Cor Hendriks – De sardonische lach (3): de Sardinische plant

In de vorige afleveringen hebben we gezien, dat de sardonische lach niet was verbonden met het verhaal van het offeren van oude mannen aan Saturnus, een verhaal dat niet bekend was aan Pausanias (https://nl.wikipedia.org/wiki/Pausanias_(schrijver)), die grote kenner der oude wereld, die een speciale interesse voor Sardinië had en er de hele geschiedenis van geeft (zie http://www.theoi.com/Text/Pausanias10B.html). Hij is ook onze belangrijkste bron voor de sardonische lach.

Volgens Pausanias groeit er op Sardinië een kruid, dat eruit ziet als selderij, maar ze zeggen dat als je ervan eet, je sterft van het lachen. En hij voegt toe dat dit de reden is dat Homerus en de mensen van zijn tijd van iets dat zeer ongezond is spreken van een Sardinische lach.

Hier doet zich een probleem voor, want Pausanias spreekt niet van een sardonische lach, maar van een Sardinische lach, zie de ‘Treatise On Laughter’ van Laurent Joubert, 1980, 77, die spreekt van ‘dog laughter’ (vanwege het ontbloten van het gebit) ten gevolge van het eten van ranunculus, wat wij ‘boterbloem’ noemen, de Grieken ‘batrache’, de Latijnen ‘ranunculus’, woorden die allebei op kikker betrekking hebben. Het gaat om een bepaald type ranonkel, waarvan de bladeren lijken op wilde selderij, wat de reden is waarom Dioscorides spreekt van wilde peterselie. Het wordt ook Sardonia genoemd, omdat het veel voorkomt op Sardinië. Het is scherpsmakend en – zoals Dioscorides schrijft en na hem Paulus Aegineta – berooft degenen die ervan eten van hun zinnen en dwingt door een zekere tensie van de zenuwen de lippen zich terug te trekken zodat ze opkrullen aan de hoeken, wat lijkt op een lach; van deze ziekte – absoluut dodelijk – is het adagium gekomen van Sardinisch lachen, door tegenslag (‘mishap’). Plinius behandelt dit kruid in zijn werk over natuurlijke historie en Solon in zijn ‘Polyhistor’. Alexander van Alexandro schrijft erover het volgende: “In Sardinië groeit een kruid lijkend op wilde selderij, waaraan men sterft met de mond teruggetrokken alsof lachend.” Pausanias in de ‘Phociacs’ zegt dat het eiland Sardinië vrij is van ieder schadelijk kruid behalve dat ene dat de dood veroorzaakt, lijkend op wilde selderij, en dat zij die het eten lachend sterven. Vanwaar Homerus en diverse anderen na hem het spreekwoord ‘lachen met een Sardinische lach’ hebben gebruikt wanneer ze spraken over hen die lachen met een ongezonde lach. Zie voor Sardinische lach: http://gregorianstorage.blogspot.nl/2006/12/conversation.html.

Echter niet iedereen vertaalt Sardinisch, want op de bovengenoemde Pausanias-site wordt de passage (10.17.13) als volgt vertaald: “Op één plant na is het eiland vrij van vergiften. Dit dodelijk kruid is als selderij en ze zeggen dat zij die het eten lachend sterven. Vanwaar Homerus en mensen na hem ongezond lachen sardonisch noemen.”

De vertaling wordt gevolgd door Robert R. Provine in ‘Laughter: A Scientific Investigation’ (e-book), die toevoegt: “Hoewel de details van dit mysterieuze kruid en zijn effecten verloren zijn in de mist der geschiedenis, is de term ‘risus sardonicus’, letterlijk ‘lach van Sardinië’, blijven voortbestaan.”

Er is hier een serieus probleem, een dubbel probleem zelfs, want zegt Pausanias nu Sardinia of Sardonia – probleem 1 – Homerus zegt ‘sardania’, probleem 2. Het kan nog sterker, want volgens Cowper (zie aflevering 1) leidt Pausanias de uitdrukking af van een giftig kruid, dat, zegt hij, groeit in Sardis, waarvan wie ervan at lachend stierf. (1820, noten p. 402). Dit kan echter niet goed zijn, want Pausanias voegt na zijn verhaal over de Sardinische lach toe dat hij dit verslag van Sardinië (waarvan de lach slechts het einde was) hier behandelde in zijn verhandeling over Phokis, omdat het par excellence een eiland is, waarvan de Grieken nooit gehoord hebben. Dus Sardis is fout, want geen eiland en vlakbij Ionië dus bekend aan de Grieken, terwijl Sardinië wel een eiland is en aan de andere kant van de Middellandse Zee ligt, dus ver weg van de Grieken.

