Ron Rijghard – De geboorte van een vrolijker poëzie: Hoe de Maximalen de Nederlandse poëzie veranderden

Twintig jaar geleden verscheen de bloemlezing Maximaal, met de roep om vernieuwing in een versteend poëtisch landschap. Dat had effect. ‘Er ontstond een nieuw soort sensibiliteit bij publiek en uitgevers.’

Voor ik debuteerde in 1998 kreeg ik geen poot aan de grond bij de literaire tijdschriften. Niemand wilde een gedicht van mij plaatsen. De tijdschriften werden nog gedomineerd door de lichting wit schrijvers en imitatie Kouwenaars, die Joost Zwagerman tien jaar eerder zo had beschimpt. Zelfs mijn eigen redacteur, die mijn bundel wilde uitbrengen, deed dat deels bij wijze van excentriciteit. Omdat hij ook het gevoel had, dat het eigenlijk niet kon. Dat maakte het extra leuk dat ik meteen de C. Buddingh prijs won.

Aldus Ilja Pfeijffer, terugkijkend op het literaire klimaat eind jaren negentig. Hij zag rond zijn debuut nog dezelfde obstakels als tien jaar eerder de dichtersgroep De Maximalen. Hun luidruchtige optreden was voorafgegaan door een bijtende analyse van Joost Zwagerman. Als nog zeer jonge schrijver publiceerde hij in november 1987 een controversieel polemisch artikel, getiteld ‘Het juk van het grote niets’, waarin hij zijn gram spuwde over de bloedeloze navolgers van Kouwenaar en Faverey, die in de Nederlandse poëzie de overhand hadden. Wat hij miste was zin voor avontuur en de exuberantie van Lucebert.

Vervolgens verscheen in mei 1988 de bloemlezing Maximaal, met elf nieuwe, jonge dichters en een voorwoord van samensteller Arthur Lava, die betoogde, dat het tijd was om ‘de bedlegerige muze’ met een ‘maximale tongzoen’ tot leven te kussen. De Maximalen wilden de vastgeroeste poëzie openbreken met hun ‘voorliefde voor beweging’ en ‘hang naar het extraverte’. Lava had wel een idee hoe de poëzie zou moeten zijn: ‘Een poëzie met schwung, die het burleske noch de onthechting schuwt. Een poëzie, die over de rand van bezonkenheid heen kijkt, en roept kiekeboe, of nog erger. Spot noch zelfspot zijn haar vreemd.’ De bloemlezing beoogde een ‘reanimatie’ te zijn – van het experiment en durf in de poëzie.

Maar goede gedichten lieten zich niet ogenblikkelijk afdwingen. Het eerste wat tot leven werd gewekt was een ouderwetse literaire rel. De felheid, waarmee de Maximalen zich manifesteerden, stuitte op scepsis en afkeer bij schrijvers en recensenten. De heftige vijandigheden overheersten het inhoudelijke debat. Dat is ook blijven hangen. Een paar jaar geleden beoordeelde Thomas Vaessens, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, het optreden van de Maximalen in een artikel zelfs als weinig meer dan een publiciteitsstunt. Wat hem betreft, wekte het optreden van de Maximalen ‘toch vooral de indruk van een ritueel spel zonder werkelijke inzet’.

Dat doet vreemd aan. De stukken van Zwagerman en Lava hadden toch als inzet de dominantie van een bloedeloos geachte poëzie te bestrijden en te pleiten voor aandacht voor een andere poëzie. Was hun kritiek onterecht? Wezen zij alleen voor eigen gewin naar de versteendheid in de Nederlandse poëzie van de jaren tachtig? Zwagerman houdt desgevraagd vol van niet. Hij zegt: ‘Sommige dichters van nu kunnen het zich niet meer voorstellen hoe het was. Die hebben zo’n vaag idee van de Maximalen als ordeverstoorders en leeghoofden. Maar er heerste in de jaren tachtig een enorme schraalheid en eenvormigheid. Het straatrumoer moest weer terug de poëzie in, niet alleen in het proza.’ Hij noemt zijn roep om verandering ‘niet zo wereldschokkend’. Toch was toen de wereld te klein. Zwagerman: ‘Eddy van Vliet vertelde me eens, dat Rutger Kopland groen en geel zag van ergernis bij een gesprek over mijn artikel. De emotionele ontvangst van mijn stuk toont hoe claustrofobisch het wereldje was.

