Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (8): De tijd van de Rigveda

Rigveda en de interpretatie ervan

Er is een enorm verschil tussen Rigveda en de Purana’s. De religie, de cultuur en de geschiedenis van gebeurtenissen in de twee zijn immens verschillend. Er is een verbindende schakel van de andere Vedische literatuur, zoals de andere Veda’s (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Veda%27s), Brahmana’s (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Brahmana_(geschrift)) en Upnishads (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Upanishad), die de grote kloof in zekere mate lijken te overbruggen, desondanks blijven er grote gaten, die moeten worden verzoend. Bovendien is deze Vedische literatuur ook erg veel na Rigvedisch, omdat de andere drie Veda’s worden toegeschreven aan de Rishi Veda Vyas, wie wordt gezegd de andere drie Veda’s te hebben geformuleerd uit de Rigveda. En Veda Vyas bloeide in de tijd van Mahabharata of zo’n vijfduizend jaar geleden (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Vyasa).

Rigveda staat als een monument apart. Het beweert niet een geschiedenis voor zijn volken te verschaffen, toch wordt in de gebeden aan de Rigvedische goden aan de weldaden verleend door die goden op verschillende menselijke wezens gerefereerd voor het doel om een mentaal effect te creëren in de biddende persoon door autosuggestie en herhaling van de gevallen van de tentoonstelling van de macht en kwaliteiten bezeten door deze goden. In deze context worden de feiten van geschiedenis, astronomie, natuurlijke gebeurtenissen, evenals geografie van Sapta-Sindhu, waar de Rigveda werd samengesteld, incidenteel gegeven. Voor de rest is Rigveda voornamelijk een mystiek en filosofische boek, dat de gevoelens en sentimenten van een puriteins volk, dat alleen natuurlijke krachten vereerde met een begrip en realisatie, die verbazingwekkend is. Geen regels van kastensysteem  of andere beperkende religieuze praktijken worden voorgeschreven. De levensfilosofie, evenals de metafysica van de schepping, neergelegd in de Rigveda zijn van een natuurlijk type en van een zeer hoge standaard, hetgeen niet eenvoudig duidelijk is voor de oppervlakkige lezer. Zeer vaak hebben de Rigvedische hymnen aan sommige lezers geschenen, alsof ze liederen waren van slechts natuurvereerders.

De hoogte van het filosofische inzicht, nooit bereikt in enige andere literatuur in de wereld, wordt ruimschoots aangeduid door de beroemde Nasadiya Sukta (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Nasadiya_Sukta), wat hymne 10:129 van de Rigveda is. In deze Sukta  worden niet alleen de positieve karakteristieken van de Ultieme Realiteit, of Para-Brahma, beschreven in heldere termen, maar ook wordt getoond hoe door de werking van deze karakteristieken het Ongemanifesteerde Onzichtbare Bestaan manifest en zichtbaar wordt en dan wordt gedifferentieerd in duidelijk levende en niet levende dingen van het universum. Verder accepteert het het principe van evolutie van deze rudimentaire typen in meer en meer complexe gedaante, maar laat de details van deze evolutie aan de natuurkunde om te worden onderzocht. Om dit duidelijk te maken worden belangrijke delen van deze Sukta hieronder gegeven.

Deze legt eerst een conditie van dingen aan het allereerste begin neer, toen er geen differentiaties of beperkingen waren, maar er een homogene Eenheid was. Het kon geen leegte zijn, want vanwaar zou dit universum kunnen ontwikkelen of geproduceerd worden, en het bestaan van het universum is onbetwistbaar. Maar deze Eenheid moet actief zijn, anders zou er geen verandering kunnen zijn. Als deze Eenheid eeuwigdurend is, dan moet de activiteit ervan ook eeuwigdurend zijn. Dit is alleen mogelijk, wanneer deze activiteit zelfherhalend is, zoals ademhalen. Maar aangezien het bestaan een Eenheid is zonder enig verschil of limiet, daarom kan er geen lucht aanwezig zijn daar naast zichzelf. De eerste twee richa’s van de sukta luiden:

1.
Then even nothingness was not, nor existence,
There was no air then, nor the heavens beyond it.
What covered it? Where was it? In whose keeping?
Was there then cosmic water, in depths unfathomed?

2.
Then there was neither death nor immortality
nor was there then the torch of night and day.
The One breathed windlessly and self-sustaining.
There was that One then, and there was no other.

Kan er enige activiteit zijn als “ademen zonder lucht”? Ja. Het is mentale activiteit, die geen ruimte inneemt, maar zichzelf blijft herhalen als een pendel zwaaiend tussen “Concentratie of Attentie” en “Diffusie of vergeetachtigheid”. Waarom dan noemt de auteur het niet meteen mentale activiteit? Omdat we dan zullen beginnen het bestaan van een geest te veronderstellen als die van ons met zijn ontwikkelde kwaliteiten van het realiseren en waarnemen van details, van redeneren en overweging en van verbeelding en uitvinding. Al deze kwaliteiten zijn niet aanwezig in iedere geest. Dat er graden van geest zijn, is niet te betwijfelen. Er zijn insecten, diverse dieren en mensen met verschillende capaciteiten. Maar ze delen allemaal één karakteristiek als zijnde actief suo moto (uit eigen beweging). Deze karakteristiek is ook aanwezig in niet levende wezens. Natuurkunde heeft bewezen, dat in ieder atoom een enorme automatische activiteit van elektronen, protonen, et cetera. aanwezig is. Daarom refereert de schrijver alleen aan de automatische natuur van de zelfherhalende activiteit en beschrijft het in termen, die kunnen worden toegepast op zowel levende als niet levende dingen, het gebruik van het woord geest vermijdend.

Dan wordt in de volgende stanza gezegd, dat door de concentratie van zijn innerlijke kracht (het proces van inademing), terwijl de intensiteit van de kracht toeneemt, wordt zijn uiterlijke vorm ook dichter dan tevoren door concentratie, omdat er een intieme relatie is van zijn kracht en vorm in die Eenheid. En dan verschijnt de Grote Duisternis of het Onpeilbare Water, nu gedifferentieerd van de omringende Onzichtbare Bestaan.

3.
At first there was only darkness wrapped in darkness.
All this was only unillumined cosmic water.
That One which came to be, enclosed in nothing,
arose at last, born of the power of heat.

En dan in deze Gemanifesteerde Massa verschijnt het eerste zaad van geest, waarin een impuls voor de Diffusie van de nu geconcentreerde macht oprijst.

4.
In the beginning desire descended on it –
that was the primal seed, born of the mind.
The sages who have searched their hearts with wisdom
know that which is kin to that which is not.

Dan zegt de Rishi ,dat op dit punt het begin van het gemanifesteerde universum verrijst. Hij verklaart vanaf de top van het huis, dat de Zieners deze fundamentele posities hebben verklaard door beredeneerde meditatie in hun geesten. Hij beschouwt deze dingen niet als onbeschrijflijk, onkenbaar of ondenkbaar. Hij zegt (vertaling Singhal):

De Zieners hebben verklaard door denken in hun harten
dat de gemanifesteerde wereld gerelateerd werd
met het Ongemanifesteerde Bestaan op dit stadium.

Dan beschrijft hij in de volgende stanza hoe het gebeurde.

5.
And they have stretched their cord across the void,
and know what was above, and what below.
Seminal powers made fertile mighty forces.
Below was strength, and over it was impulse.

