Tessa van Veen – Je kunst of je leven (6): Den Haag

Noem het gogme* of manisch, maar in Den Haag daar gebeurde het. Kunst en antieke meubelen, dat snappen we nog. Maar waar kwamen de mode en dat café vandaan? Voor mij was het eigenlijk best logisch en het lukte ook allemaal. Roze bril of niet, ik was enthousiast over alle plannen van Edwin. Ik ging er vol in mee. Ik snapte het heel goed. Een hele tijd later, geheel tegen mijn aard in, ben ik ook een keer naar zo’n lotgenoten-bijeenkomst geweest, waarbij familieleden, vrienden en kennissen van manisch-depressieve personen, “hun lot delen”. Tja, gelachen heb ik ook, er was iemand bij, die bij hoog en bij laag volhield, golfkampioen te zijn. Hij kon nog geen balletje raken, maar iedereen, vooral hijzelf, geloofde erin. Zijn moeder, zo vertelde ze, maakte zich regelmatig zorgen om hem, wanneer hij ’s nachts naar de golfbaan vertrok. Volgens hem was het beter om zonder toeschouwers een balletje te slaan, immers dan kon hij niet uit zijn concentratie worden gehaald. In zijn hoofd had hij alle toernooien gewonnen, maar golfen kon hij dus niet. Ik ben wel stellig overtuigd geraakt van het feit, dat zo’n persoon bijvoorbeeld wel een heel goede golfcoach zou kunnen zijn. Met medicatie, dat zeer zeker. Zijn extreme focus op de golfsport zou weleens zo analytisch en perfectionistisch kunnen zijn, dat hij menig goed praktiserende golfspeler feilloos zou kunnen adviseren bij zijn spel. Men is geneigd bij afwijkend gedrag die persoon acuut weg te zetten als mesjogge. Het tegendeel zou wel eens waar kunnen zijn. Edwin had, zeker toen, een extreme focus op kunst. Nachtenlang zat hij, terwijl ik sliep, met zijn neus in de kunstboeken en de veilingcatalogi, of schilderde alle winkels goudkleurig. Tegenover het bed hing altijd een schilderij. Dat schilderij werd minutieus ontleed en daarna gekoesterd of afgestoten. De aparte winkel in antiek kantoormeubilair was een logisch gevolg van de toenemende vraag naar schrijftafels, klepbureaus, vergadertafels, globes, bronzen beelden, en andere verfraaiende zaken voor bestuur- en vergaderkamers, om te imponeren.