James Frazer, de bekende schrijver van ‘The Golden Bough’, geeft het volgende commentaar op de plek bij Pausanias: “De sardonische lach wordt het eerst genoemd door Homerus (Od. 20:300 e.v.), vgl. Plato, Rep. 1, p. 337a; Cicero, ad Fam. 7:25:1. De Sardinische plant waarvan gezegd werd dat hij een stuiptrekkende lach eindigend in de dood veroorzaakte, wordt beschreven door Solinus (4:4) als in overvloed groeiend in het water van bronnen. Andere schrijvers, zoals Pausanias, vergelijken het met selderij (σέλινον: eppe [Latijn: apium], een plant als de peterselie; werd gegeten en voor kransen, ook voor grafkransen gebruikt. Van Dale geeft 3 betekenissen van eppe: 1) selderie; 2) blaartrekkende boterbloem; 3) wilde eppe: peterselie; hondspeterselie [1984:728b]). Zie Suidas, s.v. σαρδάνιος γέλως; Hesychius s.v. Σαρδόνιος γέλως; Eustathius en een scholiast op Homerus, l.c.; Isidore, ‘Origines’, 14:6:40; Servius, over Vergil. Ecl. 7:41. De plant in kwestie is misschien een soort ranunculus geweest, die de Grieken ‘batrachion’ of ‘selinon agrion’ (wilde selderij) noemden. Dioscorides (De mat. med. II, 206) zegt dat een soort van deze plant, met een meer donzig oppervlak, een langere steel en meer getande bladeren dan gewoonlijk op Sardinië in overvloed groeide en hij beschrijft hem als buitengewoon bitter. Hij zegt dat een pleister gemaakt van de bladeren, bloemen en stelen van de batrachion zweren veroorzaakt. Volgens Conington (over Vergil. Ecl. 7:41) is de plant in Engeland bekend als de selderijbladachtige kraaienvoet [i.e. ranuculus: boterbloem, hanenvoet, hanenpoot, kraaienpoot]. Diverse fantasierijke verklaringen van de uitdrukking ‘een Sardonische lach’ worden gegeven door Suidas, Hesychius en Eustathius op de opgegeven plaatsen.” (p. 326)

De meeste vertalingen geven dus ‘Sardonisch’ en niet ‘Sardinisch’ (zie https://chs.harvard.edu/CHS/article/display/5894 ; en ook http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus:text:1999.01.0160:book=10:chapter=17), zoals ook het adagium luidt.

Dio Chrysostomos, 32e discours, 100: “Je moet gehoord hebben van de plant genaamd Sardonisch [Σαρδόνιον], die gelach produceert, voor waar, maar een lach die smartelijk en noodlottig is. (Wees dus niet zo toegewijd aan dat lachen…) [p. 268f]

In het ‘Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek’ van Noël Chomel (1778:1715b) wordt het volgende gezegd: “Sardonisch lachgen, of lach; is een onwillige of stuiptrekkende lach, die zijn bijnaam van de ‘Sardea’ of ‘Sardonia herba’ heeft verkreegen, welk kruid inwendig genoomen, een taamelijk sterk vergif is, wiens voornaamste uitwerking op de wangen en lippen bespeurt word, en op die plaatsen stuiptrekkende beweegingen verwekt; zo dat de vergeevende zieken, met de gedaante van een lachgend Mensch sterven. Deeze plant is niet anders als de wilde Ranunkel met eppe bladen, die in het Eiland Sardinien zeer gemeen is, en welke volgens Dioscorides, ruiger, hooger en gesnippelder bladen heeft als de andere zoorten; men geeft haar ook gemeenlijk den naam van ‘wilde ruige Eppe’. Apuleus noemde ze, uit oorzaake van haare vergiftige hoedanigheid, ‘Herba scelerata [schadelijk, misdadig]’.”

Ook Erasmus spreekt over de plant. Er zijn sommigen, die zeggen dat een of ander kruid te vinden is op het eiland van de Sarden, genaamd ‘Sardinisch gras’, lijkend op wilde peterselie. Het smaakt zoet, maar nadat het is ingeslikt verdraait het de monden der mensen in een grimas van pijn, zodat ze schijnbaar lachend sterven. Dit is wat Solinus lijkt te bedoelen en Servius de grammaticus ook, wanneer hij deze regel uitlegt van de ‘Thyrsis’ van Virgillius: ‘Nu laat me je bitterder voorkomen dan Sardinische kruiden.’ En de commentator van Lycophron, sprekend over de sardonische lach, rapporteert iets vergelijkbaars, in navolging van Servius. Latinus Drepanus zegt in zijn ‘Panegyric’: ‘Dus we zetten kalme gezichten op en simuleren naar de wijze van zij, die het sap van Sardinische kruiden hebben geproefd en worden gezegd te lachen in dood, vreugde terwijl we rouwen.’ [‘Sardinisch gras’ is ‘herbam … cui Sardoae cognomen sit’, i.e., crowfoot, ranunculus alpestris; ‘wilde peterselie’ vertaalt apiastrum.]

Erasmus geeft ook al de verschillende woorden, die voor de lach worden gebruikt. In Lucianus en Cicero is het Σαρδώνιος, in Homerus Σαρδάνιος, in Virgillius ‘sardous’, in de commentator van Lycophron Σάρδιος γέλως, in Plutarchus Σαρδιανός: ‘Als er zoiets bestaat als een sardonische lach in de geest.’ Stephanus toonde dat Σαρδωνικός en Σαρδιανικόν werden gebruikt: ‘Echter niet al deze vormen komen van hetzelfde woord. Want het is van het eiland van Sardo of Sardon, dat voorheen de naam Ichnusa had, dat Sardonius, Sardous en Sardonicus zijn afgeleid. Het is van Sardos, een stad in Illyrië, dat Σαρδηνοί stamt’ – vanwaar, veronderstel ik, met een verandering van η naar α, we Σαρδάνιοι hebben – ‘Van Sardis, een stad in Lydia, hebben we Sardianos en Sardianicus.’ Salvianus gebruikte het adagium in zijn zevende boek: ‘Je zou denken dat de hele Romeinse naties op de een of andere manier was overladen met Sardinisch gras: zij is stervende en zij lacht.’ Suidas schrijft dat er zelfs een werkwoord is afgeleid van het spreekwoord, zodat zij die sardonisch lachen gezegd worden te ‘sardonizeren’ (σαρδάζειν).

