R – Persconferenties over het Rob Scholte Museum in Den Helder en Maastricht ! + Victor de Stuers – Holland op zijn smalst

Persconferenties over het Rob Scholte Museum in Den Helder en Maastricht !

Rob Scholte geeft uitleg en beantwoordt vragen.

Dit alles naar aanleiding van de recentste rechterlijke uitspraak in het conflict tussen Gemeente Den Helder en het museum.

Den Helder – Maastricht

HOLLAND OP ZIJN SMALST!!!

Den Helder

20:00 uur
14 maart 2018

Locatie:
Rob Scholte Museum
Middenweg 172-174
Den Helder

Informatie:
Marc Nihot
31 / 6 – 47240484

Maastricht

11:00 uur
16 maart 2018

Locatie:
Brandweerkantine
Capucijnenstraat 21
Maastricht

Informatie:
Maria Essers
31 / 6 – 23968406

Holland op zijn smalst

De zitting van de Tweede Kamer van 4 december 1872, waar de behandeling van de afdeling Kunsten en Wetenschappen tot meer woordenwisselingen aanleiding gaf, dan waar sinds jaren het publiek aan gewend was, heeft op velen, die de kunst waarderen, een aangename indruk gemaakt; en deze indruk is zo verrassend geweest en zo zeer in overeenstemming met sinds lang gekoesterde wensen, dat velen er van overtuigd blijven, dat voortaan in Nederland de monumenten van onze kunst en onze geschiedenis gered zijn en dat voor deze een mooie toekomst is verzekerd.

Het valt mij moeilijk die verwachting te delen en mij door dat enthousiasme te laten meeslepen. Want ik vraag mij af, of wij nu voorlopig op iets meer kunnen wijzen, dan op de belangstelling door zeer enkelen geuit en door de Tweede Kamer ‘pro memorie’ geregistreerd.

Wat zal er op de duur – en het gaat om een zaak van langdurige aard – van die belangstelling overblijven, als niet bij het hele volk het belang van het onderhoud van onze kunstvoorwerpen begrepen en beaamd wordt?

Wat zal het uitmaken, of een museum beloofd wordt en misschien ook – op min of meer zuinige voet – gebouwd, wanneer niet bij de bevolking zelf de overtuiging bestaat, dat de kunst van nationaal belang is, waarvoor evenals voor Waterstaat, Defensie en Koloniën gezorgd hoort te worden?

Leeft dat besef nu in Nederland?

Ik twijfel er zeer aan; menigeen zal al een glimlach op de lippen komen, wanneer hij Koloniën en Kunst – Java koffie en Rembrandts Nachtwacht – in de opsomming van belangen op één lijn hoort stellen.

En natuurlijk; er wordt weinig over kunst gesproken of nagedacht. Hoe het gaat met de kunstmonumenten hier in Nederland, is voor de meesten en in het bijzonder aan hen, die officieel benoemd zijn daar op te passen, geheel onbekend; evenmin vormt men zich een idee van het morele en materiële belang van de kunst, en een dichte mist overdekt de vraag, wat er nodig is en wat er gedaan kan worden.

Is het bij deze stand van zaken te verwonderen, dat ik aarzel mij bij hen te aan te sluiten, die na de zitting van 4 december alles overwonnen menen. Zij, die het geduld hebben de volgende regels te lezen, zullen mij, geloof ik, gelijk geven; zij zullen erkennen, dat vanwege het lage aanzien, waar èn de kunst èn vooral de belangstelling er voor zich hier in ons land kan beroepen, een levendig enthousiasme niet terecht is.

Als men een betere toekomst wilde verzekeren, zou men misschien beter kunnen proberen aan ons volk met A + B te bewijzen, dat de kunst hun aandacht waardig is. Voor specialisten in de kunst is elk betoog overbodig; voor sommigen, die de smaak voor het mooie en verhevene bezitten, maar de kans misten over kunst na te denken, is het voldoende het morele, humanitaire nut van de zaak uit te leggen; voor verre weg de meesten, voor wie de dagelijkse lectuur de beursberichten zijn, en die uit elk budget alle diensten willen schrappen, als die niet met winst eindigen… hen zullen wij tevreden moeten stellen door met cijfers aan te tonen, dat ook kunst en wetenschap een positief saldo zullen opbrengen; een voordelig resultaat, dat niet bestaat uit nationale roem, ontwikkeling van de ziel, de gewoonten van beschaving en dergelijke mooie zaken, maar uit een echt tastbare winst, in baar geld, in guldens Nederlandse cash.

Het is misschien geen poëzie, maar het is waarheid, dat het om dit laatste punt draait, daar zou de krachtsinspanning van allen, die de kunst willen bevorderen, op gericht moeten worden; op dat punt treffen zich de gevoeligste snaren van de grote massa van Nederlanders; daar ligt de kern van alle vraagstukken; wanneer men dat hart – het financiële belang – doet kloppen, dan kan men er zeker van zijn, dat het bloed met snelheid en kracht tot in de uiterste lichaamsdelen voort gejaagd zal worden. Zolang die drijfveer niet aangesproken wordt, zo lang zal men de kunst een beleefde handdruk geeft, van tijd tot tijd uit fatsoen een fooi (1), maar zal men haar nooit geld toevertrouwen, want zo’n belegging zou niet als solide en winstgevend worden beschouwd. Wat men voor de kunst uittrekt, zal gepaard gaan met een zucht: ‘in godsnaam’, zoals men aan een arme telkens kleingeld uitreikt; ‘in godsnaam’, om een eind aan de affaire te maken, en vooral om er van af te zijn; uit verveling dus zal men een tiende deel toestaan van dat wat nodig is om een of ander voormalig hofje te ‘renoveren’ in een Trippen huis; maar kom dan niet het volgend jaar om de andere negen tienden vragen, vraag vooral niet om budget voor iets nieuws: het was al zo, dat men u gisteren iets gaf, men kan niet steeds voor de kunst geld beschikbaar stellen; en dan: defensie kost al zo veel, en de schuldenlast is al zo groot, en onze dijken gaan voor, die ‘het aan de zilte baren ontwoekerd land’ moeten beschermen. Dat is de taal, die van de woekeraars tegenover de eisen van de kunst verwacht kan worden, zo lang in hun oog niet een hoog percentage is verschenen.

Velen denken, dat er van de verzorging van onze kunstmonumenten geen andere winst te verwachten is, dan die door hoteleigenaren en vigilante taxi chauffeurs uit de zak van hierheen gelokte kunstlievende buitenlanders geklopt wordt. Voor hen is elk sierlijk opgetrokken gebouw een verkwisting, elk museum een dure aardigheid, elk oud monument slechts een voor gapende toeristen merkwaardige hoop stenen.

Die eenzijdige opvatting kan men hen niet al te kwalijk nemen, want zij is voor een deel het gevolg van de erbarmelijke toestand, waarin onze oude en onze nieuwe monumenten en onze openbare verzamelingen zich bevinden. De eersten zijn door wansmaak of door gebrek aan onderhoud dikwijls zo misvormd, de laatsten zijn ingericht om zo weinig aan ontwikkeling en beschaving bij te dragen, dat de oppervlakkige toeschouwer niet gemakkelijk kan begrijpen, wat voor belang zij kunnen hebben.

Bij enig nadenken intussen zal blijken, dat de verzorging van onze monumenten van groot gewicht is.

Wij zullen niet lang stil staan bij den gunstige invloed, die de algemene beschaving en ontwikkeling van het volk ondervinden door de beoefening van de schone kunsten. Meer tastbaar is het materieel voordeel, dat daaruit voort vloeit voor die menigvuldige takken van nijverheid, die zonder de beoefening van de schone kunsten moeten kwijnen, omdat onze producten door de meer artistieke voortbrengselen van de vreemdeling verdrongen worden.

Hoe zal men verwachten, dat onze kunstindustrie haar oude glans herkrijgen zal, wanneer rondom ons verreweg de meeste gebouwen en voorwerpen van wansmaak getuigen, wanneer onze musea of onvolledig zijn, of zo slecht ingericht, dat de studie er onmogelijk is; wanneer in één woord de onverschilligheid voor de kunst met vandalisme hand aan hand blijven gaan?

Men zegt niet, dat onze aanleg minder artistiek, dan die van de Belgen of Fransen is; een bewering, die tot niets minder zou moeten leiden, dan tot het opgeven van elke poging om onze kunsteducatie te verbeteren. Onze voorouders uit de XVIe en XVIIe eeuw hebben de nationale kunstindustrie zo zeer ontwikkeld, dat de voortbrengselen uit die dagen steeds met gretigheid door de vreemden worden gezocht. Waarom zouden wij thans niet met enige inspanning de ouden naam kunnen doen herleven; waarom zouden wij ons moeten getroosten van naburige landen afhankelijk zijn, zodra het geldt een voorwerp, dat van goede smaak en artistieke kennis getuigen moet? Kunnen wij niet even goed als vroeger onze voorouders en thans de Fransen en de Belgen de industrie beoefenen van het artistieke aardewerk, de geweven tapijten, de gouden en zilveren drijfwerken, de geschilderde glazen, de gesneden of gebeeldhouwde meubelen? Engeland heeft sinds twintig jaren getoond, hoe krachtig de kunst aan de ontwikkeling van de industrie kan meewerken. Ook Nederland kan daarvan het bewijs geven, indien het met vaste wil de zaak van de kunst tot een nationaal belang maakt.

Het is niet voldoende, dat men teken- en ambacht scholen opricht, dat men zelfs op min of meer karige voet een academie van beeldende kunsten sticht, of te hooi en te gras een schilderij aankoopt of aan een jong kunstenaar een schrale subsidie toekent. Wil men in werkelijkheid de kunst vruchtbaar doen worden, dan moet men alle middelen aanwenden, die onder het gehele volk de kunstzin vermogen aan te kweken, dan moet de artistieke opvoeding der natie ondernomen worden.

Geheel de atmosfeer, waarin wij leven, behoort doordrongen te zijn van de eerbied en de belangstelling voor de kunst. En deze belangstelling is algemeen en strekt zich tot elke tak van de kunst uit. Want tussen de verschillende schone kunsten bestaat er solidariteit even als tussen de wetenschappen. De een kan niet bloeien als de andere kwijnt. Zoals de geschiedenis niet kan beoefend worden, zonder kennis van talen, zonder heraldiek, numismatiek, zegelkunde, enz., zoo kan evenmin de ene kunst op den duur met goed gevolg beoefend worden, wanneer de andere verwaarloosd is.

Ook is van het onderwijs op scholen en academies niets duurzaams te verwachten, wanneer niet de geest door het zien van smaakvolle voorkennis aanhoudend verfijnd en beschaafd wordt.

Het is daarom, dat men die oude gebouwen, die van kunstzin getuigen, behoort in ere te houden of te herstellen; dat men bij het stichten van nieuwe de eisen van de goeden smaak bevredigen moet, tegelijk met die van de doelmatigheid; dat men eindelijk musea moet bezitten, waar onze kunstenaars kunnen komen studeren; musea zijn voor de kunst wat bibliotheken, observatoria, ziekenhuizen en laboratoria voor de wetenschap zijn.

Is derhalve de verzorging onze monumenten en onze verzamelingen, met het oog op de bevordering der Industrie, een nationale zaak, niet minder is zij dit, waar het de belangstelling geldt, waarop die monumenten recht hebben, die met onze volksgeschiedenis in een onmiddellijk verband staan.

Ook de verspreiding van de kennis van onze nationale historie is een staatsbelang. Want evenzeer als – zo niet meer dan – taal, godsdienst of zeden, schept de geschiedenis de band, die bevolkingen tot nationaliteiten verbindt en verbonden houdt.

Die kennis van de geschiedenis zal het volk minder krijgen door lessen op scholen, die het niet bezoekt en door boeken, die het niet leest, dan wel door het zien van voorwerpen, welke òf materiële getuigen van zekere historische feiten waren, òf ter herinnering daaraan vervaardigd en tentoongesteld zijn.

Segnis irritant animos demissa per aurem,
Quam quae sunt oculis subjecta fidelibus.

De Staat heeft er dus belang bij dat zulke oude monumenten – voor zover dit mogelijk is – tot edificatie van het tegenwoordige en van de volgende geslachten worden bewaard, en dat nu en dan door middel van opzettelijk vervaardigde voorwerpen de herinnering aan enige gebeurtenis levendig blijft. Zowel de monumenten, die voor de kunst als die welke voor onze geschiedenis belangrijk zijn, behoren derhalve verzorgd te worden.

Het is duidelijk, dat hier in de eerste plaats de hoge regering geroepen is handelend op te treden. Vooreerst, omdat de Staat de rijkste eigenaar van kunstvoorwerpen is; geen particulier toch, geen corporatie kan verzamelingen aanwijzen gelijk het Trippenhuis en het Mauritshuis bevatten.

Maar ook verder dan tot zijn eigen zaken, behoort de Staat zijn zorg uit te strekken. Wanneer een gemeente of kerkbestuur uit onverschilligheid of uit bekrompenheid van verstand, uit geldgebrek of uit welke oorzaak ook, handelt of verzuimt te handelen, zodat de hierboven genoemde belangen bedreigd worden, is de regering moreel verplicht het mogelijke te doen om het kwaad te voorkomen. Zoo kan het nodig zijn, dat de Staat door aankoop verhindert, dat sommige zaken vernield of uit het land verwijderd worden; ik wijs op de hunebedden, op de overblijfselen van Barends en Heemskerk, die zeer terecht door de regering aangekocht zijn. Zo zal men van staatswege soms onderzoekingen moeten instellen, die anders tot nadeel voor kunst of geschiedenis geheel achterwege zouden blijven.

Vooral in Nederland is tegenover de apathie van de corporaties een uitbreiding van de staatszorg dringend noodzakelijk. Het is waar, dat ook hier overdrijving denkbaar en afkeuring waardig zou zijn, toch kunnen zij, die thans reeds huiveren om de grenzen van de staatszorg uit te breiden, geloof ik, voorlopig gerust zijn. Het is niet te voorzien, dat in de eerste tijden althans de opgewekte activiteit der regering haar zou behoeven mede te slepen tot handelingen, die buiten haar werkkring liggen, en dat zij haar de autonomie van de bijzondere besturen zou doen schenden; de betere verzorging van haar eigen schatten alleen kan aan de regering in de eerste jaren werk genoeg verschaften; en het door de Staat gegeven voorbeeld zou indirect reeds veel tot verbetering van de algemene toestand kunnen bijdragen.

Eerst dan zal het tijd zijn te onderzoeken, of tot tegenbeweging van vandalisme bij corporaties, het nemen van ingrijpende maatregelen noodzakelijk is, en of het soms ook nodig is, onze voorwerpen van kunst en historie te beschermen, ook wanneer zij niet aan de Staat behoren, evenals de wet de hazen en konijnen beschermt, zonder zich aan particuliere eigendomsrechten te storen. Trouwens ook zonder de wetgeving op dit punt aan te vullen, kan de regering veel doen; meer dan zij tot nog toe gedaan heeft. Want wanneer ook de wet geen wapenen gegeven heeft om de gemeente en kerkbesturen te verhinderen in het begaan van vandalisme, leveren dikwijls de omstandigheden zelf aan de regering de middelen om in het belang van kunst en nationale geschiedenis werkzaam te zijn. Hoe dikwijls komt het niet voor, dat het verlenen van subsidies of het toestaan van andere voordelen banden schept, waarvan men gebruik kan maken om een invloed te krijgen, die aan de kunst ten goede zou komen. Niet alleen is in ons land dit indirecte middel steeds verwaarloosd geworden, maar het is meer dan eens voorgekomen, dat de staatssubsidies het plegen van de gruwelijkste vandalisme hebben bevorderd.

De onverschilligheid van de regering is hier te lande niet alleen een feit, maar een beginsel geweest. Hierin van alle beschaafde staten van Europa verschillend, heeft Nederland de leer gehuldigd, dat ‘kunst geen regeringszaak is’! Dit sofisme heeft twintig jaren lang de dienst gedaan van het geboomte, waarin de struisvogel zijn hoofd steekt en veiligheid meent te vinden. Maar het bedrieglijke van dit woord kan niet langer ontkend worden. Allereerst heeft men nooit dit valse beginsel in zijn gehele omvang kunnen noch durven toepassen; de regering had anders geen onderwijs moeten geven in het tekenen, geen subsidie hier en daar toekennen voor restauraties, geen afdeling Kunsten en Wetenschappen onderhouden, en consequent het Trippen- en het Mauritshuis moeten verkopen, om Beaumont geweren aan te schaffen en de Kanaalmaatschappij te ondersteunen. Gelukkig was het gezond verstand sterker dan de leer. Toch heeft die leer ontzettend veel kwaad gedaan, zoals zal blijken, wanneer men in bijzonderheden nagaat, wat er gedurende deze lange regering sluimering is gebeurd. Verontschuldiging zou misschien nog gevraagd mogen worden voor die schandalen, die door individuen gepleegd zijn, omdat men zou kunnen aanvoeren, dat de regering huiverig was de grenzen van de staatszorg uit te breiden. Maar zelfs wanneer met die niet voldoende gerechtvaardigde huivering genoegen genomen wordt, zo blijft het verzuim op de regering loodzwaar drukken, waaraan zij zich ten opzichte van haar eigen bezittingen schuldig maakte.

Om de toestand te bestempelen, waar hier te lande de monumenten van kunst en historie in verkeren, is zeker het woord ‘ellendig’ niet onjuist gekozen, zodat men met recht op dit gebied mag spreken van Holland op zijn smalst.

Met hoeveel genoegen en trots mag men wijzen op al het grote en grootse door onze kleine natie verricht, daar waar zij in Europa oceaan en rivieren bedwingt, in Azië miljoenen aan haar scepter onderwerpt, overal en altijd blijk geeft van oprechtheid, trouw en menslievendheid, met evenveel kracht… en weemoed zal men haar behoren te beschuldigen, waar er sprake is van haar belangstelling in de kunst. Hier zou vergoelijken gelijk staan met willens en wetens bedriegen. En ik geloof, dat hij een waar minnaar van zijn land is, die in de hoop op herstel zonder omwegen het kwaad ontsluiert en de waarheid openbaart. Deze overtuiging heeft mij geleid bij het schrijven van onderstaande beschouwingen.

Op zeer weinig uitzonderingen na, is de liefde en de eerbied voor de kunst bij de meeste van onze besturen zo goed als geheel uitgedoofd.

De uitzonderingen zelfs, waarop men zou kunnen wijzen, hebben dit eigenaardig en bedroevend karakter, dat zij zich bij een en hetzelfde individu niet aanhoudend, maar slechts afwisselend voordoen. Zij doen denken aan die gentleman, die op zondag glacé handschoenen monsterde, maar de overige dagen van de week met onbedekte en ongewassen handen te voorschijn kwam; voor hem keerde althans de zondag om de acht dagen weder, maar de uitzonderingen, die wij bespreken, bezitten helaas die periodiciteit niet.

Zo was het zeker een verblijdende uitzondering, toen het Stedelijk Museum gesticht werd, dat de onsterfelijke werken van Frans Hals bevat, en waarvoor oprechte dank verschuldigd is: maar dit symptoom van kunstliefde bleef eenvoudig een symptoom; want de stichter van Haarlem’s museum bezorgde ons noch als burgemeester van de hoofdstad, noch als minister het zo dringend nodige gebouw, waarop de verzameling van het Trippenhuis wacht; en Haarlem zelf, waarvan men zou gemeend hebben, dat zij de kunst waarlijk als voor twee eeuwen beminde,

Haarlem heeft onlangs die mening gelogenstraft en haar onder de puin van de Houtpoort begraven.

Zo opende Leiden in 1872 een stedelijke verzameling tot berging haar kunstschatten; en toch slechts enige maanden later was het niet dan ter nauwer nood, dat het plan werd verijdeld, om de mooiste zaal van datzelfde Raadhuis, waar het geld voor het museum was toegestaan, te moderniseren en van haar beste sieraden te beroven (1).

Zo ’s Gravenhage, waar ook een museum werd gevormd, zonder dat dit beletten kon, dat men nog onlangs besloot enige kunstvoorwerpen te verkopen, die zich in een door de stad aangekocht huis bevonden, en voor dat museum als het ware aangewezen schenen.

Zo Rotterdam, dat het museum Boymans herbouwde, doch bij haar schatrijke kooplieden geen geld genoeg wist te vinden om de relatief geringe som te verkrijgen, die haar het bezit der collectie Vis Blokhuizen zou verzekerd hebben.