Maar dan damesmode. Edwin nam een bestaande zaak over aan de Denneweg. Hij had er nachten van wakker gelegen, dus het moest er wel van komen. Hij beklonk de zaak in “no time”. Het was een goed lopende zaak, waar mode al gecombineerd werd met interieur- accessoires. De zaak voerde al goede degelijke merken, maar voor Edwin mocht het allemaal wel wat chiquer, exclusiever en gewaagder. Op naar Parijs, de shows van Daniel Hechter, Kenzo, Guy Laroche en Jacques Fath werden door ons bezocht. Gaaf natuurlijk. Mode en kunst laten zich heel spannend combineren, dus buiten de inkoop van de reguliere collectie om, konden we het niet laten te gaan voor een aantal heel exclusieve merken en stukken. Zoals bijvoorbeeld een lange mantel van Guy Laroche helemaal in mozaïek vol geborduurd met stukjes leer in verschillende aardetinten. Het was een kunstwerk op zich. Of de diep paars blauwe wollen winterjas met een lange paardenharen kraag van Jacques Fath. Dat was ook een uitschieter. We vielen tevens als een blok voor de collectie van de minder algemeen bekende Japanse ontwerper Yoshiki Hishinuma. Zijn creaties bestonden allemaal uit schitterende, vrolijke en fel gekleurde stoffen. Eén van die aparte stoffen was synthetisch met een heel bijzonder kreuk effect in verschillende pasteltinten. De kledingstukken leken bijna allemaal euforisch geïnspireerd op bloemen, planten, water en andere elementen uit de natuur. Jammer genoeg konden er toen te weinig stuks worden geleverd, om echt een collectie te voeren, wat we graag wilden. Deze kunstzinnige mode zagen we direct voor ons in de winkel in een spannende combinatie gepresenteerd met een serie psychedelische zestiger jaren kunstwerken op de achtergrond. In ons hoofd was het plaatje al compleet. Een aantal stukken uit die bewuste collectie (1998-1999) zijn later opgenomen in de modecollectie van het Haags Gemeentemuseum. We kozen voor andere aparte stukken. Het werd een on-Nederlandse modewinkel. Achteraf bezien was het allemaal iets te vooruitstrevend en iets te hoogdrempelig voor Den Haag. Het prijsniveau was hoog en dat gecombineerd met niet altijd even commerciële stukken in een niet alledaagse setting, maakte het (jammer genoeg) te ingewikkeld voor de klant. Een wel heel bijzondere aankleding van de etalage bleef bij een Haagse journalist niet onopgemerkt. Prominent stond er een grote Murano glazen fontein te klateren tussen de fraai aangeklede gouden etalagepoppen. Muranoglas is glas gemaakt in Murano of volgens de ambachtelijke tradities van dit eiland bij Venetië. Het glaswerk kent een lange en bijzondere geschiedenis met vele wereldberoemde ontwerpers en glasblazers. In 1291 werden alle glasblazers uit Venetië gedwongen om te verhuizen naar Murano vanwege het brandgevaar. Door de volledige isolatie van deze mensen werd ook wel gezegd dat het de bedoeling was de geheimen van het glasblazen op die manier beter te beschermen. Op het doorvertellen stond de doodstraf. Deze mensen leefden eigenlijk als gevangenen op het eiland Murano. Het betrof hier een unieke fontein, helemaal gaaf en zeer rijk gedecoreerd. De decoratie bestond uit een groep engelen op zwanen rondom een grote mintgroene ananas vormige kern. Uit talloze doorzichtige bloemetjes met goudvlokjes rondom spoot het water over de ananas heen en liep het water in een filmdun laagje weg in een grote groene schaal. Een sprookje om naar te kijken. De aanschaf van deze fontein is sowieso een verhaal apart.

Inkoopreis. We slingeren met de auto door een oer-Engels glooiend landschap naar Arundel, een plaatsje in het Engelse graafschap Sussex, in het dal van de rivier de Arun. Het meest opvallend daar is het grote kasteel, dat oorspronkelijk dateert uit de 12e eeuw. Het is nu één van de meest indrukwekkende en meest complete kastelen van Engeland. Het is ook een bekend plaatsje vanwege de (vaak erg dure) antiekwinkels. We hebben tijd over en daarom besluiten we toch even een kijkje te nemen. We zien veel mooie dingen, maar alles is inderdaad even prijzig. Bij een klein winkeltje met een imposante fontein in de etalage blijven we staan. Ik lijk even wel een klein kind. Ik blijf mijn neus tegen de etalageruit drukken, alsof ik het dan beter kan zien. Gezien mijn passie voor ballet trekt direct het Zwanenmeer aan me voorbij. Wat een schitterend ding! Helaas, de winkel is potdicht. Maar er is hoop. Een briefje op de deur geeft aan, dat de eigenaar zich weer meldt met een minuut of vijftien. Dat is te overzien en daar gaan we op wachten. Het wordt iets langer dan vijftien minuten, maar dan verschijnt er een oudere man bij de winkel. We vallen letterlijk naar binnen. We proberen nonchalant ook naar andere stukken in de winkel te kijken, maar het draait bij ons allemaal om de fontein. Van dichtbij is ie nog mooier. Ik sein naar Edwin. De man van de winkel is niet gek en vermoedt al dat het ons om de fontein te doen is. Hij weet er niet veel vanaf zegt hij. Jaren 30, Italiaans, zover komt hij. Eigenlijk durven we de prijs niet te vragen, we hebben al zo veel mooie dingen ingekocht. De auto is propvol. Maar door onze gedachte spookt Murano. De verkoper zegt, dat hij geen signatuur of ander kenmerk heeft kunnen vinden voor Murano. Dan durven we de prijs te vragen. Misschien valt het mee. Het valt een beetje mee, maar daarna zijn we echt los. We dralen om het ding heen en gaan naar buiten om te overleggen. Weer naar binnen en dralen. Ik mag er een glazen zwaan vanaf tillen en een engel. Ik beef. Ik geef geen krimp (hoewel mijn hart een sprongetje maakt) als ik onderop het stopje van een engel toch een signatuur ontwaar: “Gino Forte”. Het zal wel. Het klinkt Italiaans. Ik ken de beste man niet, maar dit is fantastisch. En nu “cool” blijven. We twijfelen toch over het bedrag. Ik sein naar Edwin. Wij weer naar buiten. Dan spreekt de man de legendarische woorden uit: “Oh well, it’s only money, you know…”. Acuut doen we de deal: “it’s only money, indead”. En dan moet het glazen gevaarte ingepakt worden. Ieder onderdeel gaat apart in twee lagen bubbeltjes folie. Ik ben er uren zoet mee. Dan in dozen de auto in, die al tjokvol zit met handel, waaronder een grote staande loden leeuw. Gehaast door de tijdrovende manier van inpakken komen we op de M25, richting de boot, in een kettingbotsing terecht. De schade aan de auto valt reuze mee, maar we hebben een lelijke noodstop moeten maken met de nodige impact op de lading: de glazen fontein. De loden leeuw kunnen we zien, en deze is op de lasnaden uiteen gesprongen. Ik durf niet meer aan de fontein te denken tot we in Nederland zijn. Zo snel mogelijk naar huis. Daar blijkt, wonder boven wonder, dat mijn uiterst zorgvuldige inpak methode heeft gewerkt. Dubbelbubbel “did the trick”. De fontein is helemaal heel.