Op het internet vond ik een relevante discussie op de thread ‘Ritual killing by sardonic grin: a new discovery’ (http://infocult.typepad.com/infocult/2009/06/ritual-killing-by-sardonic-grin-a-new-discovery.html), gestart op 11 juni 2009 n.a.v. het artikel uit National Geographic, dat we in de eerste aflevering hebben bekeken (gepost door Mark). Chris Francese schreef: ‘Ik weet vrij zeker dat deze zin uit het artikel fout is: “Tegen de 8e eeuw VC had Homerus de term ‘sardonische lach’ gemunt – ‘sardonisch’, wat zijn wortels heeft in ‘Sardinië’ – in geschriften refererend aan het rituele doden op het eiland door het grimasproducerende drankje.”’ Mark postte daarop de tekst uit Odyssee 20:300-302 in het Grieks. En gaf vervolgens de entry voor σαρδάνιος uit Liddell & Scott: “The common expl. given of this laugh was that it resembled the effect produced by a Sardinian plant (Ranunculus Sardoüs, Sardinian crowfoot, called sardanê by Tz. ad Hes. Op.59, sardonion by Ps.-Dsc.2.175, D.Chr.32.99) which when eaten screwed up the face of the eater, Paus.10.17.13, Sch.Pl. l.c., Phot., Serv.ad Verg.Ecl.7.41.”

Hierop schreef Christopher terug, dat Homerus helemaal niets in die geest zegt. In deze passage heeft Odysseus, vermomd als een bedelaar in zijn eigen huis, net een koeienhoef ontweken die naar hem werd gegooid door een van de vrijers. Terwijl hij dat deed, lachte hij sardonisch – d.w.z. bitter, ongetwijfeld vanuit de wetenschap dat hij spoedig zijn wraak zal hebben. Er wordt hier in het geheel niets gezegd over Sardinië, planten, drankjes, of rituele dodingen. Homerus kan zelf wel de term gemunt hebben, maar daar is onmogelijk achter te komen.

Mark vindt dat Chris een uitstekend punt maakt. Hij was zelf ook al op zoek naar waar de journalist de fout in was gegaan en dacht dat een foute vertaling was geraadpleegd, maar hij was verbaasd te ontdekken in de tekst ‘sardanion’ in relatie met een ‘meidese’-lach [i.e. glimlach]. En hij moet toegeven dat de passage niets van doen heeft met Sardinië.

Chris besluit de thread met het citeren van de tekst uit Pausanias en laat die volgen door een citaat van Servius: “In Sardinië groeit een zeker kruid, dat volgens Sallustus gelijk is aan apiaster. Wanneer dit wordt gegeten, trekken de kaken van mensen in pijn samen en het doodt hen terwijl ze glimlachen, als het ware, vanwaar de algemene uitdrukking ‘sardonische lach’.” Nog steeds niets over ritueel doden door middel van drankjes. Let op dat de Grieken en Latijnen hetzelfde werkwoord gebruiken voor ‘lachen’ en ‘glimlachen’, dus ‘lachend sterven’ in Pausanias kan net zo goed ‘glimlachend sterven’ betekenen en Odysseus kan gewoon ‘bitter hebben geglimlacht’. En hij besluit met kritiek op het National Geographic artikel – ‘all too typical of the empty sensationalism of archaeological journalism’. En vraagt zich af of het niet allemaal verzonnen is, want de wijze waarop Homerus behandeld werd boezemt weinig vertrouwen in.

We kunnen dus concluderen, dat het sardanisch van Homerus in sardonisch is veranderd nadat op Sardinië een plant was ontdekt, die een sardanische grijns zou geven, doordat het je doet sterven van het lachen. Daarmee is opgelost wat sardonisch is, n.l. Sardinisch of Sardijns; maar niet opgelost is sardanisch, tenzij we meegaan met de afleiding die Mehler geeft in zijn ‘Woordenboek’, dat het misschien verwant is met ‘sairo’ = grijnzen; maar dit woord is niet bij hem opgenomen en na-Homerisch; en betekent in de eerste plaats ‘gapen’, in de zin van de mond opendoen, waarna pas het laten zien van de tanden volgt, wat leidt tot ‘grijnzen’, met de opmerking: gewoonlijk van haat of leedvermaak of leed. Mehler geeft als betekenis van ‘sardanios’ = bitter, met een constructie met ‘meidese de tuumooi sardanion’, dus met toorn bitter (glim)lachen.

