Cor Hendriks – Assepoesters Slippertje (2): Motiefstudie van “De versleten schoenen”

De prinses op zoek naar haar verdwenen echtgenoot in het Duitse sprookje ‘Het stekelkind’ (Zaunert, 183 N°32: ATU 425) krijgt om naar het Einde van de Wereld te gaan zeven jurken en zeven paar schoenen mee, die ze geheel aan flarden loopt. Anderen lopen zelfs ijzeren schoenen aan flarden. Zo droomde de herdersknaap in het Zweedse sprookje ‘De Goudkoninginberg’ (Schier, 32f N°5), dat hij om bij de Goudkoninginberg te komen 70 pond ijzer (waaruit hij roeispanen maakt) en een paar ijzeren schoenen moet verslijten. In het Chileense sprookje ‘De betoverde prins’ (Pino-Saavedra, 55 N°8) is de prinses net als in ‘Het stekelkind’ haar echtgenoot kwijt, moet naar de Groene Bergen en om daar te komen kost een paar ijzeren schoenen. In het Griekse sprookje ‘Heer Marsepein’ (Megas, 205f N°48) is de Marsepein man van de prinses geroofd; ze laat drie paar ijzeren schoenen vervaardigen, trekt van land tot land en komt via de Moeder van de Maan bij de Moeder van de Zon; dan is het eerste paar versleten. Ze wordt doorgestuurd naar de Moeder van de Sterren en daar is het tweede paar versleten. Het derde paar tenslotte verslijt ze op de weg naar het slot, waar de Marsepein man op het punt staat te trouwen met de valse koningin.

In een ander Grieks sprookje, ‘De kreeft’ (Megas, 214 N°50), is net als boven de prinses haar echtgenoot kwijtgeraakt (door te luisteren naar de raad van haar moeder) en vertrekt met een zak goudstukken en drie paar ijzeren schoenen om haar man te zoeken. Na derde jaar zijn de derde paar versleten. In ‘Het sprookje van de slang’ uit Gascogne (Soupault, 198f N°37) is eveneens de prinses haar man kwijtgeraakt, maar voor hij verdween, zei hij: “Neem zeven lege flessen en zeven paar ijzeren schoenen. Wanneer je deze zeven flessen met je tranen gevuld en de zeven paar schoenen afgedragen hebt, zal je me terugvinden.” Ieder jaar vult ze een fles en slijt ze een paar schoenen op.

Het Spaanse sprookje ‘De blinde Moor en de Trouwe Slaaf’ (Eggink, 165) draait geheel om zeven paar schoenen.
Een Moor was steenrijk, maar ongeneeslijk blind en had in zijn dienst een knaap, die door piraten van Mallorca was geroofd. Hij behandelde de knaap als zijn zoon en op een dag vroeg de jongen hem enige tijd vrij om op Mallorca wonderdoende kruiden te zoeken, die daar op een berg groeien, om de Moor van zijn blindheid te genezen. Na veel wikken en wegen liet de Moor zijn slaaf vrij en lang moest hij op zijn terugkeer wachten. Hij kwam terug met zeven paar schoenen en geen kruiden. Met het eerste paar had hij de hele maandag over de Toverberg gelopen en hij hield deze tegen de ogen van de Moor; er gebeurde niets. Met het tweede paar liep hij de hele dinsdag over de Toverberg, etc. en met het zevende paar was de Moor genezen en nam de jongen als zijn zoon aan [zie R. Schenda in: FABULA 40, 1999, 40: Es moro cégo (De blinde Moor) in de Rondaies de Mallorca (1895/6) van de Oostenrijkse aartshertog Ludwig Salvator (1857-1915): In Algiers leefde een Mallorkeinse gevangene (catiu) in het huis van een blinde Moorse heer, die deze Catalaan als slaaf (esclau) gekocht had. De Moslim stuurt de Christen met 7 paar schoenen naar Mallorca, opdat hij zeven dagen lang en iedere dag met een ander paar schoenen over de Puig de Na Fátima (dat wil zeggen een berg met een Arabische vrouwennaam) loopt, om vervolgens heel het schoenengedoe naar Algiers terug te brengen. De afgesleten schoenen helen de blinde, “wat kwam van de geneeskracht (virtut) van de kruiden, waarop deze schoenen gelopen hadden”].