Zulk een voorbij gaand symptoom vertoonde eindelijk zelfs Thorbecke, op de dag, dat hij aan Apollo en de Muzen meende te offeren, toen hij dat vreselijke wolven en paardengevecht van Verboeckhoven kocht, dat tot voor een tweetal jaren in een van de zalen van het Departement van Binnenlandse Zaken aan alle ogen onttrokken werd.

De enkele symptomen van kunstverzorging, die men kan aanwijzen, beletten derhalve niet, dat men over het algemeen de verwaarlozing van de kunst als de normale toestand behoort te erkennen.

Alle daden van vandalisme op te noemen, die in de laatste jaren in Nederland gepleegd zijn, zou een reuzenwerk wezen. Allereerst zijn vele schandalen niet geconstateerd, en men zou derhalve een opzettelijke inspectie in de elf provincies moeten houden, om aan een volledige opgave te komen. Dan hetgeen op de ene of andere wijze bekend werd, is helaas reeds zoveel, dat de opsomming alleen daarvan de grenzen van deze studie zou overschrijden. Wij zullen er ons bij bepalen slechts enkele staaltjes weer te geven.

In de eerste plaats feiten van vernieling zonder noodzakelijkheid; dan voorbeelden van verwaarlozing, waar moedwillig verzuim gelijk staat met opzettelijke sloop en vernietiging. Vervolgens staaltjes van verkeerd verrichte restauraties; ook hier is er met volkomen verderf vaak geen verschil. Eindelijk de onverschilligheid wat betreft het behoud in het land van onze artistieke schatten, de onverschilligheid in het doen van nuttige onderzoekingen, de onverschilligheid voor alles, wat kunst heet bij het stichten van nieuwe monumenten.

Onder de oude gebouwen, die van staatswege opzettelijk vernield zijn, zonder dat daartoe enige noodzakelijkheid bestond, en terwijl daarintegen alles pleitte voor hun behoud, bekleden twee Maastrichtse gebouwen een eerste plaats.

Allereerst de kruittoren te Wijck-Maastricht (3), een zeer merkwaardig, schilderachtig gelegen en goed bewaard gebouw uit het begin van de XIIIe eeuw (1204), afgebroken alleen om de wansmaak te plezieren van de Deken van de daarnaast gelegen St. Maartenskerk. Deze had vroeger, als voorwendsel om de sloop gedaan te krijgen, gewezen op het gevaar, dat de nabijheid van het in de toren bewaarde buskruit voor zijn kerk opleverde. Daarop is het buskruit er uit genomen en is de toren overgegaan van Oorlog op Financiën (Domeinen). Bij gelegenheid van de ontmanteling van Maastricht heeft men het gebouw gesloopt en in de Maas geworpen, niettegenstaande de ijver van onderscheiden personen en de pogingen van de Oudheidkundige Commissie uit de Academie. Hoe een gebouw, dat reeds sinds meerdere jaren niet meer tot de vestingwerken behoorde, toch inbegrepen kon worden in de sloop van fortificaties, is nooit door de regering uitgelegd. Voor hem, die de ‘dessous des cartes’ kent, is het duidelijk, dat bij sommige personen, die in deze zaak de Minister geadviseerd hebben, het naar de zin maken van de Deken met electorale berekeningen in verband stond.

Ziehier wat de Academische Commissie over deze sloop schreef:

‘Een eerwaardig, en misschien wel in ons Vaderland uniek gedenkteken, dat de loop van zes eeuwen had getrotseerd, werd in de letterlijke zin in het water geworpen, en de geschiedschrijver van de kunst in Nederland heeft een daad te boeken, die een zeer treurige bladzijde in haar gedenkrollen zal beslaan, als een beschuldigende getuige optreedt tegenover gebrek aan kunstzin en piëteit gevoel bij het geslacht van de tegenwoordige eeuw, met betrekking tot de gewrochten en daden van de voorouders.’

Toen de heer Sloet van de Beele deze daad van vandalisme in de Kamer aan de regering verweet, gaf deze tot verontschuldiging een volkomen onjuiste voorstelling van de feiten, waarvan de wederlegging voor de heer Sloet helaas onmogelijk was, omdat hij niet genoeg op de hoogte was van de lokale toestanden.

De Hoogbrugghe of Akerpoort te Wijk-Maastricht werd ook bij gelegenheid van de ontmanteling nodeloos gesloopt.

De Academische Commissie zei hiervan (4): ‘Deze poort bood in haar geheel een merkwaardige, en in haar hoofdvormen vrij gave proeve van vroeg middeleeuwse bouw, van te meer belang, daar ons vaderland zo weinige overblijfselen van militaire bouwkunst uit die oude tijd, zoals die ook in deze poort vertegenwoordigd worden, meer kan aanwijzen… Geheel op zich zelf en afgescheiden van de thans aansluitende wallen kon het een goed, schilderachtig geheel bieden, vooral wanneer aan de buitenzijde, de gevel en de beide hoektorens tot onder op de bodem van de droge gracht vrij gemaakt en zichtbaar gehouden werden. Voor de algemene uitweg uit de Hoogebrugstraat naar buiten zou het gebouw volstrekt geen belemmering te weeg brengen.’

Het is een treurig verschijnsel, dat wanneer er sprake is van de vernieling van een of ander oud gebouw, zij die een ogenblik voor het behoud daarvan wedijveren, zich aanstonds gewonnen geven, wanneer men den aanleg van enig nieuw werk als motief aanvoert. Slechts zelden wordt er onderzocht, of niet het behoud van het oude met het stichten van het nieuwe kan samengaan.

In andere landen daarentegen tracht men meestal het oude te bewaren en het nieuwe daarmee in harmonie te brengen. Als voorbeeld wijs ik op de spoorweg, die van Keulen tot Mainz door een zeer smalle strook grond loopt, en niettegenstaande grote bezwaren, toch geen enkel monument op zijn weg vernielde. Steekt daarbij onze railway in de Vorstenlanden van Java niet af, waarvoor men de materialen vond in de ruïnen van de tempel van Brambanan?
Het zijn in bijzonder de oude stadspoorten, die het slachtoffer zijn van genoemd gebrek aan liefde voor het behoud.

Ik weet wel, dat de stadspoorten, zoals de vroegere geslachten, die bouwden, niet meer geheel in overeenstemming zijn met de tegenwoordige toestanden. In de middeleeuwen was het zaak de toegangen tot een stad zo veel mogelijk te versperren; thans daarentegen heeft de toegenomen circulatie op veel punten het verruimen van de toegangen nodig gemaakt. Maar daaruit volgt volstrekt niet, dat men zonder meer al onze oude poortgebouwen zou behoren op te ruimen. Wanneer men werkelijk enig gevoel voor het schone of enige eerbied voor het oude had, dan zou men beamen, ‘que ce n’est pas aux monuments à se déranger pour laisser passer les routes, mais aux routes à se détourner pour respecter les monuments’; men zou telkens onderzoeken, of niet op enige wijze, zelfs wanneer dit kosten na zich sleepte, aan de behoefte der circulatie kan tegemoet gekomen worden; of men niet zou kunnen handelen, zoals te Parijs, waar niet alleen onder, maar ook rondom de Porte St. Denis en de Porte St. Martin toegangen zijn aangelegd; zoals te Brussel, bij de Porte de Hal, zoals te Frankfort bij de Eschenheimer Thor, zoals te Keulen, te Aken, te Neurenberg, enz. Maar juist daaraan wordt niet eenmaal gedacht, eenvoudig, omdat men in een poort niets anders ziet, dan een hoop metselwerk. Toch is er meer in zulk een gebouw te zoeken. Waardoor poorten de XVIIe eeuw dagtekenen, zoals de Maastrichtsche Hoogbrugghepoort, zoals de Haarlemsche Kennemer en de Zwolsche Sassepoort, zijn voor de kennis van de militaire verdedigingskunst hoogst gewichtig; voor de architectuur zijn in het bijzonder van belang die gebouwen uit de XVIIe eeuw, die niet ter verdediging, maar tot ornament waren opgericht en de zichtbare tekenen van stedelijke rechten waren; men vindt, of liever vond ze slechts in Noord Nederland. Men had ze dus wel met enig meer eerbied mogen behandelen; maar de vraag, of de mogelijkheid tot behoud bestond, werd, zoals ik al zei, niet eenmaal gesteld. Zoo verdwenen talrijke poortgebouwen te Leiden, te Haarlem, te Delft, te Utrecht, enz., en nog dagelijks zet de moker zijn ondoordachte werk voort. Betreurenswaardig was vooral de sloop van de grote Houtpoort te Haarlem, en onlangs die van de kleine Houtpoort daar; dan de vernieling van de St. Catherijnepoort te Utrecht, een van de weinig bekende meesterstukken van de schilder Paul Moreelse. Enkele keren word als voorwendsel gebezigd de belemmering van de circulatie; meestal is er geen andere reden opgegeven, dan wat men pleegt te noemen ‘verfraaiing van de toegang tot de stad’, verfraaiing, die dan neer kwam op het plaatsen van vier vormeloze lantaarns van gegoten ijzer.

Onze voorouders hadden, geloof ik, meer smaak, toen zij die elegante monumenten oprichtten, die voor de steden zijn, wat een titelblad voor een boek is. Trouwens in onze eeuw is de zucht naar een fraaie illustratie even zeer uit de boeken als uit de steden verdwenen en wanneer wij bij het naderen van een stad niets meer moeten zoeken ,dan de dorre naam op de muren van een stationsgebouw geverfd, moeten wij ook bij het open slaan onzer hedendaagse boeken niet denken ons oog aan een sierlijke titelprent te kunnen vergasten.

Het vandalisme der gemeente en kerkbesturen kent geen grenzen. Wat al niet in onze steden vernietigd en gesloopt is, kan moeilijk overzien worden; meestal is er van het oude geen aantekening gehouden; zo er iets nieuws gesticht werd, is vaak tegen alle regels van smaak gezondigd geworden, zodat aan den algemene kunstzin onberekenbare schade is toe gebracht. Bekrompen inzichten, onkunde van timmerlieden en metselaars die de titel van gemeentearchitect voeren, hebben in heel het land de fraaiste gebouwen óf vernield óf geschonden.

Zo zijn verreweg de meeste onzer middeleeuwse kerken en onze stadhuizen in en uitwendig schandelijk gehavend. Nog onlangs werd een uitmuntende eiken houten betimmering uit de XVIIe eeuw uit het stadhuis te Medemblik weg gebroken. Een gelijk lot trof het houtwerk uit de kerk te Sneek. Enige jaren terug werden te Gouda op de markt de gesneden koorbanken publiekelijk verkocht.

Het zijn vooral de oude kerkramen versierd met geschilderde glazen, die door de moedwil van de slopers te lijden hadden; als voorbeeld noem ik de kerken te Abbekerk, Bloemendaal, Hasselt, Zevenhuizen.

Toen in deze laatste gemeente het schendende werk ondernomen zou worden, deed de Oudheidkundige Commissie uit de Koninklijke Academie stappen naar de kerkvoogden en de predikant. Zij wees er onder andere op, dat het thans levende geslacht moreel niet gerechtigd was de kerk te beroven van sieraden, door vroegere schenkers daar in gebracht; ‘hun gave aan de kerk vermaakt, en door hun dood bezegeld, moest immers niet minder, dan elke beschreven uiterste wil, ten alle tijde, in ieder opzicht, en door ieder, maar vooral door de leden der gemeente, waartoe zij eenmaal behoorden en die hun lief was, en dus ook door het kerkbestuur van die gemeente geëerbiedigd worden. Mochten de kerkvoogden die heilige plicht verzuimen? Zou daardoor de goede gezindheid bij het thans levende geslacht, om tot opluistering van de gemeente en van het huis voor haar godsdienstige samenkomsten bij te dragen, wel aangevuurd, opgewekt of behouden blijven?’ In die zin werd aan kerkvoogden en predikant geschreven. Het enig resultaat, dat de Commissie verkreeg was een domme en onbeleefde brief, waarin geklaagd werd over ‘het opwekken of aanblazen van twist tussen de predikant en zijn kerkelijke autoriteiten’, en over een poging ‘om verdeeldheid te stichten, door invloedrijke leden van de gemeente op te zetten tegen kerkvoogden!’ Het kerkbestuur brak zo doende de ramen uit en bood ze te koop aan, ‘ten einde daardoor in staat gesteld te worden van ramen in de geest des tijds, die de schoonheidszin niet beledigen en een doelmatige afsluiting waarborgen, aan te schaffen.’

De regering overigens kocht de glazen niet op, en waar zij zich thans bevinden weet ik niet. Enige tijd zijn zij in handen van Utrechtse Israëlieten geweest.

Aan opzettelijke sloop is voortdurende verwaarlozing nauw verwant. Wat daar de moker verricht, doet hier, langzaam maar zeker, de tand des tijds. Dikwijls, wanneer de tijd niet snel genoeg werkt, wordt op het eind een handje geholpen en de vernieling voltooid. Deze wijze van handelen is vooral daarom in Nederland zo zeer in zwang, omdat er twee voordelen aan verbonden zijn: allereerst kost de sloop minder, en vervolgens, wanneer een gebouw of een voorwerp als gevolg van langdurige verwaarlozing zijn eerste glans verloren heeft, kan men verwachten, dat het publiek daar minder belang in stelt, en dat de stem van een enkeling, die zich tegen de vernieling mocht verheffen, geen weerklank vindt.

De Staat is op dit gebied een van de hoofdschuldigen. Onderhoud of restauratie van enig staatsgebouw, voorgeschreven door de wens om het voor de kunst of de geschiedenis te bewaren, is in de laatste twintig jaren nooit voorgekomen, behalve voor het kasteel van Brederode, dat gebracht kan worden onder de uitzonderingen, waarvan ik vroeger sprak, en dat alleen bewijst het gemis aan een vast stelsel.

Een stelsel is er inmiddels wel, en de administratie van de Domeinen past het toe, waar zij maar kan; het bestaat daar in, dat de Staat geen gebouw onderhoudt, dat niet enige rente afwerpt. Aan alles, wat niet in gebruik is, of wat geen huur opbrengt, wordt geen hand uitgestoken.

Op grond van dit luisterrijk gierigaard stelsel is b.v. de Gevangenpoort te Den Haag gedurende dertig jaren volkomen verwaarloosd, niet tegenstaande een Koninklijk Besluit het tot nationaal monument verklaard had.

Daar werd zo weinig het oog op gehouden, dat men voor korte tijd verbaasd stond te vernemen, dat er onderscheiden huishoudens in genesteld waren, zonder enige titel hoe genaamd; het kostte zelfs vrij wat moeite om de ontruiming van het gebouw te verkrijgen; ja, er was bijzondere inspanning nodig om het goede recht van de Staat te handhaven tegenover de aanspraken van een koopman in gerookte paling, die beweerde dat zijn familie van de tijd van de De Witten af gedurende de Haagse kermis de handel in vis achter het hek van de poort met een kruiwagen had uitgeoefend!

Het gebouw zelf heeft steeds de dringendste reparaties ontbeerd, en thans is de toestand van het dak zó, dat het water zich door onderscheiden verdiepingen een weg baant. Wat men overigens nog heeft kunnen doen om het uiterlijk aanzien van de poort te bederven, is geschied. Men heeft hier en daar een muur vak met pleister besmeerd, en toegelaten, dat de doorgang met affiches beplakt werd.

Is het te verwonderen, dat er stemmen zijn opgegaan om de volkomen verwijdering van de Gevangenpoort te verkrijgen. De argumenten waren, dat dit gebouw akelige herinneringen opwekt, dat het lelijk en zonder belang is, en dat het de circulatie verspert.

Wat de eerste reden betreft, die de teergevoeligheid van onze tijdgenoten tot eer strekt, daarop mag men antwoorden, dat het een vrij kinderachtig begeren is, om een gebouw te doen boeten voor gruwelen door mensen gepleegd. Of was het niet dwaas van de Commune om het Hôtel van Thiers en de Vendôme zuil omver te halen? Onwillekeurig denkt men aan kinderen, die het meubel stuk slaan, waartegen zij zich gestoten hebben.

Trouwens, wanneer men het stelsel consequent wilde toepassen, zou het sloopwerk in Nederland, zoals elders, brede proporties behoren aan te nemen. Het ‘groene zootje’ zou weggegraven en het Binnenhof met de grond gelijk gemaakt moeten worden, en daar wel elke gevangenis treurige herinneringen moet opwekken, zou men ook hier een streng onderzoek moeten instellen.

Het tweede argument is niet beter. Dat de Gevangenpoort lelijk zou zijn, is een kwestie van smaak, waarover niet te twisten valt. Ik weet mensen, die de daarnaast gebouwde Sociëteit in haar soort nog lelijker achten. Dan behoort men niet uit het oog te verliezen, dat een middeleeuwse poort, bestemd om vijandelijke aanvallen op het slot van de Hollandse Graven af te weren, en dat een gevangenisgebouw, geen monumenten zijn, die ooit bestemd waren om een liefelijke indruk te maken, maar veeleer om een gevoel van eerbied en angst op te wekken. Of bouwt men onze moderne cellulaire gevangenissen zo, dat zij tot idyllen stemmen? Zij, die ontkennen, dat de Gevangenpoort geen belang kan inboezemen, hebben blijkbaar over de zaak niet nagedacht. Het belang van dit gebouw bestaat in zijn eigenaardigheid; ik geloof niet, dat er in Nederland of in België een tweede specimen kan worden aangetoond, dat ons even juist te zien geeft, hoe onze oude kerkers waren ingericht. Het is derhalve voor de geschiedenis wel degelijk van belang dit laatste staaltje te bewaren en met onverdeeld genoegen zal ieder, die aan historie hecht, gezien hebben, dat op de begroting van dit jaar eindelijk een som is uitgetrokken om de Gevangenpoort te herstellen en te onderhouden. Ons land is rijk genoeg om van tijd tot tijd ook voor de wetenschap een kleine som uit te geven en om zich de weelde te veroorloven van naast de zo comfortabele ingerichte gevangenissen voor onze hedendaagse heren moordenaars, een specimen te behouden van de kerkers, waarin hun geachte voorvaders hebben gewoond.

Het utiliteit argument, dat de Gevangenpoort de circulatie in de weg staat, is wel bestemd geweest het meest indruk te maken. Daarvan is dan ook door de slopers zeer veel gebruik gemaakt en er is een tijd geweest, dat de Haagse dagbladen dagelijks het publiek vergastten op ongelukken door de drukke beweging onder de poort veroorzaakt en zelfs op sommige, die in andere gedeelten van de stad waren voorgekomen. Men vergat daarbij geheel, dat men had behoren te beginnen met het aanwenden van die middelen, welke de circulatie hadden kunnen verbeteren zonder het poortgebouw prijs te geven; waarom daar niet net als elders een trottoir aangelegd, waarvoor ruim plaats is? Waarom het plakken van affiches binnen de poort toegelaten, hetgeen alleen er toe bijdragen kan om de opeenhoping van voetgangers te vermeerderen? Men vergat verder, dat de sloop van de poort niet dan een onvolkomen maatregel zou zijn, en dat aan de eisen van de circulatie alleen dan voldaan zou zijn, wanneer een brede kade aan de westzijde van dee Vijver zou worden opgetrokken.

Wat men bovenal vergat, was de eerbied en de belangstelling, waarop, een overoud historisch monument recht heeft.

Even weinig belangstelling is tot nog toe aan een ander monument te beurt gevallen, de Helpoort te Maastricht, een gebouw uit de XIe eeuw, stellig het enige Romaanse poortgebouw in Nederland. Het dak alleen wordt onderhouden; een vrij gevaarlijke scheur, die zich in een van de muren geopenbaard heeft, wordt willens en wetens door het Domein verwaarloosd, ‘omdat het gebouw niets opbrengt.’ Over twintig jaren kan men de ruïne van deze merkwaardige poort tegemoet zien.

Een ander verwaarloosd staatsgebouw is het Oude Hof te Delft, eenmaal het paleis van de Zwijger, thans een artilleriekazerne. Een gedienstige kanonnier toont aan de talrijke bezoekers (vooral Engelsen en Amerikanen ondernemen pelgrimages daarheen) de plek, waar de stichter van ons volksbestaan dodelijk getroffen werd, en de sporen die het moorddadig lood in de wand achterliet. Deze sporen worden door de herhaalde betasting van de bezoekers in dermate vergroot, dat men aan het eind van het jaar zou menen te staan voor een gat door bommen geboord! Een jaarlijkse kalkvulling herstelt intussen de oude proporties en de bezoeken en betastingen beginnen opnieuw. Dit tafereel zou alleen tot lachen wekken (5), indien de gehele toestand van het Oude Hof ons niet met schaamte moest vervullen. Met welk een ijver wordt niet de nagedachtenis van de Zwijger verdedigd, zelfs tegen de geringste insinuaties, die sommige hedendaagse geschiedschrijvers zich veroorloven. Ongetwijfeld heeft die ijver een loffelijke grond. Maar wat moet men denken, wanneer men ontwaart, dat de plek, waar Prins Willem voor onze onafhankelijkheid gevallen is en die voor iedere Nederlander een heilige plek moest zijn, veranderd is in een morsige kazernetrap! In Frankrijk eert men de martelaren beter; op de plaats, waar Lodewijk XVI slechts enige jaren begraven is geweest, heeft men een Chapelle Expiatoire gesticht.

