Peter Jochems – Lost Paintings: Het Museum voor Verloren Meesterwerken (1)

Introductie

Al lang denk ik weleens aan een denkbeeldig museum waar verloren meesterwerken in volle glorie te zien zijn. Een gids neemt je mee langs bijzondere uitingen van kunst die tot de illustere canon van het schilderijenhiernamaals behoren. Alsof ze pas gemaakt zijn, de verf ruikt nog vers, loop je voorbij niet meer bestaande wonderen van kunstzinnig genie. Op kleine bordjes staat vermeld wanneer ze vernietigd raakten en hoe. Het enorme schilderij van van Dyck, de Regenten van Brussel, met voorname mannen in rijke uitdossingen, het spectaculaire wapengekletter van Leonardo da Vinci zijn enorme Slag bij Anghiari, en misschien wel het meest bijzondere pronkstuk van het hele museum, de gracieuze ‘Venus Anadyomene’ van de grootste schilder uit de klassieke oudheid, Apelles. Hier volgt het begin van de rondleiding.

Rembrandt – De anatomische les van Dr. Deyman

Rembrandt- De anatomische les van Dr. Deyman (detail)

Rembrandt – Fragment van de anatomische les van Dr. Deyman – 100 × 134 cm., 0lieverf op canvas, 1656, Amsterdams Historisch Museum

Het museum binnenlopend is het niet het minste werk dat we als eerste naderen. We zien hier de ‘Anatomische les van dr. Deyman’ van Rembrandt van Rijn (1606 – 1669), geschilderd in 1656. Het is wat aan de sombere kant. Ze hebben in het museum een raam opengezet, zoals ook op de geschetste rietpentekening van Rembrandt van het werk te zien is. Het geluid van spelende kinderen buiten verlicht enigszins het zware gevoel dat je bekruipt bij het zien van dit werk.

Over de hele breedte van het werk staan in het zwart geklede mannen gepositioneerd. In een half cirkelvormig anatomisch theater kijken ze vanop twee tribunes naar een lijk dat in het midden op tafel ligt. Alles komt wat plechtstatig over. De witte kragen geven het beeld ritme en Rembrandt speelt zijn spel met lichtval door deze kragen op subtiele wijze gereflecteerd licht in de schaduwpartijen van de gezichten te laten vallen. Boven alles uit torent een skelet met een vlag. Een van de weinigen op het doek die nog een enigszins vrolijke gelaatsuitdrukking heeft. Heen en weer lopend voor het schilderij valt het de meesten op dat het vooral indrukwekkend is als je wat links van het midden staat en je tegen de tribune rechts opkijkt. Het oog wordt via de subtiele dynamiek van de afwisselende gebaren, kijkrichtingen en poses van de gezichten, de lijnen van de omtrekken van de motieven rondgeleid door heel de compositie. De lichtwaarden lopen van donker naar licht met als hoogtepunt het bijna lichtgevend accent van het lijk in het midden. De subtiele opbouw van lichtwaarden waarin het werk als geheel een rol speelt genereert dit effect. Daarom moest die Nachtwacht ook zo donker zijn, om juist dat effect te bereiken. Rembrandt doet dit door niet als bij een schaakbord heel licht tegen heel donker aan te plaatsen, maar door de lichtwaarden gaandeweg in lichtkracht op te laten lopen, en lichte partijen te vergezellen met wat minder lichte partijen (1).

We kijken recht in de opengesneden romp van het dode, bleke lichaam. Je ziet in de donkere gapende holte wat er aan de binnenkant nog zit. Echt realistisch is de weergave van de anatomische les overigens niet. Bij de ontleding van de hersenen zou het hoofd in werkelijkheid van het lichaam af zijn gehaald. Maar Rembrandt nam de vrijheid dat hier anders weer te geven.

Waarschijnlijk kreeg Rembrandt deze opdracht omdat het vorige groepsportret voor het chirurgijnsgilde, ‘de Anatomische les van Dr. Tulp’, vierentwintig jaar eerder zo’n succes was. Het vormde zijn doorbraak in Amsterdam als jonge schilder. Rembrandt stevende in de jaren vijftig af op een faillisement, wat uiteindelijk middels een gekunstelde constructie met zijn vriendin Hendrickje en zijn zoon Titus een boedelscheiding werd. Ging hij maatschappelijk door een dal, artistiek stond hij op een hoogtepunt. Meesterwerken als de ‘Aristoteles’, het portret van Jan Six en bijvoorbeeld een weergaloze serie portretetsen volgden elkaar in die jaren in redelijk vlot tempo op.

De schaduwen van de hoeden die enkele mannen dragen vallen soms wel, soms net niet over de ogen van de geportretteerden. Het draagt bij aan de mystieke sfeer van de compositie. Religieuze associaties spelen een grote rol hierin. Het doek vertoont zich als een medisch altaarstuk. Het afgenomen schedeldak van de dode wordt door de assistent links vastgehouden alsof het een miskelk is. Als een hogepriester in een religieuze eredienst lijkt Deyman zelf eerder wat terug te deinzen in plaats van al te nadrukkelijk de hersenen onderzoekend te beroeren met zijn ontleed-instrumenten. Vergelijk dat eens met het ingrijpen aan de arm van het lijk door Dr. Tulp in Rembrandt’s eerdere anatomische les. Deymans’s omzichtige gebaar voelt op de een of andere manier respectvoller aan. Een van boven komend licht valt in het anatomisch theater als was het een goddelijk licht op Jezus, hangend aan het kruis op Golgotha. Het dode lichaam is ook weergegeven in een houding die teruggaat op een ‘Bewening van Christus’ van Mantegna.