Erasmus geeft een groot aantal voorbeelden van het gebruik van het adagium in de oudheid. Volgens Eudemus de retoricus (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Eudemus_van_Rhodos), in zijn ‘Mengelmoes van Retorische Gezegden (collectaneis Dictionum rhetoricarum [Eudemus was a pupil of Aristotle and compiled a collection of Greek rhetorical expressions (Lexeis rhetoricae), zie ‘Prolegomena to the Adages’, 2017:45])’, zijn diverse auteurs het eens dat de term gebruikt kan worden voor een beledigende lach waarin iemand minachtend en geringschattend lacht, vanwaar het spreekwoord is afgeleid: ‘Je bespot me vanaf je verheven hoogte.’ Dezelfde schrijver voegt toe dat er een soort steen is, genaamd de ‘sardonische lach’ [Addit idem lapidis esse genus, qui risus Sardonius appelletur]. Dit is uiteraard de steen, die als je hem ziet, je lachend doet sterven, de al-Bahit, waarvoor ik kan verwijzen naar mijn artikel over de mensenmagneet (http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-mensenmagneet). Ik vind de steen vermeld in het boek ‘Science and Civilisation in China: Volume 5, Chemistry and …’, Volume 5, Deel 4, van Joseph Needham, Ho Ping-Yu, Lu Gwei-Djen, Nathan Sivin, 1980, p. 449: “… de Chinese steen al-bāhit, die mensen gek maakte als ze hem zagen en hen deed sterven van het lachen. In sommige versies was dit verbonden met de Alexander-romance, omdat de wereldveroveraar naar men zei een stadsmuur eromheen gebouwd had, zodat al degenen die naderbij kwamen, zijnde aangetrokken alsof door een magneet voor mensen, er tegenop klommen, lachend naar binnen vielen en nooit meer werden gezien. Er moet een hoop interesse in de lachende gekmakende steen zijn geweest, want vrij spoedig na de Pseudo-Aristoteles werd een heel traktaat in het Jabirische corpus, de Kitāb al-Bāhit (Boek van de Verrassing [bāhit تهاب ‘pale’; bāhit blass, verblasst, matt (Farbe); baht(ah) = bāhit «aétite»,]), eraan gewijd. Een eeuw later was het weer prominent in de Kitāb al Sumūm (Boek der Vergiften), toegeschreven aan Ibn al-Waḥshīya, en ook in de Latijnse Picatrix” (https://en.wikipedia.org/wiki/Picatrix): “De Bahit-steen is een steen in de kleur van de roodgouden stenen die een glans heeft, deze steen, wanneer iemand ernaar kijkt lachen ze tot ze sterven en niets kan hen redden zelfs als de steen werd bedekt nadat deze persoon keek zal hij hen nog steeds doden. Het enige wat het effect van de Bahit-steen stopt is wanneer de gallinuje-vogel, wat een kleine zwarte vogel is met een rode ring en rode ogen, op de steen stapt en dan kan iedereen naar de steen kijken zonder schade.” [gallinule = waterhoen]

Verder is er een artikel van Robert Lebling op Facebook (https://www.facebook.com/notes/the-lost-cities-group/the-human-magnet-stone/10150488478032289), gebaseerd op ‘The Art of Story-Telling: A Literary Study of the Thousand and One Nights, Leiden 1963 van Mia I. Gerhardt.

De steen wordt o.a. beschreven door Ibn Fadl Allah al-‘Umari (1301-1349) van Damascus, die een onconventionele encyclopedie schreef – een combinatie van universele geschiedenis en wereldgeografie – genaamd ‘Masalik al-absar fi mamalik al-amsar’ (Paden der Visie in de Rijken van de Metropolissen). Slechts een deel ervan is gepubliceerd en daarin wordt over de bahit-steen gesproken. Alle bergen zijn takken van de keten die het grootste deel van de bewoonde wereld omcirkelt. Deze is genaamd Jabal al-Qaf en is de moeder der bergen, want ze stammen allemaal van haar af. … Deze zijketen van de Jabal al-Qaf wordt aan zijn begin [i.e. aan de oostelijke kant] al-Mujarrid genoemd. Vandaar loopt hij rond tot hij de westerse sectie, bij de lengte van 65 graden aan het begin van de Maghreb bereikt. … Een bergketen, genaamd de Bergen van de Maan takt hier af. De Nijl ontspringt er. Er wordt gezegd dat er glinsterende stenen te vinden zijn die glimmen als wit zilver. Ze worden ‘sanjat al-bahit’ genoemd. Iedereen die er een ziet moet lachen en kan niet ophouden tot hij sterft. Hij wordt ook de mensenmagneet (‘maghnatis al-nas’) genoemd. De schrijver van [de] ‘Jughrafiya’ [i.e. Geographia’. Waarschijnlijk wordt Ptolemeus bedoeld] zegt dat Aristoteles hem vermeldt in zijn Boek der Stenen (Kitab al-ahjar) … [voor meer hierover, zie https://groups.google.com/forum/#!topic/alt.mythology.jinn/Q4EVOrUGE1w].

Van sommigen wordt gezegd, dat zij de bergen [waar de Nijl ontspringt] hebben beklommen en aan de andere kant een golvende zee zagen met water zwart als de nacht gespleten door een rivier wit als de dag die de bergen aan de zuidkant binnenging en aan de noordkant eruit kwam, waar hij zich splitste in takken bij de koepel van Hermes, die daar is gebouwd. Ze beweren dat de bouwer van dit gebouw Hirmis al-Haramisa (Hermes van de Hermessen) was, die de Drievoudige in Wijsheid [Trismegistus] wordt genoemd, terwijl anderen beweren dat hij Idris – vrede zij met hem! – is, die die plek bereikte en er een koepel bouwde … [Zie John Walbridge, ‘The Wisdom of the Mystic East…’, 23: “Hermes Trismegistus (Hirmis al-Harāmisa) the Egyptian, who is known as Idrīs the Prophet.”]

