Cor Hendriks – Op ’t vernietegen van ’t genaemde Engels Parlement (Engelsman: Staartman 4)

Op ’t vernietegen van ’t genaemde Engels Parlement door Olivier Cromwel hun Generael.

OP DE REGEL
Hier dwingt men ’t Parlament die Koning Karels hooft,
Heeft van het Hemels licht en Sonne schijn berooft.

[’t Parl.]
Verrader wel hoe nu wie maakt u hier soo stout,
Dat gy gewapent komt hier op dees plaats verschijne:

[Cromw.]
Ik kom ô Raven-aas by u liên om het gout
Dat gy de Londonnaars, met overwreede pijne,
Barbaarsch’lik hebt onthaalt, gy schatte maar ’er goet:
Daar gy een pik op hadt, siet soo veel moet ’er wesen.
Se halen ’t waar van daan, ja tusschen vleys en bloet:
Van oude Weduwen en ouder-loose Weesen.
t’Sa lustig waar s’ de Ton ? daar ’t al is in bekuypt,
Daar Nederlant om sugt, dat d’Oosterling doet smarten;
Dat Spanjen, Vrankrijk ook noch in de oogen druypt,
Door u vervloekte list en duyvelikke parten.

[Parla.]
Onsaalige Londons roe en Hollands dubb’le pest,
Wat gaat u aan ô ! Vos ons uyt dees plaats te jagen,
Daar wy om uwent wil (gelijk gy weet) noch lest,
Het Koninglijke Hooft heb van den romp geslagen,
Eyst gy nu onse schadt daar gy een heelder zijt:
Met ons altijt geweest, ô gruwelikke parten !

[Cromw.]
Swijg stil baatsugtige, want u regeerens tijt
Hier nu ten eynde is.

[Parla.]
Ey neem ons spraak ter harten.

[Cromw.]
Al lang genoeg gehoort ik seg u voort vertrek
Eer dat mijn dolle Brein met gramschap word ontsteken:
U plett’re al tot gruys, of als het zout de slek,
Ik wil der Burg’ren schad aan u ô ! schelmen wreken.
Waar is de gulden Staf, seg Spreker voort hier uyt.

[De Geest van Dorislaar[1] met een wasse-kaars uyt stix[2] opgeresen, blaast Cromwel dese woorden in]
Daer leydse wakk’ren Helt, vol doet u plicht te degen,
En bruyst de rijkke Ton met krachte op zen huyt.
Om u te lichten zijn ’k uyt ’t nare stix gestegen.

[Cromw.]
Daar leggense nu in d’as het Parlament en Raadt:
En al ’t gestole goet dat is tot Chrijgsmans beste.

[Geest.]
Soo Cromwel dat gaat wel u loffelikke daat:
Betuygt u vromigheyt voor my noch in dit leste.

[Cromw.]
Nu zal ik al mijn Volk gelijk een Moses leyde,
Na een veel vetter Wey, na dat beloofde Lant,
Het rijke Christi ik met krachte sal uyt breyde,
Ik ben u licht en blink gelijk een Diamant.

Veranderde Cromwel.

Wie blaft nu tegens My die d’ooroloogs Bannier,
Door ’t gauwe Vosse vel soo hoog heb op doen steyg’ren,
Dat ik als Cæsar Bral met d’oorloogs Laurier:
Wie durft al ’t geen ik wil, en mijn versoek my weyg’ren.

Cromwel, Alexander, of Werelt dwinger.

Nu kom ik haast de Leeu zijn Eendracht’s thuyn omvroeten
En maak dat Nederland is voor myn macht te kleyn,
De Spanjaert veel te min, en Vrankrijk dat is mijn:
Sy komen op mijn Zee, ik sal hen wel ontmoeten.
Ik heet geen Cromwel meer, maar tweeden Alexander,
Mijn grootse ziel en schrikt voor duyvel noch voor doot,
Het is mijn hoogste vreugt te sien het staal en loot:
En brand in d’oorloogs vuur gelijk een Salamander.
Geen droefheyt ik meer ly, als dat’k niet meer kan winnen,
Als dese werelt: helaas ! te kleyn voor mijn gemoet:
Ik trapse op de nek, met mijn gelaarsde voet,
Al warender noch duysend na dese meer te vinnen.