Singhal:

Toen spreidden de stralen van deze geconcentreerde Kracht
aan alle zijden in die gemanifesteerde Massa scheef beneden
evenals boven en aan de zijden overal.

En het resultaat was verschijning van het levende, het niet levende en hun evolutie in complexiteit. Hij zegt:

Van deze Stralen van Kracht verrezen de zaden van geest en ze werden groter.
De kracht van deze zaden van geest bleven geconcentreerd in hen,
terwijl de druk van de botsing bleef aan de andere kant.

Aldus verrees het verschil tussen het levende en het niet levende, en verdere evolutie van geesten had plaats. Dan verklaart de Rishi in de volgende stanza, dat niemand in groter detail het proces van creatie kan beschrijven; zelfs niet de goden, omdat ook zij dingen niet zagen gebeuren en in bestaan kwamen toen de zichtbare wereld was verschenen.

6.
But, after all, who knows, and who can say
Whence it all came, and how creation happened?
the gods themselves are later than creation,
so who knows truly whence it has arisen?

7.
Whence all creation had its origin,
the creator, whether he fashioned it or whether he did not,
the creator, who surveys it all from highest heaven,
he knows — or maybe even he does not know.

Zelfs het Centrum van Kracht de Zon (Hiranyagarbha), de Heer der Schepping, kan het niet zeggen, omdat ook daar de detail ziende mensengeest niet bestaat. Zon als Hiranyagarbha (‘Gouden gecentreerd’ naam van de Zon [CH: of ander lumineus object]) wordt gezegd de Heer van alle geschapen wezens te zijn, die hemel en aarde heeft bevestigd en hen op hun plaats houdt, zoals gezegd in Richa 1 van Sukta 121 van de 10de mandal.

In het begin rees Hiranyagarbha,
geboren Enige Heer van alle geschapen wezens.
Hij bevestigde en hield op deze aarde en hemel.
Welke God zullen we vereren met ons plengoffer?

Dit is een eenvoudige, letterlijke en toch diepgaande uitleg van deze onvergelijkbare Sukta (dat is 129). Maar vreemd te zeggen, deze verklaring, hoewel gesteund door de literaire betekenissen van de gebruikte woorden, wordt niet gevonden in enige van de latere commentaren van Rigveda met het resultaat, dat een aantal verschillende scholen van filosofie of Darshan groeiden. Desondanks toont het de geestelijke hoogtes, waartoe Rigveda rijst. Het is ook duidelijk, dat eeuwen moeten zijn verstreken om toe te staan, dat zo’n hoge filosofische ontwikkeling plaats had. Voor een gedetailleerde uitleg van Nasadiya Sukta verwijst Singhal naar zijn boek “The Changeable and Unchangeable in Religion”.

Rigveda heeft geleden onder twee soorten commentaar. Aan de ene kant zijn er die geleerden, die het zich, onbewust van de mystieke en filosofische betekenis, hebben beschouwd als slechts een compilatie van de liederen van de Arische herders. Aan de andere kant hebben veel Indiase geleerden en commentatoren geprobeerd om diepgaande geestelijke verborgen betekenissen in ieder woord te zien en hebben veel interpretaties gegeven, die gebaseerd zijn op de diverse verschillende betekenissen van woorden en subtiliteiten van grammaticale constructies en zo de simpele, letterlijke, betekenis van de woorden te kort gedaan, ondanks dat deze van verreikend belang zijn. Bijvoorbeeld de Zon (Hiranyagarbha) het centrum van ons zonnestelsel wordt slechts beschouwd een beeld te zijn van een of andere onzichtbare geestelijke zon.

Er is de Nadi Stuti Sukta (10:75), waarin de rivieren van Sapta-Sindhu worden opgesomd (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Nadistuti_sukta). Een Vedisch geleerde beweerde, dat die rivieren in Antarctica zijn, in de hemel of in de interstellaire ruimte, ondanks het feit, dat die rivieren duidelijk geïdentificeerd zijn als de rivieren, die al op aarde bestaan als zijrivieren of als onafhankelijke begeleidende rivieren van de rivier Indus. (…) Hun bestaan op aarde is aantoonbaar. Als iemand dit feit nog steeds ontkent, laat hem dan het duidelijke feit van het aardse bestaan van deze rivieren weerleggen.

Maar deze geleerden beschouwen de Rigveda als geopenbaard door God Zelf en daarom geen geschiedenis, geografie of enig ander werelds feit bevattend. Dit is echter een argument van de “petitio principi” [bewijsgrond, die ten onrechte als reeds bewezen aangenomen wordt, maar zelf eerst bewezen dient te worden, schijngrond]. Het bewijst niets, we hebben gezien wat wordt bedoeld met God in de hymnen 129 en 121 van boek 10. Zeker kan zo’n God niet de talrijke hymnen gedicteerd hebben, die zoveel gedetailleerde feiten geven. Deze hardnekkigheid van sommige geleerden over het toeschrijven van alleen verborgen betekenissen heeft erin geresulteerd, dat de simpele, maar pregnante letterlijke, interpretaties van Rigveda wordt verwaarloosd of verdraaid om ideeën te presenteren, die ze niet bevatten.

Bijvoorbeeld Kashyapa Rishi wordt nergens beschreven als de vader van Indra of als echtgenoot van Aditi in Rigveda. In feite komt de naam Kashyapa zelf slechts eenmaal voor in Rigveda 9:114:2 en daar is hij slechts een Rishi, maar de commentatoren van Rigveda, zoals Sayan, hebben aangenomen, dat Kashyapa de vader is van Indra en andere goden, evenals van de Daitya’s bij zijn twee vrouwen Aditi en Diti. Dit is een veel latere traditie, geïncorporeerd in de Purana’s, wanneer de Ariërs kennis verwerven van de Daitya’s, levend op de oevers van de rivier Daitya in Armenië, afstammelingen van de wijze Kaspius, die leefde op de berg Kaukasus. Deze Daitya’s waren bekend als Kaspii mensen en leefden bij de Kaspische zee in een groot koninkrijk van Hyrcania met Hiranyakashpa als hun heerser. Deze identificatie van Kaspius met Rishi Kashyapa is geheel ongeautoriseerd en heeft grote verwarring veroorzaakt.

Rigveda is vroeger dan Zendavesta

Rigveda is vroeger dan de Zendavesta. Dit wordt bewezen door twee pertinente feiten. Het ene is, dat in Rigveda er absoluut geen vermelding is van de Grote Vloed, die plaats had aan het einde van de Chakchush Manvantar, toen de Arische koning Satyavrata zijn volk in een schip plaatste, dat werd geleid door de Vis Incarnatie naar Aryanam Veijo in Armenia op de oevers van de rivier Daitya. Er is zelfs geen spoor van het land Aryanam Veijo in Rigveda. Dit woord komt in de hele Rigveda niet voor. Voor de eerste keer wordt het vermeld in de Zendavesta. Het is duidelijk, dat Aryanam Veijo niet het land van origine van de Ariërs, anders zou het vermeld zijn in de Rigveda, vooral wanneer het wordt geprezen als het meest uitstekende land, geschapen door Heer Ahura Mazda. Eveneens is er geen vermelding van de rivier Daitya of het volk van de Daitya’s levend op de oevers ervan, afstammelingen van Kaspius of Kashyapa (die hun namen gaven aan de Kaspische zee) in Rigveda. Al dit toont, dat de Rigveda hymnen werden gecomponeerd in een tijd toen de Rigvedische Ariërs wisten niets van Aryanam Veijo of de Daitya’s.

