Harry Lensink – Max Hasveld: een vernietigende mecenas

Ooit was hij puissant rijk, weldoener voor kunstenaars en een ‘babe magnet’. Nu kwijnt Max Hasfeld weg in een verpleeghuis.

In het bed op de vierde etage van ‘multifunctioneel zorgcentrum’ Beth Shalom ligt een omvangrijk mens. Het robuuste hoofd rust op een kussen en is getooid met een grijze, wild krullende haardos. Het lichaam is bedekt met sportieve merkkleding die de aftakeling deels verhult. Toch moet de bezoeker zich niet laten bedotten; volgens Max Hasfeld is de situatie ernstig. ‘M’n hart werkt nog maar voor een kwart,’ zegt de patiënt kreunend.

Toen er ook nog een zenuw klem kwam te zitten in zijn rug, werd het thuis onhoudbaar. Het Joodse verpleeghuis in Amsterdam-Buitenveldert bood soelaas. Maar denk niet dat het een pretje is. De vierenzestigjarige Hasfeld wordt omringd door bejaarden met een gemiddelde leeftijd van tachtig jaar. ‘Overlevenden van de Holocaust. Als je hier aan de eettafel zit, zegt zo’n mannetje: “Ze zijn allemaal vergast, allemaal vergast, gottogottogot,” waarop z’n buurvrouw dan fluistert: “Ja. Maar we zitten hier, hebben we toch nog gewonnen.” Als je daar je gedachten over laat gaan, word je helemaal depressief. Al die mensen die hier halfdood zitten. Nou ja, ze hebben hun kinderen en kleinkinderen nog. Ik niet. Ik ben alleen en ziek. Wat moet ik nou nog? Neuken en sporten gaat niet meer. Nee, ik heb ook geen mooi leven gehad. Ik heb hooguit wat leuke dingen gedaan. Ik heb alles verwaarloosd. Ik heb alles zelf verknald.’

Ooit ging het beter met Max Hasfeld. Veel beter. De van oorsprong Haagse textielhandelaar maakte in de jaren tachtig furore op de Amsterdamse onroerendgoedmarkt. Hij deed miljoenentransacties met andere vastgoedmastodonten als Jaap Kroonenberg, Willem Endstra, Jan-Dirk Paarlberg en Cor van Zadelhoff. Tegelijkertijd liet hij het op een exhibitionistische manier breed hangen. Amsterdammers zagen hem rondrijden in een van zijn Rolls-Royces of in een speciaal geprepareerde New Yorkse taxi, veelal geflankeerd door mooie vrouwen. Hij schaakte sekssymbool Sylvia Kristel, kreeg Freddy Heineken op bezoek, deed zaken met Anton Dreesmann, at met Ruud Lubbers en sprak prins Bernhard toe. Daarnaast werd Hasfeld een geliefde naam in de hoofdstedelijke kunstscene. In ruil voor hun werk konden schilders als Peter Klashorst, Bart Domburg en Jurriaan van Hall hun ateliers vestigen in panden van de vastgoedhandelaar. Hij sloot vriendschap met Herman Brood, bouwde aan een verzameling van honderden schilderijen en ging in zaken met de iconische kunstenaar Peter Giele, die aan de wieg stond van ;discotheek RoXY en andere culturele broedplaatsen. Met dank aan Hasfeld, die voor het onderkomen zorgde.