Middels de lichtregie lijkt zich haast een bovennatuurlijk tweegesprek te ontvouwen met de misdadiger op tafel, wiens lichaam na een zondig leven nu de wetenschap dient. Het past bij het plechtstatige, wat terugdeinzende van Deymans’s haast zalvende of zegenende handen, en de algehele sfeer van het werk.

 

Jacob de Gheyn – Voorlezing van de anatomie

Jacob de Gheyn – Voorlezing van de anatomie – midden 17de eeuw

Op dit soort voorstellingen van anatomielessen was Rembrandt’s compositie waarschijnlijk gebaseerd. Ook het voorblad van het boek van Vesalius kende een compositie met een skelet in het midden in een anatomisch theater. Deze skeletten dienden als macabere versiering, en ze werden gebruikt bij het doceren van de beenderkunde.

Boven alles uit torent een skelet als een lyrisch accent in de gewichtige compositie. Skeletten stonden op de balustrades van de medische theaters in de zeventiende eeuw opgesteld, vaak met vlaggen en hoofddeksels. Soms bijvoorbeeld in kleine scenetjes als Adam en Eva met een appel.

Het meest direct wordt je als beschouwer nog aangekeken door de dode op tafel. Het doek heeft een doordringende sfeer over zich hangen, een indrukwekkendheid die wat herinnert aan Michelangelo’s overweldigende ‘terribilata’, een gevoel van grandeur en intensiteit. Of het sublieme wat de zeventiende schrijver/onderzoeker Franciscus Junius ‘magnificentie’ (2) zou noemen, in zijn boek over de schilderkunst uit de Oudheid.

De schildertrant is wat netter eigenlijk dan het magistrale portret van Jan Six van twee jaar daarvoor. Waarschijnljik omdat dit toch een officiëlere opdracht was dan het portret voor zijn voormalige vriend die wellicht een bredere toets kon waarderen. Of omdat hij dat eerdere werk gewoon in een vloek en een zucht af wilde hebben. Alleen in het lijk en het skelet lijkt hij hier redelijk voluit te gaan met zijn verfopbreng.

De ontleding van de hersenen van het dode lichaam is waar ieder op de een of andere manier anders op lijkt te reageren. Maar het gaat dan tevens ook om de onthulling van de zetel van de ziel. Want zo werden de hersenen gezien door Vesalius (3), de anatoom wiens ideëen Deyman en zijn voorganger Nicolaes Tulp aanhingen. Daarom is het voorgestelde moment zo voornaam uitgebeeld. Afhankelijk van je eigen gesteldheid zal je je de ene keer kunnen identificeren met de verbeelde emotie of reactie van de een, de andere keer met die van de ander. Wie weet zelfs met de dode op tafel. Zo functioneert dit werk als een spiegel van de ziel en vormt het wellicht ook een aanleiding tot overdenking van je eigen sterfelijkheid, of hoe alles eindigt.

Het werk schittert in een gedragen, mystieke sfeer als een indrukwekkende meditatie op de dood en wat een mens voorstelt in de grote loop der dingen. Je zou die lijn door kunnen trekken naar de kwetsbaarheid van een kunstwerk van zelfs een grootheid als Rembrandt.

http://robscholtemuseum.nl/wp-content/uploads/2016/12/Rembrandt-%E2%80%93-De-Anatomische-les-van-Dr.-Deyman.jpg

Rembrandt – De anatomische les van Dr. Deyman – 110x133mm, pen en penseel in grijze en zwarte inkt, Amsterdams Historisch Museum

Uiteindelijk verbrandde het schilderij in 1723 grotendeels, hangend in de Waag in Amsterdam. Een gildeknecht zijn onvoorzichtigheid maakt dat we enkel nog een fragment kunnen zien, nu hangend in het Amsterdams Historisch Museum. Een rietpentekening die Rembrandt zelf ooit maakte geeft een indruk van de volledige compositie. Het werk heeft weinig zichtbare geschiedenis gemaakt. Als ik Vermeer’s Koppelaarster uit hetzelfde jaar echter zie, dan heb ik zo mijn vermoedens waar hij de mystieke sfeer van dat werk door liet inspireren.

Volgende keer werpen we een blik op de tegenoverliggende muur waar ‘De regenten van Brussel’ van van Dyck schittert.

Noten:

(1) Samuel van Hoogstraten, Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt, 1678, blz. 306

(2) Fr. Junius, Begin, Heerlijcke voortgangh, en Grootdadigh vermogen der Wijdberoemde Schilderkonst der Antycken, uitgave 1675, blz. 232

(3) Vesalius, A., De humani corporis fabrica libri septem. 1543

Lost Painters, 15/05/2013

http://www.lost-painters.nl/gastschrijver-13-peter-jochems-lost-paintings-1/

Leave a comment

Your email address will not be published.

*