Jaap Plaisier – Voorwoord Kunstkannibaal: Peter Klashorst

Peter vroeg me het voorwoord te schrijven voor een vernieuwde uitgave van zijn boek Kunstkannibaal. Zou voorjaar 2016 verschijnen maar is voor onbepaalde tijd uitgesteld.

Peter Klashorst: kunstenaar, vrijbuiter, provocateur, seksjunk, Afrika neuker, zuiplap, aidslijer. In de jaren tachtig gold hij als aanstormend talent en ‘een van de prinsen van de stad’ [1]. Hij ontving een paar grote prijzen, werd een ‘nieuwe wilde’ en richtte het geruchtmakende kunstenaarscollectief After Nature op. De rijken namen grof bij hem af. Bekende Nederlanders liepen zijn atelier plat. Hordes meiden werden door zijn grenzeloze libido bediend. Hij werd gestalkt, stenen gingen door zijn ruiten. Een paar meisjes maakten een einde aan hun leven, uit wanhopige idiolaterie. Klashorst was de vrijgevochten en gevierde jonge held. Uitgevers, schrijvers, journalisten, maffiosi, iedereen wilde bij hem horen, om een graantje van de glamour mee te pikken. Wie Zwagermans Gimmick leest en Klashorst kent, herkent hem meteen in het personage ‘Groen’. Zwagerman ontkende elke gelijkenis (ook die van een ander personage met Rob Scholte), bang als hij was voor rechtszaken, maar veel was letterlijk uit het leven gegrepen en het geschetste milieu (van de beginjaren) bezorgde Zwagerman zijn eerste succes. In New York werd Klashorst vrienden met Robert Mapplethorpe, Jeff Koons en Keith Haring en ontmoette grootheden als David Bowie en Madonna. Maar een echte superster werd onze prins niet. In New York werd een recalcitrante stijlverandering niet geaccepteerd en had hij het na een aantal exposities wel weer gezien. Maar ook in Nederland brak hij niet definitief door tot de hoogste kunstkringen van bijvoorbeeld het Stedelijk, dat in de 1985 nog werk van hem had aangekocht. Hij was te anarchistisch en produceerde te veel middelmatig of ronduit slecht werk. In Roberts Vuijsjes onvolprezen King Klashorst, de biografie, staat het allemaal mooi beschreven. Van gevierd schilder, met in die alternatieve jaren tachtig een soort popsterrenstatus, werd hij in de jaren negentig langzamerhand de enfant terrible van de kunstwereld en hofnar van de Amsterdamse onderwereld (die de kunst als witwaspraktijk had ontdekt). Het coke gebruik nam toe en Peter ontdekte na enkele teleurstellende liefdes de hoeren en bordelen. In 1999 besloot hij dat het genoeg was en vertrok richting Afrika en Zuidoost Azië. Vandaag de dag hebben weinig schilders nog de status van voorheen. De kunstenaar als bohemien en mythe is een beetje passé. Klashorst zwierf ondertussen via West Afrika, ‘Neukrobi’ en ‘Bangcock’ naar Cambodja. Weg uit het benauwde Holland, de saaie welvaart, de blik verruimend, op zoek naar de oorsprong van de mens, Conrads Heart of darkness, de zelfkant, kroegen en hoeren, exotische vrouwen, dood en verderf. Een onderzoek naar de naakte mens, letterlijk en figuurlijk, zonder poespas en beschaving. En natuurlijk vooral naar de vrouw, als moeder van het leven en de creatie. In Kunstkannibaal doet hij verslag van zijn avonturen. Op geheel eigen wijze, omdat hij niet anders kan, en zeker niet wil. Voor menigeen schockerend, controversieel, de moraal tartend. Met seks en gevangenisverhalen, die hem gedurende de jaren hernieuwde roem bezorgden. Klashorst is alle schaamte voorbij en gooit alles openhartig op tafel.
Hij schrijft, zoals hij schildert: snel, fel, van de hak op de tak, creatief, associatief, kleurrijk, experimenteel. Verschillende stijlen en perspectieven wisselen elkaar af, wat vaak genoeg nergens toe leidt of onaf blijft, maar zelden verveeld. Lang werken aan een kort, rond verhaal zal Peter niet doen. Hij moet verder, het interesseert hem al niet meer, net als met z’n schilderijen, die in grote hoeveelheden afgeragd worden. Als er geslaagd werk tussen zit – indringende portretten van Rode Khmer slachtoffers, negerinnen in felle popart kleuren – kan hij ’s avonds tevreden aan de Mekong Whisky en lokale barmeisjes. Hij leidt een intensief, hard leven, met de eenzaamheid van een (neuk) monnik, – ‘don’t try this at home’ – maar het is radicaal vrij, zoals dat wellicht past bij een waarachtig kunstenaar. Er zijn er niet veel, die zo kunnen en durven leven.