Hij was in de jaren zeventig naar Amsterdam gekomen. In de Kalverstraat begon Hasfeld kledingzaken als Fiorucci, Western House en Tarzan’s. Eerder had hij renderende winkels geopend in zijn geboortestad Den Haag. De nering in kleding was een vanzelfsprekende stap geweest. Vader runde decennialang Hatex, de afkorting voor Hasfeld Textiel BV. De zoon begon voor zichzelf. ‘Ach, er gingen wel meer Joden in het textiel,’ zegt hij gniffelend. Hasfeld reisde de wereld af op zoek naar goedkope, hippe stoffen en bracht de Indiase of Italiaanse waar hier met overtuiging aan de vrouw. Maar het middenstandssucces verloor snel zijn glans toen Hasfeld een andere goudmijn aanboorde. Eind jaren zeventig kocht hij z’n eerste onroerend goed om het met flinke winsten door te stoten. Het begon in Den Haag en Amsterdam met zijn eigen winkelpanden. De eerste tonnen stroomden binnen. ‘Ik kreeg de smaak te pakken en ben daarna heel groot geworden.’ Dat was voor de buitenwacht ook al snel zichtbaar. In 1979 kocht Hasfeld in Amsterdam Paulus Potterstraat 2-6, in de volksmond ‘het Kasteeltje’ genoemd, en vestigde daar het hoofdkantoor van z’n imperium in wording. Datzelfde jaar volgde een miljoenendeal toen hij de Groote Club op de hoek van de Kalverstraat en de Paleisstraat aan z’n portefeuille toevoegde. ‘Een hoogtepunt in m’n leven. Vroeger mochten daar geen Joden komen; ineens was het van mij.’

Hij leerde de finesses van de handel in een tijd dat vastgoed nog een ongereguleerde sector was, een apenrots waar het recht van de sterkste – lees slimste en minst scrupuleuze – gold. ‘Ik had in het geheim een zakenpartner, een mannetje bij Cor van Zadelhoff. Die schoof alle snoepjes naar me door. Ik deelde op jaarbasis zeker honderdduizend gulden uit aan Van Zadelhoffs personeel.’

Oorlogsverleden

Toch ging het al snel fout. ‘De problemen met de fiscus ontstonden al begin jaren tachtig,’ zegt zijn broer Micha, die indertijd bij Max werkte. ‘In eerste instantie kocht hij het af, later lukte dat niet meer. Hij had de Groote Club gekocht en mooi verbouwd. Hij zou het voor 28 miljoen gulden verkopen aan de Österreichische Gesellschaft für Versicherungen of zo. Het was in de tijd van de krakersrellen. Toen die Oostenrijkers kwamen kijken, hadden demonstranten net de ramen van veel banken ingegooid. Amsterdam stond in brand en die lui zijn direct teruggevlogen. Max kon naar z’n gedroomde winst fluiten. Hij heeft het voor veel minder moeten verkopen. Later heeft-ie een nog veel grotere deal proberen te sluiten met de panden van Elsevier. Die had hij voor 64 miljoen gulden gekocht. Ik zei tegen hem: “Waar­om doe je dat nou? Waarom ga je niet gewoon met een stel lekkere wijven op Hawaï zitten?” Kreeg ik een snauw terug: “Jij snapt het niet. Je bent een homo, een burgerman.” Maar hij kon z’n zaken niet verkopen, de winkels liepen niet, de vastgoedmarkt belandde in een crisis, de banken wilden niet meer financieren, de fiscus eiste z’n geld en z’n imperium stortte als een kaartenhuis in elkaar.’Hasfeld modderde verder. Soms was er geld in overvloed. Een dag later helemaal niets meer. Een oud-medewerker herinnert zich hoe dat ging op kantoor. ‘Ik kreeg vijfhonderd gulden per week. Dat was begin jaren tachtig heel veel geld, maar ik moest er wel elke vrijdag om zeuren. Op een gegeven moment zei hij: “Ik heb het niet.” Zei ik: “Max, ik wil het toch hebben.” Kreeg ik diezelfde middag een pakketje, volgeplakt met vijfhonderd guldens. Met allemaal gedichtjes erbij.

