Sybilla Claus – Onderzoek naar ‘De Vergeten geschiedenis’ + VPRO/NTR:/NPO | Andere Tijden – NCF: Nederland produceerde zijn eigen drugs + VICE Nederland – De Nederlandse Cocaïnefabriek

Onderzoek naar ‘De Vergeten geschiedenis’: Nederland wist de weg met drugs

Wetenschap – “Collectief geheugenverlies,” noemt de Rotterdammer Marcel de Kort de ‘vergeten’ geschiedenis van onze vaderlandse drughandel en productie. Wie weet anno 1994 nog, dat Nederland in de eerste helft van deze eeuw het centrum was van smokkel en handel in harddrugs en in één adem werd genoemd met Peru en Bolivia? Dat Nederland de grootste cocaïneproducent ter wereld was en de staat in de 19e eeuw honderden miljoenen guldens verdiende aan opiumhandel…?

“Eeuwenlang had Nederland grote belangen in de opiumhandel, die indertijd nog legaal was. Vanuit Turkije werd de opium naar Nederlands-Indië vervoerd, waar vooral Chinese maar ook inheemse bewoners het spul verwerkten,” zegt historicus De Kort, die dit jaar aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit promoveert op de geschiedenis van het Nederlandse druggeld.

In 1878 brachten handelaren coca struiken vanuit Zuid-Amerika naar Java, waar groter wordende plantages werden aangelegd. De Java coca zou tot de beste van de wereld gaan behoren en de staatskas flink spekken. De Kort becijferde, dat dit de staat tussen 1876 en 1915 meer dan ƒ 700 miljoen winst oplegde. Steeds meer Indiërs raakten verslaafd in de talloze opiumkitten, die in elk dorp wel te vinden waren. In 1923 kende Nederlands-Indië maar liefst 172.703 geregistreerde opiumgebruikers. Nederland had het monopolie van import tot verkoop in de staats opiumwinkels.

Lange tijd werd ook in Nederland de ernst van verslaving niet ingezien. De pijnstillende morfine was dè ontdekking van de 19e eeuw. „Artsen vonden, dat een fantastisch middel en creëerden zo een nieuwe groep verslaafden. Toen rond 1850 de injectiespuit werd uitgevonden, was het hek van de dam. Gespoten was morfine nog effectiever.”

Coca cola

Een enorme bloei was er vanaf 1875 in de zogenoemde specialité’s, vrij verkrijgbare middelen, die voor allerlei kwaaltjes werden gebruikt. Wijn met coca en natuurlijk later coca cola werden wereldwijd populair.

In advertenties beloofde doctor Alvarez van de Zeedijk 16 te Amsterdam, dat zijn coca bereidingen voor „de meest verrassende genezingen” zouden zorgen. Door het hele land had Alvarez depots. „Tyfus, cholera, geslachtsziekte, noem maar op. Overal hielpen die middeltjes tegen, en bijna overal zaten opiaten in. Dat ging soms wel eens mis, zoals in 1927 toen er twee baby’s stierven aan een overdosis. Ze hadden te veel opiumstroop gedronken.”

Inmiddels was Nederland al uitgegroeid tot de grootste cocaïneproducent ter wereld, die naar allerlei landen exporteerde. In 1900 werd de Nederlandse Cocaïne Fabriek (NCF) opgericht, die begon aan de Schinkelkade in Amsterdam. Al snel groeide de NCF het pand uit en moest naar een grotere vestiging verhuizen.

„Ons land had aan het begin van de eeuw waarschijnlijk meer druggebruikers dan tegenwoordig,” stelt De Kort. „Maar alcoholisme was in die tijd hèt probleem. Dat waren de onruststokers. Opiumschuivers waren eigenlijk wel rustige figuren. Mede omdat verdovende middelen in die tijd niet duur waren en het normaal was verslaafden op recept drugs te verstrekken.”

Tussen 1907 en 1914 groeide de export van Java coca van 200 naar ruim 1.300 ton. „Door de Eerste Wereldoorlog steeg de vraag naar verdovende middelen nog verder”, aldus Marcel de Kort.