De modewinkel was ook een keer het toneel voor een expositie van mode en kunst onder de titel: “Complete Verwevenheid”. Een collectie (avond)japonnen gemaakt van onder andere handgeweven stoffen door Margaret Sabee, kunstenares en weefster, en ontworpen door Peter George d’Angelino Tap. De creaties werden op zeer welgevormde gouden etalagepoppen geshowd, en opgesteld voor een wand compleet gevuld met kunstwerken (60 stuks) van de Nieuwe Haagse School kunstenaar Hans van der Lek (1936-2001). Dit werk van Hans van der Lek, gouaches op papier, wordt gekenmerkt door collage- en gemengde technieken. Hij gebruikte aan materiaal onder andere stukjes textiel, waaronder kant, maar ook kralen, oud papier en speelkaarten. Hij combineerde het materiaal met goud- en bronsverf en vaak heldere felle kleuren. De kunstwerken ademen dezelfde sfeer als de japonnen en omgekeerd. De werken zijn gemaakt in de jaren zestig van de vorige eeuw. Deze kunstwerken hebben soms een popart en een dada element door de toevoeging van losse letters. De mode en kunst hebben eenzelfde bohemien sfeer en door de losse elementen, een sterk associatieve werking. Beide raakten de “Flower Power” in de kern. Deze collectie Van der Lek’s beland via via in 2014 in een chique gallerie op het Noordeinde. Daar worden we “toevallig” door de werken weer aangenaam verrast. De huidige eigenaar maakte er een leuk boekje over. Ik mag persoonlijk zelfs één kunstwerk uitzoeken. Zo komen dingen, kunstwerken, terug in je leven. Kunst vertelt altijd een verhaal. De expositie trok veel bezoekers, die zich tegoed deden aan de hapjes en de drankjes. Een journalist van de Haagse Courant tekende ook een stukje op. Hij sloot het artikel af met woorden van Edwin: “Het leven is voor mij net een film, waarin ikzelf de hoofdrol speel, alhoewel ik niet het gevoel heb dat ik er zelf bij ben, maar misschien kom ik mijn naam ooit nog eens tegen op de aftiteling”. De samenwerking tussen Sabee en d’Angelino Tap liep helaas al snel ten einde. Deze mensen kwamen toch uit twee compleet andere werelden, die totaal niet verweven bleken. Sabee, een zeer betrokken en zachtaardig mens, geïnspireerd door de natuur en kent na een bijnadoodervaring het komen en gaan in dit leven. Als gevolg daarvan heeft ze een mooi project genaamd “Laat je niet kisten”. Ze maakt in opdracht geweven lijkwaden. Onder het motto: als je je tijdens het leven niet laat kisten, waarom zou je dat dan op het laatst alsnog wel doen! En daar tegenover d’Angelino Tap, getalenteerd, ambitieus, zakelijk, eigengereid. Van deze Peter George heb ik sindsdien niets meer gehoord. Tot ik in 2013 werd geconfronteerd met zijn werk. Ik was bijzonder onder de indruk van zijn ontwerp voor een acht meter lange Koningsmantel, tentoongesteld in het Atrium van het Haagse stadhuis. Indien Zijne Koninklijke Hoogheid Willem Alexander ervoor had gekozen deze mantel te dragen tijdens zijn inhuldiging, dan had hij zich mijns inziens een echt hedendaags vorst getoond, in plaats van dat ding van oma uit de mottenballen te halen. Los nog van het feit dat het ding onesthetisch half afgezakt om zijn schouders hing, mij persoonlijk een doorn in het oog. Maar dat terzijde. Margaret waardeer ik zeer om haar inzet en betrokkenheid van destijds, maar nog meer waardeer ik het feit dat ze zich zo’n 15 jaar na dato nog steeds verbonden voelt met ons. Met hetzelfde gemak en interesse in de kunst en de mens daar achter, heeft ze mij en Edwin een goed gevoel meegegeven tijdens onze Pieter van Goudzwaard tentoonstelling in 2015. Anderzijds moet ik zeggen dat ik vind, dat Peter George d’Angelino Tap (ondertussen ook lid van het vermaarde Pulchri Studio aan het Lange Voorhout te Den Haag) zich heden ten dage mag scharen onder de echte modekunstenaars. Petje af.