Een ander belangrijk feit is, dat terwijl de Ariërs leefden in Aryanam Veijo, hun leider Yima, zoon van Vivenvat, wordt gezegd te zijn gekomen naar Heer Ahura Mazda en hem te hebben geïnformeerd, dat zijn volk in aantal zo zeer was vermenigvuldigd, dat zelfs na het vier keer vergroten van het gebied van hun bewoning, hij het land onvoldoende vond . Toen vond een conferentie van mensen en Asura’s plaats, waarbij Heer Ahura Mazda hen vertelde, dat een periode van intense kou ging komen en hij adviseerde Yima om schuilplaatsen te bouwen om zijn mensen te beschermen. Waarschijnlijk was dit het begin van de IJstijden. Maar er is geen vermelding van dit verhaal in Rigveda, want Rigveda kent in het geheel geen IJstijden. Bovendien maakt Heer Ahura Mazda in dit verhaal Yima, de zoon van Vivenvat, koning van zijn volk en verleent hem de koningschapsymbolen. In Rigveda is Yama de zoon van Surya de Zon, van wie een andere naam Vivaswan is. Yama representeert ook de dag, die als een natuurlijk fenomeen de zoon van de Zon is. Maar in Rigveda wordt Yama geen regalia verleend, noch wordt hij koning gemaakt van zijn volk, noch wordt hij gevraagd schuilplaatsen voor zijn volk te bouwen om hen te beschermen voor de komende kou. Dit is zuiver een Avesta verhaal, dat betrekking heeft op de Ariërs , die toevlucht zoeken in Aryanam Veijo ten tijde van de Grote Vloed. Bovendien is Yima niet alleen een koning, maar hij is de eerste persoon aan wie de Parsi religie wordt geleerd door Heer Ahura Mazda vóór de tijd van Zarathustra. Yima is dus een profeet voor zijn volk. Maar een dergelijke functie wordt niet vervuld door Yama in Rigveda. In Rigveda vraagt Yami Yama ten huwelijk, maar in de Avesta is Yimik reeds de vrouw van Yima.

Het is ook beduidend, dat Vivenvat en Yima equivalenten zijn van de Rigvedische namen Vivaswan en Yama. Kennelijk gebeurde deze linguïstische corruptie in de namen tijdens de verhuizing van Sapta-Sindhu naar Aryanam Veijo. Sapta-Sindhu zelf wordt Hafta Hindu genoemd in Avesta. Het is een aftakeling ten gevolge van de verhuizing en het verloop van een lange periode. Zulke corrupties in woorden hebben ook elders plaats. Indische cultuur verspreidde zich op de Indonesische eilanden in vergelijk tamelijk recent. Toch hebben Sanskriet namen linguïstisch afgetakelde vormen aangenomen. Dus zelfs de president van Indonesië heet Soekarno, wat equivalent is aan Shubhkaran (de doener van goede daden). Zijn hoofdstad Jogjakarta is de equivalent van Yogyakarta of ‘capabele doener’. De haven ervan Probolinggo wordt gezegd Purva Kalinga te representeren. Kambhoj wordt thans Cambodja genoemd. Trivishtap is veranderd in Tibet. Inderdaad kan in hetzelfde land zulke linguïstische aftakeling plaats hebben, dat wil zeggen Sanskriet woorden gebruikt in andere Indiase dialecten nemen andere vormen aan. In Armenia is Koh Kaspius tot Caucasus geworden. Dit is ook een indicatie, dat de Zendavesta van later datum is dan Rigveda.

Terwijl er geen melding is van Aryanam Veijo en Daitya in de Rigveda, is er in Zendavesta een verhaal van Throtain, die Ahi Dahak doodt om Veran, het vierkante land, veilig te maken (Vendidad 1:18). Dit refereert duidelijk aan Kasjmir, waar, zoals we spoedig zullen zien, de Ahi Dahak (Azdaha) Draak Vritra werd gedood door Indra (zie http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-vedische-mythen-1-indra-en-vritra/). Ditzelfde feit wordt ook gezegd te zijn uitgevoerd door Trita (een god geïdentificeerd met Indra) in Rigveda 1:187:1, 10:8:7-8, 10:99:6. Deze Ahi Dahak demon was driekoppig en zesogig en werd gedood door Trita. Het was deze actie, die de rivieren van Sapta-Sindhu schiep, wat vermeld wordt in de volgende vers 19 [zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Azhi_Dahaka of http://allaboutdragons.com/dragons/Azhi_Dahaka of meer https://en.wikipedia.org/wiki/Zahhak. Interessant is ook de pagina https://auroswords.com/2017/01/19/ancient-dragon-myths-vritra-typhon-and-azi-dahaka/. Uitgebreider: http://www.iranicaonline.org/articles/azdaha-dragon-various-kinds].

Het bovenstaande verslag toont. dat, terwijl Zendavesta spreekt over landen en volken niet bekend aan Rigveda, het de meest belangrijke traditie bevat van de opening van Kasjmir en het uitstromen van de zeven rivieren verteld in Rigveda. Deze traditie, die onbegrepen is gebleven en obscuur zelfs voor de geleerde commentatoren van Rigveda zullen we nu bespreken. Het zal een tijd vastzetten van Rigveda, gesteund door geologie en archeologie. Zo ver is het duidelijk, dat Rigveda vroeger in tijd was dan Zendavesta, hetgeen bewijst, dat Ariërs van Sapta-Sindhu naar Perzië en Armenië gingen en niet andersom ,zoals verondersteld door de meeste geleerden.

Toen het Kasjmir Meer leegstroomde

De geschiedenis van Kasjmir in prehistorische tijden is fascinerend en heeft een verbazende relatie met Rigveda. Het is vreemd, dat het nooit de aandacht trok van Rigvedische geleerden.

Deze geschiedenis wordt gegeven in Kalhan Pandit’s Rajtaringni boek 1 en in Nilmat Purana [zie https://en.wikipedia.org/wiki/Rajatarangini en https://en.wikipedia.org/wiki/Nilamata_Purana]. Gezegd wordt, dat het land Kasjmir een enorm meer was met een oppervlak van 16.000 vierkante kilometer en ongeveer 2000 voet diep, omgeven aan alle kanten door bergen, met Tibet in het noorden en de Kailash berg in het oosten en het land van Sapta-Sindhu in het zuiden en zuidwesten. We hebben boven gezien, dat in Zendavesta dit vierhoekige land Veran wordt genoemd of het land van de God Varuna en wordt geciteerd vlak voor Hafta-Hindu. Het was voorheen genaamd Sati-Sar of het meer van Sati, de vrouw van de God Shiva, die op de Kailash woonde. Het schijnt, dat Shiva het ras van Naga’s of Serpenten bevoogde. Hij wordt gerepresenteerd als Naga’s of Serpenten om zijn nek en zijn armen dragend. De Naga’s leefden in Chinees Turkestan en dichterbij. Grenzend aan hun land was het land van de Garuda’s. Deze twee volken waren voortdurend in oorlog met elkaar en veel Naga’s zochten toevlucht in het land Kasjmir vanwege de vrees voor de Garuda’s. Hier genoten ze de bescherming van Heer Shiva. Hun koning was Nilnag, van wie gezegd wordt, dat hij een zoon is van Kashyapa, de algemene voorouder van Daitya’s en die andere volkeren van Klein Azië, Perzië en Centraal Azië in Indische mythologie [zie https://books.google.nl/books?id=rfgkCrumMfYC&pg=PA51&lpg=PA51&dq=nilnaga+king&source=bl&ots=sqhKZdmb61&sig=ACfU3U1wc5G5HTbs1iG1qkuPHQeJfcF4Nw&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwicrLDC–jiAhVIzaQKHUMMBosQ6AEwCHoECAcQAQ#v=onepage&q=nilnaga%20king&f=false].