Maximalen toen

De bundel Maximaal werd op 24 mei 1988 gepresenteerd in de Amsterdamse discotheek Roxy. Het was de enige keer, dat alle elf dichters uit de bundel bijeen waren. Speciale gast die avond was William Burroughs. Pieter Boskma: ‘De oude beatdichter zat er wat somber in zijn whisky te staren. Ik vroeg hem: “Do you want some ice in your whisky, mister Burroughs?” Nou dat wilde hij wel. Dat ik dat mocht doen, was het hoogtepunt van de Maximalen.

Een beruchte gebeurtenis is het vis gooien over Michaël Zeeman. Zeeman was in ’88 recensent bij de Leeuwarder Courant. In een stuk had hij de poëzie van de Maximalen vergeleken met een tobbe rotte vis. Boskma: ‘Iedereen was woest over dat artikel. Maar ik moet eerlijk zeggen: het is een schitterend stuk, heel geestig. Dalstra en ik konden er wel om lachen, ook omdat we allebei uit Friesland komen. We hadden sympathie voor die krant. Maar op een avond in Delft is toen het plan opgevat, ik meen door Arthur Lava, om Zeeman met gelijke munt terug te betalen. Lava kocht op de visafslag verse kabeljauw, geen rotte vis, en goot die uit een vuilniszak over Zeeman heen. Dat ging half mis, het hele podium lag onder de vis. Ik moest daarna optreden en trapte een vis weg. Dat deed ik iets te hard, waardoor de vis van het podium vloog, recht tegen iemand van de organisatie. Dat was echt per ongeluk, maar het was de druppel, en toen werd het vechten. Het liep uit de hand. Niet leuk. Daarna konden de Maximalen geen goed meer doen. Ach, de futuristen bliezen gebouwen op. Wat wij deden was kwajongens gedoe.

De Maximalen fungeerden als een breekijzer, kun je achteraf stellen. De ervaringen van Pfeijffer tien jaar later sterken Zwagerman in die gedachte. ‘Ik wist niet, dat tijdschriften niets van Pfeijffer wilde weten. Maar het onderstreept nog maar eens hoe langzaam de literaire wereld vernieuwingen toestond.’

Inmiddels, in 2008, is er veel meer veranderd, constateert hij: ‘Het is nu niet noodzakelijk meer om een groep te formeren rond de ideeën van de Maximalen. Het zou ook niet onderscheidend zijn, omdat het poëzielandschap al zo veelvormig is. Dat is een ongelofelijke winst ten opzichte van de jaren tachtig en negentig.

Wat Zwagerman betreft was de poëzie van Pfeijffer een tweede startmoment in de reanimatie van de poëzie. ‘Het debuut van Pfeijffer was Maximaler dan de Maximalen. Zonder hem te willen annexeren, hij staat een poëtica voor en bepleit een poëzie, waarvan ik denk: het is, alsof ik de maximalen hoor spreken en pleiten.

De omstandigheden rond Pfeijffers debuut zijn maar een deel van het verhaal. In datzelfde 1998 formuleerde Rob Schouten voorzichtig al een positieve tendens naar aanleiding van het optreden van de Maximalen. In een artikel in Ons Erfdeel schreef Schouten: ‘Achteraf kun je vaststellen, dat deze Maximalen, ondanks hun twijfelachtige kreten om vernieuwing, toch niet voor niets hebben geleefd. Of liever gezegd, ze gaven toentertijd stem aan een onrust, die inmiddels weerklank heeft gevonden.’ Hij stelt: ‘K. Michel, Arjen Duinker, Elma van Haren, Nachoem Wijnberg en Tonnus Oosterhoff, om ons voorlopig tot de voornaamste namen te beperken, hebben wel degelijk geprofiteerd van het klimaat, waarin de roep om meer leven in de poëzie werd gehoord.

In zijn overzicht van nieuwe vitalistische dichters noemt Schouten nog meer namen: Anneke Brassinga, Peter Verhelst, Erik Menkveld en Peter van Lier. Zelfs de verstilde Kopland is volgens Schouten anders gaan dichten onder invloed van het opgebloeide klimaat. De conclusie van Schouten is: ‘Alles kan en mag. In dat opzicht kun je van hedendaags hellenisme spreken: men staat voortdurend onbevooroordeeld open voor alle mogelijke invloeden. En dat is wel even een andere houding dan die van de dichters van een generatie geleden.