Wanneer ik eindelijk gewezen zal hebben op de instortende gebouwen van het Binnenhof en op de kloostergebouwen, waarin de Utrechtse Hogeschool gevestigd is, geloof ik, dat de dringende noodzakelijkheid, om in de toestand van ’s lands onroerende eigendommen verbetering aan te brengen, niet in twijfel kan getrokken worden.

Dezelfde noodzakelijkheid tot spoedig handelen bestaat voor de voorwerpen van kunst, wetenschap en historie, die zich in de verzamelingen van het Rijk bevinden.

De vorige regeringen hebben deze verzamelingen beschouwd als overgeërfde opeenstapelingen, die men uit een zeker gevoel van fatsoen niet wel kon opruimen, maar waaraan het jammer zou wezen, enig geld of enige moeite te besteden. Er werd niet begrepen, dat de musea een der meest onontbeerlijke en der krachtigste hefbomen zijn tot ontwikkeling van het volk, tot bevordering van de kunst en de industrie, en ten slotte tot verhoging van de algemene welvaart. Vandaar dat er niets hoegenaamd gedaan is om de pakhuizen, waaraan wij den naam van Musea geven, zo in te richten, dat zij als hulpmiddel voor de wetenschap kunnen dienen. De voorwerpen zijn er op de meest onpraktische wijze op elkaar gestapeld, en maken meer het effect van een fantastische expositie, die voor onze ogen warrelt, dan van een inrichting bestemd om in te lichten en te onderwijzen. Geen ruimte, geen licht, geen geregelde rangschikking, geen volledige series, geen catalogussen.

Voorts, alsof men meende, dat de studie nog meer bemoeilijkt behoord te worden, zijn de uren, waarop het bezoek der Musea is toegestaan, zo veel mogelijk beperkt. Zo sluiten het Trippen en het Mauritshuis (dit laatste zelfs in de zomer) reeds om 3 uur, en zijn zij zaterdags geheel gesloten ten einde de oud Hollandse schoonmaak zucht te bevredigen; alsof daartoe een hele dag nodig was, en alsof het niet algemeen bekend was, dat tegen een fooitje ook zaterdags de deur zich ontsluit.

Op zondag zou het – dunkt mij – zaak zijn de toegangen zo wijd mogelijk open te stellen. De mindere man weet helaas dan met zijn ledige tijd geen raad, en men zou een zeer moreel werk verrichten, wanneer men hem in de gelegenheid stelde zijn hart en zijn geest te verheffen bij het zien van de heerlijke voortbrengselen van de Schepper of van de mensen. Het is waar, er zijn piëtisten, die bij de eenvoudige gedachte zullen rillen; maar zij moesten bedenken, dat als men zelfs op sabbatdag het kalf uit den put mag halen, wij gerechtigd zijn te vragen, dat op zondag de deuren van de herbergen, die zo vele afgronden zijn, wat minder en die der Musea wat meer geopend worden.

Onze Musea intussen zijn op die dag niet of slechts gedurende enige uren zichtbaar; opmerkelijk is trouwens de variëteit in de bepalingen omtrent de uren, waarop de Musea van de Staat geopend zijn, en waarvoor wel geen andere reden zal bestaan dan het ‘varietas delectat.’ Het Trippenhuis is in de zomer tot 4 uur zichtbaar, zondags in het geheel niet. De benedenlokalen van het Mauritshuis zijn nooit dan tot 3 uur geopend en sluiten zondags. De schilderijen in het Mauritshuis kan men ’s zomers op zondagen aanschouwen van 12 tot 2 uur, ‘mits de bezoekers zich vooraf voorzien van toegangskaarten, die een dag van te voren tussen 9 en 12 uur en op den dag zelf tussen 10 en 11 uur gratis te verkrijgen zijn bij de concierge van het gebouw en aan de opzichters van het kabinet bij het binnentreden weer moeten worden afgegeven!’ Er wordt niet gevraagd, of men gevaccineerd is en aan de militiewet voldaan heeft. Het Paviljoen te Haarlem mag men zondags een uur langer zien. Maar uit alle verzamelingen wordt eenstemmig op zaterdag het publiek geweerd.

Hoe geheel anders begrijpen b.v. de Engelsen, dat de musea bestaan om nut te stichten, en hoe praktisch weten zij, die daartoe in te richten. Elk voorwerp is op doelmatige wijze tentoongesteld, en voorzien van een korte beschrijving, die men in uitmuntende catalogussen nader toegelicht kan vinden; aan de ingang van de galerijen vindt men tabellen, die een duidelijke, hoewel beknopte, verklaring bevatten van hetgeen men daar zien zal. Ontbrekende voorwerpen worden aangekocht of door kopieën en afgietsels vervangen.

Enkele lokalen zijn bestemd om tijdelijk verzamelingen te ontvangen, die door liefhebbers ten behoeve der studerenden worden ter leen gegeven. Van hun kant zenden de musea elkaar dikwijls hele series over om die tijdelijk te exposeren. Tot 10 uur ’s avonds heeft het publiek toegang; er zijn refreshment rooms in de gebouwen aanwezig, en zij die studeren willen, worden op alle mogelijke wijzen geholpen en bijgestaan.

Wanneer wij de vreemden tot voorbeeld namen, en de toestand van onze musea verbeterden, zouden de ogen van de grote massa ook zich openen; dan zou het nut van onze verzamelingen, voor niemand meer raadselachtig zijn en er zou niemand gevonden worden, die het nodige geld tot instandhouding van de musea zou durven betwisten.

Dat onze musea als renteloze kapitalen blijven liggen, is trouwens vrij verklaarbaar, wanneer men nagaat hoe gebrekkig de administratie daarvan georganiseerd is. Zo werd in 1849, na den dood van de heer Apostool, het Trappenhuis voor de tijd van drie jaar toevertrouwd aan een directeur, de heer Pieneman, die tevens belast werd met de mede directie van het Museum van moderne schilderijen op het Paviljoen te Haarlem, een cumulatie van functies, die zeker bedenkelijk was, als men in het oog houdt, dat Pieneman ook al directeur voor de schilderkunst bij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam was.

Deze benoeming intussen kostte het land geen enkele cent, want de betrekking was onbezoldigd. En als men weet, dat destijds het toezicht over de zalen aan slechts twee opzichters en aan twee oppassers, ‘ouden van dagen,’ tegen een karig loon was opgedragen, zal men inzien, dat alles op zijn zuinigst was ingericht om een museum dat enige miljoenen waard is, te verzorgen en te bestieren.

Aan de directeur werd nog geen instructie, maar werden slechts enige wenken gegeven, die zich door een aartsvaderlijke eenvoudigheid kenmerkten. Hem werd een rapport gevraagd over de staat van de schilderijen en aangezegd, dat hij zich alleen met het dagelijks onderhoud mocht bezighouden en zich voor elke buitengewone maatregel (zoals restauraties) vooraf tot de koning moest wenden! Volgens dit systeem, had derhalve de directeur niet anders te doen, dan de schilderijen af te stoffen en de zalen schoon te houden.

Men ontdekte ook, dat zo er al vroeger een instructie voor de opzichters bestaan had, deze geheel in onbruik Was geraakt en men ging er toe over een nieuwe te vervaardigen, tegelijk met een reglement van orde voor de in het Museum studerende schilders.

Intussen bleek het reeds spoedig uit een rapport van den directeur, hoe dwaas het was de beslissing omtrent buitengewone maatregelen en bij name restauraties ten behoeve van Amsterdamse schilderijen, in handen te stellen van koning’s regering in den Haag. Nog in 1844 werd daarom besloten tot het instellen van een Commissie van hoogstens vijf leden, waarvan de directeur rechtens deel zou uitmaken. Deze Commissie was alleen bestemd, om in zaken, die niet tot het dagelijkse beheer behoorden, aan de regering inlichting te verschaffen, desgevraagd of niet, verder om het oog te houden op eventuele restauraties, en eindelijk om een jaarlijks verslag uit te brengen.

Tegelijkertijd werd de directie van het Paviljoen te Haarlem geheel en uitsluitend in handen van de heer Pieneman gesteld, tot dat in 1847 de zaken andermaal gewijzigd werden.

De Commissie over het Trippenhuis namelijk werd toen veranderd in een Raad van Bestuur, waaraan ook het dagelijks beheer werd opgedragen.

Deze Raad kreeg tevens het beheer van het Haarlemse Paviljoen, maar alleen voor de alledaagse aangelegenheden, en eigenlijk zonder enige macht hoegenaamd; want er werd bepaald, dat in alle kwesties van enig gewicht (zoals de benoeming van opzichters, de bewaring, de aankoop of de plaatsing van de schilderijen) met de directeur van het Haagse Museum in overleg moest worden getreden, en aan deze werd bij verschil van mening de bevoegdheid verleend om tegen de minister te protesteren!

Het is deze prachtige combinatie, die tot heden toe vigeert.

De instructie voor de Raad van Bestuur is hoogst gebrekkig; zij vermeldt in zeer algemene termen, dat de Raad het Museum moet verzorgen, dat zonder machtiging van de regering geen voorwerpen uit het Museum mogen worden vervoerd, dat als iets hersteld moet worden, men dit aan bekwame (!) personen moet opdragen, dat het publiek de schilderijen en prenten moet kunnen zien en kopiëren. Maar terwijl omtrent dit kopiëren in kleine bijzonderheden getreden wordt, en zeer naief aan de raad de bevoegdheid verleend wordt, om aan de regering voorstellen in het belang van het Museum te doen, is er hoegenaamd niets bepaald om den Raad zelf te controleren; ja zelfs van het opmaken van een jaarlijks verslag wordt niet gesproken.

Nu is het wel waar, dat voor ieder, die niet blind is, de toestand van het Trippenhuis ellendig is, en dat voor ieder, die niet doof is, de maat van de smaadwoorden, die wij van vreemdelingen daarover horen moeten, tot aan de rand vol is,… maar onze kalmte en ons geduld verlaten ons niet. Wij zien zonder schaamte die toestand voortduren.

De Raad van Bestuur, die eens in het jaar vergadert, bestaat uit vier personen, waarvan twee door hun hoge ouderdom (83 en 72 jaren) buiten staat zijn zelfs de eerste verdieping te bereiken. Dan twee opzichters, die een loon van 1000 en 900 gulden genieten en daarvan nog in het weduwen en wezenfonds moeten storten.

Een van hen is belast met de verzorging van de verzameling prenten, een van de schitterendste collecties op de wereld. Onder die prenten bevinden zich exemplaren, die duizenden waard zijn. Nu is het ver van mij, iets te willen zeggen tegen de eerlijkheid van de vroegere conservatoren of van de hedendaagse. Maar in ’t algemeen mag men vragen, of het met de regels van een goede administratie strookt een schat ter waarde van een miljoen gulden, die bij gebrek aan controle met het meeste gemak kan geplunderd worden, toe te vertrouwen aan een ambtenaar op een traktement van ƒ 900! De plunderingen, onlangs door de bibliothecaris van Troyes gepleegd, geven op die vraag het antwoord. Overigens, heeft men ook al niet oneerlijkheid te vrezen, men moet althans bedenken, dat men voor dat geld geen deskundigen van het eerste water zal verkrijgen. De geschiedenis van het laatste jaar heeft het bewezen. Men moest een nieuwe conservator benoemen. De enige in geheel Nederland misschien, die daarvoor door zijn speciale studies de aangewezen man was, werd werkelijk door de regering aangezocht, die betrekking te aanvaarden. De man was met weinig tevreden, maar daar hij al een betrekking had van een paar duizend gulden, maakte hij bezwaar deze prijs te geven om op een traktement van ƒ 900 te gaan leven. De regering intussen, de zuinigheid betrachtende, was niet te bewegen deze concierge bezoldiging te verhogen. Van de specialiteit werd afgezien en een ander persoon werd benoemd, en toen deze drie dagen later, bij het horen van de schitterende condities door de arme Nederlandse staat aangeboden, bedankte, ging men over tot de aanstelling van de tegenwoordige titularis, van wie het enige gebrek daarin bestaat, dat hij zich voor zijn vak, op 64 jarigen leeftijd, nog geheel en al moet bekwamen!

De Regering heeft dus een triomf behaald, de ƒ 900 sinds 1847 nooit verhoogd… en toch een conservator voor de prenten gevonden.

’t Zijn dan ook maar prenten. Waarom daaraan geld of moeite besteed (6)? ’t Is waar, dat er zich een ets van Rembrandt onder bevindt, waarvan slechts acht exemplaren bekend zijn, en dat voor één daarvan een tiental jaren terug 1180, zegge elf honderd tachtig, pond sterling betaald werd; maar dit is nog geen reden om tot behoud van dergelijke voorwerpen een cent uit te geven. En toch zou enig geld wel nodig zijn, want de prenten zijn niet eens behoorlijk opgezet en bij elke manipulatie worden zij meer bedorven en versleten!

Het bestuur van de Haagsche verzamelingen is niet minder gebrekkig georganiseerd dan dat van de Amsterdamse.

De verzameling schilderijen op het Mauritshuis is sinds 1841 geheel en sinds een tiental jaren uitsluitend aan een enkele persoon met de titel van directeur toevertrouwd. Wij hebben gezien, dat deze tevens de directie heeft over de verzameling te Haarlem. Met welk doel deze combinatie is uitgedacht, is een raadsel. Vroeger stond hem een conservator ter zijde, maar na de dood van de laatsten titularis, is die betrekking – men heeft nooit geweten waarom – onvervuld gebleven. Zie daar dus twee Musea in verschillende steden gevestigd toevertrouwd aan één enkelen persoon zonder controle, zonder hulp! Mag dit een goede organisatie heten?

Ook de verzameling oudheden in de beneden lokalen van het Mauritshuis is aan één enkel man sinds 33 jaren opgedragen.

Niet anders is het gesteld met het Etnologisch Museum te Leiden, waarmee sinds jaren zonder bezoldiging voorlopig belast is de directeur van Rijks Museum van Oudheden.

Gaan wij de toestand na, waarin de verzamelingen zelf verkeren, dan zullen wij ontwaren, dat de natuurlijke gevolgen van de onverschilligheid van de vroegere regeringen niet uitgebleven zijn.

Dat het gebouw, waarin het Amsterdamse Museum zich bevindt, zowel wat ruimte (7) als wat inrichting betreft, beneden alle kritiek is, achten wij overbekend. Dat het onverantwoordelijk is, de daar geplaatste schatten naast petroleum magazijnen te laten staan, weet ieder. Wij zullen daarbij dan ook niet stil staan, te meer, omdat eindelijk en als laatste er enige hoop gekoesterd mag worden, dat een opzettelijk daartoe bestemd gebouw in een niet al te ver verwijderd verschiet tegemoet gezien kan worden. Maar wat men misschien niet zo algemeen kent, is de erbarmelijke toestand, waarin de schilderijen zelf verkeren. Het regime, waaraan zij sinds jaren zijn blootgesteld geweest, in de zomer de brandende zon, in de winter de gloeiende en rokende kachel of ’s nachts de felle vorst, in de overige seizoenen de vocht en de natte moesson, dit alles heeft op de doeken en panelen dezelfde uitwerking gehad, die het op een gewone met verf bestreken plank zou hebben gehad. Het grote publiek schijnt het niet te kunnen begrijpen, maar het is toch een stellige waarheid, dat zonder aanhoudende oplettende zorg een schilderij van Rembrandt even goed kan vergaan als een geverfde deur of een met fijne lak bestreken rijtuig. De gebarsten, gekraakte en bedorven schilderijen van het Trippenhuis zouden het kunnen bewijzen. Ik citeer een stuk van Cuyp (no. 66), waarvan de verf hier en daar af springt; een stuk van W. van de Velde, dat schandelijk gevernist is; de Nachtwacht eindelijk, die met een veel te dikke vernislaag onlangs overdekt is geworden. Sommige doeken zijn zo verwaarloosd, dat zij half gescheurd uit de lijst hangen; om niet van overdrijving beschuldigd te worden, zal ik er een noemen, waarmede dit het geval is: het is no. 104, een gezicht op Nijmegen door Van Goyen. Met een lantaarn en een ladder gewapend, kan de nieuwsgierige lezer dit stuk, dat enige duizenden waard is, op de tweede verdieping achter in een gangetje rechts in de hoek boven tegen het plafond terug vinden.

Geloof niet, dat de Raad van Bestuur zich daarom bekommert. Op de ladders kan hij niet klimmen, voor restauratie geld aan te vragen is hij niet gewend, en ook de regering heeft altijd met genoegen gezien, dat men haar niet lastig kwam vallen. O, als het 10,000 pikols Java koffie gold, waarvan ontdekt werd, dat zij op een zolder lagen te bederven, wat zouden de Amsterdammers opstaan, en hoe zou er een koffiebonen verzorging agitatie opgewekt worden!

De schilderijen op het Mauritshuis verkeren in een betere toestand; maar hier ontbreekt ruimte en licht. Zeker zijn er niet meer dan twintig, die volkomen goed gezien kunnen worden; één heeft er een schuilplaats moeten zoeken in het kamertje van de directeur; een uitstekende verzameling miniaturen wordt bewaard in de kamer van de directeur van het Kabinet van curiositeiten, en is dientengevolge bij het publiek geheel onbekend. Verbetering zou gemakkelijk en weinig kostbaar zijn. Wanneer men ook de beneden lokalen voor de schilderijen inruimde en door het dak bovenlicht deed vallen, zou het tegenwoordige gebouw zeer wel als Museum kunnen dienen.

Het treurigste is het pandjeshuis, dat in de benedenverdieping aan bederf is overgegeven. Geen vreemdeling, die ons daarover niet beschimpt. Alleen de inboorling blijft sinds 50 jaren steeds even bedaard. Als God aan Noach had bevolen, twee voorwerpen van elke soort te nemen, en hem de tijd niet gegund had ze netjes te rangschikken, dan geloof ik, dat men een ‘rommel’ – sit venia verbo – verkregen zou hebben, die met deze verzameling enige overeenkomst had. Wanneer men daarin opgravingen mocht doen, zou men naast prachtige stukken van drijfwerk, van email, van aardewerk, naast heerlijke Chinese en Japanse porseleinen en weefsels, een menigte merkwaardige, maar misplaatste, vijgenbladen vinden, afkomstig van Nieuw Caledonische dames, dan een aantal aardigheden, die, men weet niet hoe, hier aangeland zijn; bloemen van witte was, uitgeknipte mannetjes, het ‘onze vader’ vijftig maal op de oppervlakte van een dubbeltje geschreven, en dergelijke fraaiigheden meer! Niets, geeft daarvan een beter denkbeeld, dan de bespottelijke catalogus van het Museum, een boekje, waar een bezoldigd directeur sinds meer dan dertig jaren niet de tijd voor heeft gevonden te verbeteren of aan te vullen, Een zestal letterlijk daaruit overgeschreven nummers zal er een denkbeeld van geven.

– No. 724. Het japans verlakt door wijlen de heer C.N. Huygens te ’s Hage, kunstig nagemaakt.
– No. 725. Een oorlogsbijl uit den Spaanse tijd.
– No. 726 Jacoba’s kannetjes.
– No. 727. Hansje in den kelder.
– No. 728. Een gezicht uit Zwitserland op de St. Gothard.
– No. 729. Bloemen van witte was gemaakt.
– No. 730. Een versiersel van rederijkers.
– No. 731. Sabel en geweer, afkomstig uit de boot van J.C.J. van Speijk, en zo voorts!

Nog koddiger is de Franse catalogus van deze verzameling, waarvan ik enige extracten deel tot vermaak van de lezer en tot gerief van den directeur, die in de voorrede het Kabinet aanbeveelt ‘à la coopération de chacun pour son ampliation.’ Risum teneatis!