De modewinkel biedt uitgebreide service waaronder haute couture. Het kan gemaakt worden door onze huiscouturier, u vraagt wij draaien. Een knappe jonge dame, cum laude afgestudeerd aan de modeacademie, helpt u graag, een ontdekking van Edwin. Het liep goed. Met regelmaat kreeg ze opdrachten voor gala- of bruidscouture. Haar specialiteit: korsetten. Ambachtelijk gemaakt en zeer mooi ontworpen. Haar liefde ging toen zeker uit naar lingerie ontwerp. Ze mocht naar Lille voor de inkoop van de beste stoffen. Het arbeidsloon blijft immers toch hetzelfde. Met haar talent en voorkomen, onder de juiste begeleiding, had ze het misschien wel tot “Marlies Dekkers” kunnen schoppen. Er doet zich een incidentje voor. Moeders van de jonge dame raakt over de rooie, maar moeders kon er niet omheen. Dochterlief had toch echt zelfstandig het initiatief genomen samen met Edwin iets spannends in Parijs te ondernemen. Edwin zei: “Zeg het maar: ben je confectie of couture?” Ik volgde het op de voet. Interessant zo’n muze in de stal erbij. Naaien kan ik niet, dus het had een mooie aanvulling kunnen zijn in het team. De samenwerking was echter geen lang leven beschoren, helaas. Ze koos voor haar eigen leven, een voorbode van huisje, boompje, beestje. Voor zover ik weet heeft ze nu inderdaad een man, kinderen en een baan (iets met baby- en kindermode). Misschien trappelt uw baby wel in een door haar ontworpen zakje. Ook leuk.

