoordig 4.500 meter hoog.

In het begin van deze periode was de fauna sterk verarmd, maar daarna bevolkten, naar de overblijfselen te oordelen, grote katten, olifanten, echte paarden, varkens en nijlpaarden dit gebied.

In het Midden Pleistoceen, ofwel de ijstijd, was er een “voortgezette bergstijging”. “De archeologische gegevens bewijzen, dat de vroege mens uit het Paleolithicum de aangrenzende vlakten bewoonde.” De Terra beroept zich op “een overvloed van paleolithische vestigingsplaatsen.” De mens gebruikte toen ‘afslag’vormige stenen werktuigen, overeenkomend met die in de bos laag van Cromer werden aangetroffen.

Toen werd het Himalayage bergte opnieuw omhoog gedrukt. “Overhellen van terrassen en meer beddingen” wijst op “een aanhoudend verder omhoog rijzen van het gehele Himalayagebied” gedurende de laatste fasen van de ijstijd (ID., 222).

In de laatste stadia van de ijstijd, toen de mens in de bergen steen bewerkte, zou hij in de dalen al in de bronstijd hebben kunnen leven […].

De korter geleden bergverheffingen in het Himalayage gebergte vonden plaats in de tijd van de moderne mens. “De gegevens over het post glaciale opmars (van het ijs) was”, wat in de ogen van De Terra en Paterson wijst op een diastrofische beweging van de bergen. “ [80-83]

R. Finsterwalder, die het Nanga Parbat bergmassief in de westelijke Himalaya (8.126 meter hoog) onderzocht, dateerde de ijsvorming op de Himalaya als post glaciaal; met andere woorden: het zich uitbreiden van de gletsjers in het Himalaya gebergte voor een deel na de tijd, die als ijstijd wordt aangeduid, plaats; dat wil zeggen: slechts enkele duizenden jaren geleden (1936, 321f). Heim, die de bergketens van westelijke China, grenzend aan Tibet en ten oosten van de Himalaya onderzocht, kwam tot de conclusie (1930), dat ze sedert de ijstijd waren omhoog gerezen.(Lee, The Geology of China, p. 207).

Het grote massief van het Himalaya gebergte is in de tijd van de moderne, in feite de historische mens tot aan zijn tegenwoordige hoogte opgerezen. “De hoogste bergen ter wereld zijn ook de jongste” [Heim & Gansser, 220]. Met hun hoogste toppen hebben deze bergen het hele geologische schema van een “lang, lang geleden”, te niet gedaan.

Elders merkt Velikovsky op: de bergketens in China en Tibet, de Andes, de Alpen, de Rocky Mountains en de Kaukasus rezen tot hun tegenwoordige hoogten omhoog in de late steentijd en zelfs in de bronstijd, in welke (postglaciale) tijden Afrika door de Grote Breukzone gespleten werd (ID., 217).

Maar deze vertraagde acties van alleenstaande vulkanen lijken kinderspel als men ze vergelijkt met de krachten, die in het verleden de Andes opduwden, die de terrassen van Deccan – de grote lavastromen, honderden meters dik, die zich in India over meer dan 400.000 vierkante kilometer uitstrekken – vormden, die de lava dammen opbouwden, die dwars over Zuid Afrika lopen, het Columbia Plateau in Amerika uitspreidden en de lavalaag in de Grote Oceaan legden.
De Indische Oceaan is vanaf Java, een eiland vol uitgedoofde, slapende of werkende vulkanen, tot aan de Kilimanjaro, een meer dan 5.700 meter hoge vulkaan in Oost Afrika toe,omringd met vulkanen, terwijl de bodem uit lava bestaat, met in het midden verscheidene vulkanische eilanden. Langs de Arabische kust van de Rode Zee strekt zich een lange keten vulkanen uit; de talloze kraters zijn alle uitgedoofd; maar het is nog niet zo lang geleden, dat ze inactief zijn geworden, want de laatste uitbarstingen vonden in het jaar 1222 te Killis in Noord Syrië en 1253 te Aden plaats (ID. 158).

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-1-introductie/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-2-de-tethys-zee/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-3-de-vloed-van-manu-en-aryanam-veijo/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-4-wie-waren-de-devatas/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-5-internationaal-toneel-in-rewat-mantavar-en-rishi-narad/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-6-verspreiding-van-heliolitische-cultuur/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-7-de-splitsing-tussen-indische-en-perzische-ariers/
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-8-de-tijd-van-de-rigveda/

1 Trackback / Pingback

  1. Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (11): De Grote Kloof | Rob Scholte Museum

Comments are closed.