– No. 4. La chemise… portée par Guillaume III… pendant les trois derniers jours de sa vie, après la chûte fatale de son cheval.
– No. 5. Robe de chambre, portée par idem (door het paard?).
– No. 12. Broderie représentant un tombeau, faite sur la mort de la mère de Guillaume I.
– No. 20. Cheveux pris du cercueil de Jaqueline de Bavière.
– No. 37. La cuirasse d’un inconnu.
– No. 91. Quelques tableaux en miniature.
– No. 98. Hausse-col, très antique (een heerlijke toelichting voorwaar).
– No. 105. Chef d’oeuvre de papier découpé représentant la nuit de Noël.
– No. 106. Idem avec vaisseaux.
– No. 109. Perspective en papier.
– No. 114. Chef d’oeuvre gravé sur ardoise.
– No. 121. Vernis Japonais, artistement contrefait par feu C.N. Huygens.
– No. 125. Objet singulier produit par du foin brulé.
– No. 140. Go-belet… du temps des chevaliers.
– No. 141. Pièces émailés, de très anciene date. (De tijdsbepaling wordt steeds meer helder).
– No. 154. Porcelaine (!) antique, nommée majolique.
– No. 157. Sceptre antique d’un roi des Parthes (als die niet antiek was!).
– No. 189. Tuyau de l’île de Bali.
– No. 191. Caisse aux balles de Sumatra.
– No. 197. Objets, usés à Java pour les Waygangs ou représentations de théâtre.
– No. 214. Petit Pedro del Porco, en or.
– No. 239. Modèles d’instruments, propres à l’agriculture, aux mines et au ménage.
– No. 242. Bible en langue d’Abysine.
– No. 249. Costumes des Africains, Américains et Australiens.
– No. 258. Selle des paysans Africains.
– No. 260. Caisse de momie.
– No. 288. Fruits ciselés, à différents usages.
– No. 308. Armoire, avec de la porcelaine précieuse de la Chine et du Japon.
– No. 332. Armoire continant des instruments de charpentier, des modèles d’instruments d’agriculture et de quelques métiers, une représentation des travaux dans une mine de cuivre, et le cortège d’un grand et d’un petit seigneur.
– No. 346. Quelques monstres, fabriques artificiellement.
– No. 352. Vêtements de Corée, peuple tributaire du Japon (!).
– No. 356. Deux armoires, contenant de la porcelaine Chinoise.
– No. 386. Le grand Lama, saint de la Chine.
– No. 393. Un culbuteur.
– No. 414. Petit fourneau à thé, et théière en faience, dans une boite ronde, qui tourne à force du feu.
– No. 422. Corde de riz, très forte.

Ik heb ‘pour la bonne bouche’ no. 178 bewaard; Modèle du couteau avec lequel Ankerström a assassiné Gustave III, roi de Suède. Tot nog toe dacht men algemeen, dat deze vorst aan een kogelwond was overleden. Mr. A.A. van de Kasteele intussen spreekt dit tegen met de overtuigingsstukken in de hand!

Lezer, is het te verwonderen, dat de vreemdeling den draak met ons steekt… en zijn wij niet een geduldig volk!

Laat men met onverschilligheid het Trippenhuis te midden van petroleumtonnen staan, ook te ’s Hage zijn de maatregelen van voorzorg tegen brandgevaar uiterst gebrekkig. De ramp van het Museum Boymans had toch tot voorzichtigheid moeten leiden. Eerst dit jaar heeft men het Mauritshuis van bliksemafleiders voorzien! In de verzameling schilderijen bevinden zich tot nog toe slechts twee ladders, waarvan de ene twee man en een half uur werk nodig heeft om opgericht te worden. Dit is zeker voor het spoedig afhaken van een honderdtal schilderijen, in 7 kamers verspreid, niet overvloedig (8).

Wanneer ik tenslotte medegedeeld zal hebben, dat door sommige oppassers in de benedenlokalen gerookt wordt, geloof ik, dat men mij enige bezorgdheid niet euvel zal duiden.

Van de verzameling moderne schilderijen op het Haarlemse Paviljoen, waaraan een conservator verbonden is met een traktement van ƒ 400 (!), zowel als van de prenten verzameling te Leiden, mag men vragen, waarom de regering deze Musea aldaar laat. Even dwaas als het zou wezen, een vuurtoren te Maastricht op te richten, even ongerijmd is het Rijks Musea te onderhouden in steden, waar hoegenaamd geen artistiek leven bestaat, terwijl juist daar, waar een legio kunstenaars leeft, aan dergelijke verzamelingen behoefte is. Welk nut de collectie van het Paviljoen zal stichten, zolang die te Haarlem is, schijnt onverklaarbaar. De enige reden, waarom die daar geplaatst werd, is, dat de Staat aldaar in het Paviljoen een goedkope gelegenheid bezat om de schilderijen te bergen. Stond het Paviljoen midden op de Mookerheide, wij mogen er niet aan twijfelen, dat ook de schilderijen daarheen verzeild waren. Trouwens de verzameling, ook al stond deze in een woestijn, kon nooit meer in vergetelheid geraakt zijn, dan zij dit thans is. Wel koopt men van tijd tot tijd iets aan, ten einde de aankoop van Verboeckhoven’s wolvengevecht te doen vergeven, maar het is er verre van af, dat het Museum ook slechts een flauw denkbeeld van de moderne Hollandse school zou geven. Israëls, Bosboom, Bles, Bisschop, van de Sande Bakhuijzen, Bakker Korff, Alma Tadema, vindt men er of in ’t geheel niet, of slechts door ondergeschikte werken vertegenwoordigd. Vergelijk daarmee het Palais Ducal te Brussel, waar niet alleen Belgische, maar ook vreemde kunstenaars aangetroffen worden.

Ook het bijna niet bezochte Leidsche prentenkabinet diende men te verplaatsen, liefst naar Den Haag, waar niets van die aard gevonden wordt, en waar het Mauritshuis dringend aan een verzameling gravures en etsen behoefte heeft. Want wat een woordenboek voor een bibliotheek is, dat is een prenten collectie voor een museum van schilderijen. Wat doet in Leiden – ik vraag het – de goede, maar onvolledige verzameling klassieke pleisterbeelden, waarvan het beheer aan de directeur van het prentenkabinet is toevertrouwd? Tien minuten verder in het Museum van Oudheden vindt men een tweede verzameling afgietsels op haar beurt onvolledig. Blijkt ook hieruit wederom niet, dat men er niet om geeft na te gaan welk nut een museum kan en behoort te stichten?

Ook de Leidsche verzamelingen van oudheden en voor ethnografica wachten al te lang op radicale verbetering.

De noodlottige onverschilligheid en zuinigheid van vroeger tijden heeft het ene Museum al tweemaal en het andere in de tijd van tien jaren driemaal doen verhuizen, natuurlijk niet zonder schade voor de telkens verplaatste voorwerpen. Als zij nu eindelijk in een goede haven aangeland waren, zou men zich kunnen troosten; maar dit is niet het geval; want de huizen, waarin zij tegenwoordig geplaatst zijn, maken de tentoonstelling en de studie onmogelijk. Herhaaldelijk heeft vruchteloos de ijverige directeur Dr. Leemans daarover geklaagd. ‘De toestand, zo schreef hij in 1870, wordt hoe langer hoe meer onhoudbaar, niet alleen ten gevolge van plaatsgebrek, maar ook om de lang niet geruststellende staat van het gebouw’. Niet alleen heeft de regering voor alle betogen steeds het oor gesloten, maar men heeft zelfs zijdelings getracht de waarheid te smoren! Dr. Leemans is genoodzaakt geweest uit zijn jaarlijks voor de Staatscourant bestemd verslag die zinsneden te schrappen, waarin de ellendige toestand der Musea werd aangewezen! Later heeft hij op eigen kosten zijn volledig rapport afzonderlijk doen drukken. Meende dan de regering, dat de waarheid niet bestond en niet aan het licht zou komen, wanneer men haar in de Staatscourant verbloemde? Dacht men op die wijze de Staat goed te dienen? Had niet de regering, die zo graag beweert, dat racikale verbeteringen afstuiten op de onwil van de Kamers om geld daarvoor toe te staan, er op uit moeten zijn om de gebreken van de toestand in al hun naaktheid publiek te maken?

Wanneer wij de staat van onze Musea overwegen, schreeuwen dan de schimmen van Rembrandt, van Hals, van de gehele roemrijke Hollandse school ons niet in de oren, dat wij niet waard zijn zulke geniën onder onze voorouders te tellen! Moet ons het rood niet op de wangen staan, wanneer wij zien, dat de Hollandse schilders al de musea van Europa voor de helft met hun heerlijke maaksels vullen, en dat overal in Europa, in Pruisen, in Oostenrijk, in het kleine Saksen, in het arme Beieren, in Oldenburg, in Hessen, in België, in Engeland, in Frankrijk voor onze schilderijen met onbekrompen middelen heerlijke paleizen ingericht of gebouwd zijn! Wij, wij overtreffen of evenaren al deze naties in rijkdom, maar wij geven geen cent uit, ik zeg niet tot vermeerdering, maar tot het hoog nodige onderhoud van die kunstjuwelen, die wij, niet waardigen, nog bezitten! Frankrijk daarentegen, hoewel het vijf miljard oorlogsschatting betalen moest, heeft nog dit jaar vier nieuwe zalen in het Louvre geopend, om er Hollandse schilderijen in te plaatsen! ‘’t Is zonde, zoo zei mij onlangs een Fransman, dat wij in 1815 gedwongen werden u uw schilderijen terug te geven; want werkelijk in onze handen zouden zij beter in ere gehouden zijn en aan de mensheid meer nut en meer genot verschaft hebben.’ Ik wist niet welk antwoord ik mompelen moest op deze voor onze natie zo grievende beschouwing; lezer! zoudt gij een verontschuldiging gevonden hebben?

Het zal niemand bevreemden, dat de regering, die steeds nalatig was haar kunstschatten te onderhouden en te verzorgen, er ook nooit aan gedacht heeft, die te vermeerderen en aan te vullen. Toch is de aanvulling van een museum even nodig als die van een bibliotheek (9). Evenmin zoals men Vondel missen kan, wanneer men Cats bezit, evenmin mag Hobbema ontbreken, waar Ruisdael gevonden wordt. Elke gaping in een collectie is voor de studie nadelig.

Aan gapingen, helaas, ontbreekt het in onze musea niet. Terwijl men te Brussel een zestal zalen gevuld heeft met meesters uit de XVe en XVIe eeuw, terwijl te Keulen, te Neurenberg, te München, te Londen ook van deze schilders hele verzamelingen bijeen zijn gebracht, zijn wij vast en zeker verstoken van de gelegenheid om deze periode onzer kunstgeschiedenis te bestuderen. Te vergeefs zult gij in ’s Rijks musea zoeken naar Lucas van Leiden, naar Scorel, naar Goltzius, naar Lastman, Pinas, van Mander en zovele anderen.

Met de schilders van de bloeitijd is het niet beter gesteld; in het Mauritshuis mist men – ik noem slechts de Dî majores – Frans Hals, Hobbema, Van Goyen, Sal. Ruisdael, Van Ravesteijn, Esajas van de Velde, de oude Willem van de Velde, Flinck, Berck Heyde, Brouwer, de Grebber.

In het Trippenhuis ontbreekt Rembrandt als landschapschilder, en bijna de gehele pleïade, die zich om Rembrandt schaart (Bramer, Pinas, Lastman, Wittenbroeck, de Wet, de Poorter, A. de Gelder, Esselens, Roghman, Lievens) (10).

Natuurlijk: in ons rijk land is er daarvoor geen geld, of liever daar is geld genoeg, maar men wil het er niet voor geven. In Frankrijk, waar men op dit oogenblik andere lasten te torschen heeft als wij, weet men wel een paar ton te vinden om fresco’s van Raphael voor den Staat te behouden.

Wij behoeven zelfs niet naar Frankrijk te gaan om een voorbeeld te vinden dat ons beschaamt. Ons eigen land heeft in een der moeielijkste oogenblikken zijner geschiedenis getoond, dat het mannen bezat die nog voor iets anders tijd en geld overhadden dan voor onmiddellijke materieele behoeften. In 1799, toen de Bataafsche Republiek waarlijk niet in weelde leefde, is het besluit genomen tot stichting van het eerste nationaal Museum, dat in Nederland heeft bestaan. Het is mij uit de rekeningen, op ’s Rijks archief aanwezig, gebleken, dat voor dit Museum, dat op het Huis in het Bosch geplaatst was, in 1799 is uitgegeven de som van ongeveer 12,000 gulden! In 1800 vond ik voor restauratiën een uitgaaf van 2000 gulden, en voor aankoop van 400. In 1804 gaf men 1889 en in 1806 2244 gulden uit.

Ook wij – indien wij maar wilden – zouden voor onze musea een penninkje kunnen afzonderen. Al ware het slechts door minder voor Waterstaat, voor spoorwegen of voor Defensie te verkwisten. Niet dat ik een stuiver zou willen onthouden aan hetgeen voor deze grote belangen werkelijk vereist wordt. Ik spreek alleen van hetgeen men verspilt. Om bij Oorlog te blijven, zal ik een paar voorbeelden noemen: zijn de gelden wel te verantwoorden, die weg geworpen worden aan die ongelukkige gesp – thans een koperen kruis – waarmee men onze officieren dwingt te verkondigen, dat zij XV of XX of XXV jaren garnizoensdienst achter de rug hebben? De administratie van die krijgshaftige gesp kost jaarlijks aan de Staat het onderhoud van meerdere klerken, en het sommetje dat zodoende reeds verzwolgen is, zou aanzienlijk genoeg zijn, om een paar Hobbema’s op het Mauritshuis te bezorgen.

Een ander voorbeeld. Vijftien jaar geleden droegen onze soldaten de patroontas nog sinds twee eeuwen op de dezelfde wijze, en zoals ook nu weer, over de schouder. Plotseling werd ontdekt, dat de buik en de heupen door de natuur aangewezen waren om de patroontas te torsen. Bij wijze van proef ontving een batailjon een nieuw model buikbanden, en enige maanden later mocht het hele Nederlandsche leger zich vanwege dit harnas verheugen. De vreugde was kort. Reeds het volgende jaar werd alles afgeschaft en de patroontas more majorum over de schouder gehangen. Inmiddels waren minstens 80.000 gulden letterlijk verkwist. Wat zou het Trippenhuis dit geld goed hebben kunnen gebruiken!

Wanneer men op de verschillende Departementen rond liep en overal de onbetwistbaar nutteloze stuivertjes bij elkaar bracht, er zou op de 100 miljoen van onze begroting wel een miljoentje voor de Kunst te vinden zijn.

Maar ons is de Kunst die moeite niet waard. Wilt u weten wat de regering voor het Mauritshuis over heeft? 800 gulden! Die somma van 800 is, niettegenstaande de stijgende behoeften en de verminderende waarde van het geld, sinds onheugelijke jaren niet vermeerderd geworden. Integendeel. De regering heeft acht jaar geleden op dit bedrag de aanmerkelijke som van ƒ 14, zegge veertien, bezuinigd. O, aartsvaderlijke zuinigheid! U wordt in Nederland nog steeds als het hoogste goed aanbeden; zonder ophef, in stilte, worden uwe heerlijke wetten nageleefd. U had al jaren lang bepaald, dat er voor het Mauritshuis op de begroting aan kosten van onderhoud en voor aankoop niet meer dan 814 gulden zou worden besteed. Welnu, men heeft nog beter gedaan…, en men schrapte, zonder iets te zeggen, met het woord aankoop, de in het vervolg niet meer nodige veertien gulden!

Overigens was deze belangrijke wijziging in de begroting niet bestemd om in het bestaande iets te veranderen. Want sinds 43 jaren is er voor het Mauritshuis nooit een enkel stuk aangekocht. Ja zelfs, toen voor drie jaar geleden te ’s Hage onder de ogen der regering een oude tekening van Episcopius verkocht werd, waaruit bleek, dat zeker nu nog in de Catalogi van het Museum als onbekend vermelde schilderij het werk was van Alexandro Turchi, toen zelfs werd dit historische document niet gekocht. En toch gold daar het een bedrag van slechts 20 gulden. Het was dus zeker niet, omdat de Waterstaat en Defensie zo veel geld verslinden, dat men die tekening verzuimde in het archief van de verzameling op te nemen.

Intussen, ook zonder aan te kopen zouden ’s Lands musea al een vrij belangrijke uitbreiding kunnen verlangen, wanneer men slechts de talrijke aan den Staat behorende zaken, die overal verspreid liggen, bijeen wilde brengen. Zo’n maatregel zou ook met het oog op het behoud van de voorwerpen zelf zeer gewenst zijn; ten slotte slingeren zij nu op allerlei zolders en in verschillende oorden rond, zodat zij zo niet vernield, dan toch vergeten en verwaarloosd worden, terwijl zij een betere behandeling verdienden, en zo zij behoorlijk in de musea tentoongesteld waren, uitstekende diensten aan kunsten en wetenschappen konden bewijzen.

Om een denkbeeld te geven van wat er hier en daar nog verborgen ligt, zal ik enkele zaken noemen.

Zo zijn er in de Gevangenpoort een aantal foltertuigen en beulszwaarden; in het Rijks Archief zijn er ook enige. Met geringe kosten zou men in de Gevangenpoort een zeer merkwaardige collectie kunnen vormen van voorwerpen, betrekking hebbende op de vroegere lijfstraffen. Zonder veel moeite zou men van de gemeentebesturen te Haarlem, Delft, Amsterdam, Den Bosch, Roermond, Hasselt, enz. zeer interessante bijdragen voor zo’n museum in eigendom of te leen kunnen krijgen. Afschaffers van de doodstraf konden wellicht die verzameling dienen om het scepticisme ten opzichte van galg of schavot aan te kweken.

In het Ministerie van Koloniën treft men een groot aantal goede of althans merkwaardige schilderijen aan: vooreerst een volledige serie portretten van de Gouverneurs-Generaals van Nederlandsch Indië: dan 35 portretten van leden van de Rotterdamsche Kamer der O.1. Compagnie, van het begin der XVIIe tot het laatst der XVIIIe eeuw; onder deze heeft een twaalftal behalve historische, ook kunstwaarde; verder een voortreffelijk regentenstuk met acht portretten, in 1599 geschilderd, en afkomstig van het Koloniaal Magazijn te Amsterdam; dit stuk, dat op een goede plaatsing in een van onze musea aanspraak mag maken, hangt nu boven de lessenaar van een Referendaris, die te midden van 3.500.000 Nederlanders bevoorrecht is; voorts allegorieën door Lairesse en C. de Wit; en eindelijk een serie, wel niet voor de kunst, maar voor de historie hoogst merkwaardige schilderijen uit de XVIIe eeuw, voorstellende onze vroegere handelskantoren in Voor en Achter Indië: namelijk Judea (Bangkok), Neijra, Eawec, Raaiebaagh, Canton, Couchijn, Cananor. Deze stukken, gedeeltelijk aan flarden gescheurd, zijn recent op de turfzolder gevonden. Ten slotte vermeld ik nog een borstbeeld van Piet Hein in gebakken aarde.

Bij deze koloniale verzameling zou nog behoren een in het Rijks Archief aanwezig houten bord van Japans lakwerk, waarop in gouden letters de namen vermeld staan van alle opperhoofden van de handel op Decima en van de aangekomen en verongelukte Hollandsche schepen gedurende drie eeuwen.

Op het Archief hangen voorts vier grote in alle opzichten aller merkwaardigste schilderijen met de pen getekend door de oude Willem van de Velde, een uitmuntend meester, van wie onze musea geen enkel stuk bezitten. Zij werden voor de jongen Tromp vervaardigd en stellen vier van onze roemrijke bedrijven ter zee voor: de slagen bij Duinkerken, bij Duins, bij Hoek van Holland en voor Livorno.

Een tiental jaren geleden werden zij toevallig door de regering, op aandrang van een particulier persoon, gekocht. Jaren lang hebben zij vervolgens op het Ministerie van Binnenlandse Zaken in de antichambre van Z.E. tegen de muur gestaan, op het gevaar af van beschadigd of verscheurd te worden. Eindelijk heeft de archivaris ze medelijdend in een van de vertrekken van het archiefgebouw geherbergd, en daar hangen zij nu sinds geruime tijd, en God weet voor hoe lang, smachtend naar een hoognodige restauratie!

Bescheidenheid is een schone deugd, maar toch komt het mij voor, dat het Nederlandse volk, zonder van gebluf beschuldigd te worden, iets meer kon doen om de roem van zijn zeehelden in levendige herinnering te brengen.