Maar volgens anderen beklommen sommige lieden die bergen, maar telkens als een van hen naar voren stapte, moest hij lachen, klapte in zijn handen en wierp zichzelf neer aan de andere zijde. De rest was bang hetzelfde lot te ondergaan en gingen dus terug. Sommigen nu beweren dat wat die mensen zagen de bahit-steen was. Iedereen die hem zag moest lachen, stapte naar voren en kleefde eraan tot hij stierf.

De beroemde geograaf al-Idrisi maakt melding van de mensenmagneetsteen in het welbekende werk dat hij schreef voor de Normandische koning van Sicilië, Roger II, genaamd ‘Nuzhat al-mushtaq fî ikhtiraq al-afaq’ (Het plezier van hem die begeert de horizonnen te kruisen), voltooid in 1154. Op de zeekust voorbij de [Gelukzalige Eilanden] en andere eilanden wordt ambergris van uitstekende kwaliteit gevonden. Van deze kust ook komt de baht-steen, die beroemd is onder de mensen van al-Maghrib al-Aqsa. Losse specimens van die steen worden voor een hoge prijs verkocht, vooral in het land Lamtûna, die vertellen dat als iemand een nood wil vervullen en zo’n steen neemt, hij volledig zal slagen. Ze beweren ook dat hij goed is voor tongbinder … [Deze baht-steen is niet hetzelfde als de bahit.]

Een korte vermelding van de bahit is te vinden bij de Syrische schrijver al-Dimashqi (1256-1327) in de ‘Nukhbat al-dahr fî ‘aja’ib al-barr wa-’l-bahr’ (De Keuze van het Tijdperk, over de Wonderen van Land en Zee), waarbij gemeld moet worden, dat de bronnen van de Nijl tien stromen zijn, die in twee meren vloeien, gelegen voorbij de evenaar. ‘Volgens Qudama wordt een van de tien stromen, de meest westelijke, Aliha genoemd. De wateren ervan komen tevoorschijn van onder de bahit-steen, de mensenmagneet (maghnatis al-nas).

Voor het verhaal van Ibn al-Fakih uit zijn ‘Kitab al-Buldan’ (Boek der Landen) verwijs ik naar de genoemde pagina en de bijgevoegde PDF (http://robscholtemuseum.nl/wp-content/uploads/2015/09/De-mensenmagneet.pdf), waar alles te vinden is over de Koperen Stad en de stad die Alexander de Grote bouwde rond de steen. Opmerkelijk is de vermelding door Eudemus, die een leerling is van Aristoteles, aan wie wel het stenenboek wordt toegeschreven, maar die niet werkelijk de schrijver ervan was. Het is dus de oudste vermelding van de ‘lachsteen’, helaas niet in de originele vorm, want Eudemus schreef in het Grieks en Erasmus citeert een Latijnse bron.

De sardonische steen is uiteraard de sardonyx, wat betekent ‘onyx uit Sardinië’. Op de site http://www.christipedia.nl/Artikelen/S/Sardonyx wordt gezegd: “Oorspronkelijk was de steen Sardonyx uit Sardinië of uit Sardes in Libië afkomstig. In de oudheid maakte men uit gebrand sardonyx grote vazen, zegels en cameeën.” In Libië is en was geen Sardes; het betreft een spelfout: het moet zijn: Sardes in Lydië. Een andere herkomst van de naam wordt gegeven op https://sciencing.com/sardonyx-7437615.html: “Its name is derived from the Greek words “sard,” meaning a reddish brown, and “onyx,” meaning veined gem.” Ik heb echter een Grieks woord ‘sard’ niet kunnen vinden. Wel is er natuurlijk het Engelse ‘sard’ (zie als eerste op https://en.wikipedia.org/wiki/Sard_(disambiguation). Volgens ‘Gemlore: An Introduction to Precious and Semi-Precious Stones’ [Second Edition], van Michael R. Collings, 2009:139, is ‘Sard’ in Perzisch ‘sered’, geel. Maar de betekenis van ‘sard’ in het Grieks is bij hem ‘Sardeis, hoofdstad van Lydië in Klein-Azië’, en hij voegt toe: ‘the Sardian stone’. Dus de ‘sard’ is genoemd naar Sardis (zie https://www.jewelsforme.com/gem_and_jewelry_library/sard; en ook http://www.wordreference.com/definition/sardius). In het Grieks ‘sardion’, in het Latijn ‘sardius’ heet de steen, die wij kornalijn noemen. In het Engels heeft het woord ‘Sard’ als eerste de betekenis van Sardiniër, en als tweede, hetzelfde als ‘sarder’ [zie http://www.edelstenenenmineralen.nl/sarder.html] = carneool, een gele of oranjerode edelsteen, d.w.z. een korneool of kornalijn. Variëteit van een chalcedon. Chalcedon is ook een plaatsnaam in Anatolië, aan de overkant van Byzantium. Zowel de sard als de sardonyx worden genoemd in Openb. 21 onder de grondstenen van het hemelse Jeruzalem en maken ook deel uit van de borstplaat van de hogepriester. In het Nederlands is ‘Sard’ een Sardiniër, ‘sardis’ een verouderd woord uit de Bijbel (Ex. 28:17), bloedsteen, carneool, rood, ongekristalliseerd kwarts. Ook ‘sardius’ is verouderd, een in Openb. 4:3 genoemde edelsteen. De sardonyxsteen werd meestal gebruikt voor het maken van cameeën en graveerwerk. In het oude Rome droegen vrouwen sardonyx halsketens met cameeën van Venus in de hoop de kracht van de godin der liefde aan te wenden. Het was ook gewoon voor soldaten om sardonyx ringen en graveringen met de afbeelding van Mars, de god van de oorlog, in de strijd te dragen bij wijze van bescherming. Sardonyx was ook een populaire steen voor Romeinse zegels en zegelringen die werden gebruikt om wasemblemen af te drukken op officiële documenten omdat hete was niet aan deze steen plakt (http://www.firemountaingems.com/resources/encyclobeadia/gem-notes/gmstnprprtssrdn).