Toen rees er een demon op in dit meer. Hij werd Jalodbhava genoemd of een, die is geboren van water (zie http://jalodbust.com/jalod-bhava/ of https://www.clubmahindra.com/blog/know-more-about-hari-parbat-in-kashmir-and-legend-of-jalodbhava-with-family). Gezegd wordt, dat Jalodbhava gewoon was uit het meer te komen en verwoesting te veroorzaken onder de Naga-bevolking, die het land begon te verlaten. Toen klaagde Nilnag tegen Kashyapa. Kashyapa riep Shiva, Brahma, Vishnu en Varuna ter plaatse en toen sloeg Shiva zijn drietand op een plek genaamd Barahmuda. Het land daar zonk neer en de bergbarrière werd gebroken. Toen doodde Vishnu in zijn Ever incarnatie de demon Jalodbhava en leidde het water uit het meer, wat rivieren werd en het land van Kasjmir werd een mooie vallei. Ook wordt gezegd, dat in dit land een berg was, genaamd Bheda, waarop de godin Saraswati op haar pauw stond. Deze berg werd ook gebroken en Saraswati zowel als Parvati de vrouw van Shiva werden rivieren, die enorme weldaden naar het land brachten, waar ze doorheen stroomden [zie voor een recente bespreking met kaarten: http://balkhandshambhala.blogspot.com/2014/10/kashapa-rishi-lake-saraswati-tirtha-of.html].

Rigveda presenteert dit verhaal op een significante wijze. Gezegd wordt, dat de eerste grote daad van de grote god Indra was, dat hij de draak (Ahi Dahak) Vritra en zijn moeder Danu, die de wateren, vallend van de wolken, had opgesloten in een grot, die werd bewaakt door Naga’s. Indra doodde ook Bheda, die waarschijnlijk een van hun leiders was, en beroofde Bheda van al zijn schatten, vernietigde de Dasyu’s (of rovers), die daar leefden, brak bergen af met zijn dondersteen en bevrijdde de opgesloten wateren, die de zeven rivieren van Sapta-Sindhu werden en naar de oceaan snelden. Deze Vritra wordt ook een Ever (Barah) genoemd, wat aangeeft, dat hij werd gedood in de buurt van de plaats genaamd Barahmula. Saraswati was een van de hoofdrivieren en werd aldus bevrijd. Deze Dasyu’s, die in de buurt van het meer woonden waren ‘neusloos’ (anasa) [zie https://books.google.nl/books?id=wNlsRZh3rwgC&pg=PA111&lpg=PA111&dq=dasyus+noseless&source=bl&ots=VMx8fNiu_b&sig=ACfU3U26XpXKirad4Tfj1QwYs41KKOHKBQ&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwil7dvryuniAhXMzqQKHUJbAoAQ6AEwAXoECAkQAQ#v=onepage&q=dasyus%20noseless&f=false] of met platte gezichten of stompneuzig, wat erop duidt, dat ze niet zo hoog beschaafd waren of volledig ontwikkelde mensen als hun gelijktijdig levende Ariërs en een min of meer primitief volk waren. Rigveda vermeldt ook een niet Arisch volk, genaamd Siva’s, naast diverse andere als Aja’s, Yaksha’s, Sigru’s, die een strijd uitvochten bij de Yamuna onder de leiding van Bheda, toen Indra hen allemaal versloeg. Rigveda spreekt ook van niet Arische volken, die het Fallische Symbool droegen (Sisnedevah [Indra “le destructeur de villes” conquiert sur les a-nasa, les Sanz-Nez, les Sisne devah, les adorateurs du phallus, du Civa linga… (Alain Anselin, Le Mythe d’Europe: De l’Indus à la Crète, 1981)], dat Indra versloeg. Naderhand in Puranische tijden werd dit Fallische symbool de wijze van vereren van Shiva. Deze gewoonte werd geadopteerd van Harappan beschaving, die de vurige vereerders van Shiva waren. Maar Fallische verering is niet alleen vreemd voor Rigveda maar wordt in feite afgewezen en veroordeeld in de weinige Rigveda hymnen, waarin het wordt vermeld, aantonend, dat het overheerste onder sommige niet Ariërs [voor Sisnedevah, zie https://www.exoticindiaart.com/book/details/spanda-karika-study-along-with-sanskrit-text-vrtti-of-sri-bhattakallata-old-and-rare-book-NAR553/].

Deze daad van Indra had plaats lang voor de tijd van de componisten van de Rigvedische hymnen, want ze beschrijven het als de eerste daad van Indra, die werd geprezen door de Ariërs in vroegere tijden, evenals in de tijd van de huidige zangers. De allereerste Sukta van de eerste mandal van Rigveda zegt in Richa 2: “Waardig is Agni om te worden geprezen door levende als bij oeroude zieners.”

Dus deze tradities neergelegd in de hymnen zijn oeroude tradities doorgegeven van vader op zoon, die ze hoorde. Dit is waarom ze Shruti’s worden genoemd of zij, die werden gehoord (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Shruti).

In 10:72:1 refereert de vroege Rishi aan de Sukta, die hij componeerde, dat deze werd gezongen in een latere tijd.

Laten we met melodievolle vaardigheid
deze generaties van de Goden proclameren,
opdat men hen moge zien
wanneer deze hymnen worden gezongen in een toekomstige tijd.

Volgens Singhal wordt bedoeld met “hen moge zien”: zodat mensen hen gemakkelijk kunnen herkennen in natuurlijke fenomenen.

Vervolgens is er de zeer belangrijke Sukta 1:32, die het verdiend uitgebreider geciteerd te worden:

Ik zal verklaren de mannelijke daden van Indra,
de eerste, die hij volbracht, de bliksemslingeraar.
Hij doodde de Draak, ontsloot toen het water,
en kliefde de kanalen van de bergstromen.

Hij doodde de Draak liggend op de berg:
zijn hemelse pijl der donder maakte Tvașțar.
Als loeiende runderen in snelle stroom afdalend
gleden de wateren neerwaarts naar de oceaan.

11.
Bewaakt door Ahi stonden de slaven der Dasa’s
de wateren bleven als runderen vastgehouden door de rover.
Maar hij, toen hij Vritra had doodgeslagen, opende de grot
waarin de vloeden opgesloten waren geweest.

12
(…)
Gij hebt de runderen teruggewonnen, hebt het Soma gewonnen;
gij hebt de Zeven Rivieren losgelaten om te stromen.