Niet gezegd wordt, dat de schoenen van die ene dag lopen versleten zijn, zoals we tegenkomen in het Servo Kroatische sprookje ‘De Nachtvlinder’ (HMSB, 328-334) over een tsarendochter, die elke nacht een jurk en een paar schoenen versleet. Hoe ze dat deed, was een groot raadsel en de tsaar besloot tenslotte zijn dochter ten huwelijk te geven aan degene, die het raadsel wist op te lossen. Een arme jongen wilde het proberen, ging op pad en kwam drie broers tegen, die ruzieden om de nalatenschap van hun vader: een vliegend tapijt, een onzichtbaar makende muts en een stok, waarmee je dwars door ijzer en steen slaat. De jongen stelde voor de erfenis te verdelen door middel van een hardloopwedstrijd. Zodra de broers op weg zijn, zet de jongen zich met muts en stok op het tapijtje en wenst zich bij het paleis van de tsaar. Daar gaat hij met de muts op ‘s nachts bij de deur van de prinses op wacht zitten en volgt haar gezeten op zijn kleedje. Onderweg neemt hij diverse aandenkens mee: gras, dat voor haar plaats maakte, vruchten van goud en edelstenen, mosselen met parels uit de zee, die de prinses doorliet (ze schrok van de klachten van de opgeraapte dingen). Tenslotte komen ze aan de kust, waar een veld is met een hoge appelboom met aan de voet een stenen plaat, waar het meisje drie keer met haar schoen op tikt. De steen gaat omhoog en de tsarendochter daalt af, gevolgd door de jongen. Ze komen in een schitterend paleis met allerlei zalen vol mensen, waar gegeten en gedronken wordt, en de onzichtbare doet vrolijk mee en propt zijn zakken vol kostbaarheden. Dan komt fluitmuziek en iedereen gaat dansen, de prinses en haar geweldig mooie minnaar voorop. Het dansen wordt al wilder en wilder en als tenslotte bij het eerste hanengekraai de fluit ophoudt, zijn de kleren en schoenen van de prinses aan flarden. Ze neemt afscheid van haar vrijer en verlaat het onderaardse paleis, gevolgd door de jongen, en wanneer de zon opkomt, zijn ze terug. De prinses glipt haar kamer in, de jongen zet zijn muts af en gaat voor haar deur liggen slapen. Enige uren later wordt hij voor de tsaar geroepen, vertelt zijn verhaal, toont de bewijzen en krijgt de prinses.

Dit is een variant van het bekende sprookje ‘De stukgedanste schoenen’ (KHM 133: Die zertanzten Schuhe: ATU 307: II, 217-221), waarin twaalf prinsessen op raadselachtige wijze iedere nacht twaalf paar schoenen versleten. De koning beloofde één van zijn dochters plus de troonsopvolging aan degene, die in drie nachten het raadsel kan oplossen. Velen probeerden het en raakten zo hun hoofd kwijt en tenslotte ging een arme soldaat met een oorlogswond naar de stad om het te proberen en kwam onderweg een oude vrouw tegen, die hem zei niet de wijn te drinken, die de prinsessen schenken, en net te doen of hij sliep. Bovendien gaf ze hem een onzichtbaar makende mantel. Aldus toegerust trad hij voor de koning en werd ‘s avonds naar het zijkamertje gebracht, waar vandaan hij de prinsessen in de gaten kon houden. De wijn goot hij in een spons onder zijn kin en even later lag hij te snurken. De prinsessen kleedden zich voor het bal, alleen de jongste was ongerust. Toen tikte de oudste op haar bed, dat meteen wegzonk, waarna de prinsessen de trap afdaalden. Snel deed de soldaat zijn mantel om en daalde met de jongste af. Ze kwamen door lanen met zilveren, gouden en diamanten bomen en telkens brak de soldaat een twijg af met een knal, die de jongste deed verschrikken. Daarna kwamen ze bij een groot meer, waar twaalf bootjes lagen met twaalf mooie prinsen. De soldaat stapte bij de jongste in het bootje en haar prins verbaasde zich over het extra gewicht. Ze kwamen bij een prachtig kasteel en dansten daar tot drie uur ‘s morgens hun schoenen aan flarden waren. Tijdens de terugkeer zat de soldaat bij de oudste in de boot en rende snel voor de prinsessen uit de trap op en lag te snurken, toen ze binnenkwamen. De volgende morgen zei hij er niets over en ging ook de tweede en derde nacht mee. De laatste keer nam hij een beker mee. Op het vastgestelde tijdstip trad hij voor de koning met de drie twijgen en de beker, onthulde de waarheid, trouwde de oudste, etc.

Iets dergelijks zien we ook in het Roemeense sprookje ‘De beide kruisbroeders’ (Schott, 136-140 N°18), waarin een keizers dochter iedere nacht op onverklaarbare wijze twaalf paar laarzen versleet, hetgeen zelfs voor een keizer zo’n dure grap was, dat hij tenslotte in het hele land bekend liet maken, dat degene, die het raadsel oploste, met de prinses mocht trouwen en erfgenaam van de keizer zou worden. Dit deed velen erop uit trekken om het te proberen, zonder enig succes. De held was een boerenknecht, die zijn voorganger, door zijn gierige baas niet begraven was, begroef en pomona (dodengezang, kreuzer in de hand van de dode, kaars branden) hield. Toen de knecht zijn tijd had uitgediend en wegging, kwam de dode uit de grond, bedankte de knecht voor de pomona en bood aan kruisbroeders te worden. Alleen al uit schrik ging de knecht op dit voorstel van de vampier in. Ze trokken verder en kwamen tenslotte in een ijzeren woud, waar de vampier een twijg afbrak en ter aarde gooide. Dit was op een plek, waar iedere nacht de keizers dochter langskwam op weg naar de zoon van de Draak. De afgebroken tak maakte haar bezorgd en ze haastte zich naar het koperen woud, waar ook al een twijg op de grond lag. Omdat ze met twaalf paar laarzen sjouwde, kwam ze door haar haast zwetend bij de Drakenzoon aan, waar de tafel al gedekt stond, en snel veegde ze het zweet af met haar zakdoek. De vampier had zich in een kat veranderd en griste snel het doekje weg, evenals een lepel en een ring, die ze liet vallen. Met deze drie dingen ging de vampier terug naar het koperen woud, waar zijn kruisbroeder wachtte en bracht hem terug door het ijzeren woud, terwijl hij alles vertelde en zijn vriend de drie dingen gaf. Tenslotte nam hij afscheid, waarop de boerenzoon naar de keizer ging, hem alles openbaarde, de drie bewijzen toonde en met de prinses trouwde, etc.