[Vervolg van het artikel van Elizabeth Staffell, ‘The Horrible Tail-Man and the Anglo-Dutch Wars’, p. 175-177]

In 1653 toont een prent, getiteld ‘Op ’t vernietegen van ’t genaemde Engels Parlement door Olivier Cromwel hun Generael’, de Protector echter als Hercules, die een ton gevuld met de op kwalijke wijze verkregen winsten van het Parlement; de leeuwenhuid is op listige wijze geschikt om te suggereren dat de staart die van de drager zelf is.

Ter verdere verklaring volgt hier een citaat uit G.A. van Es & Edward Rombauts, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden 5 (1952), p. 215.

In zwaarder versvormen (alexandrijnen tot strophen geschikt: aabccb), geeft Jan Zoet een caricatuur van Cromwells schrikbewind in ‘Klagteloose Staat-sucht, Leevendig vertoont in de regeringe van ‘t verherde Engeland, ten tijde van Cromwell’ (blz. 40). Diens matelozen hoogmoed hekelt hij in ‘d’Engelze Knipperdollingh of de Woedende Kromwel’ (blz. 50). Meermalen moet ook de Engelse gezant van Enkhuizer afkomst, Isaac Dorislaar, het ontgelden. Met spottend leedvermaak beschrijft hij den op hem gepleegden moordaanslag, als een onontwijkbaar wraakgericht: ‘Woedende Wraak van Izaäk Dorislaer’ (blz. 45). De ‘Reis naar de Hel’ (blz. 47) is tevens een venijnige satire op de godsdienstige tegenstellingen. In den droom is de dichter getuige van een heftige ruzie tussen Lucifer den Geus en den Arminiaans gezinden Belzebub, over vrije wil en praedestinatie. Tot vergroting van de verwarring mengen zich ook ‘de Roomze Geest’ en ‘de Bruiniste Geest’ in het debat, afspiegeling van het gebeuren in Engeland. Lucifer dreigt kroon en kop te verliezen. Maar op het laatste moment laat Radamant Dorislaar in Den Haag vermoorden en zijn leugengeest naar de Hel halen. Zijn komst doet het tumult verstommen. Hij wordt er vereerd als nieuwe machthebber, in een zetel ‘van Judasbeen gewrogt’ en gekleed in het hemd van Hercules, terwijl twee slangen hangen ‘in zijn toegekleefde ooren,/ opdat hij na geen regt, nog reden, luisteren zouw’. Wanneer straks het roer in Engeland is omgegaan, maar Karel II, op den troon van zijn vermoorden vader hersteld, toch de vijandige politiek tegen de Nederlanden voortzet, heeft Jan Zoet nieuwe stof voor zijn scherpe pen: ‘De bedroogen Hoop’ (blz. 42) omschrijft de teleurstelling nog in gematigde termen, vinniger hekelt ‘d’Onvergelijkkelijke Nederlandse Tongslyper’ (blz. 31) ‘het logenagtig Londen’, waar de leugentong nu gemerkt is door een koninklijke kroon. Een aardige satire op den Engelsen koning is voorts de anecdotische ‘Wonderlikke Voorzegging, gedaan binnen Londen door den Hof-Nar, van Karel Stuart’ (blz. 53): op de vraag van den koning wat hem de oorlog met Holland zal kosten, antwoordt de nar: slechts 30 schellingen – dwz. drie gouden kronen, nl. die van Engeland, Schotland en Ierland.

De volgende aflevering heet ‘Satire op Engeland’.

[1] Isaac Doreslaer, de gezant van het Engelse parlement, die in Den Haag door koningsgezinde Britten op straat was vermoord (mei 1649). (DBNL six_003gedi01_01_0867.php).
[2] Stix = Styx, rivier van de Onderwereld.