Maar loopt er een lijn van de Maximalen, via de dichters, die Schouten tien jaar geleden al noemde naar het huidige, heterogene poëzielandschap? Zwagerman: ‘Je kunt niet zeggen, dat het ene noodzakelijk tot het andere heeft geleid. Er was een hard en dwingend geluid nodig om een koersverandering te bewerkstelligen. Maar individuele dichters hebben hun plaatsje onder zon niet per se aan de Maximalen te danken. Wel is het ontegenzeggelijk zo, dat er een nieuw soort sensibiliteit was ontwikkeld om te kijken naar andersoortige poëzie: bij het publiek, maar ook bij uitgevers en poëzieredacteuren.

Een dergelijk sensibiliteit betekent, dat talent wordt herkend, meer niet. Wat dat betreft, is literatuurgeschiedenis voor een groot deel een aaneenschakeling van op zichzelf staande gevallen. Twee jaar na Maximaal debuteerde Tonnus Oosterhoff met Boerentijger. Zwagerman: ‘Soms gebeurt er een wonder in de literatuur, en in 1990 heette dat wonder Tonnus Oosterhoff. Die maakt een bijna oecumenisch gewaardeerde poëzie. Hij is iemand, die door alle gezindten wordt gewaardeerd, van Maximaal tot Marjoleine de Vos. Dat gebeurt bijna nooit.

Wat Zwagerman betreft, doet een wetenschapper nog eens onderzoek naar het literaire klimaat van de jaren tachtig om zijn bevindingen te toetsen. ‘Dan zul je zien wat voor soort poëzie stelselmatig werd genegeerd en dat de Maximalen een geluid vertolkten, dat de weg heeft geëffend voor een onbezorgder, vrolijker en, om een groot woord te gebruiken, democratischer poëzie.

Tot de positieve effecten van Maximaal rekent Zwagerman de lancering van een aantal dichters van belang, die in de bloemlezing figureerden: ‘Tom Lanoye, Frank Starik, K. Michel, René Huigen en Pieter Boskma. Al moet gezegd, dat K. Michel niet heel blij is dat zijn stem binnen Maximaal heeft geklonken. Boskma heeft het ideaal van Maximaal het breedst uitgedragen. Als ik mezelf meetel, kom ik op zes goed van de tien.’ In de bloemlezing stonden elf dichters, maar Zwagerman telt de inmiddels overleden René Stoute niet mee. Zwagerman: ‘Individueel krijgen deze dichters de aandacht, die ze verdienen. Maar bij een terugblik wordt de groep steevast neergezet als een stelletje onbehouwen lawaaischoppers. Dat is niet vol te houden als je de individuele verdiensten in ogenschouw neemt. Het grote misverstand is, dat de Maximalen alleen maar ronkend en pronkend en vandalistisch door het leven wilden gaan en dat luidruchtig de enige toonsoort was, die zij verlangden.’

Maximalen NU

Arthur Lava en Bart Brey geven nog poëzie uit, bij de kleine uitgeverij Voetnoot. Van Brey verscheen in 2001 de bundel Lichtzang en in 2005 een tweede druk van zijn debuut uit 1994 Bericht aan de nachtzuster. Van Lava verscheen de bundel Durf in 2005. Op zijn site schrijft hij over zichzelf: ‘Het handelsmerk van Arthur Lava is poëzie in de gebiedende wijs. Zijn gedichten sporen aan, zwepen op en dagen uit.’

Dalstar publiceerde in 1992 zijn derde bundel Et Age. Onder zijn echte naam Koos Dalstra is hij actief als performer en kunstenaar.

René Stoute overleed in 2000 als Renate Stoute. Hij/zij publiceerde in de jaren negentig proza.

K. Michels laatste bundel is Kleur de schaduwen uit 2004. Zijn bundel Waterstudies werd bekroond als beste bundel van het jaar, met de VSB Poëzieprijs 2000.

Met zijn proza werd Tom Lanoye bekender dan met zijn poëzie. Voor 1988 publiceerde hij al zeven bundels poëzie. In 2005 verschenen de Stadsgedichten, die Lanoye schreef als stadsdichter van Antwerpen.

Eerder dit jaar publiceerde Pieter Boskma de bundel Het violette uur. In 2006 verscheen Altijd weer dit leven, een bloemlezing uit zijn werk, samengesteld door Joost Zwagerman.