Sommigen in zijn omgeving voelen zich tot op de dag van vandaag misbruikt door Hasfeld. Zijn voormalige zakenpartner Dennis Prins: ‘Als we twee ton verdienden, dan gaf hij er vier uit, daar was hij kampioen in. Op een gegeven moment had hij een deal voor de belasting verzwegen en moest er nog 2,5 ton worden betaald. Het was een vennootschap op mijn naam, de fiscus kwam dus bij mij. Toen kon ik hem wel vermoorden.’ Hasfeld had onder meer een miljoenenlening bij de chique zakenbank Albert de Bary. Oud-directeur Nico Sickler weet nog dat hij contact had met Hasfeld. ‘Ik vond Max een scherpzinnig man. Hij wond mensen gemakkelijk om z’n vinger met z’n ogenschijnlijke hartelijkheid. En bankiers zijn ook gewoon mensen. Maar het was ook een gewiekste man die de zaken gunstiger kon voorstellen dan ze waren. Zonder te liegen overigens.’ Sickler heeft al jaren geen contact meer met Hasfeld. ‘Is hij ziek? Ach, hij klaagde altijd over lichamelijk ongerief. Dat betekende meestal dat hij vrij fit was. Ik had bij hem wel het idee dat hij behoorlijk gebukt ging onder het oorlogsverleden van z’n familie.’

Woeste man

Wie met Hasfeld in gesprek raakt, hoeft niet lang te wachten op een bevestiging van dat oorlogstrauma. ‘Ik heb een nare jeugd gehad. Mijn ouders hebben ondergedoken gezeten, verder is de hele familie uitgemoord. Als kind voel je dat verdriet, dat heeft me voor de rest van m’n leven getekend. Een van de kenmerken van tweedegeneratieslachtoffers is dat je schuldgevoelens hebt. Waarom leef jij wel en je neven en nichten niet? Dat creëert een enorme zelfvernietigingsdrang. Zodra het goed met me gaat, begin ik de boel weer te slopen. Ik ben een breker.’ Z’n broer Micha, die jaren geleden het contact heeft verbroken, zegt schamper: ‘Zelfmede­lijden is een van z’n grote gaven. Hij haalt overal de oorlog bij. Zoals ook iedere crimineel een slechte jeugd heeft gehad. Je kunt dat niet blijven gebruiken als excuus om je te misdragen. Hij wel, tot iedereen hem heeft uitgespuugd.’ Naast het spook van de oorlog was er de ballast van de godsdienst. Vader Hasfeld hing de orthodoxe variant van het joodse geloof aan. Max vertrok als twaalfjarig jongetje zelfs voor een jaartje naar Londen om daar onderwijs op een Talmoed-school te volgen. ‘Toen hij terugkwam, was hij zo vroom dat hij m’n moeder zelfs geen hand wilde geven,’ zegt broer Micha. ‘Dat was een paar jaar later wel weer over. Toen reed hij met lang haar op een Puch door Den Haag.’

Het klinkt onwaarschijnlijk, de proleet als liefhebber van de schone kunsten. Maar dat is ook hoe kunstenaar Harry Heyink zich Hasfeld herinnert. ‘Dat was oprecht. Hij zag zichzelf als een mecenas. Hij wilde zijn vergaarde kapitaal besteden aan cultuur, deels aan de maatschappij teruggeven. Misschien had Max zelf wel kunstenaar willen zijn. Hij hield er in ieder geval erg van om ons om zich heen te hebben.’ Heyink ontmoette Hasfeld midden jaren tachtig. ‘Peter Giele en ik waren op zoek naar ruimte voor exposities, voor kunstdoeleinden. Het waren crisisjaren, er stond veel leeg. Er werd veel gekraakt. Maar wij deden het anders. We maakten afspraken met de eigenaar, zodat we gratis of voor weinig geld gebruik konden maken van de ruimtes. Dat ging via Hasfeld.’ Zo kon het gebeuren dat Heyink en Giele op een ruimte stuitten achter een kledingwinkel in de Kalverstraat. Daar lag een oude bioscoop weg te rotten onder een laag duivenpoep, wachtend op betere tijden. De kunstenaars kregen visioenen en regelden een huurcontract met Hasfeld. Dat was het begin van de RoXY, een discotheek die zou uitgroeien tot ’s lands meest geruchtmakende club. ‘Max zou voor elke bezoeker een gulden krijgen van Giele,’ memoreert Peter Klashorst. ‘Hij heeft natuurlijk nooit een cent gezien. Heel klaplopend en kunstmakend Amsterdam zat in een pand van Max. Zelfs dichters; hoe konden die nu ooit de huur betalen? Er was geen enkele andere vastgoedhandelaar die dat deed. Hij was een supermecenas. Hij hield van controversiële mensen.’