Nogmaals komen we het verhaal tegen in het Chileense sprookje ‘De prinses, die naar het einde van de Wereld liep om met de Morenprins te kaarten’ (Pino-Saavedra, 34-37 N°5), waarin een prinses iedere nacht tijdens haar wandeltocht zeven paar ijzeren schoenen versleet, hetgeen haar vader, de koning, zo zeer verbaasde, dat hij haar beloofde aan de man, die hem dit raadsel kon verklaren. Van alle kanten stroomden jongelieden toe en op een dag ging ook de held, een arme jongen, op weg en kwam een oud vrouwtje tegen, dat hem wilde helpen. Hij moest die avond midden op de drempel van de paleisuitgang gaan staan en het tovermiddel nemen, dat zij hem gaf; dan werd hij een mier. “Klim in de gordel van de prinses, dan kan je haar afluisteren, zonder dat ze je ziet.” De jongen deed dit en de prinses liep met de jongen in haar gordel. Onderweg kwam ze bij het moedertje van de Zuidenwind, de moeder van de Oostenwind en de moeder van de Noordenwind, die haar ieder een vraag stelden voor als ze bij de Morenprins komt. Met hem speelde ze de hele nacht kaart, won en stelde de drie vragen en op de terugweg gaf ze de drie moedertjes de antwoorden. Tenslotte kwam ze met zeven paar versleten schoenen thuis, waar de mier zich op de drempel liet vallen, zijn eigen gedaante aannam en naar huis (? zijn hotel) ging. De volgende dag meldde hij zich bij de koning, vertelde wat hij meegemaakt had als mier verstopt in de gordel van het prinsesje, mocht met haar trouwen en werd koning in plaats van de koning.

Die drie moeders van de Winden doen denken aan de drie moeders van Zon, Maan en Sterren, die we in ‘Heer Marsepein’ zagen. We zouden kunnen zeggen: heen en terug kost zeven paar schoenen; alleen heen drie paar. In het Noorse sprookje ‘Sneeuwland en de Drie Prinsessen’ (Nielsen, 68-70) komt de visserszoon bij de “Heer over alle dieren”, die hem een paar sneeuwschoenen (ski’s) geeft, die de visserszoon brengen naar zijn broer, de “Heer van alle vogels”, die honderden mijlen verderop woont. Daar hoeft hij de schoenen maar om te draaien en ze lopen vanzelf terug. Ook van deze heer krijgt hij een paar sneeuwschoenen, die hem bij de volgende broer brengen, de “Heer van alle vissen”. Deze stuurt hem naar drie broers, die al 100 jaar ruzie maken over een jas, een hoed en een paar handschoenen. De visserszoon biedt aan een oordeel te vellen en vraagt de dingen te mogen proberen. Meteen is hij onzichtbaar en wenst zich naar Sneeuwland.

Een paar pantoffels, dat je verplaatst, waarheen je wenst, zoals het vliegende tapijt, vinden we in het Slowaakse sprookje ‘Krutometa’ (Durícková, 134ff), terwijl de held Janni in het Griekse sprookje ‘De gouden twijgen’ (Megas N°42) beschikt over een paar snavelschoenen om onhoorbaar te lopen naast een onzichtbaarheid muts en het Zwaard der Overwinning. Onderweg doet hij drie bloedbroeders op, zonen van respectievelijk de Zon, de Maan en de Zee, die Jantje als aanvoerder erkennen (na worstelen). Op een dag komen ze in een stad, waar een heraut omroept: “Wie uitvindt, waar ‘s nachts de koningsdochter slaapt, krijgt haar tot vrouw.” De prinses is in de ban van een Moor en wil niet trouwen. Daarom heeft ze met haar vader gewed, dat ze zal trouwen met degene, die ontdekt waar ze slaapt, of anders wordt zijn hoofd afgeslagen, waarmee ze een toren bouwt, die nu al 39 hoofden bevat; als de 40e erop gezet wordt, is de toren af en zij ontslagen van haar huwelijksplicht. Op aanraden van zijn paard giet Jantje de koffie in een spons in zijn kraag, doet net, of hij slaapt en volgt de prinses onhoorbaar en onzichtbaar, als om middernacht de schoorsteen met een donderslag splijt en de Moor de prinses meeneemt in zijn wagen, met Jantje achterop. Hij eet mee aan tafel en de prinses meent, dat ze uit vreugde, dat dit de laatste keer is, dat een vrijer komt, zoveel heeft gegeten. Dan geeft de Moor haar een ei, dat ze, om hem te laten verschijnen, maar hoeft te breken. De prinses stopt het in haar zak, waaruit Jantje het onbemerkt wegneemt. Tegen de morgen brengt de Moor haar terug en snel glipt Jantje voor hen uit en ligt, als ze binnenkomen, reeds te snurken. Als het ochtend is, komt de koning en de prinses zegt de weddenschap gewonnen te hebben en dat Jantje afgevoerd kan worden, maar als deze wakker wordt gemaakt, zegt hij moe te zijn van het achter de prinses aanzitten. Ze maakt hem uit voor leugenaar, waarop hij het verhaal vertelt om tenslotte als bewijs het ei tevoorschijn te halen, waarop de prinses flauw valt. De koning breekt het ei en daar is de Moor, die meteen op de prinses toesnelt. Hansje slaat hem met zijn zwaard het hoofd af, waarop de prinses bevrijd is van de betovering en met de bloedbroer, de zoon van de Maan, trouwt.

