Cor Hendriks – Bij een waarzegster in de 17e eeuw

Bij een waarzegster (wegens een diefstal)

Ik sla een gat in de hemel, wat heb ik daar al gezien!
Dingen, die men zou zeggen, onmogelijk zijn om te geschiên
Het was er zo naar, dat ik schier van angst viel uit de weet [= bewusteloos],
Ik lilde, ik trilde, ik sidderde, ik beefde, aan elke haar hing wel een droppel zweet
Zij zette een huifje op haar hoofd van klitteblaên
En een rok van Zoetermeers grofgrein [= zwart linnen] trok ze aan,
Geboord met Ouwerschies passement [1], besmeerd met venijn,
En ze deed een schortekleed voor van Pijnakkers armesijn [2];
Een kraag hing ze om haar hals van levende zwanenveren
En sloeg een schoermanteltje [= schoudermanteltje ] om van ongetouwd [3] leer.
Toen nam ze een stok in haar hand en trok een O om haar hele lijf
Daar schreef ze een 1, daar een 8, daar een 6, daar een 4 en daar een vijf
Dan begon ze te kruisen en te vanen, te moffelen [4] en te prevelen
Te rekken en te strekken, te vloeken en te evelen [= dreigen];
Zij bestreek haar gezicht en handen met de hersens van een ezel
En bond aan haar voeten de voorste poten van een wezel.
Toen sloeg ze een boek op helemaal van maagden perkament,
Geschreven met bloed van vleermuizen, in een spraak mij onbekend,
Zeer vreemd om te zien, en begon bezweringen te lezen.
Ze zei tegen mij: “Blijf daar zitten, je hoeft niets te vrezen;
Jou zal niets misschiên,” toen kwam daar voor de dag
Een fatsoen [= wezen ], zo raar als maar wezen mag,
Zonder hoofd, de mond en ogen in de borst, geen handen,
Geheel voetloos, ‘t ging op stompen, en het had tanden,
Die uit zijn mond tot over de navel staken;
‘Twas moedernaakt, ‘t had slechts om een lelijk, vuil laken.
Kom,” zei ze, “fluistert in mijn oor, ‘t wordt u door deze tekenen bevolen
Wie dat het goed heeft, waar het is, dat Pleunige Praets is ontstolen.”
Toen neigden ze tezamen naar elkander en hadden wat gefluister,
Terwijl ze dat deden, werd de kamer heel duister.
En het duurde een half kwartier uurs, ik verstond niets van haar gezeg.
“’Tis wel,” zei ze, “vaart heen;” toen werd het weer licht en de geest was weg.
Wel,” zei ze, “was je daar niet in geweldige bangigheid, toen je geen licht meer zag?
Ik dacht zeker, dat je al van jezelf in onmacht lag.
Nee ik,” zei ik, “ik ben al een hartig maatje,
Zou men zo knap [= gauw] ontzet worden, wat een praatje,
Van een klein gerucht word ik niet vervaard,
Ken je mijn aars niet, ‘t was niet de pijn waard.”
Maar bij gut, ik dacht dat ik bang was, toen zweeg ik stil,
Men moet soms een leugen liegen, om beters wil.
Hoort,” zei ze, “het goed heeft gestolen wrevelachtige Wouter van Brevoort,
Daar zal zij het allemaal vinden, geeft haar dat voor antwoord.”
“’Tis wel, Elsje,” zei ik, “ziedaar, ben je tevreden? Dat heb ik u toegedacht.
Ja ik, Moe[de]r, ja ik,” zei ze, “ik ben tot uw beste bij dag en bij nacht.”
Ik moet je wat vragen,” zei ik toen, “maar zeg de waarheid, je moet met mij niet spotten,
Wat doe je met al die glazen en flessen, kruiken, pannen en potten,
Al die oliën, wateren, zalven en groente, wat wil dat beduiden?
Och kind,” zei ze, “daar richt ik al mijn kunst mee uit, dat zijn krachtige kruiden.”
Daar hingen de vleugels van een draak, met het vel van een kater,
De klauwen van een griffioen, de ogen van een wolf en een fles met Mei water.
Daar stond een houten Backus, dat zag er uit als een die geeuwde [5],
Met een potje mensen vet op een stooftest [= vuurpot], dat stonk dat men schier bekeeuwde [6].
Nog zag ik een helm, waar de kinderen mee worden geboren,
En serpententongen, hoofden van kwartels met honden oren,
De strop van een dief, borstels van een egel, een koeienlong en een ossenhart,
De steen van een arendsnest, met bokkenbloed, pijlenveren en zulke snuistermart,
Met veel bloemen, die op Sint Jansnacht geplukt waren,
Gesponnen hondendarmen hingen daar met een grote streng garen.
Wel zeg mij toch eens,” zei ik, “wat doe je met die olie, die eruitziet als bloed?
En ik wees op een fles. “Dat zal ik je zeggen,” zei ze, “die is goed
Om te zien of een meisje maagd is of niet.”
En dan die olie, die er zo grasgroen uitziet?
Die,” zei ze, “beneemt de lui de wakkerheid en doet je in de bonen weunen [7].
Strijk je hoofd ermee, je zult vier dagen slapen en ronken, dat de toren zal dreunen.”
En dat?” zei ik; “als dat jouw kleren raakt,” zei ze, “is de hanenvoet gebreid [8];”
Zo vroeg ik voort en ze deed mij goed bescheid.