Beatrix in oranje

Om zijn status in het artistieke circuit te vieren, nodigde Hasfeld op verjaardagen naast vastgoedcontacten en vriendinnen steevast een schare kunstenaars uit. Heyink: ‘We gingen ooit met de bus naar Antwerpen voor een optreden van de Amerikaanse Joodse stand-up comedian Jackie Mason. Die liet Max speciaal voor zijn gezelschap optreden. Op weg ernaartoe werden er gedichten voorgedragen, werd er gezongen. Hij vond het leuk om te worden gelauwerd, maar stak zelf ook de loftrompet over de kunstenaars.’ Op een ander partijtje vloog de hele club in een oude Dakota naar Luik om daar een Kuifje-tentoonstelling te bezoeken. Drank en andere essentialia waren voor rekening van de jarige. Giele en Heyink richtten ook de kunstenaarssociëteit Cultureel Genootschap De Donkere Kamer op in een Hasfeld-pand. Heyink: ‘De enige voorwaarde was dat hij een erelidmaatschap kreeg. Dat vond Max fantastisch. We hadden de club ingericht als een Parijse salon. De wanden waren volgehangen met allerlei kunst. Ieder lid moest een werk inleveren. Max had een gedicht geschreven. Als hij er was, zat hij met dat grote lichaam op een kolossale chesterfield. Dan konden kunstenaars op “audiëntie” komen.’

Maar ook in de kunstscene wist Hasfeld vijanden te maken. Galeriehouder Rob Malasch deed in die tijd zaken met de vastgoedhandelaar. ‘De zogenaamde mecenas van jonge kunstenaars. Een heel charmante man, maar dat zijn alle oplichters.’ De rancuneuze woorden zijn te wijten aan een akkefietje. Ooit kwam Hasfeld met een kennis in de galerie van Malasch. De kennis wilde een Warhol kopen, een ‘Beatrix in oranje’. Het geld, tienduizend gulden, zou Hasfeld een dag later komen brengen. ‘Ik heb nooit een cent gezien,’ zegt Malasch. ‘Toen ik die kennis belde, zei deze: ja, maar ik heb het geld aan Max gegeven. Een advocaat sturen bleek geen zin te hebben, meneer was al zeker zes keer failliet verklaard.’ Een foutje. Vanuit zijn ziekbed geeft Hasfeld het nu toe. ‘Malasch is een aardige vent. Ik denk dat hij gelijk heeft, ik moet hem nog betalen. Dat heb ik niet correct afgehandeld.’ Waarom niet? ‘Vergeten.’

Sluipmoordenaar

Zo zijn er wel meer ‘spijtmomenten’ voor de bedlegerige ondernemer. Veelal hangen ze samen met wat sommigen ‘zijn zwarte periode’ noemen. Met het succes kwam begin jaren tachtig ook de cocaïne in Hasfelds leven. ‘De eerste snuif heb ik gekregen na de dood van m’n vader, in 1980. Er ging een wereld voor me open. Ik had nog nooit gesnoven. Nou, dat is allesverwoestend. Het is een sluipmoordenaar. M’n relaties heb ik verpest door de cocaïne. Spijt van als haren op m’n hoofd.’

Een van z’n oud-assistentes weet nog hoe het was, begin jaren tachtig. ‘Hij snoof de hele dag door. Dan kwam ik ’s ochtends binnen, lag hij op bed met zeven vrouwen die slechts waren gehuld in jarretels. Ging hij helemaal stijf van de coke met een pisbroek achter z’n bureau zitten.’ Hasfeld werd er onberekenbaar door, bijkans gewelddadig. ‘Soms was hij heel lief, maar soms ook vreselijk agressief. Ik smeerde boterhammen met pindakaas voor hem. Gooide Max die door de kamer, want hij was woedend als ik was vergeten het tot aan de randjes te smeren.’