Hetzelfde verhaal komen we tegen in het Spaanse sprookje ‘De soldaat en de prinses van Londen’ (Eggink, 25-32). De koning van Londen liet afkondigen, dat wie kan raden, waar de prinses slaapt, haar tot vrouw krijgt; maar wie het niet raadt, wordt opgehangen. Er komen veel ridders en prinsen op hun versierde rossen, maar geeneen heeft geluk. De prinses neemt hen mee naar de tuin en geeft hen vruchtenwijn. Maar wie de wijn drinkt, wordt pas de volgende morgen wakker en kan niet zeggen, waar de prinses geslapen heeft. Zo vinden al die voorname heren hun einde aan de galg als gewone rovers. Op een dag hoort de Spaanse soldaat Juan van de mooie Londense prinses en haar minnaars. “Daar moet wel de Duivel in het spel zijn, als ik zo’n kleinigheid niet oplos,” meent Juan en hoewel iedereen het hem afraadt, gaat hij op pad in alle vroegte en komt ‘s avonds bij de paleispoort, waar een grijnzende wachter hem binnenlaat. Onverstoorbaar gaat Juan naar de koning om zich te melden en diens dochter neemt hem mee naar de tuin, waar hij vruchten en wijn krijgt. Juan heft de beker, maar giet hem leeg in zijn kraag (de sponstruc), waarna hij zich in een stoel laat vallen en doet of hij slaapt, zo hard snurkend, dat de bladeren van de bomen valt. Tevreden gaat de prinses naar een gracht rondom de tuin en zegt tegen de ervoor staande boom: “Pijnboom, ga liggen!” en de boom klapte neer als een brug, waarover de prinses naar de overkant loopt, waarna de boom zich opricht. Juan ziet dit alles, zegt hetzelfde tegen de boom, steekt over en gaat vlug (onhoorbaar, onzichtbaar?) achter de prinses aan, die bij haar kamer is gekomen, waar ze zegt: “Deur, laat me door!” waarop de deur de prinses doorlaat zonder open te gaan, alsof hij plots van lucht is. De prinses gaat slapen en na een tijdje zegt Juan ook: “Deur, laat me door!” en stapt naar binnen. In de kamer, waar alles van goud is, neemt hij een zakdoek, mes en vork, en een schotel met een patrijs mee in zijn ransel en gaat terug om te slapen. ‘s Morgens komt de wachter hem wekken voor de galg, maar Juan zegt te weten waar de prinses slaapt en wordt bij de koning gebracht, aan wie hij de bewijzen laat zien. De koning is helemaal niet blij met een eenvoudige soldaat als schoonzoon en geeft Juan nog drie moeilijke opdrachten, voordat deze uiteindelijk met de Londense prinses kan trouwen.