Waarom laat men b.v. in de modellen kamer van het Departement van Marine enige van onze mooiste trofeeën, de spiegel van de Royal Charles en de overblijfselen van Barends en Heemskerk? Deze relikwieën verdienden een betere plaats dan dit donker, weinig bekend en minder bezocht lokaal. En wil men weten waarom het weinig bezocht is? Omdat de oude zeerob, die er de wacht houdt, geen fooitjes wil uitreiken aan de commissionairs, die de toeristen door de straten van de residentie rond leiden! Moet de bekendheid van zulke trofeeën wel van dergelijke kleinigheden afhankelijk zijn?

In het oude Huygens huis op het Plein te ’s Hage, nu in gebruik bij Marine, vindt men een zaal met Nederlandsche tapisserieën, achter boekenkasten en kantoor almanakken verborgen.

De oude gebeeldhouwde figuren, van de kap der Loterijzaal afkomstig, moet men gedeeltelijk in het gebouw van het Rijks Archief, gedeeltelijk op de zolders van het Ministerie van Binnenlandse Zaken zoeken. Daar ligt ook een aantal oudheden, die met andere alom in het land verspreid (11), geduldig wachten op het beloofde Museum voor vaderlandse kunst en geschiedenis.

Na de bestaande staatsverzamelingen besproken te hebben, is het hier de plaats om een woord te zeggen van dit Museum in spe, dat steeds tot de desiderata blijft behoren.

Men is het denkbeeld van dit Museum verschuldigd aan den Minister Thorbecke, die in 1863 bij gelegenheid der Delftse tentoonstelling van oudheden aan de Hoofdcommissie van die expositie schreef: ‘Het kan aan Hoofdcommissie bekend zijn, dat ik de grote zaal in het Binnenhof al hier tot een Museum van oudheden, vaderlandse kunst, zeden en beschaving wens te bestemmen. Aan de bereiking van dit doel zou ook uwe tentoonstelling wellicht dienstbaar kunnen worden. Mogelijk is het toch, dat eigenaars van voorwerpen, aldaar te plaatsen, bereid zouden worden bevonden, die, na afloop der tentoonstelling, voor de Rijksverzameling af te staan, zo niet in eigendom, dan in bruikleen. Het zou mij bijzonder aangenaam zijn, ten einde de welwillende medewerking der Hoofdcommissie te ondervinden, en al nu meen ik daar op de aandacht te mogen vestigen, doorzicht overlatend, wat de meest doeltreffende handelwijze is.

Men mag zich vlijen, dat menigeen, die in het bezit van dergelijke voorwerpen is, niet ongenegen zal zijn, die definitief of tijdelijk voor een Museum af te staan, dat naar alle waarschijnlijkheid de belangstelling van ingezeten en vreemdeling zal trekken. Menig voorwerp, dat anders zelden wordt gebruikt, zou op die wijze, in verband met andere, zijn ware plaats kunnen innemen, licht geven en ontvangen.

Graag word ik te zijner tijde onderricht, welk gevolg door de Hoofdcommissie aan mijn uitnodiging zal zijn gegeven.’

Ik zal niets voegen bij dit meesterlijk betoog ten behoeve van een Nationaal Museum; men kon niet beter spreken, dan de Minister Thorbecke schreef.

Maar hij schreef in januari 1863…, en wij tellen 1873; en mogen wij nu niet vragen: welk gevolg is door de Minister aan zijn voornemen gegeven?

Wanneer men nagaat, hoe door de regering, ondanks de pogingen van sommigen, deze zaak moedwillig verwaarloosd is, moet men tot het besluit komen, dat de brief, in 1863 geschreven, nooit ernstig gemeend was.

De Academische Commissie, hoewel – zonderling genoeg – nooit door de regering omtrent het Vaderlandse Museum geraadpleegd of zelfs met het plan in kennis is gesteld, richtte zich op de 14de juni en de 30ste juli 1865 tot den= Minister, om hem deze aangelegenheid te doen herdenken. Het antwoord was zeer laconiek: ‘de aandacht van de Ministers bleef op de zaak gevestigd’ (12).

In 1866 (13) onderzocht de Commissie, of het Haags Gemeentebestuur misschien een lokaal voor dit Museum kon afstaan; maar het bleek snel, dat alleen de grote Hofzaal daartoe zou kunnen dienen. ‘Was de bedoelde zaal tot zo’n bestemming dienstbaar gesteld’, zo sprak de Commissie, ‘dan zou nu het gemis van een lokaal en de onzekerheid, wat er van het besproken Museum komt, en waar het gevestigd zal kunnen worden, niet om geldende redenen hebben gegolden, waardoor het af te raden werd geacht, onderhandelingen te openen tot aankoop van de (Portugese) meubelen, en de Zevenhuizener kerkglazen.’ Nogmaals werd de zaak aan de regering per aangetekend schrijven aangeraden.

Intussen sloeg de Commissie haar ogen op het Muiderslot, en vroeg aan de Minister om dit gebouw voor het Museum te bestemmen (14). Ook het Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam drong daar op aan, waar op Z.E. antwoordde, ‘dat het voorstel hem niet verwerpelijk voorkwam’, en hij verzocht, dat de Commissie een plan en een begroting van kosten zou ontwerpen. Dat men evenwel eenvoudig er op uit was de zaak op de lange baan te schuiven, bleek spoedig, toen van het fantastisch plan tot oprichting van een Museum Willem III gebruik werd gemaakt, om de zaak volkomen te doen rusten. Het Museum Willem III verloste de regering van het Muiderslot plan, precies zoals dit haar bevrijd had van het Loterijzaal plan. Ja, de regering voelde zich zo weinig gebonden door de brief van 1863, dat zij – niet zonder enige naïviteit – in 1867 het oordeel van de Commissie vroeg aangaande een plan om de grote Hofzaal in een Concertzaal en in een Muziekschool te veranderen!! (15)

‘De rust van de Regering’, zoo drukte zich de Commissie het volgend jaar uit (16), ‘scheen wel wat al te ongestoord voort te duren, terwijl de Commissie al meer en meer in verlegenheid geraakte, zowel met betrekking tot het aanwijzen van een behoorlijke berging van voorwerpen, als ook tegenover de bezitters van dergelijke voorwerpen, die zich genegen verklaarden tot een afstand doen aan het Rijk, maar onder voorwaarde, dat met het inrichten van een gebouw, en toegankelijk stellen van het verzamelde, niet langer gedraald zou worden.’

Met een brief van 6 november 1868 beval de Commissie daarom opnieuw bij de nieuwe Minister van Binnenlandse Zaken het Muiderslot aan. Zij kreeg als antwoord, ‘dat het Muiderslot voor het beoogde doel niet goed benut kon worden, ook om de kosten voor de tijdelijke inrichting, het in en uitwendige herstel – en de bezwaren van een behoorlijk toezicht!’, verder, dat er enig zicht bestond – men rade waarop -, dat het Kon. Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam de nodige fondsen bijeen zou trachten te brengen om een Museum te stichten, in dat geval zouden de voorwerpen voor het ontworpen Rijksmuseum daar in bruikleen en ter bewaring kunnen worden gegeven!

In één adem angst voor behoorlijk toezicht in een Rijksgebouw (te Muiden); vertrouwen in een zorgvuldige bewaring door middel van een privaat genootschap! en daarbij vergat men, dat op het ogenblik zelf de voorwerpen, door het gehele land verspreid, zonder enig toezicht moesten blijven!

De Commissie trachtte nu het doel te bereiken door haar verlangen tot het allerkleinste minimum te reduceren. Zij vroeg een gedeelte slechts van de grote Hofzaal, af te scheiden door een eenvoudig hekwerk. Maar de Minister antwoordde, dat hij, ‘ook zelfs voor een tijdelijke plaatsing van de bedoelde voorwerpen, dit lokaal minder geschikt bleef achten.’

Daarbij is het gebleven.

Het geheim van het laatste antwoord ligt eenvoudig hier in, dat inmiddels de archieven van het Departement van Binnenlandse Zaken naar de Hofzaal waren overgebracht. Zij zijn er zo heerlijk geplaatst, dat het een reuzenwerk zou wezen, ze er ooit weer uit te krijgen, ook omdat daarvoor een ander gebouw nodig zou zijn, en dus wat geld, waarmee men liefst niet het eindcijfer van de begroting verhoogt.

Trouwens na de noodlottige verknoeiing van de Hofzaal heeft deze al haar eigenaardigheid voor een Museum verloren, zodat het vrij onverschillig wordt, of de verzameling in dit gebouw dan wel in een ander geplaatst wordt. De hoofdzaak is, dat er spoedig een geschikt lokaal wordt aangewezen, want de toestand is niet langer houdbaar. Dit zal iedereen toegeven, die weet hoe op dit ogenblik de aan den Staat behorende voorwerpen in het gebouw van Binnenlandse Zaken behandeld worden. Onlangs begaf ik mij in het doolhof van dit Ministerie, ten einde een kijkje te nemen in hetgeen ik noemen zal: het Voorlopig Museum voor Vaderlandse geschiedenis en kunst.

Na meer dan eens verdwaald en een aantal gangen, trappen, kolenhokken en turfkisten en verschillende moeilijk te omschrijven lokaliteiten voorbij getrokken te zijn, geraakte ik in een verlaten reduit, waar in vroeger jaren de een of andere ongelukkige klerk zo al niet de tering, dan toch minstens de spleen zal hebben opgedaan. Vanuit die cel drong ik door een niet gesloten, maar nauw deurtje, in een armoedig vertrek, ongeveer twee meter hoog en vijftien vierkante meter groot, totaal dus dertig meter kubus. Ik was in het heiligdom. Voor mij een gebroken marmeren schoorsteen, links twee venstertjes; behangsel twijfelachtig, vloer onzeker. Een werkman, die door de hofjes van de Sumatrastraat verwend is, zou geen 24 uur in dit lokaal willen doorbrengen. De inventaris van de daar aanwezige voorwerpen doet aan een pandjeshuis denken. Links een rolmangel, die in geen betrekking staat tot de collectie; een tafel, die misschien eens vier poten telde en niettegenstaande haar volume niet als oudheid daar bewaard wordt; een door de wormen verteerde mand, gevuld met papieren, betrekking hebbend op vroegere besmettelijke ziekten, een kast met een skelet, ten gebruike bij medische examens.

Nu de verzameling zelf, eerst enige stukken, die het voorrecht genoten, deze zomer in de zalen van Arti te Amsterdam een luchtje te scheppen. Helaas, hun zomerverblijf was van korte duur en voor hen is de eindeloze rust in het muffige lokaal weer begonnen. Een achttal kapotte houten heiligenbeelden uit de XVe eeuw, en een bas-relief: de herkomst van deze stukken schijnt evenmin bekend, als die van een tegen de wand liggend slecht stadsgezicht; een mooie gebeeldhouwde stoel; drie of vier gebroken stukken geschilderd glas; een ingelegde commode uit de tijd van Willem V. Op de grond een open kist, waarin het afgietsel van een graf uit de kerk te Mainz bewaard wordt. Als ik zeg bewaard, dan moet dit cum grano salis begrepen worden; immers het afgietsel ligt bloot, en de neuzen en andere uitstekende delen zijn al geschonden. Twee of drie ongeopende kisten, waarvan de inhoud raadselachtig is; een van deze bevat, naar ik hoorde, een onlangs aangekochte ijzeren haardplaat.

Ik zou de waarheid te kort doen, wanneer ik niet melding maakte van de Succursale van ons Nationaal Museum. Want die is er. Hoe men er komt, en langs welke deuren en trappen men moet gaan, verklaar ik vergeten te zijn. Ik kan alleen ten dienste van een volgenden Livingstone mededelen, dat men in de reis daarheen voorbij een vuile deur kruipt, waarop geschreven staat: Archief van het Cabinet van de koning. Dit Archief, waar de oorspronkelijke regeringsdocumenten bewaard worden, schijnt met bijzondere geheimzinnigheid afgesloten te zijn; althans de toegang was letterlijk geblindeerd door een aantal haardplaten, kachels, schoorsteenpijpen en kolenbakken. In de buurt staat een trapje leidende naar het filiaal. Verbeeld u een lang vertrek, laag, vuil, onwelriekend, met overal gebarsten muren, hier en daar met gaten in vloer en plafond; in de hoek links op een turfkist ligt de verzameling, bestaande uit de gebeeldhouwde eikenhouten consoles van de kap der oude Hofzaal. Zij liggen daar als brandhout, sommige aan de knagende worm overgeleverd; andere met geschonden vormen; tot troost liggen de neuzen en oren er naast. Tegenover, twee spiegellijsten uit het gebouw, waar nu de Staatsdrukkerij gevestigd is. Verder kachels en andere stook ingrediënten. Doet dit tafereel de bezoeker reeds pijnlijk aan, nog erger wordt het, wanneer hij verder door dringt. Daar toch wachten hem de modellen voor Koloniën, Hoge Raad, Hofzaal en Parlementsgebouw. Vooraan het bewijs van onkunde en vandalisme; in het verschiet de blijken van vermetelheid en eigenwaan!

Tegenover dit tafereel herinner ik niet aan het South Kensington Museum te Londen, niet aan het Louvre en aan het Musée de Cluny, maar eenvoudig aan de verzamelingen van kleine met ons land gelijk staande staten: aan de Porte de Hal te Brussel, aan het Germaanse Museum te Neurenberg, aan het Beierse Museum te München. En dan wil ik gevraagd hebben, of niet iedereen, die enig belang stelt in de schone kunsten en in de eer van zijn vaderland, weemoedig mag uitroepen: quousque tandem!….

Is het te verwonderen, dat het met de verzorging van de voorwerpen, die aan gemeente en kerkbesturen behoren, vaak niet beter gesteld is, dan met die van de Staat. Intussen treft men hier en daar enige gunstige symptomen aan, die tot nog toe slechts uitzonderingen zijn, maar wellicht de hoop op een betere toekomst in het verre verschiet openen. Sommige gemeenten (Leiden, Alkmaar, Gouda,) hebben onlangs het plan gevormd, om hun kunstvoorwerpen in een museum te verenigen. Wenselijk zou het zijn, als dit voorbeeld algemeen navolging vond, en als men dan niet – zoals te dikwijls gebeurt – de zaken halfweg in de steek liet. Te Maastricht, bijv., heeft men aan het Historische en Oudheidkundig Genootschap een gedeelte van het oude Raadhuis afgestaan. In een vertrek, waarvan de vloer op een gewelf rust, moesten verschillende zware stenen, afkomstig van de oude vestingwerken, geborgen worden. Bij het binnen brengen van een Romaanse doodkist, stortte een gedeelte van het gewelf in, en sinds vijf jaar is die opening nog niet hersteld, zodat een aantal voorwerpen in de kazematten van de buitenwerken voortdurend moeten blijven liggen!

Kampen vooral behoorde een gemeente-museum te stichten.

De hofjes en bejaardenhuizen daar zijn gevuld met interessante schilderijen, waaronder een Lucas van Leiden, verschillende stukken van Mechtelt van Lichtenberg, genaamd Toe Boecop (1572, 1574), en van andere voorname, maar weinig bekende meesters. Zij zijn erg verwaarloosd en sommige hangen in keukens, waar zij door de warmte van de haard half gebarsten zijn. Het stadhuis te Kampen bezit twee prachtige met eikenhout betimmerde zalen, die zowel voor Nederlanders als voor vreemdelingen geheel onbekend gebleven zijn, hoewel zij niet hoeven te wijken voor de Frac van Brugge, waarheen de toeristen in grote getale toestromen. Ook daar wordt niet genoeg voor gezorgd; de eiken houten toegangsdeur, van zeer mooi sluitwerk voorzien, wordt jaarlijks trouw met kalk gewit. Een fraai Parijse gobelin dient er als vloerkleed.

Te Kuilenburg in het weeshuis hangt een twintigtal schilderijen, gedeeltelijk aan flarden gescheurd; voor de restauratie heeft men geen geld, en binnenkort zal daarvoor geen mogelijkheid meer bestaan.

In Bommel ziet men het huis van Maarten van Rossum, een fraai gebouw, in de stijl van de XVIe eeuw, uitwendig met fraaie bas-reliefs versierd, inwendig voorzien van vijf prachtige schoorstenen met beeldhouwwerk en taferelen in Delftse tegeltjes. Het behoort aan een landbouwer, die de zalen gebruikt om er uien, peren en appelen te bergen, en die mij in 1870 verklaarde het voornemen te hebben opgevat om het huis te slopen! De Staat behoorde dit aan te kopen, en zou dit als post en telegraafkantoor kunnen inrichten.

Onze oude Gothische kerken, die meestal in het bezit van de Hervormden zijn, hebben tot nog toe bijna nergens belangstelling opgewekt. Vooral hun ameublement is veelal schandelijk verwaarloosd.

In de St. Jacobskerk te ’s Gravenhage zijn er een aantal heerlijke geschilderde glazen, die men – ik weet niet wanneer – door elkaar in een van de ramen van het koor geplaatst heeft. Daar waar een figuur in een voet of in een arm moet uitlopen, vindt men een hoofd of een wapenbord aan een ander tafereel ontleend. Niemand denkt er aan het geheel in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen.

In een zijkapel van de grote kerk te Zutphen bestaat een boekerij, die sinds de XVIe eeuw onveranderd gebleven is; men vindt er nog de boeken aan kettingen bevestigd. Wel een zeldzaam overblijfsel uit vroeger tijden, en dat belangstelling verdiende. Welnu, oppas is er zo weinig, dat men toelaat, dat uit de meeste oude boeken (waaronder zich zeer kostbare bevinden) prenten en bladen weggescheurd worden. In de ramen zijn er mooie geschilderde ruiten, die voortdurend door de kinderen worden vernield. Met geduld en kalmte raapt elke zaterdag de schoonmaakster de brokjes op, en werpt die in de vuilnisbak! Die operatie heb ik enige jaren geleden met eigen ogen gezien. Ik trachtte tot een betere verzorging aan te sporen, en ik gaf in overweging om desnoods de glazen te verkopen. Noch het ene, noch het andere denkbeeld mocht bijval vinden. In dezelfde kerk wordt een koperen doopvont bewaard, met talrijke beeldjes versierd; de helft van deze figuren is reeds gestolen, en men heeft getracht dit verlies onzichtbaar te maken door de aan de achterzijde geplaatste beelden vooraan te brengen!

De prachtige kartons van de Goudse kerkramen, die al veel onder de vochtigheid geleden hebben, liggen steeds opgerold; toen men sommige daarvan in 1872 ten toon stelde, gebeurde dit door ze op de vloer van de kerk uit te spreiden, met enige bakstenen op de uiteinden! Wanneer deze kartons in een museum goed geëxponeerd waren, zou de studie daarvan voor onze schilderschool van onberekenbaar nut zijn.

De kerk te Dordrecht bezit prachtige gesneden koorbanken uit de XVIe eeuw, vol beelden en beeldhouwwerk, die door de moedwil van bezoekers voortdurend geschonden worden. In een zijkapel is er een voorstelling in hout inleg van het heilig graf te Jeruzalem, zoals dit zich in de XVIe eeuw vertoonde. Dit hoogst merkwaardige stuk is al half kapot en verloren, en men denkt er niet aan het te restaureren.

De verwaarlozing van de oude grafstenen is eigenlijk regel, iets dat èn voor de beeldhouwkunst, èn voor de geschiedenis zeer te betreuren valt.

Beter is het over het algemeen gesteld met de kerken, die zich in handen van de Katholieken bevinden. Daar althans worden vroegere kunstvoortbrengselen gewoonlijk gewaardeerd, ofschoon soms de bedoeling meer te prijzen is, dan de wijze, waarop de verzorging of de restauratie geschiedt.

Het is in het bijzonder aan de aartsbisschop van Utrecht en aan de pastoor Van Heukelom, dat men dank verschuldigd is voor de herlevende belangstelling in de oude Christelijke kunst.

De heer Van Heukelom heeft te Utrecht een museum gesticht, dat een blij makend teken van de tijd genoemd mag worden. Daar kan men een voorbeeld vinden van wat ijver, volharding en liefde voor de kunst bewerkstelligen. Een achttal zalen, gevuld met kerkelijke oudheden, metaalbewerking, miniaturen, embroideries, kantwerk, schilderijen, beeldhouwwerk, enz. vertoont een schat aan voorwerpen, die stellig vernietigd zouden zijn of het land hadden verlaten, als een kunstminnende hand ze niet had gered en verzameld.