In de ‘Cosmographie’ van Peter Heylyn uit 1652 wordt gezegd – enigszins onduidelijk – dat er een berg is genaamd Sardonix, waar de sardonyx naar genoemd is en vandaan komt (“Mountains of most note in it, besides Caucasus, and some other of the branches of Taurus or Arara […], common to this, and the Tartarian and Persian Empires, 1. Sardonix, full of mines of those precious stones which are called after the name of the Mountain.” Zie http://tei.it.ox.ac.uk/tcp/Texts-HTML/free/A43/A43514.html. Ik vond deze berg op http://www.thebeadsite.com/unimpg-2.html, waar een kaartje te zien is van de Ozene regia, die grenst aan de bergenrij, genaamd Sardonix mons in quo Sardonix lapis, kortom, de berg Sardonix, waarin de sardonyxstenen. Volgens de site is Ozene thans Ujjain, de hoofdstad. In mijn ‘Geographia’-editie is op kaart XXV (India) maar één forse berg getekend, liggend tussen de steden Siripalla en Manipalla en ten zuiden van Agrimagara, met de naam ‘Sardonix Mons’. Volgens Ruby Lane zijn de Sardonyx Bergen ongetwijfeld de bergen later aangeduid als de Cupperwange of Cubberpunj in India, in de 18e en 19e eeuw. (https://www.rubylane.com/blog/categories/jewelry/the-other-august-birthstones-sard-and-sardonyx) [Echter: “Variegated stones with landscapes, trees and water, beautifully delineated, are still found in India at Cubberpunj (the five tombs) a place sixty miles distant from Rajpipla in Gruzerat.” (H.M. Westropp, ‘A Manual of Precious Stones and Antique Gems’, London 1874, 109f); ook Cupperwange lijkt me een plaats; het is opgenomen in de index van James Rennell, ‘Memoir of a Map of Hindoostan: Or the Mogul Empire…’, 1788 (1793, p. 400), maar de kaart zelf ontbreekt.] In J. Hofmanns ‘Lexicon universale’ (1698) is Sardoniae een plaats in India tussen de Ganges (Indiae intra Gangem urbs. Ptol. http://latin_latin.enacademic.com/52818/SARDONIAE), maar volgens Stephanus (1590:287) heet de plaats Sardonix. Volgens Bruzen (Le Grand Dict. Géogr. & critique, Vol 9, 1737:239a) is volgens Orthelius naar Ptol. Sardonia een stad in India; maar hij kan bij Ptol. alleen een berg van die naam vinden, vanwaar een steen komt met dezelfde naam, maar geen stad.

Overigens bestaat er ook een ‘Sardonius Mons’, te vinden op kaart VI, zijnde de oostkust van de Adriatische zee (eigenlijk golf: Sinus Adriaticus), gelegen tussen Dalmacia en Misia Superior, ook te vinden op kaart X van Dacia, en aangrenzende gebieden zoals Misia Superior ten zuiden ervan, met op de grens met het niet ingetekende Dalmacie Pars de Sardonius Mons. Volgens de ‘Grosses vollständiges Universal-Lexicon aller Wissenschafften und Künste …’, geredigeerd door Carl Günther Ludovici, 1742, Bd. 34, col. 91 is de Sardonius Mons een berg in Servië tegen Macedonië gelegen. Overigens noemt hij (col. 90) ook de Sardonici Montes, een “Gebürge” in Croatië, die thans ‘Maranai’ genoemd wordt. Volgens Zetlers Lexikon is Sardos volgens Strabo een stad in Dalmatië landwaarts gelegen, waarvan de inwoners Sardiæi of Sa[r]diates heetten. (Bd. 34; col. 91). Zie ook Novum lexicon geographicum 2, 1738, 131b: “Sardonici montes Liburniae, nunc Maranai & Sardonius mons in Illirici & Macedoniae confinio…”; “Sardos oppidum Illyrici mediterraneum in Dalmatia, cuius populi Sardiæi, & Sardiates.” In J. Hofmanns ‘Lexicon universale’: “Sardonici, montes Liburniae, nunc Maranai, etc. Sardonius mons, in confinio Illyrici et Macedoniae.” (http://latin_latin.enacademic.com/52819/SARDONICI) Bruzen kan in Strabo een stad genaamd Sardus niet vinden, wel de Sardiæi, die wel de inwoners van die stad kunnen zijn en die Strabo elders Ardiæi noemt. Over Etienne de Geograaf, volgens wie de bewoners van Sardus Sardeni heten, zegt Bruzen, dat dit ongetwijfeld de Sardiates van Pomponius Mela en Plinius zijn en de Sardiotæ van Ptolomeus.

