Willem Jan Otten – Herzien: Het Appel Gevoel van Rob Scholte

In de serie Herzien vandaag geen films maar schilderijen. Waarom vindt Rob Scholte Karel Appel een slecht kunstenaar? Appel maakt indrukwekkende schilderijen, toch vindt Scholte dat hij meer had moeten worden dan een handelsobject. Maar was Scholte er niet juist zelf op uit handelsobject te worden? Willem Jan Otten over een schilder op zoek naar zichzelf: ‘Misschien is Rob Scholte wel de ideale, en onvermijdelijke opvolger van Appel.’

In Vrij Nederland van vorige week werd een aantal beeldende kunstenaars geïnterviewd over hun verhouding tot Karel Appel. Een van hen was Rob Scholte – dezelfde die tijdens de laatste Venetiaanse Biënnale het Nederlandse Paviljoen heeft gevuld. Scholte vertelde in VN dat Karel Appel als kunstenaar heel slecht is.

Nu is er met Appel inderdaad iets vreemds. Ofschoon hij meer dan veertig jaar schilderijen maakt is er van hem niet een beeld bekend. Ik bedoel natuurlijk niet standbeeld, maar zoiets als: nabeeld. Iets wat zich voor je geestesoog voordoet als een vorm wanneer je tegen jezelf ‘Appel’ zegt.

Wie aan, zeg, Picasso denkt, die ziet iets voor zich – bij voorbeeld een van de hoofden met de neus rechts en de ogen links daarvan. Dit hoofd hoeft helemaal niet te lijken op het hoofd zoals dat eens in een tentoonstelling of op een reproductie is gezien, – toch is het ‘Picasso’, en ligt het in het geheugen min of meer vast. Hetzelfde geldt voor de gloeilamp uit de Guernica. En ook voor zuiver niet figuratief werk, bij voorbeeld van Mondriaan, geldt dat het geheugen het op zijn eigen wijze kan reproduceren.

Zulke oeuvres worden uiteindelijk in je bewustzijn een beeld. Ik denk dat het succes van veel schilders op de langere duur altijd afhankelijk is van de mate waarin het geheugen hun werk kan herscheppen. Nogmaals: met een precieze, fotografische herschepping heeft dit niet per se te maken. Uiteindelijk wordt ieder oeuvre dat wat we met een veel te ruim zittend woord een ‘beeld’ noemen.

Hoe ziet dat beeld er nu uit wanneer we Appel voor ons zien? Niemand is met zijn werk onbekend. Toch geloof ik dat er maar heel weinig mensen zijn die, hun ogen sluitend en ‘Appel’ denkend, iets zelfstandigs, afgebakends, stilstaands zien. Je ziet de kleuren, de wirwar, je voelt wat je altijd voelt: een aanvechting om de verf te strelen, en je herinnert je het formaat: alles torent boven je uit en breidt zich uit naar rechts en links. Maar dat wat we geneigd zijn een beeld te noemen maakt zich niet los. Appel is een schip dat een kolkend kielzog van schilderijen heeft nagelaten – en dat zien we dus wanneer we aan hem denken: kolkend kielzog. Alles vloeit schuimend in elkaar over.

Kleurenwirwar

Dit is raar, en indrukwekkend, want schilderijen zijn schilderijen, en bewegen dus niet. Kennelijk zet het geheugen die van Appel in beweging – misschien wel omdat het de kleuren wirwar aftast naar iets dat geen wirwar is, maar een omtrek heeft. Als dat zo is, dan maakt het geheugen van Appel een film – zoals het geheugen, omgekeerd, van een zeer beweeglijke film iets stilstaands probeert te maken, door enkele momenten van roerloosheid te onthouden.