Dit is een zeer belangrijke Sukta. Het presenteert zelfs de stichting van het land van Sapta-Sindhu zelf. De wateren, vergaard in het meer, worden bevrijd, doordat de bergen werden doorsneden met kanalen en zeven rivieren lieten ze wegstromen naar de oceaan. Deze rivieren bewaterden toen het land beneden en voorbij het Kasjmir gebied en produceerden de vruchtbare vlaktes van Sapta-Sindhu. Het schijnt, dat hiervoor daar de eerste Ariërs leefden op de voetheuvels van Hindukush en in de Pamir gebergten, afgesneden van Kasjmir, terwijl in Kasjmir de Dasyu mensen van Ahi origine leefden, waarvan de leider Vritra was. Ten noorden van de Himalaya bestond de grote Tethys zee, die gradueel in omvang afnam toen achtereenvolgende bewegingen van de aardkorst het niveau van het land in China en Tibet verhoogde. Deze beweging was intenser in Tibet. Terwijl het land in China droog werd, Tibet een hoogland of plateau. Dit is waarom Tibets originele naam Trivishtap is of de “driemaal gevouwen”. Tibet grenst aan Kasjmir en deze bewegingen hadden ook invloed op Kasjmir, het niveau ervan eveneens verhogend. Toen stroomden de wateren van het meer eruit, bergbarrières werden doorbroken en de Naga’s, die daar leefden, werden gedood tijdens deze natuurlijke omwenteling. Deze ging vergezeld van hevige regens en aardbevingen. Dit is waarom de Natuurlijke kracht, die dit alles veroorzaakte, Indra met de dondersteen werd, de God van de wolken en Koning van alle goden [deze Natuurlijke kracht is Venus, die langskomt over Tibet en het hele gebied omhoog trekt]. En toen deze verandering plaats had gehad, kwamen de Ariërs neer van de voetheuvels en vestigden agrarische gemeenschappen in dit nieuw geschapen Sapta-Sindhu, dat groter werd tegen de tijd van de 10de Mandal van Rigveda. Toen hadden nieuwe rivieren zich ook gevoegd bij de Sindhu rivier vanuit het westen en Gandhar was een deel van Sapta-Sindhu geworden [zie https://en.wikipedia.org/wiki/Gandhara] . Gandharva’s zijn welbekend aan Rigveda. Zij worden beschouwd als gezagsgetrouwe muziekminnende goddelijke mensen met wet en orde heersend in hun land [zie in https://en.wikipedia.org/wiki/Gandhara#Mahajanapada en verder https://en.wikipedia.org/wiki/Gandharva; zie ook https://en.wikipedia.org/wiki/Gandharv en https://en.wikipedia.org/wiki/Gandarbha]. Daarom worden in Sukta 10:75 veel meer dan zeven rivieren genoemd.

Dat bergen daadwerkelijk werden gebroken tijdens dit proces, wordt duidelijk getoond in een andere sukta, 5:32, waarin richa 1 wordt gezegd:

Gij, Indra, de grote berg openleggend,
liet, de Danava dodend, de stortvloeden los.

Maar het is aangetoond, dat deze Vritra werd gedood in het land Kasjmir. Deze identificatie wordt gemaakt via Bheda en Barah, gegeven in de reeds verhaalde geschiedenis van Kasjmir. In 7:83:4 wordt gezegd:

Met je onweerstaanbare wapens, Indra, Varuna,
veroverde gij Bheda en gaf ge Sudas je hulp.
Een van jullie twee [dat is Indra] vernietigt de Vritra’s in de strijd,
de ander [= Varuna] handhaaft voor immer zijn heilige wetten.

Sudas is een koning, die vaak voorkomt in de Rigveda en aan zijn hof worden de rivaliserende Rishi’s Vasishtha en Viswamitra voorgesteld als levend. Hij was beroemd om zijn offerandes (Dowson, 306)

Het is significant, dat deze nederlaag van Bheda plaats heeft op de oever van de rivier Yamuna. In de geschiedenis van Kasjmir wordt gesteld, dat Saraswati en Yamuna bij elkaar in de buurt waren, zodat later de wateren van Saraswati werden getrokken in Yamuna vanwege aardbewegingen. Saraswati droogde op en werd de huidige Ghaggar rivier van oost Punjab, die nu verdwijnt in de Rajputana woestijn. In 7:18:18-19, gezongen om Indra te prijzen, wordt gezegd:

Aan u hebben al uw vijanden zich onderworpen,
zelfs de woeste Bheda hebt gij uw onderdaan gemaakt.
Werp neer uw scherpgemaakte bliksem, o Indra,
op hem die de mensen die uw lof zingen schaden.

Yamuna en de Tritsu’s hielpen Indra.
Daar nam hij Bheda al zijn schatten af.
De Aja’s en de Sigru’s en de Yakshu’s
brachten in naar hem als tribuut paardenhoofden.

De Yaksha mensen worden gezegd te leven op de berg Kailash ten oosten van Kasjmir. Shiva, naar zijn vrouw Sati werd het land Kasjmir origineel Satisar genoemd, het wordt Yaksharaj genoemd in Kashikhand van Suryapurana door Agastya Rishi. Bovendien wordt van een andere niet Arische stam verslagen op de oever van een andere Kasjmir rivier Parushni (Ravi) gezegd Siva’s te zijn in richa 7 van deze zelfde sukta. Duidelijk daarom is deze Bheda waarschijnlijk de koning van de mensen, die leefden op de berg Bheda en vernietiging leden in de cataclysme, die resulteerde in het leegstromen van het Kasjmir meer of werd gedood door koning Sudas met de hulp van Indra.

In richa 1:121:11b wordt Vritra, gedood door Indra, specifiek Ever genoemd:

Vritra, de ever, die lag te midden van de wateren,
veroordeelde gij tot slaap met uw machtige donder.

Dus wie is deze Indra, die zo’n machtige daad verricht, bergen breekt, een grot meer ledigt, rivieren schept en een nieuw land van Sapta-Sindhu vestigt? Was hij een machtige koning, een menselijk wezen? Nee, hij representeert de Hoogste kracht van Natuur, gerepresenteerd niet alleen door Indra, maar ook door andere goden [ook door demonen als Vritra!]. We hebben hierboven gezien, dat in sukta 7:83 van zowel Indra als Varuna wordt gezegd Bheda te hebben veroverd. Er is een andere god Trita, die Vritra doodt, en ook hier wordt Vritra een Ever genoemd. De Rishi zegt in richa 10:99:6, gericht aan Indra, zijn vernietiging van Vritra en andere demonen prijzend:

Heer van de woning, hij bedwong de demon
die luid brulde, zesogig en driehoofdig.
Trita, sterker gemaakt door de macht, die hij hem leende,
sloeg de ever neer met schacht, waarvan de punt van ijzer was.

Deze tekst bevestigt, dat de plaats van de uitstroom Barahmula is of de verblijfplaats van de Ever Vritra. In een andere sukta (10:8) wordt in richa 8b gezegd:

Toen doodde Trita de vijand zevenstralig, driehoofdig,
en bevrijdde het vee van de zoon van Tvashtar.

In richa 1:187:1 wordt de naam van Vritra, die gedood wordt door Trita, speciaal vermeld:

Nu zal ik Voedsel verheerlijken,
dat grote kracht ondersteunt.
Door die versterkende kracht
verscheurde Trita Vritra lid voor lid.

Het verhaal van Trita, die de draak Vritra doodde, is ook te vinden in Zendavesta 1:18, zoals we hebben gezien. Trita is daar Throtain geworden. Trita wordt gezegd de kracht der Natuur te representeren, de zoon van Tvashtar, die ook gezegd wordt de vader van Indra te zijn. Tvashtar wordt gezegd de ontwerper en maker te zijn van Indra’s bliksemflits en andere instrumenten der goden (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Tvastar).

Naast Varuna, Trita en Indra is er een ander stel goden, die gezegd worden de eer te delen in het doden van Vritra met Indra, namelijk de Maruts. In 1:23:8-9 wordt gezegd:

Goden, Marut bendes, die Indra leidt,
uitdelers van Pushans geschenken,
Luistert gij allen naar mijn roep.