De man met de vele schoenen

De versleten schoenen vinden we ook in de verhalen over de “Man met de vele schoenen”, zoals de schoenmaker, die Antwerpen van de reus redde, door op de vraag van de reus, hoever het nog naar Antwerpen was, hem de zak met versleten schoenen te laten zien en te zeggen, dat hij die om vanaf Antwerpen daar te komen versleten heeft. De reus besloot om te keren en Antwerpen was gered. In de sprookjes gaat het echter in het geheel niet om een schoenlapper, die met andermans versleten schoenen sjouwt. We komen deze “Man met de vele schoenen” o.a. tegen in het Zweedse sprookje ‘Lasse mijn knecht of Hertog Meves van Sevelin’ (Schier, 21-32 N°4).
De jonge hertog Meves van Sevelin is erop uitgetrokken, heeft al zijn geld opgemaakt en verdwaalt, geheel berooid, in een groot woud, waar hij, bijna van honger en dorst omkomend, een schamele hut aantreft, verlaten en kaal op een oude kist na, waarin een tweede kist, waarin een derde, enzovoortd (vergelijk de Russian doll: Babouchka = “omaatje”, vergelijk Frans babouche = pantoffel; Chinese box), tot hij tenslotte eindigt met een kistje ter grootte van een vingerhoed, dat een strookje perkament bevat met de tekst: “Lasse mijn knecht!” – “Waarom al die moeite om een perkamentstrookje te bewaren,” denkt de jonge hertog en vertwijfeld roept hij: “Lasse mijn knecht!” en meteen zegt een stem: “Wat beveelt mijn heer?” Als hij zich omdraait, staat er een eenogig oud mannetje in grauwe kledij, dat voor hem buigt. De hertog laat zich een maaltijd bezorgen, die uit de fijnste en meest uitgelezen gerechten en wijnen blijkt te bestaan. Daarna laat hij zich door Lasse een goed bed bezorgen en nu overtuigd van de bekwaamheden van Lasse, laat hij hem de hut in een prachtig kasteel veranderen, hetgeen de nabij wonende koning niet ontgaat. Deze stuurt er een heraut met 300 ridders op af en als de hertog hen ziet komen, laat hij Lasse 600 ridders er tegenover stellen en zegt tegen de heraut, dat hij niet met vijandige bedoelingen gekomen is en de koning uitnodigt voor een maaltijd. Deze neemt de uitnodiging voor de volgende dag aan, waarop Lasse alvast met de voorbereidingen kan beginnen. De maaltijd wordt een grandioos succes. Nu heeft de koning een buitengewoon fraaie dochter, die niet bij de maaltijd aanwezig is, maar waarvan de hertog wel gehoord heeft en als de koning weg is, laat hij Lasse de prinses, slapend in haar bed, bij zich brengen om haar beter te bekijken. En hij bemerkt, dat geen woord over haar schoonheid overdreven is, wordt verliefd en drukt een vurige kus op haar lippen, waarna hij haar door Lasse laat terugbrengen. De prinses heeft dit alles als een droom ervaren, vertelt het aan haar vader en zegt, dat ze niemand anders dan de hertog als man wenst, hetgeen indruist tegen de plannen van de koning. Hij zegt echter niets en even later komt de geïnviteerde hertog en nu hij hem beter bekijkt, verandert zijn mening en iedereen spreekt van het mooie paar. Als de hertog hem later om haar hand vraagt, weigert hij niet en het huwelijk wordt met grootse pracht gevierd.
Na een jaar krijgen ze een zoon en na de feestelijkheden besluit de hertog zijn trouwe knecht Lasse er voor te belonen, dat hij hem van armoe en nood tot zo’n heerlijkheid heeft gebracht, en vraagt hem, wat voor schatten hij hem kan geven. Lasse vraagt hem slechts om het papiertje, dat hij in het kistje gevonden had en dat hij altijd bij zich draagt. De hertog vindt het een redelijk verlangen en belooft het voor het slapen gaan op de tafel te leggen, dan kan Lasse het zelf pakken.
Als de koning de volgende morgen uit zijn raam kijkt, is het kasteel van zijn schoonzoon verdwenen en als hij ter plaatse arriveert, staat er slechts een schamele hut met daarin de hertog en zijn vrouw en kind in diepe slaap. De koning laat de hertog meteen in de boeien slaan en deze roept nog: “Lasse mijn knecht!,” maar Lasse is er niet meer. Vergeefs probeert de hertog de zaak uit te leggen en wordt tot de galg veroordeeld. Weliswaar heeft de prinses de beul omgekocht, zodat hij niet stikt, maar ondertussen bungelt hij in afwachting van de avond, wanneer hij zal worden losgesneden, aan de galg. Alhier is het, dat hij twaalf dubbel gespannen wagens vol met afgedragen schoenen voorbij ziet komen met voorop Lasse, die hem verklaart al deze schoenen versleten te hebben in zijn dienst en hem bedankt voor het briefje, dat hij de hertog tergend onder de neus houdt. Deze is niet van gisteren, grist het uit zijn vingers en fluistert: “Lasse mijn knecht!” waarop Lasse zegt: “Wat beveelt mijn heer?” – “Dat je me van de galg haalt!” Daarna laat hij Lasse het kasteel weer op zijn plek zetten, vrouw en kind brengen en de volgende dag heeft de hertog weer de relatie met de koning herstelt. Van de diensten van Lasse echter maakt hij nog maar zelden gebruik sinds de aanblik van de vele schoenen en als Lasse zeven jaar in dienst is geweest, vraagt hij, hoe hij hem zijn verdiende rust kan geven. Lasse raadt aan het papiertje in zijn kistje zeven el onder een steen, die vast in de aarde rust, te verbergen en het aan niemand te verraden.