Natuurlijk is Appel, zoals hij door je hoofd spookt, ook een film, en wel de beroemde documentaire van Jan Vrijman. Omdat we daarin hebben gezien hoe Appel zijn verf aanbrengt, zien we, denkend aan zijn werk, ook zijn gebaren voor ons. Ook dit is iets ongekends, en was in de kunstgeschiedenis iets volledig nieuws. Stel je voor dat we bij het zien van een Mondriaan ook konden denken aan het gebaar waarmee hij een van zijn rücksichtlose loodlijnen heeft getrokken… Of bij het Melkmeisje aan de blik van Vermeer op het moment dat hij het melkstraaltje voltooide. (Deze blik heb ik overigens wel eens kunnen bekijken toen een Griekse jongen met krijt het Melkmeisje tekende op de tegels voor het C. S. Hij stak het puntje van zijn tong tussen zijn tanden, zoals poezen ook wel doen als ze met hun hoofd ergens anders bij zijn; vervolgens keek hij verwilderd op, en ook, meende ik, smekend. Hij was juist bezig aan het tapse van het melkstraaltje. De Griekse jongen was op dat moment Vermeer).

Karel Appel is de beeldende kunstenaar van wie we om zo te zeggen alles kennen, behalve het beeld. Ik geloof dat Rob Scholte hier op doelde toen hij in VN de opzienbarende woorden sprak dat Appel ‘als kunstenaar heel slecht is’. De interviewster, Rudi Wester, vroeg: ‘Bedoelt u vakkundig?’ En Scholte antwoordt dat het natuurlijk niet om poppetjes tekenen gaat, maar dat Appel ‘de kracht van het beeld zo onderschat heeft’.

Rob Scholte heeft zich in heel korte tijd binnen de kunst beschouwende wereld opgewerkt tot een fenomeen. Hij is, geloof ik, gefascineerd door namaak en reproductie – door wat technisch gesproken het kunstwerk doet doordringen in het collectieve bewustzijn. Ik heb zijn tentoonstelling How to star in Rotterdam niet gezien (mijn probleem met schilderijen is dat ze niet bewegen); wel heb ik maanden geleden genoten van zijn televisie-avond, toen hij voor de VPRO, geïnterviewd door Peter van Ingen, mocht laten zien wat hij mooi vond. Scholte heeft een aanstekelijk en essayistisch vernuft. Hij liet bij die gelegenheid ook de Appeldocumentaire van Vrijman zien, en een stel stripteasende Italiaanse meisjes, en Entr’acte van Rene Clair, en nog veel meer.

Ondermaats

De vraag is natuurlijk: wat bedoelt hij met ‘de kracht van het beeld’? Van Appel zegt hij dat die ‘zoveel meer had kunnen doen met de schilderkunst dan hij gedaan heeft, behalve het worden van een handelsobject’.

Zoiets kun je natuurlijk zeggen, maar de wedervraag is ogenblikkelijk: wat is de kracht van Scholte’s beeld? Er bestaan namelijk uitspraken die je niet kunt doen zonder zelf met een tegenvoorbeeld te komen. ‘Hij onderschat de kracht van het beeld’, gezegd van een beeldend kunstenaar door een beeldend kunstenaar, houdt in: ik onderschat die niet, kijk maar. Uitspraken op dit niveau zijn identiek aan credo’s, geloofsbelijdenissen. Voor minder kunnen we het niet doen. ‘Uw God is ondermaats’ kun je alleen zeggen wanneer je eigen godsbeeld onwrikbaar is, en uitdraagbaar. Anders wordt het een taalspelletje, zoals polemiek zo dikwijls een taalspelletje is tussen mensen met overtuigingen, terwijl het in kunst, net als in religie, uiteindelijk draait om handelingen en voldongen feiten. Een beeld met kracht – dat bestaat, dat is een gevolg van een daad: het maken; dat heeft een schilder op zijn geweten, dat is precies datgene wat de kijker doet beseffen: dit nu is een beeld, geen namaak, geen afschaduwing, dit is.

Wat er van Appel is, dat culmineert paradoxaler wijs niet in een beeld – Appel heeft de wereld niet leren kijken – maar het bestaat wel. De vraag of het mooi is doet niet eens meer ter zake, zomin als bij, zeg, Van Gogh. Er bevindt zich in vrijwel ieders afzonderlijke bewustzijn een Appel kielzog dat maar geen beeld wil worden. Alles kennen we van deze maalstroom – de kleur, de verfdikte, de streep dikte, we hebben zelfs, met moeite, geleerd er niets achter te zoeken – en toch kunnen we het niet stilzetten tot een freeze genaamd Vrouw met bloem, 1966, olieverf op doek, 230 bij 190 cm (collectie Karel Appel, New York). Weinigen hebben dat schilderij gezien voor het werd gereproduceerd in VN. Ook zonder het ooit gezien te hebben kon iedereen het desgevraagd voor zich zien. En nu ik het gezien heb weet ik: het verdwijnt in no time in de zee van kleur die Appel nu eenmaal geworden is.