Uit Volkskunde 6, p. 46f: FBH: “Bij een waarzegster, omtrent informaties naar een diefstal”, naar: G.C. van Santen, Snappende Siitgen, Leiden, 1620.

Witch picture (foto Museum of Witchcraft and Magic)

Witch picture (foto Museum of Witchcraft and Magic)

Vergelijk een 15e eeuws manuscript in Joshua Trachtenberg, Jewish Magic and Superstition | A Study in Folk Religion, New York, 1970, p. 220, met diverse middeleeuwse Duitse nauwe parallelle verslagen:

Neem eerst wat vlas en maak er een kaars lont van; rol dan de kaars, een span of meer lang, van maagden was. Snij met een vingernagel zeven ringen rond de kaars en zet die op de grond. Trek zeven cirkels eromheen met een zwaard en ga in het centrum zitten met de jongen op je schoot. De jongen mag niet ouder zijn dan negen jaar, en moet klein zijn. Het werk dient op een zaterdag, maandag of donderdagavond uitgevoerd te worden. De jongen grijpt de kaars in zijn hand en je zegt in zijn rechteroor: “Adam Havah Abton Absalom Sarfiel Nuriel Daniel,” en zeg negen maal: “Gerte, ik bezweer je met deze zeven namen, die ik genoemd heb, te verschijnen in de was van deze kaars, zorgvuldig voorbereid en voorbestemd voor dit doel, en me waarachtig te antwoorden ten aanzien van dat wat ik je ga vragen.” Vraag dan de jongen: “Wat zie je?” Als hij zegt: “Ik zie een vrouw,” en als ze gekleed is in het zwart, zeg de jongen haar te bevelen, naar de wens van zijn meester, gekleed te zijn in het wit en te springen en te dansen. Zodra de jongen haar ziet, moet hij zeggen: “Uw komst zij in vrede,” en na het springen: “Gerte, ik bezweer je in de naam van mijn meester, dat je me de verbergplaats van het bezit gestolen van N. zoon van N. op zo’n manier toont, dat ik het moge herkennen.” En als hij het niet herkent, moet de jongen de vrouw er toe brengen in zijn meesters naam de locatie van deze plek duidelijk op te schrijven in grote letters en met de klinker punten, zodat de jongen in staat is het te lezen. Wees niet teleurgesteld en van de wijs als je deze procedure twee of drie maal probeert en ze verschijnt niet; ze kan liggen slapen. Als ze weggaat, moet de jongen tegen haar zeggen: “Ga in vrede en kom weer als mijn meester dat wil.