De naam Hopster bekt lekker voor een Café. En zo werd café Hopster’s geboren. De voorheen “Pompernickel”, een roemrucht café aan de Denneweg nummer 27, werd door Edwin van een uitgeleefd stinkend rokershol, omgetoverd tot een uiterst chique, maar toegankelijk café. De sfeer werd voornamelijk bepaald door een imposante omgebouwde bibliotheekkast achter de bar. Kosten noch moeite werden gespaard, qua inrichting met kunst, maar ook met betrekking tot de brandveiligheid. Het werd een ultra veilige zogenaamde “doos in doos constructie”. Marmer in de toiletten, een openhaard met grote lederen fauteuils achterin, een echte stamtafel voorin en twee antieke Engelse barstands in het midden van de zaak. Geen moeilijk gedoe met een keuken, gewoon een bonkje kaas en worst te bestellen. Nootjes en olijven altijd standaard op tafel. De wijnglazen antiek en van kristal, grote luxe glazen met allemaal verschillende graveringen. Dan drinkt zo’n wijntje toch heel anders weg. Sowieso werd er een goede wijn geschonken. De wijn, rood en wit, viel zelfs officieel tweemaal in de prijzen (categorie café) en bovendien vooral bij de dames in de smaak. Makkelijk werd de wijn gedurende de hele avond gedronken en de volgende dag, hoofdpijn vrij, gewoon weer door. We hadden een wat ouder publiek, waarvan een aantal goed in de slappe was zat. De fooien waren goed en de omzetten nog beter. De start was legendarisch. Edwin twijfelde nog een beetje, niet aan de uistraling van het geheel, toen het af was, maar wel of we klandizie zouden krijgen. Edwin zit wat te mijmeren aan de bar. Dan klopt er iemand op de deur. De eerste nieuwsgierige dorstige mens meldt zich. “Kom maar verder hoor”, zegt Edwin en daar zit je dan in je eigen kroeg, maar Edwin heeft geen idee hoe hij een vat bier aan moet slaan. De buurman van het naast gelegen restaurant biedt uitkomst. Hij slaat het vat aan en even later komt het goudgele vocht uit onze eigen tap gestroomd. Het lekkerste biertje ooit staat te stralen op de bar. De eerste van velen. Het is het jaar van de overgang naar de euro. Het is even wennen die euro’s. Zeker in het begin leek alles goedkoper. Onzin natuurlijk, we zijn er “flink mee in het pak genaaid”. Ik stond achter de bar, streng, maar rechtvaardig. Een kroeg runnen is een niet te onderschatten aangelegenheid. Edwin was vaak de gangmaker. Samen met Gert waren we een geoliede machine. Voordat Gert en ik het samen gingen doen, de bar runnen, moesten we eerst even zien te “dealen” met de slapstick van de dronken ober.
Edwin en ik zijn onderweg vanuit Maastricht, waar we de Internationale kunstbeurs TEFAF bezochten, naar Den Haag. Ondertussen voltrekt zich in ons café een kleine ramp. De clientèle van café Hopster’s voorziet zichzelf rijkelijk van de nodige drank. Leuk zo’n nieuw concept: selfservice, gratis drank en “live” entertainment. De barman ligt laveloos in een hoek van de zaak en brabbelt wat voor zich uit. Lachen geblazen. Totdat het tafereel één sympathieke klant toch net iets te gortig begint te worden. Ze kan het niet langer meer aanzien en besluit Edwin op te bellen. We rijden linea recta naar de “plaats delict”. De echte plunderaars hebben zich dan al uit de voeten gemaakt. Met moeite weten we de barman in een taxi naar huis te krijgen. Het ontslag op staande voet is in deze een contradictio in terminis. Er volgt nog een genante rechtszaak. Hij vecht het ontslag (kansloos) aan, want de wet is hier wel heel erg duidelijk en ruim in de omschrijving: je liederlijk gedragen tijdens het werk is reden voor ontslag op staande voet. Er waren in dit geval ook nog eens heel veel vrolijke getuigen. Hoewel deze het stuk voor stuk lieten afweten, toen ik hen vroeg iets op papier te zetten, mocht dat nodig blijken te zijn. Zijn echtgenote en hijzelf, de barman, leefden nog in de ontkenningsfase, een pijnlijke conclusie restte hen. Alcoholisme maakt meer kapot dan je lief is. Een triest verhaal. Door die ontkenningsfase waren ze nu in één klap heen. Ik hoop oprecht, dat de alcoholist hulp heeft gezocht en aanvaard, en dat de relatie stand heeft gehouden.

*Jiddisch en bargoens voor ‘wijsheid’.

Leave a comment

Your email address will not be published.

*