Bijna iedereen die in de jaren tachtig met Hasfeld te maken kreeg, herkent het tafereel: een berg cocaïne midden op tafel, zoals Tony Montana in de maffiafilm Scarface. Voor algemeen gebruik, maar vooral voor de neus van de ondernemer zelf. ‘Ik bracht hem ooit naar Schiphol,’ zegt oud-bodyguard annex chauffeur Fons van Beijnhem. ‘Hij ging naar de Verenigde Staten. Vlak voor de douane schoot hij het toilet in en kwam met twee witte strepen onder z’n neus weer naar buiten. Ik zei: “Max, heb je nog meer bij je?” “Nee,” zegt-ie. Ik greep in z’n binnenzak. Daar zat een paar gram in een dollarbiljet gevouwen. Als ik voor Max chauffeerde, hing hij soms met z’n hoofd uit het raam. Had hij het warm door al die coke. Bij ieder rood stoplicht riep hij altijd: Door! Door! Door!’

Het grootverbruik leidde tot onthoudbare situaties, ook in Hasfelds relaties. Vrouwen met wie hij kortere of langere tijd een relatie had, reageren nu nog verschrikt bij het noemen van zijn naam. Ze zijn naar eigen zeggen ‘getraumatiseerd’ en willen ook jaren na dato niet of slechts anoniem reageren. ‘Max werd paranoïde van dat spul,’ zegt Van Beijnhem. ‘Hij heeft wel eens een pistool afgeschoten in de slaapkamer. Of dan moest ik weer zo’n vrouw volgen om te kijken of ze niet vreemdging.’

Nulkommanulkommanul

Cocaïne, vuurwapens en bodyguards. Het voedde de geruchten dat Hasfeld een grote speler zou zijn in de onderwereld. Begin jaren negentig publiceerde Het Parool een verhaal over ‘vastgoedhandelaar A.’, die in drugs zou handelen en mensen zou afpersen. In het boek Het spook en de dreiging van de georganiseerde misdaad uit 1995 schetste criminoloog Petrus C. van Duyne de dubieuze zaken van de witwassende kunstkenner Cees Cannafield, een ietwat kinderachtig gekozen pseudoniem dat overduidelijk verwijst naar Hasfeld. Vanaf dat moment kreeg de vastgoedhandelaar het etiket ‘dubieus’ opgeplakt. Vriend en vijand zijn over één ding eensgezind: Hasfeld handelde niet in drugs. ‘Hij gaf het weg,’ zegt Dennis Prins. Broer Micha: ‘Hij heeft zichzelf helemaal kapot gesnoven, maar erin dealen? Nee.’ Hasfeld zelf: ‘Ik heb nooit in drugs gehandeld. Nulkommanulkommanul.’ En het verhaal dat z’n vennootschap Heco­wiam BV een afkorting was voor ‘heroïne, cocaïne, wiet en amfetamine’? Een slechte grap van de politie, beweert Hasfeld. De Kamer van Koophandel geeft hem gelijk. De letters staan voor ‘Herman Cohen Wetenschappelijk Instituut Amsterdam’, vernoemd naar de eerste eigenaar van de onderneming.

‘Heel klaplopend en kunst Amsterdam zat in een pand van Max’

Toch was de onderwereld nooit ver weg. Kopstukken uit het milieu kwamen langs op het kantoor van de vastgoedman. Klaas Bruinsma werd er gezien, net als de later vermoorde ­ripper Ferry Koch en de flamboyante hasjhandelaar Steve Brown. ‘Ik heb één keer met een doorgeladen pistool in de kast staan wachten,’ vertelt bodyguard Van Beijnhem. ‘Toen was Max bang dat Ferry Koch hem te grazen zou nemen.’Hasfeld mag dan naar eigen zeggen niet ‘in de handel’ hebben gezeten, hij maakte wel gebruik van buitenwettelijke incassopraktijken. Van Beijnhem: ‘We kregen dan de opdracht: ga naar die en die. Als hij niet betaalt, dan breek je z’n armen. Dat was Max nadat hij had gesnoven. Dan voelde hij zich onoverwinnelijk. Toen er een horloge van hem was gestolen, een klok van dertigduizend gulden, hebben we de dader opgezocht en met een “beetje aandrang” is dat horloge weer boven water gekomen.’