Veel artsen, apothekers en verpleegkundigen waren ook verslaafd. In de archieven kwam De Kort in het jaar 1937 de keel, neus en oorarts dokter B. uit Rotterdam tegen: „Die was zelf verslaafd en schreef zijn patiënten voor van alles en nog wat cocaïne voor. Per jaar betrok hij bij diverse apotheken 2 kilo cocaïne. Eén apotheker uit de Maasstad viel op, omdat hij elk jaar 1 kilo coke omzette. Ook hij en zijn vrouw bleken — verslaafde — patiënten van dokter B. Patiënten gebruikten de cocaïnespray soms wel 20 keer per dag; in vloeibare vorm was de fles zonder recept bij de apotheker weer bij te vullen.”

Handelsbelangen

Toch kwam er langzamerhand een stroming tegen het druggebruik op gang. Amerika probeerde de drughandel op wereldschaal aan te pakken en kreeg in 1909 voor het eerst een opiumcommissie bijeen. „Nederland wilde geen internationale regels, dat zou de handel maar belemmeren. De lage landen waren inmiddels de grootste drugdealer van Europa,” verklaart De Kort.

„Daarom heeft de overheid de internationale onderhandelingen jarenlang weten te vertragen. Tot grote ergernis van Amerika en de Volkenbond, die ons vaderland in één adem noemden met Peru en Bolivia en ons zelfs in 1940 nog veroordeelde als een van de belangrijkste exporterende en producerende landen.”

In 1919 kwam onder internationale druk de Opiumwet tot stand. „Dat was geen strafwet, maar meer een administratieve maatregel. Er mocht alleen met een vergunning geproduceerd worden”, zegt de historicus, om te vervolgen: „De handel kon zich mèt vergunning ongehinderd uitbreiden.” In 1928 werd de wet aangepast: De maximumstraf werd van drie maanden naar twee jaar verhoogd. Bovendien mocht er alleen voor medische doeleinden worden geproduceerd.

Lachend: „Natuurlijk wisten ze, dat dit niet het geval was. De wereld productie was véél groter dan de medische behoefte; de wet was makkelijk te omzeilen èn te overtreden.” Er ontstond een levendige smokkel. In 1930 werden de eerste koffers met dubbele bodems ontdekt. Brandkasten vol coke, frauderende ambtenaren, een huisvrouw, die in 1936 met een pond hasj op de Overtoom werd gearresteerd. „De wet kon, evenmin als nu, drughandel en gebruik voorkomen,” concludeert De Kort dan ook.

Doordat handelaren vóór de wetswijziging van 1928 nog snel hun slag wilden slaan, werden ’27 en ’28 topjaren. Nog snel werd een voorraad van één miljoen kilo cocabladeren uit de pakhuizen verkocht.

De Nederlandse Cocaïne Fabriek nam met 1.500 kilo in de jaren twintig zon 20% van de wereld productie voor zijn rekening. „Toen er in ’31 een quotum werd ingesteld van 300 kg per jaar, legde de fabriek zich toe op andere, legale drugs als heroïne, opium, morfine en novocaïne. Al snel beheerste de NCF twee derde van de Nederlandse markt. In 1941 ontwikkelde men er amfetamine (speed), vermoedelijk voor Duitse soldaten. De Duitsers op hun beurt ontwikkelden in ’43, toen er aan het front morfine tekorten ontstonden, methadon, adolphine noemden ze dat.”

In 1943 dreigde Amerika Indië niet te bevrijden als Nederland de opium daar niet zou verbieden. „Pas onder die zware druk gaf de overheid toe en kwam er een eind aan de buitenlandse handel.” Ook in het binnenland was het na de oorlog met de officiële handel snel gedaan. Alleen de NCF, die in ’75 opging in de Akzo, bleef nog met licentie cocaïne voor de geneeskunde produceren.

De Telegraaf, 14 mei 1994

https://www.telegraaf.nl/

De Nederlandse Cocaïnefabriek: Nederland produceerde zijn eigen drugs

De in Amsterdam gevestigde Nederlandsche Cocaïnefabriek (NCF) produceerde in de vorige eeuw op grote schaal en volledig legaal, cocaïne voor medicinale doeleinden uit in Nederlands-Indië geteelde cocaplanten. Daarnaast produceerde de fabriek onder meer morfine, heroïne en novocaïne.