Intussen is al onnoemelijk veel uit Nederland naar het buitenland gegaan. Het is bekend, dat jaarlijks hele scheepsvrachten naar Parijs, Brussel en Londen vertrekken, om daar verkocht te worden. ‘Ik zend morgen 800 kilo oudheden naar Parijs’, kan men van tijd tot tijd onze kooplieden horen zeggen. Nooit wordt er door de Staat onderzocht of er zich onder die 800 kilo iets bevindt, dat verdiende in een van de Rijksverzamelingen bewaard te worden (17); nog minder wordt iemand naar de vreemde markt gezonden om daar de belangen van de staat op het gebied van kunst en historie te behartigen (18). Integendeel, het is al voorgekomen, dat de staat zijn eigen zaken versjacherd heeft. Acht jaar gelden moest het Departement van Marine aan het huis van het Loodswezen te Vlissingen eeige herstellingen aan het dak, enz. doen, die een som van 7 of 800 gulden beliepen. Om dit bedrag – en dus ook het eindcijfer der begroting, waar alles op aankomt – met een 100 of 150 gulden te kunnen verminderen, heeft men zich niet geschaamd voor een spotprijs de gobelins te verkopen, die een van de zalen van het huis sierden, of eigenlijk gezegd – men heeft ze wederrechtelijk ondershands aan de aannemer der reparaties overgedaan, tegen een vermindering van de aannemingssom!

Nog onlangs werd mij goudleer te koop aangeboden, afkomstig van een Rijksgebouw. Het was dood eenvoudig: wat zou men er mee gedaan hebben? Een museum is er niet, en de zolders met zulke oudheden te overladen, gaat niet aan.

Ten bewijze, hoe weinig de regering zich zelfs om de aan de staat toebehorende oudheden bekommert, kan de geschiedenis dienen van het beeldhouwwerk van de oude Hofzaal te ’s Gravenhage. Toen – te kwader ure – de sloop van de kap van die zaal aanbesteed werd, had de regering zich de bevoegdheid voorbehouden, om tegen betaling die voorwerpen, die zij uit de afbraak wenste te behouden, van de aannemer over te nemen. Al in 1861 wees de Academische Commissie op de gebeeldhouwde en gebeitelde versierselen en snijwerken, in die dakkap aanwezig; maar zelfs nog in 1863 had men niets gedaan om deze terug te verlangen! Pas in 1869 gelukte het de minister die voorwerpen terug te krijgen van de erfgenamen van de aannemers, in het bezit waarvan zij waren overgegaan.

De gemeentebesturen doen voor de staat in onverschilligheid niet onder. Uit het Stadhuis te Medemblik heeft men een uitstekende eiken houten wandbekleding verkocht. Delftse wandtapijten, in het Raadhuis te Leiden aanwezig, zijn vorig jaar ter nauwer nood aan de hamer ontsnapt. Men wilde ze vervangen door een ‘net papiertje met gouden sterretjes, in de geest van de tijd.’

Diezelfde geest deed in 1862 de Amsterdamse gemeenteraad machtiging geven tot het verkopen van een aantal schilderstukken, tot dusver op de Gildekamer van het vroeger Collegium Chirurgicum bewaard.

Te ’s Hage heeft men enige jaren geleden goudleer verkocht, dat stellig tot versiering van het Raadhuis of van het stedelijk museum aangewend had kunnen worden. Nog recentelijk stond men op het punt een geschilderd plafond en een schoorsteen van de hand te doen.

Bruinisse verkocht zeer merkwaardige folterwerktuigen voor oud ijzer en vele andere gemeenten ontdoen zich van uitstekende kunstvoorwerpen, meestal zonder daarvoor zelfs de helft der waarde te ontvangen.

De besturen van hofjes en stichtingen kunnen soms uit financieel belang de kas dekken, wanneer zij historische monumenten verkopen. Toch was het geen zeer kiese handeling, toen het Haarlemse hofje van Heythuyzen een jaar geleden het portret van den stichter zelf, door Frans Hals geschilderd, aan het Brussels museum afstond.

Binnenkort is een soortgelijke handeling vanwege het hofje van Beresteyn te verwachten, en dan zal het niet één, maar vier schilderijen van Frans Hals betreffen. Mag men hier niet vragen, of het dan Nederland niet evenveel en meer waard is dan België, om de meesterstukken van Hals te bezitten?

De verkoop van voorwerpen uit de kerken is steeds op grote schaal bedreven, niet tegenstaande dat er, wat de Katholieke kerken betreft, canonieke verbodsbepalingen bestaan. De Hervormde kerkbesturen worden door generlei gewetensbezwaar tegengehouden, zelfs niet door de waarschuwende stem en het ondubbelzinnige testament van hen, die aan de kerken indertijd geschonken hebben. Een voorbeeld zal dit verwijt onderbouwen.

Men zal zich herinneren, hoe schandelijk de kerk te Zevenhuizen haar geschilderd glas verkocht. Welnu, dezelfde kerk bezat enige mooie met arenden en wapens versierde koperen kronen, op een waarvan de schenkers geschreven hadden:

Dese drie mannen hebben door Liefde gedreeven,
Dese kroon de kerk tot Sevenhuyse gegeven;
Door waar betrouwen en hertelijk verlangen
Datse de kroon des eeuwigen Levens sullen ontfangen.
Siet ik kome haastelijk; houdt dat gij hebt,
Opdat niemant uwe kroone neme.

Openb. Cap. III, vers 11.

Die goede zieltjes! Zij vermoedden niet, dat hun afstammelingen mannen van vooruitgang zouden zijn, diep doordrongen van ‘de geest van de tijds!’ (19) De kronen lagen gisteren bij een Haags koopman, en morgen vertrekken zij naar Engeland. Die goede zieltjes!

Bijna overal zijn bij gelegenheid van het invoeren van het gas, de koperen kronen weggenomen en als oud koper verkocht. Dat het gas niet onvermijdelijk dit offer eiste, hebben de eenvoudige landbouwers van Kuilenburg enigen tijd geleden bewezen. Zij kochten de op de markt tentoongestelde kronen in, lieten op eigen kosten de armen uithollen en voor gasverlichting inrichten, en lieten de aldus getransformeerde kronen weer ophangen.

Bloemendaal, Hasselt, Abbekerk hebben zich schuldig gemaakt aan de verkoop van hun geschilderde ramen, en in 1872 verkocht de kerk te Sneek een prachtige eiken houten betimmering met beeldhouwwerk en talrijke wapens, als ook een trap, die maanden lang te ’s Hage bij een koopman gebleven zijn, als om de regering in de gelegenheid te stellen deze uitmuntende stukken voor het land te bewaren. Maar niemand bekommerde zich daar om, en nu versiert de betimmering het kasteel van de Baron de la Rousselière, in de omgeving van Luik!

Ook de Katholieke kerkfabrieken hebben zich soms niet ontzien om de kerken van haar beste sieraden te beroven, en dit, gelijk ik opmerkte, niet tegenstaande canonieke verbodsbepalingen. In de Acta et decreta Synodi Provinciae Ultrajectensis van 1865, een boek, dat voor de R.K. geestelijken van geheel Nederland een wet is, zijn deze bepalingen aldus geformuleerd: ‘Deo dicata, ecclesiastica bona… sacra eo ipso sunt, quod ad religiosos usus destinantur. Nefas est, nisi legitima accedente auctoritate, legitimisque suffragantibus causis, ab usu ad quem adhibenda sunt ea distrahere. Absque consensu episcopi nulla altaria fixa diruere licet, nullas picturas, statuas aliasve sculpturas amovere et cum aliis immutare, nulla monumenta demoliri’ (20). Om zaken van geringe waarde te vervreemden, is de toestemming van de belanghebbenden en van de diocesaan bisschop voldoende; voor zaken van grotere waarde wordt echter ten gevolge van een constitutie van Paulus II, de pauselijke goedkeuring vereist. Het is er intussen ver af van de geest, die deze wijze bepalingen deed neer schrijven, nog steeds bij de R.K. kerkbesturen en pastoors aangetroffen wordt. Ik zal als bewijs slechts twee voorbeelden aanhalen, het ene van een twintig jaar geleden, het andere van zeer recente datum, beide zeer karakteristiek voor de kennis van de toestand.

Ik bedoel de verkoop der Maastrichtse relikwie kasten en die van het oxaal uit de kerk te ’s Hertogenbosch.

De oude St. Servaaskerk te Maastricht bezat te midden van vele andere heerlijke kunstgewrochten en naast de mooie ‘noodkist’, waarin de beenderen van de patroon van de stad en apostel der Tongeren bewaard werden, een viertal relikwie kasten uit de XIIe eeuw, uitmuntend door het metaalwerk, door email en door edelgesteenten. Deze stukken zijn vooral daarom aller merkwaardigst, omdat zij de enige monumenten zijn, waarvan met zekerheid gezegd kan worden, dat zij voort gebracht waren door de Maastrichtse kunstenaar school, die indertijd met de Keulse wedijverde en waarvan de sporen bijna geheel verloren zijn.

Ongeveer 25 jaren geleden werden deze vier relikwie kasten door de pastoor tegen een spotprijs eigenmachtig aan een handelaar verkocht, en daarna aan de Russische prins Soltikow te Parijs overgedaan! De opbrengst van deze schandelijken verkoop strekte om een stel nieuwe miskleren te betalen, als ook een wit kleed, waarmee een zeer fraai middeleeuws Mariabeeld overdekt werd; om een draaghemel van klatergoud te kopen voor de grote processies; om een standbeeld op te richten ter ere van Karel den Grote, die de pastoor ten onrechte beschouwde als de stichter van een gedeelte der kerk; om het romaans koor met renaissance ornamenten in ‘stuc’ te beplakken, en om enige zeer middelmatige geschilderde ramen te doen vervaardigen!

De relikwie kasten werden, toen in 1861 de verzameling Soltikow te koop werd aangeboden, door het Belgisch gouvernement met een ander stuk gekocht voor de som van 6250 francs. Thans bevinden zij zich in de Porte de Hal te Brussel.

Toen deze kunstwerken aldus ons land verlieten, was het Koninklijk Besluit van 16 augustus 1824 (Stsbl. no. 45) nog van kracht. Toch heeft de regering, na enige geheime stukken met de Gedeputeerde Staten van Limburg gewisseld te hebben (die in de vergadering van 21 september 1849 besproken werden), hoegenaamd niets gedaan. Daarvoor kunnen redenen bestaan hebben; maar wat – zo niet onverschilligheid – belette de regering om later te doen wat België deed, en de ‘reliquaires’ in 1861 op de publieke verkoop te heroveren? Zij heeft niet eenmaal gepoogd het te doen; zij heeft niet eenmaal geweten, dat zij te koop waren!

Even ergerlijk is de geschiedenis van de verwijdering van het oxaal uit de St. Janskerk te ’s Hertogenbosch.

In de middeleeuwsche kerken is het van de XIIIe eeuw af het gebruik geweest om het koor, dat met het allerheiligste in de tempel van Salomo gelijk staat, van de kerk zelf af te scheiden door middel van een oxaal of jubé, die zinnebeeldig het bij de Israëlieten gebruikte gordijn vervangt. Deze monumenten werden langzamerhand in grotere pracht opgetrokken, zoals sommige in België nog aanwezige exemplaren kunnen aantonen. In Noord Nederland, geloof ik, was het oxaal van ’s Hertogenbosch het enig overgeblevene. Na de XVIe eeuw was van dergelijke constructies in de Verenigde Provincieën natuurlijk geen sprake meer; ook in de Katholieke landen waren zij in de XVIIe en XVIIIe eeuwen verwaarloosd geworden, totdat men 30 jaar her, toen de studie van de middeleeuwen herleefde en die der Christelijke kunst opnieuw beoefend werd, begreep, dat de jubés een symbolische betekenis hadden, en dat zij ook uit een architectonisch oogpunt recht op bestaan hadden. Zo werden zij in vele oude kerken hersteld en in sommige nieuwe aangebracht (21). Men had dus mogen verwachten, dat in onze tijd aan het oxaal van Den Bosch geen schendige hand zou geslagen worden, te meer daar dit monument grote verdiensten van architectuur en sculptuur bezit.

Het oxaal, dat een Gothisch jubé verving, was min of meer in navolging van dat uit de O.L. Vrouwekerk te Antwerpen, in renaissancestijl aan het einde van de XVIe eeuw gebouwd. Bijgaande afbeelding geeft van dit monument een juist idee; de zuilen zijn van rood marmer, het entablement en de tribune van zwart marmer, de beelden en bas-reliefs van albast. Het geheel vormt een prachtig kunststuk en was in Nederland enig in zijn soort. ‘Dans son ensemble, comme dans ses détails’ zegt Mr. Ch. Piot, ‘ce petit monument est bien conçu, bien exécuté; les proportions en sont parfaitement comprises; les moulures et l’ornementation d’une riche élégance.’

Welnu, ongeveer vijf jaar geleden is dit juweeltje op persoonlijke drang van de bisschop van ’s Hertogenbosch – die in de zaken van de St. Janskerk oppermachtig schijnt te zijn – gesloopt en publiek in de dagbladen te koop aangeboden! Men zegt, dat de afbraak 2000 gulden gekost, en dat de verkoop 1200 gulden opgebracht heeft! (22) Gedurende enige tijd is het lot van dit monument geheel onbekend geweest, totdat men het plotseling in de maand juli van dit jaar in zijn oude staat in het South-Kensington Museum kon zien prijken; alleen de achterzijde is verloren; de brokstukken er van moeten zich nog in de St. Janskerk en in handen van enkele particulieren bevinden.

Het Londens Museum heeft er in 1871 de som van £ 900 voor betaald, nagenoeg de waarde van de materialen. Men heeft het gebouwtje opgesteld in een van de twee onlangs geopende kolossale zalen, gewijd aan de architectonische en monumentale beeldhouwkunst; zalen, waarin de grote afgietsels geplaatst zijn van de Trojaanse zuil, van het portaal van S. Jago de Compostella, van Hindoeïstische tempels, enz. Te midden van deze pleisterafgietsels, bekleedt het oorspronkelijke Bossche oxaal de eerste en de ereplaats (23)!

Gaat men de redenen na, die tot de verwijdering van dit merkwaardig monument deden besluiten, dan staat men over de lichtvaardigheid en luchthartigheid van de slopers verstomd. Ik zal niet stilstaan bij de minder loffelijke drijfveren, waardoor volgens de chronique secrète van Den Bosch de geïnteresseerde raadgevers van de bisschop bewogen werden. Daaromtrent is elke bewijsvoering onmogelijk en iedere discussie ijdel. Beschouwen wij alleen de argumenten, die verdienen besproken te worden.

Vooreerst werd gezegd, dat het oxaal het vrije gezicht op het hoofdaltaar belemmerde. Dit was slechts ten halve waar, want door de geopende middenboog kon men het altaar zien. Maar bovendien is dit vrije gezicht in de oude Katholieke kerken nooit een hoofdpunt geweest. Evenals bij de Israëlieten een gordijn het Heilige der Heiligen aan het gezicht onttrok, zo ook kan men zeggen, dat een jubé symbolisch een afsluiting tussen het koor en het schip van de kerk moest vormen. De onmogelijkheid voor het grootste gedeelte der gelovigen om het altaar te zien, is in de Katholieke kerken zo zeer een aangenomen feit, dat men zich daarbij sinds eeuwen heeft neergelegd, en schellen en klokken gebruikt om aan de gemeente de voortgang van de kerkelijken dienst op bepaalde ogenblikken te verkondigen. Overigens heeft het radicale te ’s Hertogenbosch uitgedachte middel volstrekt niet het gewenste gevolg gehad. Thans hebben wel de drie of vier eerste rijen van de kerkbezoekers van uit één der vijf hoofdschepen een vrij gezicht op het altaar; maar de volgende rijen zijn door de ruggen van hun voorgangers, en de personen, die zich in de zijschepen bevinden, door de zuilen van de kerk in datzelfde gezicht voortdurend belemmerd.

Dezelfde opmerkingen maakte reeds in 1867 de heer Ch. Piot: ‘Le conseil de fabrique oublie sans doute qu’anciennement les chrétiens assistaient à certaines parties de la Messe, lorsque le grand rideau était baissé. Par la même raison (que le jubé empêche les fidèles de voir le maître-autel) il serait bon de faire disparaître aussi les piliers, les colonnes des églises, la chaire à prêcher, les clôtures du choeur, enfin tout objet derrière lequel les fidèles peuvent se placer et qui peut offusquer la vue du maître-autel.’

Een tweede argument deed zich voor gebaseerd op het architectonisch belang van de kerk zelf: het oxaal, zo zei men, verbreekt op betreurenswaardige wijze het perspectief van het grote schip!

Inderdaad is een dergelijke bewering alleen als een ‘caprice’ te beschouwen, en is het geoorloofd daaraan een tegenovergesteld verlangen te poneren; namelijk, dat men het perspectief op een of ander punt door een gebouw afbreekt. De enige die daarover beslissen kan, is, geloof ik, de oorspronkelijke bouwmeester van de kerk; en nu is het uit de teruggevonden fundamenten gebleken, dat ten allen tijde op dezelfde plaats een oxaal gestaan heeft; dat een dusdanige constructie dus altijd in het plan van de kerk opgenomen was. En zeer terecht lag vanaf het begin een jubé in de bedoeling van de bouwmeesters; tenslotte mist zonder een dergelijk monument het oog een rustpunt, en vormen de dicht naast elkaar geplaatste colonetten van de pilaren een onafgebroken en enigszins eentonig verschiet. De gehele lengte van de kerk bleef voor de toeschouwer zichtbaar, omdat het oog over het oxaal heen zich vrij tot aan het uiteinde van het koor kon uitkijken; daarentegen bood juist het jubé een vergelijkingspunt, waardoor men zich een nauwkeurig denkbeeld kon vormen van de kolossale hoogte van het gewelf, iets wat thans onmogelijk geworden is. Het is juist deze overweging, die de hedendaagse architecten er toe heeft bewogen, een veelvuldig gebruik van oxalen te maken. ‘On s’aperçut que, loin de faire un mauvais effet de perspective dans les églises, les jubés placés près du choeur en produisaient un excellent par l’agrandissement qu’ils semblent donner aux proportions de l’édifice.’ (Piot.)

De derde reden eindelijk, bestemd om op de massa effect te hebben, was niet beter dan de twee voorgaande: het oxaal moest daarom verdwijnen, omdat zijn stijl met die van de kerk streed.

Het is waar, dat het eerste uit de XVIe eeuw is, en de laatste de Gothische stijl vertoont. Maar is een dergelijke constatering voldoende om de verwijdering van een op zich zelf prachtig kunststuk te rechtvaardigen? Waar zal men dan eindigen? Moeten dan ook niet alle latere gedenktekens, grafstenen en geschilderde glazen vernield worden; mag dan het mooie gebeeldhouwde orgel in de St. Janskerk blijven bestaan? Men ziet thans te ’s Hertogenbosch het ongerijmde er van in, en niemand denkt er aan het orgel te slopen. En terecht: men behoort een gebouw, als de Bossche kerk, te beschouwen als een historisch museum, waaraan elke generatie haar bijdrage levert, dat elke generatie van zijn geest doordrongen heeft, en dat ons de geschiedenis van de eeuwen op zijn wanden te lezen geeft. Volkomen eenheid van stijl is bij gebouwen van zulk een kolossale omvang, waaraan eeuwen lang gewerkt is, toch niet te verkrijgen; elke eeuw heeft daarop zijn stempel gedrukt, en de St. Janskerk zelf draagt de kenmerken van zes of zeven perioden, die een tijdsgewricht van 250 jaren omvatten. Zal men daar nog durven spreken van volkomen uniformiteit!

De Engelsen, die ons oxaal bezitten en de vrijheid nemen ons op den koop toe uit te lachen, komen ook tegen deze dwaze stelling op. ‘One of the first acts of restoration was the removal of the magnificent Rood Screen and scarcely less magnificent High Altar, because the sagacious architect considered that they were out of place in a gothic church. If this principle is to be followed out in modern restoration, the magnificently pictorial interiors of the Belgian and Italian churches will, in a few years, be rendered as cold and unpicturesque as our English cathedrals. The Belgian churches derive their great charm from the jumble of styles; take away their Renaissance fittings, gorgeous altars, marble screens and richly carved confessionals, and the churches of Antwerp or Bruges will be far less interesting and far less pictorial than those of Norwich or Coventry. This so-called “gothic revival” is doing an incredible deal of harm…. Such restorations are far more injurious than the church wardenism of the last century….. We are glad to be able to state that the work of destruction at Bois-le-Duc has been arrested and the magnificent organ pulpit and brass parcloses, which still adorn that most noble church, are not to share the fate of the Rood Screen.’