Inmiddels is hij door de hogere kunstwereld definitief uitgekotst en mag hij zichzelf graag omlaag praten. Grandioos mislukt… low life… aidslijer… aan de grond! (met de beroemde puntjes van Celine). Maar dat is enigszins overdreven. Hij is nog immer getalenteerd, produceert nog steeds mooi werk, verkoopt stiekem als een tierelier, werkt als een bezetene, is nog steeds een autonome vrijdenker. Hij heeft een onuitputtelijke energie en is (alhoewel je het niet altijd zou denken) intelligent en erudiet. Niet uw doorsnee sekstoerist, wel een veellezer en scherp observator. Een autodidact. Op de basisschool behaalde hij een 100 procent score (550) voor zijn Cito toets. Men dacht dat hij gefraudeerd had, maar hij las al jaren de encyclopedie en de Kijk en was wat men nu ‘hoogbegaafd’ zou noemen. En zoals vaker met hoogbegaafden: moeilijk hanteerbaar, snel verveeld en anti autoritair. Met een kampslachtoffer als vader, een egocentrische, harde man, die alles van Peter afkeurde, inclusief zijn geboorte. Van gymnasium werd het Havo, met hakken over de sloot, en de Rietveld Academie, cum laude, die hij meteen maar even – eigenhandig – hervormde van gezapige school tot creatieve broedplaats, aldus oud docent Jos Houweling. Waar Klashorst toen al snel grof geld verdiende, doet hij dat nu nog steeds. En hij geeft het net zo hard weer uit. Hij leeft op grote voet, zonder enige subsidie. Hoeveel Nederlandse kunstenaars doen hem dat na? Het is een uitzonderlijk figuur, deze outlaw, een bijzonder kind, en dat is ie.
Het laatste grote interview, in 2014 in de Volkskrant, door Vuijsje, was vanouds controversieel en deed weer veel stof opwaaien. Er werd wereldkundig gemaakt, dat Klashorst aids had – het had hem dan eindelijk te pakken – en hij deed heerlijk foute uitspraken. Ingezonden brieven en internet gekletter waren het gevolg. Hoe durfde die Klashorst, met zijn mateloze egocentrisme, het ruiken aan kutjes ter voorkoming van soa’s, het sport neuken zonder condoom, en hoeveel meisjes had hij wel niet besmet? Dat hij maar snel mocht sterven. En dat was hij ook van plan. Na een paar onderzoekjes in Nederland vloog hij terug naar Cambodja om daar met zijn toenmalige hoer vriendin Channa, eveneens ziek, een romantische dood te sterven (denk Sid & Nancy [2]). Want hoe gek het ook moge klinken, Klashorst is ook een romanticus. Maar hij herstelde in de hitte wonderbaarlijk snel. Binnen de kortste keren was hij weer de oude. Dan nog maar even door. Bij een volgend onderzoek in Nederland bleek het Hiv door de medicijnen dusdanig onderdrukt, dat het niet meer te detecteren was, waarmee overigens ook het besmettingsgevaar weer nihil was. Inmiddels is hij weer gestopt met z’n medicijnen en is er de (ethische) vraag, waar dat nu allemaal weer toe leidt. Maar in het Klapworstiaans denken is zo’n vraag totaal oninteressant. Ondergetekende zocht hem eind 2013 op in zijn huis in Bangkok toen de diagnose aids net was gesteld. ‘Hoe kwam dat bericht aan?’ Peter, met z’n indringende, donkere ogen: ‘Huh, wat? Oh die aids. Het deed me niks. Ik was bezig met Channa, ik had ‘r 1000 dollar geboden, per dag, om over te vliegen en me gezelschap te houden. Ze hoefde niet eens te neuken, kon spelletjes spelen in zo’n mooie spelletjeskamer, die ze hadden in dat ziekenhuis. Ze houdt van spelletjes. Maar ze weigerde. Wat ben je dan voor hoer? Dat is toch bizar? Een hoer wil toch geld verdienen? Dat is toch niet normaal?’ De aids interesseerde ‘m werkelijk geen zier. Een jaar eerder in een nachtclub in Phnom Penh: ‘Godverdomme, daar heb je ’r, ze zit onder een tafel.’ We keken vanaf een bar uit op een lange, lege ruimte richting uitgang, met aan weerszijden lege tafeltjes en stoelen. ‘Ik zie niks, Peter.’ Hij was nu toch wel doorgeslagen, gek geworden, paranoia. Hij stond op, liep een meter of dertig richting uitgang en trok daar inderdaad Channa onder een tafeltje vandaan. Ze was binnengekomen, had ‘m op afstand gespot en had zich verstopt. Onze discussie over kunst, literatuur en de dood was daarmee tot een abrupt einde gekomen. Dat soort zaken zijn bijzaken.
Enfin, er was eens een NRC journaliste, die Klashorst in haar column laatdunkend weg zette als simplistische na-aper van helden als Gauguin en Van Gogh. Al schilderend hoeren naaien en sterven aan de tering of syfilis, tegenwoordig aids. Later bleek de journaliste haar eigen identiteitsproblemen te hebben, ze liet ze zich ombouwen tot man en viel de lezer lastig met verwarde, persoonlijke bespiegelingen. Ieder zijn ding. Maar Klashorst, de man met twee penselen, timmert nog even aan de weg. In radicale vrijheid, in het nu, tot het einde. Allahoer Akbar!

[1] Matthijs van Nieuwkerk in DWDD
[2] Verfilming van het liefdesverhaal en de tragische dood van Sid Vicious, bassist van de punkrockband the Sex Pistols, en zijn vriendin, voormalig prostituee Nancy Spungen.

jaapplaisier.blogspot.nl, 30 maart 2016

http://jaapplaisier.blogspot.nl/2016/03/voorwoord-kunstkannibaal-peter-klashorst.html

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Peter+Klashorst

Leave a comment

Your email address will not be published.

*