Coca Java

Rond 1860 lukte het voor het eerst om uit de bladeren van de coca plant cocaïne te winnen. Aanvankelijk kwamen de benodigde cocabladeren uit Bolivia en Peru. Dat laatste land was – kwalitatief en kwantitatief gezien – de belangrijkste leverancier voor Europa, waar Hamburg de belangrijkste invoerhaven was. Nederlandse handelaren hadden snel door dat hier grote winsten te behalen vielen.

In 1878 werd een lading coca struiken vanuit Zuid-Amerika naar de plantage Hortus Botanicus in Buitenzorg op Java gebracht. Kort daarop werd gestart met de verbouw van het gewas voor commerciële doeleinden op Java, Madura en Sumatra. Vooral de Koloniale Bank van Amsterdam speelde een belangrijke rol in de coca productie en handel.

Koloniale bank richt NCF op

In eerste instantie werden de ladingen cocabladeren naar Duitsland geëxporteerd, maar door de groeiende vraag naar cocaïne en de stijgende productie op Java zag men ook brood in de eigen fabricage van de drug. De Nederlandsche Cocaïnefabriek werd daarom door de Koloniale Bank op 12 maart 1900 opgericht.

De fabriek produceerde aanvankelijk drugs in de achterkamer en de keuken van een op de Schinkelkade gevestigd pand. In de voorkamer van dat pand hield het bedrijf kantoor en de onderneming stond later ook gewoon in het telefoonboek. De fabriek produceerde de drugs van 1900 tot in het begin jaren zestig compleet legaal.

De NCF was niet de eerste of enige cocaïnefabriek in hoofdstad. Voor coca producten konden Amsterdammers al in de jaren zeventig van de negentiende eeuw terecht op de Zeedijk nummer 16. Daar kon de patiënt diverse coca-bereidingen uit het cocaïnefabriekje van doctor José Alvarez verkrijgen.

In een advertentie in de Geneeskundige Courant beweerde Alvarez bijvoorbeeld dat zijn coca-pillen (slechts twee gulden per doosje!) zorgden voor ‘de meest verrassende genezingen bij alle hals-, borst- en longziekten, zoals verkoudheden, astmatische toevallen, kleine zweeren aan de long, zelfs wanneer laatstgenoemde reeds in hoogen graad aanwezig zijn’.

In 1902 werd de fabriek aan de Schinkelkade uitgebreid. Rond 1909 werd aan de huidige Duivendrechtsekade een nieuwe fabriek betrokken, die gaandeweg steeds verder werd uitgebreid. Aanvankelijk profiteerde de NCF van de Eerste Wereldoorlog doordat grote concurrent Merck KGaA geen toegang meer had tot sommige afzetmarkten en de aanvoer van grondstoffen ook in het gedrang kwamen.

De NCF sprong hier handig op in en breidde gestaag uit. Er gold tijdens de Eerste Wereldoorlog weliswaar een exportverbod voor geneesmiddelen uit het neutrale Nederland, maar de NCF kreeg hier een ontheffing voor. In de loop van die oorlog kreeg de NCF wel steeds meer te maken met ontwrichtingen als gevolg van de gevechtshandelingen, zoals een tekort aan grondstoffen door de onbeperkte duikbootoorlog vanaf 1917.

Aandeel Nederlandsche Cocaïnefabriek (foto CC)

Aandeel Nederlandsche Cocaïnefabriek (foto CC)

Cocaïne tijdens de Eerste Wereldoorlog

In De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek (Amsterdam, 2009) schrijft Conny Braam hoe soldaten in de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven in Nederland geproduceerde cocaïne krijgen aangeboden. Het zou ze strijdlustig en overmoedig maken.

Volgen Braam zou de NCF al in 1910 de grootste producent ter wereld zijn geweest en tijdens de Eerste Wereldoorlog enorme winst hebben gemaakt. Volgens Braam was dat mogelijk, omdat de NCF op verzoek van diverse legers cocaïne leverde aan Britse, Amerikaanse en later ook Duitse soldaten.