Met veroverende Indra als bondgenoot,
Sla Vritra neer, gij weldadige goden:
Laat niet de bozen ons overmeesteren.

Het kan gemakkelijk worden voorgesteld, dat toen de bewegingen van de aardkorst het uitstromen van de wateren uit het Kasjmir meer  veroorzaakten, zware aardbevingen, hevige regens, bliksems (donderslagen) vergezeld moeten zijn gegaan met stormachtige winden. De associatie van Maruts, zoals gegeven in deze sukta, toont, dat het doden van Vritra de natuurlijke gebeurtenis van het openen van Kasjmir door natuurlijke opschuddingen representeerde, maar het feit, dat de namen van Vritra, zijn moeder en gezellen worden gegeven, toont, dat de Ariërs persoonlijk bekend met hen waren en met de stam, die het gebied van Kasjmir toentertijd bezetten.

Het schijnt, dat de Rigvedische Ariërs geen naam gaven aan het land Kasjmir. Voor hen was het het land van Dasyu’s, die vaak uit hun bergforten kwamen om de beschaafde Ariërs, die onder de Kasjmir bergen woonden, lastig te vallen en te beroven. De Ariërs zelf schijnen te zijn verrezen als homo sapiens en hun cultuur intensief te hebben ontwikkeld in de voetheuvels  en de nauwe vlakten beschikbaar onder deze gebergten van Kasjmir en van Hindukush, zelfs zo zeer, dat zij al deze natuurlijke gebeurtenissen konden observeren en traditionele verslagen daarvan voor hun afstammelingen nalaten. Maar zeer veel later toen de verering van de God Shiva was geassimileerd in de Arische cultuur vanuit de Harappan cultuur, toen werd dit verhaal van Rigveda zelfs niet begrepen en toen de Puranische leende van de strijd van Indra en Vritra-sur werd geformuleerd, zoals er zovele andere waren, op de basis van enige Rigvedische verslagen van natuurlijke fenomenen. En toen werd het verhaal geconstrueerd van Kasjmir als het meer van Sati, vrouw van Shiva, die resideerde op Kailash. Toen kon de draak van het Kasjmir meer niet zijn van het Naga ras, die onder de patronage van Heer Shiva waren. Daarom kwam een nieuwe demon, Jalodbhava, die werd verondersteld te hebben geleefd in het meer en het land er omheen te hebben verwoest, ten tonele. Voordeel werd gemaakt van de wijze Kashyapa, die de traditionele voorvader van alle rassen op aarde was geworden; en hij kreeg de vallei van Kasjmir gebroken. Vanwege deze gebeurtenis werd het Satisar Kashyapasar en werd in de loop der tijden Kasjmir. Aldus is het verhaal van Kasjmir.

Maar het toont, dat de Ariërs getuige waren van de opening van Kasjmir en het uitstromen van de rivieren door het breken van de Pir Panjal en Bara Lacha bergketens om het land van Sapta-Sindhu te vormen. Het neigt twee belangrijke feiten te bewijzen. Het ene is, dat Ariërs aanwezig waren in Sapta-Sindhu vanaf het eerste begin. Ze waren getuige van de daadwerkelijke formatie en ontwikkeling van het land en konden dus niet zijn gekomen van buitenaf. Wanneer enige sporen van de kennis van enig ander land te vinden is in de Rigveda, dan moeten ze zijn van sommige reizigers of bezoekers. Dit is ook de reden waarom de herinneringen aan enig ander land inderdaad niet te vinden zijn in de Rigveda.

Het tweede punt is, dat het de controverse zou moeten bijleggen, of homo sapiens ontwikkelde op één plek op de globe of op verschillende plaatsen, maar onder vergelijkbare condities. Het is duidelijk, dat zelfs in deze vroege periode het verschil tussen Ariërs en niet Ariërs bestond. Duidelijk moeten de niet Ariërs elders zijn verrezen en moeten naar Kasjmir zijn gekomen vanuit de zuidoost hoek van de bergen, waar de Himalaya niet zo hoog was en zich waarschijnlijk een breuklijn bevond.

Een derde punt is, dat het toont, dat er Ariërs met een voldoende gevorderde cultuur bestonden toen het Kasjmir meer voor het eerst openging. Wanneer had deze gebeurtenis plaats? Het is zeer moeilijk deze tijd vast te stellen. Het strekt zich uit tot geologische perioden. In ieder geval kan worden gezegd, dat het was vóór de laatste Grote Vloed, toen de rest van de Tethys zee neerstroomden en delen van het Lemuria continent onderdompelden om de Arabische zee en Golf van Bengalen te vormen, verbonden met de Indische oceaan. Maar dit zou gaan om honderdduizenden jaren. Velen zouden twijfelen, of menselijk leven kon bestaan in zo’n ver verwijderde periode in Kasjmir of Sapta-Sindhu, maar de gedetailleerde beschrijvingen van deze gebeurtenissen bewijzen, dat dit het geval was. Dit is het zwakke punt in Singhals redenering. Het bewijst daarentegen, dat de gebeurtenissen niet plaats hadden in een ver verwijderde periode, maar recent waren en plaats hadden in een historische periode, naar mijn idee in 1500 voor Christus, tegelijk met de uittocht uit Egypte.

Sommigen kunnen zeggen, dat de Rigvedische Ariërs niet daadwerkelijk getuige waren van de opening van het Kasjmir meer , maar dit concludeerden door hun onderzoek op een veel later tijdstip, net als geologen de theorieën van de bewegingen van de aardkorst in vroegere tijden hebben opgebouwd. Zelfs dan, naast het feit, dat het een hoogontwikkelde wetenschappelijke houding en onderzoekscapaciteit in Rigvedische Ariërs toestaat, toont het tenminste, dat zij de opbouw van hun land door natuurlijke kracht stelden en henzelf niet beschouwden als komend van buitenaf.

Bovendien stellen hun uitspraken over het gevecht met Bheda, Siva’s, Aja’s, Sigru’s en Yaksha’s op de oever van Yamuna met Sudas, hun koning, geholpen door Indra, duidelijk de tijd vast, toen de Ariërs zelf aanwezig waren in de buurt van Kasjmir. Het is mogelijk, dat de huidige hymnen van dit verhaal niet in hun oorspronkelijke vorm zijn. Maar ze beschrijven wel deze gebeurtenis van een zeer oude traditie. Het probleem van de lange tijd verdwijnt met een Velikovskiaanse benadering.

Archeologisch Bewijs van de Vroegste Periode

Hier is archeologie, plotseling ons onverwacht en wonderlijk te hulp gekomen. Het geval is, dat een korte notitie over de ideeën van de schrijver van deze regels, werd voorgelegd aan het Archeologische Departement van de Regering van India voor commentaar. Hun belangrijkste kritiek was: “voor zover we weten was er nauwelijks enige menselijke bewoning in het Sapta-Sindhu gebied in de tijd van Tethys zee. Het vroegste bewijs van menselijke bewoning in noordwest India is de vorm van Vroege Steentijd gereedschappen van het Sohan type ,hetgeen in geen geval gedateerd kan worden vóór het begin van het Pleistoceen en hebben daarom niets van doen met Tethys zee. Maar zekerlijk representeren deze Vroege Steentijd gereedschappen niet de cultuur, zelfs volgens Dr. Singhal, van de Rigvedische Ariërs.”