Johan Joos zwijgt al jaren. In 1989 verscheen Stil de graine jaune, zijn tweede bundel na Steilte in 1986.

F. Starik verwierf landelijke bekendheid met het project en de daaraan gekoppelde uitgave De eenzame uitvaart (2005). Zijn meest recente bundel is Songloed (2007).

Van René Huigen verscheen vorig jaar Fysica voor dichters, met de ondertitel: een definitieve keuze uit de gedichten 1989-2003. De bundel Steven! uit 2005 is één lang gedicht.

Joost Zwagerman publiceerde in 2001 Bekentenissen van een pseudomaan en in 2005 Roeshooft hemelt.

Dat Pieter Boskma de meeste affiniteit heeft gehouden met de uitgangspunten uit 1988 is zonder meer waar. Al wijst hij er graag op, dat hij ook verstilde liefdesgedichten schrijft. Zijn poëtica omschreef hij twee jaar geleden in een interview met NRC Handelsblad als volgt: ‘Niet dichten over het wit op de pagina, niet karig zijn, gesloten, weinig emotioneel, academisch, geconstrueerd. Ik wil lyriek uit het volle hart, het moet stromen, over het leven zelf gaan, het grootse niet schuwen, een flinke beeldkracht hebben, niet bang zijn voor een woord te veel, erotisch, met engagement, zich uitspreken over de samenleving, de wereld, de kunst.

Hij zei ook last te hebben gehad van de voortdurende vergelijking: ‘Critici zochten voortdurend naar dat soort tendensen in mijn werk. Dan stond er weer: de volumeknop staat nog steeds op maximaal! Terwijl ik dacht: dit is toch anders.

Boskma wees in het interview ook op de voorgeschiedenis van Maximaal. Sinds 1982 trad hij op met Dalstra, Paul van der Steen, Arthur Lava en Jaap Blonk onder de naam H.J. van der Bijl No Nonsense Poetry. Volgens Zwagerman trokken ze in een oude brandweer bus langs jongerenpodia. Poëzie als podiumkunst nam in jaren negentig een hoge vlucht. Eerst met het door Ingmar Heytze geïnitieerde Poëziecircus en later met de import van slam poetry. Zwagerman noemt de Maximalen ‘slammers avant la lettre’. ‘Maar ik zou niet durven zeggen, dat de Utrechtse dichters zijn geïnspireerd door wat de Maximalen deden. Van een slammer als Erik Jan Harmens kun je wel zeggen dat wat hij doet, net als Pfeijffer, naadloos zou hebben aangesloten bij Maximaal. Ik vind Harmens ook echt een Maximaal après la lettre, ongeacht of hij er blij mee is, dat ik het zeg. Harmens is ook zo’n dichter, waarbij je kan zien, dat het ideaal van Maximaal wortel heeft geschoten.

Ook Pfeijffer beschouwt het poëzie klimaat vandaag de dag als aanzienlijk diverser dan twintig jaar geleden. Dat heeft zo zijn keerzijde. ‘Het is soms ook een beetje te divers. Het lijkt wel, alsof alles kan en dat alles, omdat het kan dan ook maar gelijk goed gevonden moet worden.’

Pfeijffer is het niet met Zwagerman eens, dat er geen behoefte meer zou zijn aan een met Maximaal te vergelijken tegengeluid: nieuwe bloedeloosheid dreigt. ‘Juist de debutanten, juist de jonge honden zijn vandaag de dag zo braaf als wat. Je valt erbij in slaap. Het is allemaal poëzie, die op poëzie wil lijken, zonder dat er iets wordt gesloopt, bevochten, uitgekotst, en zonder dat er iets wordt ontwrongen aan een vijandig klimaat. Niemand wil vernieuwen. Iedereen wil er alleen maar bij horen om dan ook te mogen optreden bij Dichter bij de Gracht, Dichter bij de Molen, Dichter naast zijn Fiets.

Dat is niet om vrolijk van te worden, meent hij. ‘Nergens valt een snufje zwavel of buskruit op te snuiven dat de voorbode is van een revolutie of een omwenteling. In die zin zijn de tijden van 1988 ver weg.’

Awater, Jaargang 7, nr. 3, 2008, p. 11-14

https://dbnl.org/tekst/_awa001200801_01/_awa001200801_01_0046.php

Leave a comment

Your email address will not be published.

*