Toen het allemaal nog wat ruiger werd, kwamen er nog meer spierballen binnen op het kantoor aan de Paulus Potterstraat. De zakenman contracteerde ‘Schorre Gerrit’, een beruchte naam in het milieu. ‘Dat klopt, maar daar had ik een goeie reden voor,’ zegt Hasfeld. ‘Ik was beschoten.’ Dan volgt het in kleine kring wereldberoemde verhaal over hoe de psy­chisch verwarde vastgoedhandelaar Aat Schumacher ooit z’n vuurwapen leegschoot op Hasfeld, die op dat moment op het balkon van z’n ‘kasteeltje’ stond. De kogels misten hem op een haar. ‘Waarom Aat dat deed? Ik weet het niet. Aatje was een lieve man. Maar hij was ziek. Hij heeft op wel meer mensen geschoten.’ Hasfeld deed aangifte en kreeg naar eigen zeggen van de politie te horen dat hij maar een bodyguard in dienst moest nemen. ‘Ze raadden me Schorre Gerrit aan. Daar had ik nog nooit van gehoord. Hij had ook voor Klaas Bruinsma gewerkt.’ Schorre Gerrit werd het visitekaartje van Hasfeld, zegt collega-bodyguard Van Beijnhem. Ook oud-zakenpartner Dennis Prins kent de verhalen. Over hoe kunstvervalser Michel van Rijn na een zakelijk conflict met Hasfeld een bezoekje kreeg van Gerrit, die met behulp van een motorzaag diens interieur bewerkte. Over hoe een bevriende zakenrelatie die Hasfeld had beduveld werd ondergedompeld in een heet bad. De opdrachtgever geeft het toe: hij heeft Gerrit wel eens gestuurd. Hasfeld: ‘Die heeft tegen die mensen gezegd dat ze moesten betalen.’ Maar dat is verleden tijd. Schorre Gerrit is al lang dood.

Toch lijkt Hasfeld z’n leven nog steeds niet helemaal zeker. Twee jaar geleden nog werd hij veroordeeld voor wapenbezit. Zijn huis werd ontruimd omdat Hasfeld de huur niet betaalde. Een van de verhuizers vond illegale vuurwapens in zijn nachtkastje. De rechter veroordeelde de bezitter ervan tot zestig uur taakstraffen. ‘Het is m’n enige veroordeling,’ bromt Hasfeld. Hij moest stekjes planten in een instituut voor zwakzinnigen. Het was overigens een complot, beweert de wetsovertreder. ‘Marcel Cohen, de huiseigenaar die me uit de woning wilde hebben, haat me. Hij heeft die wapens daar neergelegd. De schoft.’

Haatbrieven

Nee, hij heeft zeker niet alleen vrienden gemaakt. Het was ergens aan het begin van de eeuw toen Max Hasfeld met zijn Smart opzettelijk inreed op de Aston Martin van Mozes Staszewski. Tot twee keer toe. De bezoekers van het Am­ster­damse restaurant Cinema Paradiso zagen vervolgens hoe twee heren op leeftijd met elkaar op de vuist gingen. Ze rolden over de stoep tot de politie beiden oppakte en afvoerde. ‘We zijn door omstanders uit elkaar getrokken, anders had ik hem vermoord,’ zegt de Amster­dam­se vastgoedhandelaar Staszewski. Hij groeide samen met Hasfeld op in het Joodse milieu van Den Haag. Maar de vriendschap is lang geleden al bekoeld. ‘Laat iemand hem alsjeblieft voor z’n dood vertellen wat voor een enorme klootzak hij is. Hij is het prototype van een overbodig mens. Maar hij is ook een vriend van mij. Ik kan niet de dingen over hem zeggen die ik zou willen zeggen. Ik houd hem in ere. On­ge­acht zijn fouten houd ik van die man. Nee, hij is geen leuke jongen. Ik probeer in mijn bedrijf eerlijk, oprecht en bescheiden te zijn. Ik heb nooit een dubbeltje privé geboekt. Hasfeld is precies het tegenovergestelde, hij kan niet op de rechte lijn van de waarheid lopen.’