Van Klaas Klaveren-negen (foto Catawiki)
Van Klaas klaveren negen (foto Catawiki)

Een vergelijkbaar verhaal uit Vlaanderen heet ‘Jan Klaassen’ (ASLL, 203-206 N°101), hoewel de oorspronkelijke titel (de verteller is een oud soldaat) ‘Van Klaas Klaveren-negen’ (De Mont/De Cock: Wondervertelsels uit Vlaanderen, Zutphen 1924, 24-30 N°4) luidt, hetgeen slaat op een soort Jan Klaassen (poppenkast pop), op wiens lange soldaten overjas een klaveren negen staat afgebeeld. De held is de jongste van drie broers, die alle drie oud soldaat zijn en op zoek naar geluk. Adolf heet hij en op een dag komt hij bij een verlaten kasteel. Buiten vindt hij een houweel en binnen blijken alle 99 kamers leeg op een grote koffer na in de 99e, die hij met de houweel open hakt. Erin zitten 99 andere (als Russian doll Babouchka) koffers en in de laatste vindt hij Jan Klaassen. “Daar ben ik mooi klaar mee. Had ik maar wat te eten.” En meteen staat er een tafel met het heerlijkste eten en drinken. Hij wenst een pijp tabak en die is er. Dan is het tijd om te slapen en op zijn wens verschijnt een bed voor een koning. De volgende dag neemt hij Jan Klaassen mee, komt in een herberg en krijgt mot met zes drinkebroers. “Jan Klaassen, verweer je!” Binnen drie tellen zijn ze gedood. De politie komt, gerechtsdienaren en soldaten, maar allen krijgen van hetzelfde laken een pak. Dan stuurt de koning een regiment schutters, maar Adolf laat Jan Klaassen de kogels omkeren, zodat ze zichzelf treffen. De koning is geïmponeerd en Adolf biedt hem zijn diensten aan en vernietigt voor de koning het leger van zijn tegenstanders. Dan mag hij met de prinses trouwen en laat door Jan Klaassen een paleis bouwen tegenover dat van de koning, waar hij lange tijd gelukkig met zijn vrouw woont, tot hij op een dag bezoek krijgt van een vreemdeling, de geest van Jan Klaassen, die hem zegt 99 wagens vol schoenen te hebben versleten in zijn dienst. En hij vraagt hem Jan Klaassen terug. Adolf ziet daar geen probleem in, maar als hij de volgende morgen wakker wordt, ligt hij met zijn vrouw op een mesthoop en is het paleis verdwenen. De koning is woedend en veroordeelt Adolf niet tot de kogel, verbanning of de galg, maar laat hem naakt en met honing ingesmeerd aan een paal midden in een boekweit veld plaatsen om door insecten doodgestoken te worden. Hier is het, dat hij een stoet van 99 wagens vol afgesleten schoenen langs ziet komen met op de laatste de geest met (en van) Jan Klaassen. Ook hij houdt tergend de pop voor de neus van de vastgebonden Adolf, die toehapt en zich vrij wenst en zijn vrouw en paleis terug. Adolf wordt in eer hersteld en volgt naderhand de koning op.

De “Man met de vele schoenen” zien we ook in het Italiaanse sprookje ‘Het land, waar men nooit sterft’ (Karlinger, 22-26 N°5):
Een jongeling gaat op zoek naar een land, waar men nooit sterft, vindt dat ook, maar wil op een gegeven ogenblik toch weer naar huis. De oude man, in wiens paleis hij verblijft en het leven van een grote heer leidt, raadt het hem af, want iedereen, die de jongen van vroeger kent, is allang dood, want voor hem is de tijd stil blijven staan. De jongen wil toch gaan en krijgt de raad mee, nergens af te stijgen, dan kan hij weer terugkeren. De jongeling gaat en inderdaad is alles veranderd en hij keert weer terug. Maar dan komt hij langs een voerman met een wagen vol oude schoenen, waarvan een wiel eraf is gelopen. De voerman smeekt hem te helpen en zodra de jongen afstijgt en de grond beroert, grijpt de voerman hem en zegt: “Eindelijk heb ik je te pakken; ik ben de Dood en al die schoenen heb ik versleten om je te krijgen.”

Een Nederlandse versie (van ATU 470B) heet ‘De man, die 700 jaar leefde’ (ASLL, 51-53 N°18) of ‘Jan Vettegraaf’ (Mass. 93-97 N°9) en gaat over ene Jan (Vettegraaf), die op weg naar huis verdwaalt en bij een hoge berg komt, waar hij een spinnewiel hoort snorren en terechtkomt bij een hol, waarin een stokoud vrouwtje zit te spinnen. Ze heeft een platvoet en een hanglip van al het gespin, geeft Jan een zeer verkwikkend drankje en zegt Griet (Weet wel), de moeder van de vier winden, te zijn. Die komen even later ook naar het hol, als laatste de Zuidenwind, die zegt te komen uit het land, waar mensen niet sterven. Daar wil Jan ook wel eens heen en de Zuidenwind wil hem meenemen. De volgende dag krijgt Jan een muts van de onzichtbaarheid van de wind, die hij goed moet ophouden tijdens de reis. Als ze boven het land vliegen, vraagt Jan, of ze het paleis beter kunnen bekijken en de wind blaast er dwars doorheen. Er staat een beeldschone prinses en Jan vergeet zijn muts vast te houden en staat ineens in levende lijve voor haar, terwijl de Zuidenwind doorvliegt. Jan bevalt de prinses en zo is een huwelijk snel geregeld, maar na een jaar wil Jan zijn moeder opzoeken. De koning raadt het hem af, want hij is daar al veel langer dan hij denkt; maar als hij toch gaat, drukt hij hem op het hart nergens af te stijgen. In zijn geboorteplaats is alles veranderd en na lang zoeken vinden ze in een door muizen aangevreten foliant zijn naam, 700 jaar geleden. Jan is niet afgestegen en rijdt weer terug en komt dan bij een man met een kar vol versleten karrenwielen (omdat hij op een wagen rijdt!), die door zijn as is gezakt, en de man smeekt Jan hem te helpen. Zodra hij de grond raakt, pakt de man hem beet en zegt Pietje de Dood te zijn en al die karrenwielen te hebben versleten in de 700 jaar, dat hij hem nazit. Dan stort (Vettegraaf, genaamd) Jan (Knop van Munkenreede) morsdood neer.