In zijn aantekeningen (p. 308) merkt Trachtenberg op, dat het woord Gerte (= garde, roe) niet verder in de tekst voorkomt en alleen door Grunwald wordt gelezen, terwijl Güdemann, zijn tekst volgt Trachtenberg, het niet kon ontcijferen, en daarom niet vertaalt. Passages uit Dr. Hartliebs Boek der Verboden Kunsten uit 1455 vertonen grote overeenkomst. Een reflectief medium wordt bereid. Hartlieb meldt er diverse. ‘darnach nimbt er ain rain kind, und setzt das uf ainen schönen stul (…) der zaubermaister hinder im und spricht im etliche unerkante wort in die oren (…) und haisst im das rain kind die wort nachsprechen (…) so haisst er in sehen was er sech (…) darnach fragen sie den knaben, ob er icht sech ainen engel? Wan der knab spricht ja, so fragen sie was varb er anhab? Spricht der knab rott, so sprechen die maister ie, der engel ist zornig, und bäten aber mer (…) wan dan der tüfel bedunkt, das er dienst genüg hab, so lasst er erscheinen den engel in weiss, so ist den der maister fro (…) so fragt er dan so lang bis er sicht puchstaben. die selben puchstaben sambent dan der maister und macht daruss wort, so lang bis er hat darnach er gefragt hat” (daarna neemt hij een rein kind en zet dat op een mooie stoel (…) de tovermeester [staat] achter hem en spreekt hem ettelijke onbekende woorden in de oren (…) en beveelt hem het reine kind de woorden na te spreken (…) zo beveelt hij hem te zeggen wat hij ziet (…) daarna vragen ze de knaap, of hij ook een engel ziet? Wanneer de knaap ja zegt, dan vragen ze welke kleur hij aanheeft? Zegt de knaap rood, dan zeggen de meesters tegen hem, dat de engel toornig is, en bidden echter meer (…) wanneer dan de duivel dunkt, dat hij dienst genoeg heeft, dan laat hij de engel in wit verschijnen, zo is dan de meester blij (…) zo vraagt hij dan zo lang tot hij letters zegt. Deze letters verzamelt dan de meester en maakt daaruit woorden, zolang tot hij heeft waarnaar hij gevraagd heeft).

Trachtenberg wijst er op, dat Oosterse, Noord Afrikaanse en Spaans Joodse manuscripten weinig verschillen van de middeleeuwse verslagen. Hij merkt op, dat de 11e eeuwse Rashi (San.. p. 67b) zegt, dat een mes met zwart handvat nodig is voor het oproepen van de “prinsen van de vingernagel”. Ditzelfde zeggen manuscripten uit Spanje, Tunis en het Oosten, maar wat het gebruik ervan is, zegt Trachtenberg niet (vergelijk functie athame: trekken van cirkel).

Frans Francken - The witches’ Sabbath (foto jeanmoust)

Frans Francken – The witches’ Sabbath (foto jeanmoust)

Bezoek bij een Amsterdamse waarzegster in de 17e eeuw

Over twee studenten theologie, L. en W., die door de bijdehante meid van de hospita van L., Tijntje Lollepot [9], om de tuin geleid worden: beiden menen door dezelfde schone, rijke juffer bemind te worden (vrijage per brief, geschenken voor Tijntje, die laat schrijven door de waarzegster Maey (Maai) int Hellegat, die Tijntje in haar bedriegerij voorlicht. Scene: Tijntje bij Maai, die zegt:

Hou Kniertje Modderuil [10], breng hier mijn toverspullen,
Ontsteek een vuur van pek, van zwavel, spaanderkrullen,
Breng hier mijn toverrek, gerokkend [11] door een luis,
Gesponnen door een spin, geweven door een muis.
Breng hier mijn toverboek met muggenbloed geschreven,
Door welks woorden ik de Nikkers zelfs doe beven.
Breng hier de rol, waarin de namen van diegenen staan,
Die in de kalver min ellendig zijn vergaan,
De gal van een duif, de nieren van een doffer,
’t Hart van een geile geit, ’t blanketsel van een Joffer.
Schik alles zo ’t behoort, opdat er niets aan schort,
Wanneer door mijn kunst de hel bezworen wordt.
Zie zo, ’t is alles wel, ga jij nou weer naar binnen.”