Wat precies de oorzaak is van de animositeit tussen de jeugdvrienden, blijft in de lucht hangen. Maar Staszewski is een van de stemmen in het koor dat Hasfeld naar de verdoemenis wenst. ‘Hij is nu aan het oogsten wat hij heeft gezaaid: narigheid,’ zegt ook oud-zakenpartner Dennis Prins. ‘Laatst nog werd ik gebeld door twee vrouwen, ex-vriendinnen van hem, die me onafhankelijk van elkaar vroegen hoe ze hun geld konden terugkrijgen,’ vertelt Micha Hasfeld. ‘Hij had tonnen voor ze belegd. Nou, dat geld is voorgoed verdwenen.’ De jongere broer speelt al sinds jaar en dag in de succesvolle coverband The Clarks. ‘Max heeft nooit een snipper interesse getoond. Ja, toen we net met de band begonnen, kwam hij langs. Na afloop zei hij: “De muziek is kut, de kleding is kut en de show is kut.” Toen ik negen jaar geleden blaaskanker had en werd geopereerd, kwam hij niet naar het ziekenhuis. Hij belde na afloop met die lijzige stem van hem: “Hoe groot is je snee?” Dat was voor mij de druppel. Hij heeft zich altijd misdragen. Tegen z’n familie, tegen z’n vrienden, tegen z’n zakenrelaties, tegen iedereen. Het is een ziekte, als ik mild oordeel.’Hasfeld zucht. Hij haalt z’n schouders op over de kritiek van Staszewski en Prins. De eerste is volgens hem manisch-depressief en de tweede lijdt aan pseudologia fantastica. En dat zijn exen zijn getraumatiseerd, doet hij ook af als overdreven: ‘Misschien vijf of zes, maar ik heb er wel vijfhonderd gehad.’ Erger vindt hij de kloof tussen hem en z’n broer. ‘Het is heel jammer dat m’n broer zo kwaad op me is. Dat is een dieptepunt in m’n leven. Maar dat ik niet in hem geïnteresseerd ben, niet naar hem omzie, klopt niet. Het tegendeel is waar. Met Kerst, met z’n verjaardag, ik heb hem proberen te bellen. Maar goed, het is een heel lieve jongen.’

Het is een maand na het eerste gesprek met Vrij Nederland. De patiënt is goedgemutst. Hij zit rechtop in z’n rolstoel. Hasfeld revalideert, gaat weer leren lopen. En als het moet, willen de artsen in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis hem opereren. ‘In het VU hadden ze daar geen zin in, te gecompliceerd door m’n hartkwaal.’ De gezette zestiger detoneert met z’n omgeving, daar op de vierde etage van Beth Shalom. Hij heeft een witte shawl om z’n nek gedrapeerd, draagt een sierlijk roze overhemd en hippe sneakers. Een man met smaak. Hasfeld is aan het opkrabbelen. Jeugdvriend Peter Bouwman, die elke week een potje gin rummy met Hasfeld speelt, ziet het ook. ‘Toen hij in juli werd opgenomen moesten ze hem in bed takelen. Hij kwijlde en droeg een luier. Kijk hoe het nu gaat. Ik bedoelde het als een compliment, maar hij werd woedend toen ik tegen hem zei: als jij Auschwitz had meegemaakt, had je het overleefd.’

Vrij Nederland, 3 januari 2012, 11:12

https://www.vn.nl/max-hasveld-een-vernietigende-mecenas/

Leave a comment

Your email address will not be published.

*