Dit zette de schrijver aan tot een nieuwe speurtocht, namelijk of er enig Steentijd volk was in Rigvedische tijden. Er waren de Dasyu’s en de Dasa’s, maar wat was hun cultuur? Dit onderzoek onthulde een verbazingwekkend feit. In sukta 5:29 doodt Indra de Draak Vritra en laat de rivieren los in richa’s 2 tot 4, dan vernietigt hij de 99 kastelen van de Draak in richa 6 en dan doodt Indra de overgebleven ‘neusloze’ Dasyu’s in richa 10, die zegt:

Gij doodde neusloze Dasyu’s met uw wapen,
en wierp in hun woning vijandige sprekers omver.

Dus Indra doodde deze ‘neusloze’ Dasyu’s of stompneuzigen en overwon de lasteraars (vijandige sprekers) van Indra in hun huizen zelf of de Kasjmir vallei. ‘Anasa’ kan ook ‘mondloos’ betekenen in de zin van ‘een plat gezicht hebbend’. Sommigen beschouwen het ook stemloos te betekenen of zonder begrijpbare spraak. Hoe dan ook, het beduidt wezens met zeer primitieve cultuur (en niet volledig ontwikkelde Homo Sapiens) of mensen van vroege Steentijd. En hun gereedschappen worden gezegd te zijn ontdekt in de vallei van de rivier Sohan in het Poonch gebied in Kasjmir. Deze mensen worden gedateerd niet vóór het begin van het Pleistoceen te zijn, die zo’n 600.000 jaar geleden begon [zie Franklin Southworth, Linguistic Archaeology of South Asia, 2004:61 note 26: a-nas = neusloos; an-as = mondloos].

Dat zulke primitieve mensen bestonden in de Kasjmir vallei wordt aangeduid door een sukta 5:45, waarvan richa 6 zegt:

Kom, laten we uitvoeren, o vrienden,
het doel waarmee de moeder de koeienstal opengooide.
Dat waarmee Manu Visisipra overwon,
waarmee de zwervende koopman hemels water verkreeg.

Griffith zegt in een noot: “Visisipra: wat mogelijk kaaklos of kinloos betekent kan zoals Sayan zegt Vritra zijn.”

De scene is weer geplaatst in Kasjmir, waar de koeienstal werd geopend en de rivierwateren werden losgelaten. Maar hier is het niet Indra, die het doet, maar “moeder” of Natuur of Aarde, die het gebeuren te weeg brengt. Dit versterkt het argument, dat de opening van Kasjmir een natuurlijk gebeuren was te weeg gebracht door de beweging van de aardkorst.

En toen deze Dasyu’s, die “kaakloos” of “kinloos” zijn, werden veroverd door Manu of de Arische leider en hun tevoren gepleegde lastig vallen ophield, werden ze nu tot beschaafde mensen gemaakt. Hoe dan ook, het woord Visisipra is significant en duidt op hun primitieve of Vroege Steentijd cultuur.

Dit wordt verder bevestigd door het gebruik van het woord grotbewoner voor Vritra en zijn vriend Dasyus in 1:33:12. Deze richa zegt:

Indra brak door Ilibisha’s sterke kastelen,
en Sushma met zijn hoorn sneed hij aan stukken
[zie https://www.wisdomlib.org/definition/ilibisha en https://www.wisdomlib.org/definition/shushma].

Het gebruik van dit woord toont afdoende aan, dat deze Dasyu’s Steentijd grotbewoners waren. Het woord kasteel of fort hier wil slechts zeggen hun ‘bolwerken’. Deze referenties aan hen in Rigveda bewijzen duidelijk, dat de Rigvedische Ariërs hun tijdgenoten waren. En als hun overblijfselen 600.000 jaar geleden gedateerd worden, dan behoren hun Rigvedische tijdgenoten tot dezelfde tijd [ook hier geldt: verwijderen we de 600.000 jaar, dan is het probleem verdwenen].

Een andere archeoloog prof. Stuart Pigott spreekt ook over Soan cultuur als de vroegste in India. Met Soan bedoelt hij duidelijk dezelfde, die boven is aangeduid als Sohan cultuur. Op pagina 29 van zijn welbekende boek Prehistoric India (Pelican 1950) zegt hij: “De Indiase vuursteennijverheid staat bekend als de Pre-Soan nijverheid om de chronologische positie ervan vóór de hoofdserie van lager Paleolitische culturen in de vallei van de Soan rivier, een zijtak van de Indus in de Potwar regio van de Punjab, aan te duiden. Deze vroege vuursteengereedschappen hebben geen nabije verwanten in andere Aziatische culturen, voor zover als die thans bekend zijn.”

Deze vroegste aanwijzingen van gereedschapmakende mensen in Pleistoceen India schijnt te zijn in de laatste fase van de tweede IJstijd of aan het begin van de tweede  (Grote) Interglaciale periode. In de afzettingen van deze geologische tijd zijn grote ruwe vuursteengereedschappen gevonden en zouden behoren tot het eind zelf van de Lagere Pleistoceen fase.”

Het zal passend zijn om eerst te handelen met die gereedschappen, die vallen binnen de vuursteen (of vuistbijl) familie, die in India, voor zover thans bekend, beperkt zijn tot een serie lokaliteiten in de vallei van de Soan, en de Indus, in Poonch, nabij Jhelum en in de Salt Range. Deze industrie, die verdeeld kan worden in drie fasen, is Soan cultuur genaamd.”

Vroege Soan is hoofdzakelijk van vroege middel Pleistoceen, binnen de tweede Interglaciale periode en, gedateerd met de zonneradiatie methode, tussen ca. 400.000 en 200.000 jaar geleden.” In Rigveda ook, naast de Dasyu’s van de Kasjmir vallei (of de Soan vallei) zijn er ook Dasyu’s in andere, nabije regio’s, dat wil zeggen Pipru, Sambar en Arbud in 1:51 of Mrigaya in 4:16:13 of de Paktha’s nabij de Parushni (Ravi) in 7:18:7, die ook ‘brabbelaars’ worden genoemd in dezelfde sukta, dat wil zeggen iemand met onduidelijke spraak. Volgens deze vondst zouden ook de gelijktijdige Ariërs minstens evenveel jaren oud moeten zijn.

In richa 10:87:2 wordt van een ander volk genaamd Muradeva gezegd, dat ze ‘rauw vlees eters’ zijn:

Grijp met uw tong de vereerders van dwaze goden:
verscheur, stop in uw mond de rauw vlees eters.

Duidelijk aten deze Muradeva’s niet alleen rauw vlees, maar vereerden ook niet Arische goden van destructie, zoals animistische Steentijd mensen kunnen doen. Al deze feiten tonen hun kennis van Steentijd mensen duidelijk [voor Muradeva, zie Southworth 2004, 57: worshippers of dummy gods; i.e. idol worshippers, see Heinrich von Stietencron, Hindu Myth, Hindu History, Religion, Art, and Politics, 2005, 53 n. 3].

Zelfs vandaag gelijktijdig met zulke hoogontwikkelde beschavingen als van Amerika, Europa en Azië bestaan op plaatsen Steentijdmensen, zoals de Australische Aboriginals en sommige Papoea stammen. In het land van de apostel van geweldloosheid Mahatma Gandhi leefden ook enige koppensnellerstammen. Zij worden gezegd nog steeds te bestaan op Borneo en in bepaalde gebieden van de Filippijnen.  Waarom dan zou het beschouwd worden als onmogelijk voor een hoog spiritueel en beschaafd volk als de Rigvedische Ariërs te bestaan als contemporain met Steentijd Dasyu’s? Wanneer inderdaad duidelijk bewijs daarvan tevoorschijn komt, kan dit feit niet ontkend worden. Het kan een schok geven aan onze vooroordelen, maar wetenschappelijke geest vereist de acceptatie van de waarheid, hoe onverteerbaar of vreemd deze ook lijkt te zijn.