The work of destruction! Wie bekommert zich daarom in Nederland? Onze Belgische broeders, van wie kunstzin bij onze onverschilligheid zo sterk afsteekt, hebben, waar wij zwegen, een kreet van afkeuring en van verdriet laten horen. In 1867 heeft de Commission Royale des monuments in haar Bulletins een lithografie en een beschrijving van het oxaal gegeven en ons vandalisme aan de kaak gesteld: ‘par suite du principe de non-intervention dans les affaires religieuses (’t was intussen geen affaire religieuse) professé par le gouvernement néerlandais, des faits semblables peuvent se renouveler. En laissant l’indépendance la plus complète et la liberté d’action la plus entière aux administrations des cultes, l’etât ne croit pas devoir empêcher un acte, qu’à juste titre on doit flétrir du nom de vandalisme et stigmatiser de l’épithète de barbarie!’.

Wij, Nederlanders, due de zaak in de eerste plaats betrof, hebben geen woord gesproken. De stervende Oudheidkundige Commissie uit de Academie bewaarde in haar verslagen het diepste stilzwijgen; en natuurlijk, want zij wist van de zaak niets af. Samengesteld uit vier leden in Holland wonend en met allerlei bezigheden druk, was zij voor alle mededelingen afhankelijk van de kunstlievende familiebetrekkingen en vrienden van de leden en feitelijk alleen van de voorzitter Dr. Leemans. Wanneer men de namen nagaat van de enkele personen, die gedurende tien jaren berichten aan de Commissie zonden, zal men steeds dezelfde terug vinden; verschillende daaronder zijn van Leidse studenten, die een milde gastvrijheid bij Dr. Leemans genoten hadden, en hun belangstelling in die verdienstelijke geleerde ook door het toezenden van archeologisch mededelingen betuigden. Vaste correspondenten meende de Commissie niet te mogen benoemen, uit vrees, dat zij daardoor een voor het vervolg niet wenselijke band zou scheppen tussen deze en de Academie zelf. Zo heeft men uit Den Bosch slechts berichten ontvangen, zo lang de zoon van de voorzitter aldaar woonachtig was; na zijn vertrek vernam men nooit iets meer.

Wel had het oxaal recht gehad de algemene aandacht en vooral, die van de regering te trekken. Want in geval de verwijdering zelf goedgekeurd was, zou de vraag hebben moeten rijzen, of niet de staat ervoor behoorde te zorgen, dat het monument op enige andere plaats in ons land bewaard bleef.

Ik weet niet, of veel Nederlanders over het verlies van het jubé zullen treuren. Men is zo zeer gewend al wat de geest, de kunstzin en het genie van onze voorouders voort gebracht hebben, ongehinderd uit ons vaderland te zien verdwijnen, dat men op dit punt verhard en versteend is. Toch zou het mij verwonderen, wanneer het enkelen niet ging, zoals mij, toen ik op de dag van de opening de zaal van het Londens Museum binnen trad, waar het Bossche jubé de centrale plaats inneemt. Ik kon bijna niet geloven, dat wat ik zag in werkelijkheid voor mij stond, en toen een suppoost naar mij toekwam, en mij een catalogus (kosteloos nog wel) aanbood, waarin ik een beschrijving kon vinden van het ‘most magnificent Dutch monument’, voelde ik mij diep vernederd, en was ik bang, dat men mij vragen zou of ik Nederlander was.

Laten wij het intussen erkennen: dat men het jubé aan de Nederlandse regering niet te koop aanbood, mogen wij zowaar de bisschop verwijten. Want men zou toch van het aanbod geen gebruik hebben gemaakt. Kunst namelijk was tot voor twee jaar geleden geen regeringszaak, en bij dit sofisme legde zich het Nederlandse volk met kalmte en gelatenheid neer.

Wij begrijpen niet genoeg, dat de verachting en de onverschilligheid voor de voortbrengselen van de geest het bewijs zijn van achteruitgang en verval. Wat zouden wij ons niet schamen, wanneer men onze natie op dezelfden lage trap van beschaving plaatste als Spanje? En toch tot welke gevolgtrekkingen moet hij komen, die in Londens South Kensington Museum het jubé van Den Bosch ziet, naast drie kasten, gevuld met de heerlijkste juwelen, eeuwen lang door koningen en vorsten aan de Spaanse Madonna del Pilar geschonken, en in de onrust na 1870 stuk voor stuk verkocht! Wij, wij vinden, niet zoals de Spanjaard; een verontschuldiging in de kostbaarheid en in de onzekerheid van de tijd, in een revolutionaire toestand, die het minachten van een roemrijk verleden zich wel niet kon veroorloven, maar toch kan verklaren; wij kunnen niet beweren, dat wij uit geldgebrek de pronkstukken, die ons uit vroegere eeuwen zijn nagelaten voor een handvol goudstukken moeten versjacheren! Wij leven in weelde: Indië brengt miljoenen op; de Indische overschotten vallen als een gestadige manna op ons neer; wij voeren oorlog met hetgeen de koffie boven de raming opbrengt; de middelen hier in het land leveren jaarlijks hogere inkomsten… maar als het er over gaat een voorwerp van nationale kunst te bewaren en te verzorgen, houden wij de beurs gesloten!

Gaan wij verder: gesteld, dat de regering het jubé gekocht had; waar zou men het geplaatst hebben? In een opzettelijk daartoe te bouwen zaal? De haren zouden bij menigeen overeind gaan staan, bij de eenvoudige gedachte! Er was wel een geschikt lokaal aan te wijzen geweest: de Hofzaal op het Binnenhof. Maar die dient nu eenmaal – God betere ‘t… en de regering – als pakhuis voor oud papier; en men mag beweren, dat het oxaal, waarin zo veel artistieke kennis en wetenschap geïnvesteerd waren, zou hebben moeten wijken voor de pennevruchten van vroegere en latere scribae en klerken!

Het Bossche schandaal is zodoende niet uitsluitend aan de plaatselijke kerkelijke autoriteit te wijten, ook niet aan de regering alleen; heel de natie, die door jaren lange onverschilligheid dergelijke feiten mogelijk maakte en verontschuldigde, draagt daarvan de schuld.

Het is te hopen, dat men eindelijk het kwaad zal inzien en op verbetering bedacht zal zijn; de geschiedenis van het oxaal is slechts één paragraaf uit een dikke foliant gescheurd; mag deze treurige historie de slotparagraaf zijn.

Het gebeuren met het Bossche jubé geeft nog aanleiding om de aandacht te vestigen op de wijze, waarop hier te lande over het algemeen te werk wordt gegaan bij het restaureren van historische en kunstmonumenten en op het gebrekkige stelsel – voor zover men daarvoor deze naam mag bezigen – dat door de regering gevolgd wordt, wanneer zij zulk herstel met subsidies ondersteunt.

Restauratie is in Nederland een grote uitzondering; een natie, die niet eens de monumenten, die in goeden staat verkeren, onderhoudt, is zelden te bewegen een ruïne te herstellen.

Intussen wordt er van tijd tot tijd iets gedaan, maar helaas meestal met zoveel onkunde en roekeloosheid, dat men werkelijk niet weet, of men niet de op een schilderachtige wijze vernietigende tand van de tijd moet kiezen boven de grove, barbaarse verminking, waaraan de mens zich, onder voorwendsel van restauratie, schuldig maakt.

Twee omstandigheden werken samen om het meeste herstel te doen mislukken. Allereerst de beperking van de geldmiddelen, wat dikwijls er toe leidt de zaken half te verrichten. Dan de onkunde van hen, die de restauraties organiseren en van hen, die ze uitvoeren. Personen met een gezond begrip van kunst, van oudheid en speciaal van architectuur, worden in onze gemeente en kerkbesturen zelden aangetroffen; aan de andere kant hebben de architecten, aan wie onze gebouwen worden overgeleverd, in de regel geen artistieke opvoeding genoten, wat in een land, waar tot een paar jaar terug de schone bouwkunst nergens onderwezen werd, niet te verwonderen is. Zo neemt men zijn toevlucht tot timmermans- of metselaarsbazen, en wat even erg is tot gewezen genie officieren en tot waterstaatkundigen.

De gevolgen blijven dan ook niet uit.

Vooreerst wijs ik op, dat wat men de opknap manie noemen kan, die tot doel heeft op een goedkope wijze onze gebouwen op te verfrissen; een ware pest, die zich door geheel Nederland heeft verspreid. De operatie komt neer op het verven en bepleisteren van elke muur, dat binnen het bereik van de herstellers valt. Het eigenaardig karakter van een gebouw wordt nooit begrepen, laat staan geëerbiedigd. Is het van baksteen, liever dan hier en daar een oude steen door een nieuwe te vervangen, wordt de gehele gevel met spoedig eraf vallend cement bepleisterd. Is de gevel van harde steen, de verfkwast overdekt hem met steeds dikkere verflagen; wanneer daarbij nog met enig verstand te werk gegaan werd, zou men het door de vingers kunnen zien; maar wat moet men zeggen, als men bijvoorbeeld een ’s Gravenhaags stadhuis zo ziet schilderen, dat de bruine stenen met wit en de witte stenen met bruin besmeerd worden!

Wat al bedorven werd, is onnoemelijk. Te ’s Hage werd het Mauritshuis geheel, het Binnenhof en de Gevangenpoort gedeeltelijk bepleisterd; de Schouwburg, van hardsteen gebouwd, werd nog onlangs geverfd, of, zoals men het noemde, gesilikatiseerd, hetgeen in alledaagse taal wil zeggen, dat het met een minder kostbare specie werd bestreken. Te Arnhem en te Leiden zijn de Raadhuizen met verf gezet en in verreweg de meeste steden en dorpen zijn de kerken geheel of gedeeltelijk met cement bedekt, wat vooral daar betreurenswaardig is, waar de oorspronkelijke bouwmeester een gecombineerd gebruik heeft gemaakt van hard en baksteen, en zodoende aan onzen ouden bouwstijl een eigen karakter gegeven heeft.

Inwendig zijn onze gebouwen aan de verf en plakwoede evenmin ontkomen. Ik noteerde te Kampen in de Hoge kerk een balustrade en een fijn gehouwen preekstoel, die op deze wijze bedorven zijn. Men mag het nog een geluk noemen, wanneer daarbij de oorspronkelijke kleur wordt nagebootst, want dit is niet steeds het geval; te Middelburg in de kleine Statenzaal zag ik een gesneden eiken houten betimmering van Gothiese stijl lieflijk met een gras groen tintje aangestreken!

Waar op meer ingrijpende wijze gerestaureerd wordt, is het nog erger gesteld. Dit kunnen onze Gothiese kerken – waaronder ik de Amsterdamse Nieuwe kerk speciaal als type noem, en waarbij ik de spoedig door de Staat gesubsidieerde Dom te Utrecht niet mag vergeten – op honderd plaatsen getuigen. Ook inwendig zijn en worden zij voortdurend jammerlijk gehavend, veel meer dan de eisen van de godsdienstbeoefening van de Hervormden het nodig maken.

Zelfs de geringste details geven blijk van onkunde van de bouwmeesters. Toen te Leiden een paar jaren terug de zuidelijke transept gevel der Hooglandse kerk werd gerestaureerd, herstelde men zorgvuldig een op de top misplaatst fronton in renaissance stijl! Zo had men toen de gelegenheid het door een gepaste Gothische fleuron te vervangen.

Dit fronton doet alleen onder voor de drie merkwaardige ornamenten, die de gevels van de Haagse Kloosterkerk bekronen, en die in de plaats gekomen zijn van even veel ijzeren kruizen. Het moet wel een geniaal man geweest zijn, die deze fantastische krullen heeft uitgedacht, die in geen stijl ergens ter wereld terug gevonden worden.

Nergens hebben onkunde en wansmaak noodlottiger samengewerkt, dan bij het herstel van de spits van de St. Jacobs toren te ’s Gravenhage. Die ijzeren spits, waaraan jaren gewerkt en zeer veel geld verspild is, tracht de torens van Brussel en Antwerpen na te bootsten, en is inderdaad gelukkig enig in zijn soort. Want zelfs als men er in geslaagd was met juistheid de vormen van de flamboyant Gotische periode te tonen, wat moet men dan denken van een architect, die op een toren van de allereenvoudigste en vroegste Gotiek een spits bouwt van een drie honderd jaar eerdere stijl! Werkelijk een rijk versierde generaalssteek op het hoofd van een turfboer gedrukt, zou geen bespottelijker effect kunnen hebben.

Ook de staatsgebouwen ontgaan het algemeen noodlot niet. Men denkt aan de ijzeren tribunes in de zaal van de 1e Kamer, en aan de Hofzaal op het Binnenhof. Of de barbaarse handelingen aan dit laatste monument verricht, wel de naam van restauratie mogen dragen, weet ik niet: in werkelijkheid is er met opzettelijke vernieling geen verschil (24). Niet alleen de vernieling van de oude kap, en de bouw van de afzichtelijke ijzer constructie tonen de volslagen onkunde van de bouwmeester als restaurateur; elke bijzonderheid, tot de minste toe, spreekt het vonnis over hem uit; ik wijs slechts op de trap voor de hoofddeur van het gebouw.

Betreurenswaardig is dikwijls de methode, die bij het herstel gevolgd wordt, ook wanneer zij op zichzelf met verstand uitgevoerd wordt.

Zoo werd enigen tijd geleden door het gemeentebestuur van Breda het bovenste gedeelte van de kerktoren geheel en al hersteld, zonder dat de kerkelijke gemeente aan het de kerk toebehorende benedengedeelte van de toren iets tot herstel of onderhoud had verricht!

Een fraaie toestand toch! Van lieverlede had zich het vervangen van de eeuwen oude houten kap van de Hofzaal door het tegenwoordige ijzeren dak, dat gebeurde in de verwachting, dat er geruime tijd geen kosten van reparatie gevorderd zouden worden. Intussen is moest dit jaar al een som van ƒ 5000,- besteed worden om het zinkbekleedsel door leisteen te vervangen, om de zaal voor uilen en vleermuizen beter af te sluiten. De kap zelf had minstens ƒ 75,000,- gekost. Men ziet, dat de financiële kant van de zaak evenals de artistieke reden tot vreugde geeft.

Scheuren, ontzettingen en afwijkingen in het beneden gedeelte van de toren deden vermoeden, dat het kwaad uiteindelijk zo’n omvang bereikt, dat men voor het verdere behoud van het geheel ernstige angsten begon te koesteren. En de toren èn de voor een gedeelte daarvan gemaakte kosten dreigden verloren te gaan. Gelukkig nam de gemeenteraad andermaal de zaak in handen, en wist zij met rijkssubsidies de restauratie van het onderste vak ook te voltooien.

Even verkeerd als het is het herstel van een toren van boven aan te vangen, even schadelijk is het een kerk inwendig te restaureren, wanneer het buitenwerk niet vooraf in goede staat is gebracht. Toch wordt dit wel eens gedaan, vooral in Katholieke kerken.

Het is een niet onnatuurlijk verschijnsel, dat de pastoors in de eerste plaats verlangen het inwendig aanzien van hun kerken te verbeteren; eerst is het voor hen hoofdzaak, om de kerkelijke plechtigheden, die zij vervullen, met de meeste luister te omgeven; dan, de vrijgevigheid van de gemeente is gemakkelijker en in ruime mate op te wekken ten behoeve van de versiering van een of ander altaar, dan voor minder aan het oog en aan het hart sprekende herstel aan gewelven, aan daken en aan goten.

Zoo werd te Maastricht de prachtige St. Servaas kerk, omstreeks 1860, op aandrang van de deken, inwendig in haar geheel met kostbaar schilderwerk opgesierd, zonder dat aan meer dringende reparaties gedacht werd. In 1870 bleek het dat het gehele dak volkomen verrot was, en dat onverwijlde restauratie ten gevolge van het binnen dringen van het water vereist werd. Toen pas werd met hulp van gemeente en provincie datgene verricht, wat in de eerste plaats had behoren te gebeuren: de vernieuwing van het dak; inmiddels was de regen overal binnen gestroomd en hadden de helft van de gewelven en twee derde van het schilderwerk ontzaggelijk geleden.

Bedenkelijk is ook de methode, welke bij de restauratie der St. Janskerk te ’s Hertogenbosch gevolgd wordt. Aan deze kerk, voorzeker de schoonste van geheel Nederland, is in de laatste drie eeuwen nooit de hand geslagen, dan om steen- en beeldhouwwerk in- en uitwendig te schenden of nu en dan, wanneer de nood drong, op lompe manier te herstellen.

Uitwendig zijn alle scherpe kanten, alle beelden, al de fijn gebeitelde ornamenten verdwenen of door ruwe bakstenen vervangen, zodat de oorspronkelijke vormen bijna overal onherkenbaar zijn. Van binnen heeft men de beelden en hun consolen en baldaquins of weggenomen of verminkt, en het hele oppervlak van het in hardsteen opgetrokken gebouw met dikke kalklagen over gewit, zelfs daar waar zich muurschilderingen bevonden.

Veertien jaren geleden is eindelijk de restauratie van dit monument ondernomen. Er waren veel moeilijkheden te overwinnen: de financiële kwestie was – zoals ook voor kunst in ons doodarme land altijd het geval is – een groot bezwaar; de kerk was niet rijk, particuliere bijdragen konden alleen van Katholieken verwacht worden, omdat vele Hervormden het als een door Satan ingegeven voornemen beschouwden, een gebouw in ’t leven te houden, waar ‘Paapse superstities en afgoderij’ gepleegd werden; men moest dus wel tot stad, provincie en rijk zijn toevlucht nemen, en men slaagde er in een voor onze vaderlanders ongehoorde, maar voor de behoefte van de toestand uiterst matige som bijeen te brengen.

Een andere moeilijkheid, waarvan het publiek zich veel te weinig rekenschap geeft, ligt in de aard van het werk zelf. Een monument gelijk de St. Janskerk behoort, voor men de handen aan ’t werk slaat, in al zijn delen nauwkeurig onderzocht, bestudeerd en begrepen te worden; men moet in de overgebleven ongeschonden steenmassa het geheim van de oorspronkelijke bouwmeesters ontdekken. Ook de werklieden moesten vertrouwd raken met een werk, die zij vroeger nooit verricht hadden; men moest tekenaars, metselaars, timmerlieden, steen en beeldhouwers vormen. Deze bezwaren zijn langzamerhand overwonnen, dank zij vooral den ijver van een jong, hoewel zeer ervaren architect, de heer Hezenmans.

Intussen werd langzamerhand het Bossche publiek, dat niet genoeg begrijpt, wat het betekent, steen voor steen een gevaarte als de St. Janskerk te vernieuwen, wel wat ongeduldig, zodat de gemeenteraad enige jaren geleden besloot, niet langer alle krachten volgens één ‘plan d’ensemble’ aan te wenden, maar die op te splitsen door een tweede geheel afzonderlijke restauratie op touw te zetten, die van de toren. Gelukkig is het resultaat van de toepassing van dit verkeerde systeem bevredigend geweest; de enige aanmerking, die men de architect van de toren maken kan, is, dat hij de oude grote moppen heeft vervangen door moderne kleine bakstenen, zodat het grootse en ouderwetse effect van de toren geleden heeft. De meerdere kosten, die de vervaardiging van steen van een grotere afmeting zou hebben veroorzaakt, hadden niet geteld moeten worden.

Men heeft nogal wat minder reden zich te verheugen over de zogenaamde inwendige restauratie van de kerk, die gelijktijdig met de beide andere onder de hoge directie van de bisschop en de gewillige en eerbiedige medewerking van de kerkfabriek plaats heeft. Eigenlijk kan hier niet goed van restauratie gesproken worden, vooreerst, omdat tot nu toe meer afgebroken, dan hersteld is, vervolgens, omdat wel verre van volgens een vast plan te handelen, men slechts hier en daar werkzaam is, dan om een nieuw raam, dan om een nieuw altaar of enig ander meubel in de kerk aan te brengen.

De inwendige restauratie komt zodoende op het volgende neer: men heeft het jubé en een paar altaren weg geworpen, drie of vier nieuwe altaren en enige beelden geplaatst, enige ramen met geschilderd glaswerk versierd, zonder dat die ramen uitwendig gerestaureerd waren, en eindelijk een zijkapel, waar de gelovigen zich meer speciaal tot het gebed begeven, met vrij middelmatige muurschilderingen opgesmukt.

De mediocriteit van verschillende altaren doet niet zeer gunstig denken over de kundigheid van de bouwmeester, die het inwendige van de kerk verzorgt. De indruk wordt niet beter, wanneer men nagaat hoe onstelselmatig gewerkt wordt en hoe er bij voorbeeld tot nog toe niet aan gedacht schijnt te worden, de barbaarse witsel laag weg te ruimen, die als een doodskleed het monument bedekt; integendeel, telkens wordt de kalklaag tot groot genoegen en voordeel van de witters hernieuwd!