De duivel en de dief

In de bespreking van de Vosfabels van Rabbi Berechiah door Schwarzbaum (Kiron 1979, 421-423) komen we bij de bespreking van de 83e fabel ‘De Dief en de Heks’ eveneens de “Man met de vele schoenen” tegen. De versie van de Rabbi luidt als volgt:
Een dief heeft geen succes en lijdt honger en dorst. Een tovenares (heks) hoort hem zijn ellendige leven vervloeken, geeft hem water en belooft hem hulp bij zijn zaken. Hij gaat dan door met zijn dieverijen en komt tenslotte aan de galg. Daar smeekt hij de heks haar belofte te houden en hem te redden, maar ze doet dat niet.
Er zijn echter nog vele andere versies van deze fabel in omloop, met name die van Jacques de Virty (1180-1240), waarin het de Duivel is, die de dief helpt met zijn ondernemingen, die hierdoor overmoedig vele misdaden pleegt. Tenslotte wordt de dief gegrepen, veroordeeld en naar de galg gebracht. Hij roept de naam van de Duivel, die verschijnt met een geweldige lading totaal versleten en uitgerafelde schoenen (Mot. H241; H1125; H1231) en hem zegt al deze schoenen te hebben versleten, terwijl hij hem hielp met al zijn inbraken. Nu hij veilig bij de galg is beland, hoeft hij hem niet langer te redden, aangezien dit het doel van de Duivel is, namelijk boeven aan de galg brengen (de “heks” is een handlangster van de Duivel).
Een moderne versie is het Griekse ‘De Duivel, die 40 paar schoenen verbruikte’ (Megas, 261f N°60) over een arme dief, die een Duivel tegenkomt, die zich met hem wil verbroederen en hem rijk maken. 40 jaar begaat de dief zijn dieverij en wordt dan gepakt en tot de galg veroordeeld. Als reeds de strop om zijn hals zit, komt de Duivel, die hem op zijn ezel wijst, beladen met oude schoenen. “Ik kon niet al die schoenen slepen. Ik heb 40 jaar achter je aangezeten om je hier te brengen en te zien hangen.” En hij is verdwenen en de dief tuimelt.

Schwarzbaum merkt op, dat in tegenstelling tot de Middeleeuwse versies in sommige moderne versies (Finland, Estland) de dief wel wordt gered door de duivel, die de rechter uit de rechtszaal meeneemt (vergelijkbaar bijvoorbeeld met het eind van KHM 120: Die drei Handwerksburschen = ATU 360). Volgens hem gaat het verhaal van ‘De Dief en de Heks’ terug op een oude Aesopische fabel over de god Horkos, de Onderwereld god, die meinedige mensen straft. De fabel gaat over een zwendelaar, die probeert Horkos, de god van Eden, te bedriegen. De god vertelt namelijk de fraudeur, dat hij zijn ronde over de aarde zodanig maakt, dat hij om de 30 à 40 jaar dezelfde stad aandoet, waardoor deze aangemoedigd wordt, maar weldra oog in oog staat met Horkos (“De Lamme”), die hem grijpt om hem van een hoge rots af te gooien. De zwendelaar (net als de dief) klaagt, dat Horkos zich niet aan zijn afspraak houdt om om de 30 à 40 jaar te komen, waarop Horkos antwoordt, dat als iemand hem buitengewoon beledigt, het zijn gewoonte is deze onmiddellijk te bezoeken (Schwarzbaum, 425-7).

Met zoveel afgesleten schoenen had de Duivel ook beter ijzeren schoenen kunnen nemen of beter nog onverslijtbare schoenen, zoals we tegenkomen in het Zweedse ‘De Duivel en Kitta Grau’ (Schier, 194 N°54), over twee identieke zusters, waarvan de ene Kitta Grau met de Duivel een wedloop op de moerasheide van Ski afsprak, waarbij zij een paar onverslijtbare schoenen zal winnen (tegen haar ziel?). Op de afgesproken dag spreekt ze met haar zuster af, dat deze aan de ene kant van de heide gaat staan, terwijl Kitta zelf aan de andere kant staat. Beiden breien een kous. De Duivel komt, geeft het startsein en gaat er vandoor zonder om te kijken, terwijl Kitta blijft staan. Als de Duivel aan de andere kant komt, staat de oude daar haar kous te breien. “Nou, dan lopen we toch,” zegt ze en daar rent hij weer, maar weer staat het oude wijf er al en zegt: “Nou, dan lopen we toch,” en weer rent de Duivel, enzovoort, totdat hij met de schoenen komt op een lange stang. “Zoveel die stang langer is dan jij, zoveel erger ben jij dan ik.