Tot slot lijkt me ook een opmerking van belang, die Rawlinson (1882) maakte in zijn commentaar bij zijn vertaling van Herodotus (II:106): Colchis was beroemd om zijn linnen. Het werd gebracht naar Sardis en omdat het van daaruit werd geëxporteerd kreeg het de naam van Sardisch. “Σαρδονικòν ‘Sardinian’ [in mijn vertaling ‘Sardonian’, maar dat betekent zoals we gezien hebben Sardinisch] may be a mistake for Σαρδιανόν.” De beste linnen netten om mee te jagen waren volgens J. Pollux afkomstig uit Egypte, Colchis, Carthago of Sardis (Onom. 5.4.26). Volgens Rawlinson is het ook mogelijk dat het linnen van Colchis de Egyptische naam Sindon of shent had en dat dit is omgezet in Sardon (zie http://scans.library.utoronto.ca/pdf/5/11/1882historyofher02hero/1882historyofher02hero.pdf).

Michel Delon, in zijn artikel ‘Le rire sardonique ou la limite du rire’, in Persée 32, 2000, 255-264, hier 257, merkt op na een bespreking van de ‘Adages’ van Erasmus: ‘De herkomst [van het adagium van de sardonische lach] is misschien niet Sardinië, maar het eiland Sardon voor de kust van Carthago waar een lachritueel het offer van grijsaards door hun kinderen zou hebben begeleid.’ Na enig vruchteloos zoeken daagde het bij me: Sardon is de Griekse naam voor Sardinië en dit is het eiland voor de kust van Carthago. Het doden van de oude mensen op Sardinië hebben we in de eerste aflevering bekeken – voor wie Frans machtig is, kan het nog eens lezen op de site https://www.pourlascience.fr/sd/archeologie/lherbe-sardonique-10315.php van François Savatier, die uiteraard gewoon een Engels stuk in het Frans heeft omgezet. Hij begint met de opmerking van Sallustus (1e eeuw VC), dat er op Sardinië geen enkel giftig kruid groeit behalve de sardonische plant, die lijkt op de selderie. Wanneer men ervan eet, trekt het de spieren van de mond samen en doodt terwijl het een stuiptrekking van lachen veroorzaakt. In de 8e eeuw VC introduceerde Homerus de uitdrukking ‘sardonisch lachen’. Later rapporteerden talloze schrijvers uit de Oudheid, met name Sallustus (86-35 VC), dat de oude Sarden ritueel hun grijsaards “die genoeg hadden geleefd” doodden door hen te bedwelmen met het ‘sardonische kruid’ alvorens hen dood te slaan of te duwen vanaf een hoge klif. We hebben gezien, dat dit dubbelop is en dat dit ritueel in het geheel niet is vastgesteld bij de oude Sardiniërs en bovendien behoort tot een groep van zwerfsagen, die op vele plaatsen ter wereld werd verteld van groepen, die men om een of andere reden wilde diskwalificeren.

Ook de site http://www.volkoomen.nl/Q,%20R/ranunculus.htm, waar overigens een prachtig overzicht van de verschillende ranonkelsoorten wordt gegeven met interessant commentaar, verkondigt het bovenstaande foute idee als volgt: “In het eiland Sardinië groeit een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen die een stuipachtig vertrekken van de mond teweegbrengt, risus Sardonius. Ranunculus thora en Ranunculus sceleratus werden door de Romeinen sardonia genoemd omdat ze prikkelden tot een sardonische stuiplach. Bij de oerbevolking van Sardinië bestond het gruwelijke gebruik om de ouden mensen te doden, daarbij zou gelachen worden. Dat was de beruchte risus Sardonius, een krampachtig lachen waar de ziel niet aan deelneemt. Vandaar Italiaans riso sardonic, Frans ris sardonien, sardonique, Engels sardonic laughter. Dit zou de echte Sardonische of Sarcastische lach zijn.”