(…)
De cirkel is gemaakt met zwarte kruisen,
Me dunkt, ik hoor al de helse rekel bruisen,
Omdat ik door mijn kracht de poorten van de hel
Voor al het naar gespuis der duvelen open stel!
Doch eer ik word verrast, zal ik haar straks [= streng] bezweren,
Door deze letteren, dan kan mij niemand deren.
Per knipsus knapsus baart [12]; per krampe steknio
per harne sceptoros [13]; per kalfs amorio [14];
per moron minnesiek; per leukos ventifractor [15];
per ganus belsebuuk; ballusor; Fecefactor [16].
Bezweer ik Heintje Pik met al zijn gore maats,
Dat niemand hier verschijnen zal op deze gekruiste plaats
Dan die ik zelf begeer; of anders zal ik tonen,
Wat crimen het is om een toveres te honen.
Ik wil geen kabouterman, die ’s nachts voor anderen werkt,
En hen geluk verleent, al wordt het nooit gemerkt.
Ik begeer geen satyrdier, die ieder wil bedillen
En heel het land vervult met kluchten en paskwillen [17].
Nachtmerrie, paardenvoet, Laplander, kinderdief,
Weerwolf, bullebak, hellevuur, noch kol gerief,
Door welks hulp een heks zichzelf in een kater,
In vlo, in vleermuis, in lucht, in vuur en water
Terstond hervormen kan, wordt nou door ons verzocht;
Neen, Pluto, hoor je niet, het is een aar [18] gedrocht,
Dat mij nu helpen moet; kom, laat er een verrijzen,
Die loos [= geslepen] is en doortrapt, die mij de weg kan wijzen
Om een verwaande, eigenwijze, verwilderde jongeling
Een groots heer, die onlangs het minne vuur beving,
Door een gewaande bruid en joffer te bedriegen,
Omdat hij al te hoog zonder wieken wil vliegen.
Hebt ge de zin gevat? Volvoer dan mijn bevel,
Zo zo, daar barst er een van onderen op, ’t is wel:
Houd stand, verdoemde geest, al hoog genoeg gesteigerd,
Hoor Nikker, die mij nooit uw bijstand hebt geweigerd,
Als ik u heb verzocht in eenzelfde geval,
Zeg, hoe men dit bedrog bekwaam verrichten zal?
(Geest:)
Bedrieg hem door Baldij, zoals gij de anderen
Gefopt hebt door Lusyn; ’t zijn gekken bij elkander,
Hen dient ook een kap.
(Maai:)Ik heb u wel verstaan,
Ga heen vanwaar gij kwam; (…)”

Naar een anoniem manuscript: Klucht Van Joncker Lichtbedrogen en Monsr. Wintbreker| Gesmoort inde kalverliefde op ’t spreuckje Die na de hoogte schiet, en inde laegte sit, Wordt licht bekaait, en mist sijn ingebeelde Wit, gedateerd 1657).

Dr. Robert Foncke merkt hierbij op: Ongetwijfeld is de hierin vermelde bezweringsformule door de dichter zelf grappig uitgedacht ter wille van zijn spotspel op de kalverliefde. (Volkskunde 25, p. 176 180)

Dit bogus Latijn was populair in de 17e eeuw; veel gebruik wordt ervan gemaakt door Ritsaert, de nep tovenaar uit Jan Vos’ Klucht van Oene (6e druk 1662) [zie Volkskunde 6, p. 81f.] Hij zegt dingen als:

He, Sa, vo, been marketroy, kom poesme krasser,
Oksius, Koksius, Noksius, Poksius,
Homenus, Domenus, Bomenus, Romenus,
Arius, Darius, Blarius, Larius,
Voort wat ‘er wort bestiert door ’t loopen der Planeeten.”

De hoofdpersoon, de boer Oene, reageert:
“Voorzeeker et deuze man et Latijn met pollepels egeeten.”

En Ritsaert vervolgt:
Inquam koenat, Rekoolatt, katan, Extra, struynalibol.

Oene grapt:
Hoo, hoo, praetje van struif [19]? Ik drukje wel ien baly [20] vol.

Maar Ritsaert gaat onverstoorbaar voort:
“Belzibuik, Lucifer, Pollepel, Schuimspaen, komt alles in perzibel[21].”

Oene becommentarieert:
Daer leest hy et Duivels paternoster uit Heintjemans [22] Bijbel.

En Ritsaert vervolgt:
Firlementis, Swijnentis, Schoeschentis lagardefrooy.” (et cetera)

Als Oene het zat wordt, zegt hij:
Wil ik jou wat zeggen? Reintje de Vos sprak in Latijn,
Dat de allergelierste de wijste niet zijn.”

En als Ritsaert hierop antwoordt:
Twijffel niet an men wijsheidt, men kanze uit men groote baert leezen.”