Uiteraard is dit een versie van het bekende sprookje van Grimm over ‘De haas en de egel’ (KHM 187: Der Hase und der Igel; II, 376-380), waarin de egel en zijn vrouw op dezelfde wijze de haas beetnemen (om een Louis d’Or en een fles brandewijn). Na 74 keer geeft de haas het op, betaalt en loopt nooit meer hard met een “Buxtehuder Swinegel” (hei bij Hamburg). Een Vlaamse versie heet ‘De haas en de pad lopen om het hardst’ (ASLL, 80 N°32), waarin een pad en zijn achterneef de haas om twee goudstukken te grazen nemen en sindsdien heeft de haas (hij liep twee keer) zich nooit meer aan een pad vertoond.

Dit zijn voorbeelden van ATU 1074: hardloopwedstrijd gewonnen door bedrog, waaronder ook andersoortige hardloopwedstrijden zouden moeten vallen, zoals ATU 275: de wedstrijd van de vos en de rivierkreeft, waarbij de laatste de wedstrijd wint door aan de staart van de vos te hangen. Een Vlaams voorbeeld is ‘De weddenschap van de vos en de slak’ (ASLL, 124 N°59), waarin de slak meelift op de staart van de vos. Wanneer de vos bij aankomst zich omdraait om te zien, waar de slak blijft, springt deze van zijn staart en zegt: “Ben je daar eindelijk?” en de vos moet beschaamd het goudstuk betalen. Het lange Chileense dierensprookje ‘De kikker, de wijfjesvos, de leeuw en de ree’ (Pino-S. 195 N°23) begint met een hardloopwedstrijd tussen de kikker en de wijfjesvos, die door de kikker wordt gewonnen, doordat hij aan de staart van de wijfjesvos hangt en op het laatst over haar heen springt.

Een andere vorm van een wedstrijd tussen een snel en een langzaam dier is ATU 275A over de haas en de schildpad, die we bv. bij La Fontaine (6:10; ASSL 152f N°99) vinden, waarin de schildpad wint, omdat de haas, zeker van de overwinning, onderweg gaat liggen slapen en pas wakker wordt, wanneer de schildpad bijna bij het eind van de baan is. Verder is er nog ATU 275B over de wedstrijd van de wolf en de bij, waarbij mede bijen de wolf onder de staart steken en de bij wint, omdat de wolf druk bezig is de bijen weg te jagen. Tenslotte is er nog ATU 275C over de wedstrijd van de kikvors en de slak, waarin de slak wint, omdat hij over een voor de kikvors onoverkomelijke hindernis kan klimmen. (Schwarzbaum, 275; zie ook Thompson)

Literatuur

Ďuríčková, Mária, De witte vorstin. Slowaakse Sprookjes, Baarn 1977 (= 1973)
Eggink, Clara (vert.), Spaanse Sprookjes, Deventer 1975 (= Praag 1973)
Grimm, Brüder (ed.), Kinder- und Hausmärchen Band 2+3, Stuttgart 1980
Jong, Eelke de & Hans Sleutelaar, Alle Sprookjes van de Lage Landen, Amsterdam 1985 (= ASSL)
Karlinger, Felix (ed.), Italienische Volksmärchen, Düsseldorf-Köln 1973
Massenbach, Sigrid von (ed.), Es war einmal… Märchen der Völker, Baden-Baden 1958
Megas, Georgios A. (ed.), Griechische Volksmärchen, Düsseldorf-Köln 1978 (= 1965)
Nielsen, Kay (ill.), Ten Oosten van de Zon, ten Westen van de Maan. Volksverhalen uit het hoge Noorden, Antwerpen 1978 (London 1976)
Pino-Saavedra, Yolando, Volkssprookjes uit Chili, Utrecht-Antwerpen 1974 (= Düsseldorf-Köln 1964)
Schier, Kurt (ed.), Schwedische Volksmärchen, Düsseldorf-Köln 1971
Schott, Arthur & Albert, Rumänische Volkserzählungen aus dem Banat, Bukarest 1975
Schwarzbaum, Haim, The Mishle Shu’alim (Fox Fables) of Rabbi Berechiah Ha-Nakdan, A Study in Comparative Folklore and Fable Lore, Kiron (Israël)
Soupault, Ré (ed.), Französische Märchen, Düsseldorf-Köln 1963
Thompson, Stith, The Types of the Folktale, Helsinki 1961 (FFC 184)
Zaunert, Paul (ed.), Deutsche Märchen seit Grimm, Düsseldorf-Köln 1964
HMSB = Strich, Christian, Het Mooiste Sprookjes Boek, 1993

Meer informatie:
https://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-assepoesters-slippertje-1-het-glazen-muiltje-een-studie-van-het-einde-van-sprookjes/