Het is geheel begrijpelijk, dat stenen werktuigen van deze Steentijd mensen nog steeds worden gevonden, maar geen overblijfselen van de Rigvedische Ariërs zijn ontdekt door archeologen in Sapta-Sindhu. De Ariërs begroeven hun doden niet, noch bouwden ze enorme stenen paleizen of monumenten. Dit werd hen waarschijnlijk opgelegd door natuurlijke oorzaken. Ze leefden in een klein land, aan drie kanten begrensd door de zee en aan de vierde door bergen. Ze konden zich niet veroorloven landruimte te verspillen aan begravingen. En vervolgens maakten waarschijnlijk de hygiënische consequenties van crematie het een permanente praktijk bij de hoogbeschaafde Ariërs, zodat zelfs toen ze enorme ruimtes van de vlaktes verwierven de praktijk werd gehandhaafd. Inderdaad toen nieuwe volken gearianiseerd werden of geassimileerd in de Arische cultuur, adopteerden zij ook deze gezonde gewoonte. Eveneens hadden ze geen gelegenheid om grote tempels of monumenten te bouwen. Zo laat als in de tijd van Mahabharata, ongeveer 5.000 jaar geleden [een zeer overdreven getal: deel door 2], toen een paleis werd gebouwd voor de keizer Yudhister, werd het niet gedaan door de Arische architect, maar door de Maya Danava, een volk beroemd om enorme stenen architectuur [zie https://en.wikipedia.org/wiki/Yudhishthira evenals https://en.wikipedia.org/wiki/Mayasura]. Toen leefden de Rigvedische Ariërs in een land doorsneden door grote rivieren en waren een volk niet veroverd door andere indringers in die oeroude rijden. Daarom kon er geen enkele serie lagen van dorpsvestigingen zijn, waarin aardewerk werd begraven, noch van forten, gebouwd van steen.

Een paar jaar geleden werden opgravingen gedaan in de Hastinapur site in Meerut district in U.P. door de Indiase Archeologische Departement onder de supervisie van Shri B.B. Lal, die een tijd ervoor een team had geleid voor opgraving van bepaalde sites in Soedan. Het volledige rapport werd gepubliceerd in ‘Ancient India’ nr. 10-11. Een kort rapport werd gepubliceerd in de ‘Hindustan Times of New Dehli’ van 2-12-1962 ook door Mr. S.G. Lal. Hij zegt: “Een opgraving van de meeste sites vermeld in de Mahabharata onthulde hetzelfde soort aardewerk, hetgeen duidelijk de gemeenschappelijke cultuur van al deze sites aantoont. Dit aardewerk is genaamd Painted Grey Ware – gevonden te Barnava, Meerut District,  Indrapet, Tilpat, Ban Indrapat, Baghpat, Panipat en Sonepat.” Dit waren de vijf dorpen, verzocht door de Pandava’s om oorlog te vermijden. Dit aardewerk is ook gevonden rond Kurukshetra, Kausambi naast de site van Hastinapur. De opgravingen tonen, dat de mensen van deze dagen “een eenvoudig leven leefden. Geen reguliere huisplattegronden zijn verkregen en muren, blootgelegd tijdens opgravingen, bleken te zijn van hoofdzakelijk modder of modderbakstenen.” Dit is de conditie van de Ariërs van de Mahabharata tijd. Hoe dan kunnen we verwachten enige monumentale overblijfselen te vinden van de Ariërs van Rigvedische tijden in Sapta-Sindhu?

Nog steeds wordt op basis van de tot zo ver verkregen kennis gerapporteerd, dat Mr. B.B. Lal, de opgraver, heeft gezegd: “De sites van Hastinapur, Mathura, Kurukshetra, Barnava, etc., zijn te identificeren met die met dezelfde naam in de Mahabharata.” En de directeur generaal van archeologie wordt gerapporteerd gezegd te hebben: “Hastinapur, de befaamde hoofdstad van de Kaurava’s, bleek te zijn bewoond door een volk, waarvan specifieke keramiek het geschilderde Grey Ware was in een periode, die ruwweg overeen kan komen met de datum van het origine van de nucleus van de Mahabharata.”

Dit is om zo te zeggen de laatste periode van Ariërs, die zo wonderbaarlijk is bevestigd door archeologie. De datum ervan is zeer conservatief vastgesteld als rond 1.500 voor Christus [in Velikovskiaanse revisie komt dit neer op 1.000-750 vor Christus]. Maar nu is houtskool van de site aan het Tata laboratorium gegeven voor koolstofdatering en het is waarschijnlijk, dat de traditionele datum van Mahabharata zijnde gebeurd 5.000 jaar geleden zal worden bevestigd.

Op de basis van de archeologische vondsten van Steentijdmensen in Kasjmir en hun corresponderende verslagen in Rigveda, zoals beschreven in het bovenstaande, hetgeen niet kan worden betwijfeld, hoewel nu geen overblijfselen van Ariërs levend in de huizen van moddermuren zijn verkregen na zo’n groot tijdsverloop, kan toch het gelijktijdige bestaan van Rigveda Ariërs niet kan worden ontkend. Is Rigveda zelf niet een meer betrouwbaar ‘restant’ van dit oeroude volk, een bewijs, dat niet kan worden weggespoeld door vloeden of rivieren, dat niet kon worden vernietigd door barbaarse indringers of door verloop van tijd of onderdrukt door tirannen of vreemde vijanden, niet zijnde geschreven volumes in bibliotheken, die zouden kunnen worden verbrand, maar overgeleverd van vader op zoon of leraar aan leerlingen, opgeslagen in het brein door een volk met een wonderlijk geheugen? Waarlijk deze wonderbare daad van Vedische geleerden verdient betere erkenning dan een haastige en terloopse hoofdknik in ongeïnformeerd ongeloof. En terechte erkenning zal zeker komen, want waarheid kan niet voor immer verborgen zijn.

Ontwikkeling van Taal in Rigveda

Maar een gewaardeerde vriend, een Vedische geleerde en welbekend student van de Vedische taal merkte op, dat hij in zijn studies had bevonden, dat de Vedische taal niet ouder kon zijn dan ongeveer 10.000 jaar [zelfs dat is veel te hoog in mijn idee], en hij kon zich niet voorstellen wat de taalvorm was honderden eeuwen geleden. Dit is echter geen overkomelijke moeilijkheid. Volgens Singhal werd de taal steeds aangepast, maar dat gaat in tegen de traditie van zuivere overlevering, die door hem hier overboord wordt gegooid om de honderden eeuwen van overlevering te verantwoorden.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-1-introductie/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-2-de-tethys-zee/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-3-de-vloed-van-manu-en-aryanam-veijo/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-4-wie-waren-de-devatas/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-5-internationaal-toneel-in-rewat-mantavar-en-rishi-narad/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-6-verspreiding-van-heliolitische-cultuur/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-7-de-splitsing-tussen-indische-en-perzische-ariers/

2 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (9): Het vraagstuk van de Tethys Zee | Rob Scholte Museum
  2. Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (10): De Zeven Patala’s + Manu in the Bible and the History of Mankind + FIVE FLOOD STORIES YOU DIDN’T KNOW ABOUT | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*