Zegt Oene hierop gevat:
Zoo de wijsheidt in ien groote baert zit, zoo moeten de bokken hiel wijs weezen.” (et cetera)

In ‘Tspel van Coninck Balthasar (opgevoerd 1591 1612 1633; door Hasseltse Roode Roos) vraagt koning Balthasar uitleg voor de tekst Mane Thekel Phares (Daniël. 5:2528) aan zijn wijse meesters, tovenaers en wecchelaers. Een van hen roept vanuit zijn tovercirkel Belial op:

Deyt! Ick sal hier eenen rinck slaen na den westen
Oft die wyshyt van daer wayden te mynen besten.
(Int perck springende leest deze conjuratien. Van binnen donder en bliksem.)
Palpato Josca bortam pelito dotam castrato
Carbo Caos galbats Jerpe Circe
Waer sydy Belial? Coempt rasch hier voort!
Uwen raet moet ick nu gebruycken,
Oft in diepste vander hellen wordt ghy versmoort,
Daermen u wel deerlyck sall fuycken!
Belial:
Bor! Bor! [23] Hier ben ick, meestere! Hoe sydy gestoort,
dat ment [= men het] in Lucifers poort gat hoort!” (van 757 768)

Uit J. van Haver, Bezweringen (…), in: Volkskunde 76, p. 302 314, hier: p. 303, voor meer potjeslatijn: p. 309; op p. 304:

Dander tovenaer (lesend dese conjuratie om dbecken dansende met werck [24] all brandende. Dondert van binnen):

Hyda fabros jurton hortam molis exten
Calcata auros bethor heton
Japtar eltas brogna tenar cortucx
Salten ternas koqua joel malnox
Waer blyfde, Belsebub, ghy helsche prye? [25] (van p. 829 – 833)

Noten

[1]  Stro; echter van Dale, p. 715: boordsel, band gebruikt voor versiering of omzoming. Uit Ouwerschie. Dat is uit Overschie, gemeente uit Zuid Holland, thans een deel van Rotterdam.
[2]  Armozijn: soort zijde, taf; Bollecraen, zie Verdam, MNl.Wb. I, p. 1354: een uit geitenhaar geweven stof, eene fijne stof.
[3]  Niet opgemaakt of geappreteerd, zie Verdam, MNl. HWb, p. 412; een touwer is een leerbereider (ID, p. 615).
[4]  Een grote mond opzetten [Verdam, p. 366: moffelaer: blaaskaak].
[5]  Zoals de Gaper bij de apotheek. Backus = mombakkes, masker.
[6]  Naar adem snakken van een vis op het droge, vandaar: op sterven liggen (WNT VIII, p. 2022).
[7]  Wonen, hier: slapen.
[8]  Het ergste te wachten staan (WNT V, p. 2052). Hanenvoet = ranonkel (Verdam, p. 237).
[9]  Tine Kletskous.
[10] Naam van de hulp (familiar?).
[11] Rocken: zwak werkwood (rokkenen) om het rokken winden, het rokken bekleden (Verdam, p. 499).
[12] Bij de baard van KK.
[13] Harn: pis, sceptor = spector = (pis)kijker = arts.
[14] Kalverliefde.
[15] Witte windbreker.
[16] Balspeler, strontmaker.
[17] 1. Schotschrift, pamflet, 2. Spotschrift, 3. Spotternij, 4. Bespottelijk persoon (van Dale, p. 714).
[18] ? Eigenaardig of erg ?
[19] Dunne pannekoek (Verdam, p. 585); eiergebak, omelet (van Dale, p. 906).
[20] Tobbe, bak, kuip (Verdam, p. 51).
[21] ? perikel: gevaar; vergelijk penibel.
[22] Heintjeman = Heintje Pik = de Duivel (Lucifer, Beelzebub, hier Belzibuik genaamd).
[23] Uitroep van de duivel van kou, vergelijk brr.
[24] Werk = hennep of vlasafval bij het hekelen.
[25] pride, prië, pri: 1. prooi, aas 2. rottend dood dier, kreng; ook gebruikt voor een verachtelijk mens (Verdam, p. 475).

Meer informatie
https://robscholtemuseum.nl/?s=heksen
https://robscholtemuseum.nl/?s=Satan
https://robscholtemuseum.nl/?s=Duivel
https://robscholtemuseum.nl/?s=Lucifer
https://robscholtemuseum.nl/?s=Beelzebub