Deze bevindingen worden betwist door Hans Bosman, voormalig hoofd chemie van NCF. Hij promoveerde in 2012 aan de Universiteit Maastricht op de geschiedenis van de fabriek. In zijn proefschrift noteert hij veel lagere ramingen van de cocaïneproductie ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Ook schrijft hij dat de cocaïne nooit voor soldaten werd gemaakt. Braam zei in interviews over haar boek, dat tussen 1914 en 1918 gemiddeld 30.000 kilo werd geëxporteerd. Bosman kwam in zijn promotieonderzoek uit op tussen de 500 en 900 kilo per jaar tussen 1910 en 1917. Een behoorlijk verschil dus.
Veel Nederlandse cocabladeren, maar weinig cocaïne

Toine Pieters, hoogleraar geschiedenis van de farmacie aan de Universiteit Utrecht, doet onderzoek naar drugsbeleid en was een van de beoordelaars van het proefschrift van Bosman, dat hij ‘uitstekend gedocumenteerd’ noemt, zo zei hij in een artikel in het NRC Handelsblad in augustus 2014.

Volgens dit artikel beschouwt Pieters het boek van Braam als fictie. Volgens hem werd Nederland vanaf eind negentiende eeuw de grootste producent van cocabladeren, door de teelt in het toenmalige Nederlands-Indië. ‘Peru werd weggeconcurreerd. Het aandeel van Java in de wereldhandel in coca was zo’n 70 procent.’

Maar waar werden de geperste bladeren naartoe verscheept voor de productie van cocaïne? Voor een deel naar de NCF, maar de meeste cocabladeren gingen naar de fabrieken van het Duitse Merck. Pieters: ‘Tussen 1914 en 1920 werd wereldwijd 12.600 kilo cocaïne per jaar geproduceerd. 6.800 kilo daarvan kwam uit Duitsland, 700 kilo uit Nederland.’ Nederland was dus weliswaar de grootste producent van cocabladeren, maar de meeste cocaïne kwam uit Duitse fabrieken.

Aandeel Nederlandsche Cocaïnefabriek (detail, foto CC)

Aandeel Nederlandsche Cocaïnefabriek (detail, foto CC)

De Opiumwet en de NCF

De Opiumwet uit 1919 bepaalde, dat cocaïne alleen maar geproduceerd mocht worden door bedrijven met een vergunning. Na de herziening van de Opiumwet in 1928 mocht cocaïne zelfs alleen nog maar geproduceerd worden voor geneeskundige doeleinden. Dat was op zich niet zo bezwaarlijk, want vergunningen werden zonder problemen verstrekt door de overheid en zeker aan de eigen Nederlandsche Cocaïnefabriek in Amsterdam.

In de loop der jaren werd cocaïne in de geneeskunde steeds minder belangrijk, maar de fabriek was op tijd overgestapt op de productie van opiaten, zoals morfine en heroïne. Maar het succesnummer was novocaïne (synthetische cocaïne), waarvan de productie na de Opiumwet winstgevend werd.

Werken bij de NCF

Historicus Ger Harmsen haalt in zijn begin jaren negentig verschenen autobiografie Herfsttijloos herinneringen op aan zijn tijd als spoeljongen bij de NCF: ‘Zo begon ik op 16 mei 1938 voor acht gulden in de week – het dubbele van wat ik bij de tabaksmakelaar kreeg – als spoeljongen. (…) Met negentien jaar verdiende ik twintig gulden – de extra weken loon, die we kregen, omdat de winsten de pan uitrezen, niet meegerekend – en dat was bijna het dubbele van wat een werkloze met vrouw en twee kinderen wekelijks in handen kreeg.’

Het spoelwerk viel Harmsen zwaar. ‘Alleen al de hele tijd staan was aanvankelijk een zware opgave. Pas na maanden wende dat. Uiteraard zat ik voortdurend met mijn handen in het water. De lange aanrechten met vuil glaswerk leken nooit leger te worden, hoe hard ik ook werkte. Van alle kanten stapelde het vuile glaswerk zich weer op. Bij het leeghalen van de droogkast, waar hete lucht door werd gevoerd – de stoerheidsnorm vergde, dat ik dit met mijn blote handen deed – brandde ik me en het duurde een hele tijd voor mijn handen gehard waren.’

De directe chef van Harmsen was ingenieur. M.J. Weidema, die hij haatte, omdat deze hem altijd tegenstrijdige orders gaf. Harmsen trok wel een keer zijn mond open tegen hem open: ‘Eén keer heb ik me verweerd door, toen hij me aanblafte, een kostbaar glazen apparaat, dat ik toevallig in mijn handen hield, op de grond te laten vallen, zogenaamd van de zenuwen.’ Wie voor de schade moest opdraaien, vertelt Harmsen helaas niet. Wanneer het reglement van de fabriek toen echter stipt is gevolgd, dan heeft Harmsen de schade tot een maximum van één gulden zelf moeten betalen.