In de bovengenoemde ‘Lexicon universale’ van J. Hofmann zijn de Sardonii apart opgenomen met de bemerking “populi Africae, a Sardone regione in Carthaginensium finibus dicti, qui parentes septuagenarios Saturno ridendo sacrificare consueverant. Hinc Risus Sardonius. Sed vide etiam Sardinia.” (http://latin_latin.enacademic.com/52820/SARDONII) Het lijkt dus alsof Delon op een of andere wijze toch gelijk had: het volk met de gewoonte aan Saturnus te offeren woont niet op Sardinië, maar in Noord Afrika, in de ‘Sardone regio’ Ik had het zelf ook kunnen weten als ik Erasmus beter had gelezen. Hij heeft twee verhalen, die allebei teruggaan op Zenodotus, met wie hij niet de bekende Zenodotus van Ephese (https://en.wikipedia.org/wiki/Zenodotus) bedoelt, maar de Griekse sofist Zenobius uit de 2e eeuw (https://en.wikipedia.org/wiki/Zenobius). Het eerste verhaal komt van Aeschylus, niet de bekende tragedieschrijver, maar de 2e-eeuwse Aeschylus van Alexandria (https://en.wikipedia.org/wiki/Aeschylus_of_Alexandria). Deze vertelt in zijn werk ‘De Spreekwoorden’: “Er bestaat een volk dat woont in de regio Sardon in de Carthaagse kolonie.” Dus het volk heeft hier geen naam en het gebied waar dat volk woont heet “Carthaginensium coloniam, quae Sardonem regionem”. De Carthaagse kolonie kan wel Carthagena in Spanje zijn (zie de kaart op https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Carthaginensis.png), maar ook het gebied van Carthago zelf, dat Carthaginei wordt genoemd op kaart XIII van mijn ‘Geographia’. Dit volk nu heeft de gewoonte om 70-jarigen te offeren aan Saturnus, wat ze lachend doen, maar ze zijn niet echt blij, vandaar de uitdrukking sardonische lach voor een nagemaakte lach. Het lachend offeren hebben we gezien bij het offeren van kinderen in Carthago, wat eveneens aan Saturnus was. Het andere bericht heeft ‘Zenodotus’ van Timaeus, met wie Timaeus van Taormina uit de 4e eeuw VC (https://nl.wikipedia.org/wiki/Timaeus_van_Tauromenium) wordt bedoeld. Deze heeft het over een volk, de Sardonii, waar het de gewoonte is dat de zoons hun zeer oude ouders op de rand van een groeve zetten of van een afgrond, die hen zal dienen als graf; dan hen slaand met knuppels laten ze hen neertuimelen met het hoofd voorwaarts. Maar de ouders lachen op het moment van sterven, want ze houden het voor een gelukkige en nobele dood, want hun kinderen hebben door hen te doden alle respect verloren die ze voor hen hadden (vertaling en noten van Geneviève Moreau-Bucherie op de site http://l.a.latina.over-blog.com/pages/Le_rire_sardonique_Adages_dErasme-8995792.html). De twee verhalen hebben niets met elkaar te maken, dus zijn ook de aangeduide gebieden niet dezelfde en slechts met elkaar verbonden door de naamsgelijkenis. Erasmus maakt onderscheid tussen de ‘Sardonem regionem’ en het eiland Sardinië, Sardorum Insula, maar vervolgens vertelt hij dat dit eiland ook Sardo of Sardon wordt genoemd. Kortom allemaal zeer onduidelijk. Volgens Filippo Ferrari (1677:160b) zijn de Sardonii een Afrikaans volk, wonend in de ‘Sardone regione in Carthaginensium finibus’, waarna het verhaal van de 70-jarigen volgt, door hem toegeschreven aan Timaeus. Volgens J. Hofmann (1698) is het te ‘Sardone, Carthaginensium regione’ (http://latin_latin.enacademic.com/52814/SARDINIA). Overigens bestaat er een volk, de Sardones geheten, woonachtig in het uiterste noorden van Spanje aan de Middellandse zee, thans Frans gebied, zie https://fr.wikipedia.org/wiki/Sardones. Volgens M. Bruzen (zie eerder) bewonen zij de ‘Sardonum regio’, in Gallia Narbonensis aan de kust van de Middellandse Zee, maar dit zou eigenlijk Sordonum moeten zijn, want dat is volgens Isaac Vossius de orthografie van de oudste exemplaren van Plinius, zoals Avienus over hen spreekt als ‘Sordus Populus’ en hij verwijst naar ‘Sordicenæ’. Voor de Sardones wordt door Bruzen verwezen naar de Surdaones, een volk in Spanje Tarragonnoise, waarvan de herkomst onbekend is en wat sommigen willen lezen als Sardones, die Pomponius Mela & Plinius in Gallia Aquitannia [wat waarschijnlijk Narbonensis moet zijn als boven] plaatsen (maar volgens Bruzen is het beter de herkomst van een volk niet te weten, dan zonder steun een verbetering te durven aan te brengen in een oude Auteur).

De foto bovenaan het artikel toont een van de vondsten uit het Fenicisch centrum van Mozia op Sicilië (zie http://www.ansa.it/web/notizie/specializzati/inviaggio/2013/03/25/Sicilia-orme-Fenici_8455132.html en https://www.yelp.com/biz_photos/whitaker-museo-mozia-mozia?select=p7S7uTLb81Zsx40u77XLag en voor een andere positie http://digiscope10d.free.fr/Sicile/Trapani/slides/IMG_1287_DxO.html). Op de laatst genoemde site wordt dit omschreven als een ‘masker, die de ‘rictus sardonique’ weergeeft, die de ouders moest weerhouden hun verdriet te tonen bij het offer van hun eerstgeborenen te Tanit. ‘Rictus’ is een wijdopen gesperde mond en wordt vooral in het Frans veel gebruikt in plaats van ‘risus’ (lach). Het offeren van de kinderen hebben we gezien evenals het verbod voor de ouders om verdriet te tonen; maar een masker werd daarbij niet genoemd. Ik betwijfel dan ook ten zeerste of het masker op die manier werd gebruikt.

We hebben gezien dat het Sardonische gras ons ook niet verder brengt op de speurtocht naar de herkomst van de uitdrukking ‘sardanisch’ bij Homerus. Reden dus om het over een hele andere boeg te gooien en in de volgende aflevering wil ik me bezig houden met de herkomst van de naam Sardinië en wat de relatie is met de mysterieuze Sherden, een van de zogenaamde Zeevolken, die zo’n pest waren in het Egypte van Ramses III.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-sardonische-lach-1-senicide-op-het-oude-sardinie/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-sardonische-lach-2-senicide-en-sprookjestype-atu-981/

1 Comments

Leave a comment

Your email address will not be published.

*