Misschien is Rob Scholte wel de ideale, en onvermijdelijke opvolger van Appel. Op diens lichaam, gebaren en pictorale stofwisseling volgt ten lange leste ook eindelijk bij ons de kunstenaar die alleen maar opvatting over beeld is, en voor het overige volmaakt lichaam- en handschriftloos. Bij Rob Scholte zie ik, als ik mijn ogen sluit, niet iets voor me dat niet zijn gezicht is. Wat ik van hem per catalogus heb gezien, zijn beelden over andermans beelden, beeld ideeën – een kunsthistorische vonkenregen van opinies. Hij is een wandelend en briljant vertoog; onze postmoderne Pierre Jansen op den duur wie weet. Zeer grappig is het overhemd met de groene, fotografisch realistische appels dat hij droeg toen hij werd gefotografeerd voor het Appelinterview.

Ondertussen speelt hij met het idee van de kracht van het beeld, zoals atheïsten wel eens een boom opzetten over God, maar het in feite hebben over godjes, over curieuze mentale fenomenen of Staphorstse fantoompjes, en dus antropologie bedrijven, of psychologie. Belangrijk, onmisbaar – maar het is en blijft wat het is: doen alsof je zou kunnen geloven als je niet zo’n verrekt moderne jongen was.

Pensioen

In diezelfde Vrij Nederland stond Rob Scholte nog een keer afgedrukt, zij het nu in een geheel andere context, en wel als iemand die zich gelukkig mag prijzen met het Zwitserleven Gevoel.

Scholte – de man op zoek naar de kracht van het beeld – biedt in deze jongste hoedanigheid een tergende aanblik. Kunstenaars zorgden tot op heden alleen in het diepste geheim voor hun pensioen, want diep in hun hart wisten ze dat ze, voor ze niet meer kunnen werken, dood moeten zijn.

Onder Scholte’s kop staan zinnen, vermoedelijk opgetekend uit zijn mond, of laten we zeggen: zinnen die doen alsof ze uit zijn mond zijn opgetekend; ze zijn meer een ondertiteling: ‘Over erkenning en aandacht heb ik niet te klagen. De Nederlandse pers schrijft regelmatig over me, en in het buitenland werd ik naar voren geschoven als de nieuwe Van Gogh.’

Bij Scholte, besef je ineens, denk je niet zozeer in termen van beelden, als wel in termen van zetten. Deze zet vind ik adembenemend; hij is gedaan met een soort doodsverachting: iemand die voor een pensioenverzekering poseert, in een maatkostuum bedrukt met verfspatten, die speelt Russische roulette met het Beeld, – want van nu af aan loopt hij het gevaar dat een beeld alle andere zal gaan overschaduwen: dat van hemzelf, de camera instarend met een gespannen, bijna smekende blik onder de woorden: het Zwitserleven Gevoel van Rob Scholte.

Het oor van Van Gogh is hierbij vergeleken peanuts. Ik beken dat ik nu en dan twijfelde aan de hoogte van Scholte’s inzet – maar ik begin te begrijpen dat hij zijn spel op het scherp van de snede speelt. Het gaat hem niet om het Beeld, maar om het beeld van hem, zoals wij dat vormen. Het is een gevaarlijke obsessie, want van zichzelf heeft hij geen idee. Hij speelt zichzelf. Niet wat hij maakt is zijn onderwerp, maar hoe hij wordt gezien.

Misschien lukt het hem. Misschien zien onze kinderen over dertig jaar, wanneer ze hun ogen dichtdoen, wel hetzelfde voor zich als Rob Scholte nu: een hoge stapel bankbiljetten.

NRC, 21 december 1990

https://www.nrc.nl/nieuws/1990/12/21/het-appel-gevoel-van-rob-scholte-6950930-a238200

Leave a comment

Your email address will not be published.

*