De dood en het einde van de NCF

In bepaalde opzichten waren de arbeidsvoorwaarden bij de NCF echter redelijk modern. Zo was er een pensioenregeling en waren de lonen relatief hoog. Het relatief hoge loon was volgens Harmsen de reden, dat de ongeschoolde werknemers weigerden te strijden voor verbetering van de arbeidsomstandigheden. Harmsen begreep dat niet. Want pensioenregeling of niet, ‘we werkten met de smerigste stoffen en de kans om in gezondheid oud te worden was in dit bedrijf gering. Een grafkrans voor de overledene en een advertentie voor het werven van een nieuwe arbeidskracht kostten minder dan veiligheidsmaatregelen, gaf een chef ons cynisch te verstaan.’

Ondanks het geklaag van Harmsen zou de NCF nog jaren voortbestaan. Pas begin jaren zestig ging de fabriek langzaam ter ziele. In 1962 werd de NCF overgenomen door Koninklijke Zwanenberg Organon (KZO) uit Apeldoorn. Dit betekende het einde van de NCF als zelfstandig opererende onderneming. Een deel van de productie en het personeel van de NCF verhuisde naar Apeldoorn. De fabriek in Amsterdam sloot niet al te snel na de overname haar deuren.

Bronnen

History of the Nederlandsche Cocaïne Fabriek and its Successors as Manufacturers of Narcotic Drugs, analysed from an International Perspective, Hans Bosman (Maastricht 2012)
De handelsreiziger van de Nederlandse Cocaïne Fabriek, Conny Braam (Amsterdam, 2009)
Verslaafd aan opium: De VOC en het Huis van Oranje als drugsdealers, Hans Derks (Amsterdam, 2015)
Tussen patiënt en delinquent: Geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid, Marcel de Kort (Hilversum, 1995)
Legaal snuiven, slikken en spuiten, Ons Amsterdam, Eric Slot (Amsterdam, 1994)

VPRO/NTR:/NPO, Andere Tijden, 9 februari 2017

https://www.anderetijden.nl/artikel/107/De-Nederlandse-Cocainefabriek

De Nederlandse Cocaïnefabriek

Gepubliceerd op 21 feb. 2017

Begin vorige eeuw was Nederland wereldkampioen in het produceren van cocaïne. We namen een kijkje in deze zwarte (of witte?) bladzijde van onze geschiedenis.

Abonneer je op VICE Nederland: http://bit.ly/Abonneer-op-VICE

Bekijk al onze video’s: http://bit.ly/VICEnl-Videos
Video’s, artikelen en meer: http://vice.com/nl
Like VICE Nederland op Facebook: http://fb.com/vicenederland
Volg VICE Nederland op Twitter: http://twitter.com/vicenl
Volg VICE Nederland op Instagram: http://instagram.com/vicenl

Reacties:
https://youtu.be/0wLlWrBo9eY

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/gerard-zijlstra-toen-de-nederlandse-staat-nog-wereldkampioen-drugshandel-was/
http://robscholtemuseum.nl/no-cancer-foundation-irt-affaire-de-nederlandse-cocaine-fabriek-en-de-nazis-vpro-argos-wie-controleert-politie-en-justitie/
http://robscholtemuseum.nl/nardy-cramm-blog-dutch-sandwich-io-so-ik-weet/
http://robscholtemuseum.nl/nardy-cramm-blog-dutch-sandwich-io-so-overzicht-lob-en-wob-verzoeken-goksector/
http://robscholtemuseum.nl/frank-muntjewerf-burgemeester-koen-schuiling-ellen-stumpf-klikbrief-bo-anne-van-egmond-drugsvondsten-zijn-topje-van-de-ijsberg-coke-in-de-kop-proost/
http://robscholtemuseum.nl/bo-anne-van-egmond-geen-melding-van-chemische-drugslabs-in-den-helder-delano-weltevreden-meer-vragen-over-drugslabs/

Leave a comment

Your email address will not be published.

*