Maar bovenal verdient de versnippering van krachten bekritiseerd te worden, die het gevolg van deze driedubbele onsamenhangende restauraties is.

Eenheid en krachtsinspanning zijn juist hier vereisten. Het eerste springt meteen in het oog. Als bewijs, dat tot nog toe met veel te geringe middelen gewerkt is, zal een onderzoek naar de toestand van de restauratie dienen.

De vaste sommen, die jaarlijks aan de uitwendige herstelling besteed kunnen worden, belopen een totaal van ongeveer (men schrikt niet) 20,000 gulden, dat als volgt verkregen worden.

Subsidie van het Rijk ƒ 8000,-
Subsidie van de Provincie ƒ 3000,-
Subsidie van de Stad ƒ 3000,-
Bijdrage van de kerk ƒ 1000,-
Bijdrage van particulieren ƒ 2000,-
Cathedraticum en collecte in de kerk ƒ 3000,-

Deze magere som moet alle kosten dekken: daarvan moeten de materialen voor loodsen en steigers en die voor de kerk zelf aangeschaft worden, daarvan moet zowel de architect als de werkman betaald worden! Natuurlijk is het personeel uiterst gering. Elk ambacht of kunstbedrijf telt bijna één vertegenwoordiger. Behalve de architect en één opzichter, heeft men in het geheel 26, zegge zes en twintig man, namelijk:

2 beeldhouwers (à 14 cents per uur!)
3 ornament werkers
15 steenhouwers
3 opper werklieden
1 metselaar
1 timmerman en
1 smid.

Een echt vaderlands hart zal er zich over verheugen, en er trots op zijn, dat de restauratie van een gevaarte als de St. Janskerk aangedurfd en verricht wordt met zo weinig geld en met zoo weinig mensen. Maar als wij de bij ons ingeroeste bekrompenheid van ons afschudden en de ware toestand in de ogen durven zien, zullen wij begrijpen, dat hier de zuinigheid misplaatst is; of liever, dat hier van zuinigheid geen sprake kan zijn. Immers gesteld, dat de gezamenlijke werkzaamheden bijvoorbeeld vijf ton zullen kosten, door langzaam te werken zal men geen cent profiteren; de vijf ton zullen toch eenmaal verbouwd zijn. Wat beslissen moet omtrent de snelheid waarmee de vijf ton uitgegeven zullen worden, is aan den ene kant de behoeftige staat van het te restaureren gebouw, en aan de andere zijde onze financiële kracht.

Nu bedent men, dat de St. Janskerk zodanig vervallen is, dat men niet te spoedig daarin voorzien kan, en dat volgens de tegenwoordige snelheid er minstens nog 85 jaren voorbij zullen gaan, voordat de uitwendige restauratie voltooid zal zijn, zodat enige gedeeltes tot het jaar 1967 zullen wachten! Men overweegt verder, dat een verdubbeling van de jaarlijkse gelden volstrekt niet boven de krachten van verschillende schatkisten – althans niet van die van de staat – zou gaan.

Ook behoort men zich rekenschap te geven van de nadelen, die buiten de vertraging van het werk (24) nog het gevolg zijn van niet gemotiveerde zuinigheid. Het gebrek aan ruimere middelen heeft namelijk noodlottig gewerkt op de kwaliteit van de talrijke stenen beelden, die het nu voltooide noordelijk portaal versieren. En geen wonder: welke producten kan men van beeldhouwers verwachten, die een salaris verdienen van…. 14 cent per uur! Men had misschien beter gedaan het vervaardigen van die beelden voorlopig uit te stellen, liever dan ze te maken, die waarschijnlijk over honderd jaar een meer kunstlievende generatie door betere zal willen vervangen. Maar men heeft niet zonder enig scepticisme overwogen, dat zo men die rationele weg insloeg, het wel eens kon gebeuren, dat, wanneer het gebouw gereed was, de regering doof zou worden voor een subsidie aanvraag, alleen dienende om beelden te bekostigen, – en het zekere boven het onzekere verkiezend, heeft men figuren gemaakt, die vrij middelmatig zijn.

Iets dergelijks zou in België – een land, dat wij ons graag tot voorbeeld moesten stellen, niet gebeurd zou zijn. Daar worden toch de beelden voor de St. Gudule kerk, voor de stadhuizen te Brussel, te Gent, te Yperen niet toevertrouwd aan beeldhouwers à 14 cents per uur, maar opgedragen aan de eerste kunstenaars van het land. Onze Zuidelijke broeders hebben trouwens meer geld, dan wij, over voor het herstel van historische monumenten. De jaarlijks daarvoor toegekende subsidie bedroeg in 1864 een totaal van 544,000 francs; waaraan de verschillende provincies een som van 564,500 francs toevoegden.

Dit geld wordt algemeen in België erkend, niet toereikend te zijn voor het doel, want in 1864 berekende men, dat de dringende reparaties alleen al een som van 7 millioen behoefde, en dat 20 miljoen nodig was om ander nuttig herstel te doen.

Nederland gaf in 1873 voor deze zaak 17,000 gulden uit, en op de begroting voor 1874 is dit bedrag tot op 25,650 verhoogd! En toch, als wij gelijk België 3 ton gaven, zou dit slechts 3/1000 van de gezamenlijke uitgaven van de staat bedragen. Zou men op de 20 miljoen voor Binnenlandse Zaken niet een paar ton kunnen vinden en een derde ton aan de amortisatie miljoenen kunnen ontwoekeren? Daardoor zou ook een zeer oude schuld geamortiseerd worden.

Een grotere uitbreiding zou aan de restauratie van de Bossche kerk gegeven uiteindelijk het hele land ten goede komen. Het weldra noodzakelijke herstel van de Dom te Utrecht, van de Bovenkerk te Kampen en van meer andere gebouwen zal toch de behoefte aan een aantal flinke architecten en goede werklieden, die ons nu ontbreken, meer en meer doen voelen. Zulke mensen kan men niet plotseling verkrijgen. De Bossche werken konden als het ware een ‘pépinière’ leveren, waarmee onze architectuur, onze algemene ontwikkeling gebaat zouden zijn. Evenals het herstel van de Keulse Dom voor alle Rijn provincies een ongekende en krachtige impuls aan de beoefening van de middeleeuwse bouw en beeldhouwkunst gaf, zou ook de restauratie van de St. Janskerk in Nederland een nieuw leven op dit gebied doen ontstaan.

Ik moet nog wijzen op de gebrekkigheid van het door de regering gevolgde stelsel, daar waar zij met staatsgeld herstellingen of gebouwen subsidieert.

Eigenlijk mag men van een stelsel niet spreken; wel ver van een vast en scherp toezicht te houden op het gebruik, dat van de verleende subsidies gemaakt wordt, wel ver van in de mildheid van de regering een middel te vinden om een gunstige invloed uit te oefenen bij besturen en corporaties, die zonder financiële banden met de staat geheel onafhankelijk zouden zijn, wordt er voortdurend blind gesubsidieerd, zonder te vragen, wat er gebeurt en wat er gebeuren moet.

Wat daarvan het gevolg is, bewijst helaas zonneklaar de Bossche St. Janskerk. Nu al heeft het Rijk daaraan ƒ 112,000 uitgegeven, en toch heeft de controle van de regering uit niets anders bestaan, dan in de 14 jaren, die het duurde, drie of viermaal uitzending bevolen van een of twee afwisselende en niet altijd deskundige personen. Deze hebben geen andere opdracht, dan de stand van de gesubsidieerde werken na te gaan. Men begeeft zich naar Den Bosch, beklimt de steigers, bevindt alles in de beste orde en brengt een stereo typisch rapport uit: de subsidie wordt opnieuw verleend.

Vraag nu niet, of soms ook, terwijl de staat uitwendig jaarlijks ƒ 8000,- weg metselt, de kerk inwendig verwaarloosd of geschonden wordt, of oxaal en altaren zonder enige kennisgeving aan de regering worden vernield; treed vooral niet in bijzonderheden; stel niet de vraag, of het niet jammer is, dat de van de restauratie door de staat afkomstige oude beelden, die nu vervangen zijn, naast de kerk overhoop liggen, in afwachting, dat zij tot puin geslagen worden om de ruimte niet te versperren (25); het is waar, dat zij in een museum geplaatst, voor de studie der middeleeuwse beeldhouwkunst van uitstekend nut hadden kunnen zijn. Dat alles was de inspecteurs niet gevraagd om te onderzoeken,…. en ook aan niemand anders wordt dit bevolen.

Uit al het voorgaande ontwikkelt zich duidelijk, geloof ik, de noodzakelijkheid om in de oude wanorde van zaken te heroverwegen; om zich niet langer te vergenoegen met toevallige inspecties of adviezen, die of te zeldzaam bevolen, of soms geheel vergeten worden, en altijd gebrekkig zijn.

Wij moeten eindelijk er toe overgaan, om het systeem te volgen, dat in alle beschaafde landen aangenomen is: de instelling namelijk van een vast, opzettelijk daartoe georganiseerd lichaam (commissie, bureau, afdeling of comité), speciaal bestemd om voor de staat te waken en te adviseren, overal, waar de belangen van kunst en geschiedenis dit vereisen.

Ik wijs niet op Frankrijk, waar het belang van de verzorging der schone kunsten geleid heeft tot het instellen van een afzonderlijk Ministerie; ook niet op Engeland, waar men een Science and Art Department heeft. Wij zijn te voorzichtig, te langzaam en te onverschillig om een nieuw Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in het leven te roepen. Maar ik zal op België wijzen, dat sinds jaren een instelling heeft, die ons tot model kan dienen: ik bedoel de Commissions Royal d’Art et d’Archéologie. Wij zullen deze instelling in verband met de algemene maatregelen van staatszorg bekijken.

In België dagtekent de zorg voor de historische en kunstmonumenten van het Keizerlijk Decreet op 30 december 1809 (26), waarbij aan de ‘marguilliers’ en bijzonder aan de penningmeester van de kerkfabrieken opgedragen werd te waken voor de goede en tijdige reparatie van de kerkgebouwen, en bevolen werd, dat jaarlijks twee maal in tegenwoordigheid van deskundigen inspecties zouden plaats hebben.

Koning Willem I nam de 23ste augustus 1824 (Sb. 45) een besluit – in Nederland onlangs zonder meer ingetrokken (!) – om aan de kerkbesturen en kerkelijke administraties elke beschikking te ontzeggen omtrent voorwerpen, waarvan de zorg hun niet uitdrukkelijk door de bestaande reglementen, verordeningen of wetten was opgedragen. Tot het stichten en bouwen van nieuwe kerken, en het herbouwen of veranderen van de bestaande, werd de koninklijke goedkeuring vereist, zodat alleen de tot behoud van gebouwen benodigde reparaties geheel werden vrijgelaten. Ook werd het verboden zonder de machtiging van de koning of die van de aan te wijzen autoriteiten, kunstvoorwerpen of historische gedenkstukken uit de kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden of daarover op enigerlei wijze te beschikken, behoudens de rechten van bijzondere personen of corporaties.

In verband hiermee, werd de 7de januari 1835 door Léopold I een arrêté genomen, waarbij tot verzekering van het behoud van die monumenten, die door hun oudheid, door de daaraan verbonden historische herinneringen, of door hun kunstwaarde uitmunten, – werd ingesteld een Commissie, bestemd om op aanvraag van de Ministers advies uit te brengen aangaande: 1o. de reparaties door bovengenoemde monumenten vereist: 2o. de plannen betreffende het bouwen en herstellen van de gebouwen vermeld in art. 2 van het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1824, en van andere openbare gebouwen.

Die Commissie telde negen leden, van wie vijf architect waren, één hoofdingenieur, één schilder. Een senaatslid was voorzitter.

Inmiddels kwam de 30ste maart 1836 de gemeentewet tot stand, die in art. 76 bepaalt, dat aan het advies van de Permanente Deputatie uit de Provincialen Raad en aan goedkeuring van de koning onderworpen zijn alle beslissingen van de gemeenteraden, betreffende, zowel het slopen van monumenten van de oudheid, als het doen van herstel daaraan, wanneer deze reparaties van deze soort zijn, dat zij de stijl of het karakter van het monument zouden kunnen wijzigen. Ook op de openbare instellingen in de gemeente onder een speciale administratie staand, werden dergelijke voorzieningen toepasselijk verklaard; en de besluiten van deze administraties werden bovendien aan het advies van de gemeentebesturen onderworpen.

Hoe gunstig deze voorzieningen ook afsteken bij de bandeloosheid en wetteloosheid, waarop de Nederlandsche Vandalen zich verheugen, toch zijn zij verre van volmaakt en wordt haar gebrekkigheid in België algemeen erkend. Zeer dikwijls, vooral tot voor een twintigtal jaren, kon men op vernieling, verwaarlozing of vervreemding van burgerlijke en kerkelijke monumenten wijzen. Intussen is de toestand langzamerhand verbeterd en het besef van de eerbied, waarop kunst en historie aanspraak hebben, meer en meer doorgedrongen.

Aan dit resultaat heeft vooral de regering meegewerkt, minder door de toepassing van de wet, waaraan de nodige strafbepalingen ontbreken, dan wel door het geven van het goede voorbeeld. Waar men de dringende kracht van de wet miste, wist men, zonder de zelfstandigheid van de besturen en kerkfabrieken te schenden, langs de weg van gemeenschappelijk overleg het goede doel na te jagen en te bereiken. Steeds werd bijvoorbeeld het toestaan van de subsidies afhankelijk gesteld van de inwilliging van zekere eisen in het belang van de oude monumenten, en dikwijls werd tegelijkertijd de geldelijke medewerking van besturen en corporaties uitgelokt, verzekerd en vruchtbaar gemaakt.

Reeds blijkt de gunstige invloed van de regering uit de grote artistieke ontwikkeling, waartoe sinds 1830 België gekomen is en waarvan de materiële resultaten merkbaar zijn, overal, waar de bouwkunst en de industrie de hulp van de kunst behoeven.

Het is hoofdzakelijk aan de Commission des Monuments van 1835, dat deze gelukkige uitkomsten te danken zijn.

De middelen, waarover zij de beschikking hadden, waren niet zeer ruim; haar leden hebben nooit meer dan reiskosten genoten; het totale bedrag van de uitgaven voor bezoldiging van ambtenaren, voor de bibliotheek, het onderhoud van de lokalen, de bureau behoeften en de reizen, was aanvankelijk slechts 4000 frs.; pas na lange jaren werd dit cijfer verhoogd, en in 1861 beliep het nog niet meer dan 7500 francs. Nu is het, sedert de uitbreiding na 1860 aan de Commissie gegeven, geklommen tot 28,700 francs.

Dat deze sommen niet nutteloos zijn uitgegeven, kan men reeds afleiden uit de overweging, dat de waarde van de bouwwerken alleen, die aan de beoordeling van de Commissie onderworpen werden, al in 1862 een jaarlijkse som van meer dan vier miljoen vertegenwoordigde, en thans (bij de grote werken, die te Brussel en te Antwerpen uitgevoerd worden) ver boven dat cijfer gerezen is.

Ook de vergelijking van de vroegere met de tegenwoordige toestand, geeft stof tot vreugde over de uitgegeven penningen. Welke geleerde, welk architect hield zich vóór 1835 met de studie der Romaanse of der Middeleeuwse bouwkunst bezig? Waar was er toen een administratie of corporatie, die gelden besteedde ten behoeve van de monumenten en kunstvoorwerpen? Zo er sinds die tijd ontzaggelijke vorderingen gemaakt zijn, is dit aan het aanhoudende werk van de Commissie te danken.

Tegenwerping van alle zijden heeft niet ontbroken. Waar alles moest worden gecreëerd en geregeld, ontmoette de commissie vaak een vijandige stemming en tegenwerking. De gemeentebesturen en de kerkfabrieken deden het voorkomen, alsof zij hen tot nutteloze en noodlottige uitgaven wilde overhalen; haar controle werd door mannen, van wie verwaandheid een uitvloeisel van hun domheid was, niet dan met ongeduld verdragen, en men verweet haar dat, wanneer zij wettelijke bepalingen inrieprn, zij aan vrijheid en autonomie een schendige hand sloegen.

Vandaar dat bij een werkkring, die duizenden monumenten betrof, de goede bedoelingen en de wijze adviezen cab de Commissie meer dan eens verijdeld zijn geworden. Desniettemin heeft zij steeds met onverdroten ijver en met stalen geduld het kwaad ontsluierd en zoveel mogelijk tegengewerkt.

Het zijn vooral klachten over het gebrek van de aan haar oordeel onderworpen plannen, en over de moedwillige verwaarlozing en verandering van de daarin door haar soms na lange arbeid aangebrachte wijzigingen, die telkens terugkeren. Het blijkt tevens dat, wat de kerkfabrieken betreft, diegenen die de staatssubsidies kunnen missen, geheel eigenzinnig te werk gaan, en de door de Commissie gemaakte aanmerkingen ten spijt, toch vaak belangrijke werken ondernemen tegen alle regels van de kunst en zelfs van het meeste gewone gezonde verstand in.

Ik zal van een brief van de Commissie aan de Minister van Binnenlandse Zaken (7 maart 1842) een korte versie geven, omdat wat daar gezegd wordt nog vandaag, helaas, letterlijk in Nederland (27) de waarheid is gebleven, terwijl in België de toestand sinds 30 jaar aanmerkelijk verbeterd is.

‘Al herhaalde keren’, schrijft de Commissie, ‘hebben wij de gelegenheid gehad de aandacht te vestigen op misbruiken, die in de beoefening van de schone bouwkunst geslopen zijn, en indien enige jaren terug de regering doeltreffende maatregelen genomen had, zou het kwaad de huidige hoogte niet bereikt hebben. De eerste de beste mag de architectuur beoefenen, particulieren op kosten jagen, publieke administraties tot onnuttige uitgaven overhalen en zelfs de openbare veiligheid in gevaar brengen. Vandaag de dag is er geen aannemer, die zich niet architect noemt, geen landmeter, die niet zijn naam doet volgen door de titel van architect juré. De meeste publieke administraties hebben er helaas toe bijgedragen om deze wanorde te vermeerderen. Over het algemeen maken de gemeentebesturen en de kerkfabrieken voor de uitvoering van allerlei gebouwen gebruik van mannen, wier volslagen onkunde niet te betwijfelen valt. Dikwijls zijn de provinciale besturen niet kieskeuriger op dit punt. Zij geven soms het beroep van architect, tot wie juist invulling zo veel waarborgen van de zijde van de titularissen vereist behoord te worden, aan eenvoudige landmeters, die in de architectuur volkomen vreemdelingen zijn.

‘De Commissie wenst daarom vurig de instelling van een jury, waaraan zou worden opgedragen een of twee maal per jaar de jonge architecten een examen te doen ondergaan, en hun naar de mate van hun bekwaamheid diploma van eerste en tweede klas uit te reiken. Wordt door deze maatregel het kwaad ook al niet volkomen uitgeroeid, de regering zal dan ten minste aan de publieke administraties kunnen aanbevelen de voorkeur te geven aan zulke geëxamineerde personen, wanneer het de vervulling van de betrekking van provinciale of gemeentelijke architect of die van onderwijzer aan de verschillende academies geldt. Wat de werken betreft, waarvoor de Staat subsidies heeft verleend, daar kan de regering eisen, dat zij aan gediplomeerde architecten worden toevertrouwd.’

Ook bij de regering heeft het nooit ontbroken aan de lust om aan het bereiken van het voorgestelde doel mee te werken. Steeds won zij het oordeel van de Commissie in omtrent al de ontwerpen voor op te richten staatsgebouwen (28), ten einde het deugdelijk en smaakvol gebruik van de staatsgelden te verzekeren.

Steeds blijkt de belangstelling van de regering uit talrijke Koninklijke besluiten en uit veelvuldige circulaires. Zo voorzagen de ministers in 1861 en 1862 in het verloren gaan of niet opvolgen van de door de Commissie goedgekeurde of gewijzigde plannen en gemaakte aanmerkingen. Een arrest van 31 Mei 1860 had een uitmuntende strekking: het bepaalde, dat in elke provincie corresponderende leden benoemd zouden worden, op de voordracht van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Deze leden moesten minstens eens in de drie maanden onder voorzitterschap van de Gouverneur van de provincie vergaderen. Jaarlijks is er te Brussel een algemene vergadering van de gewone leden en van de correspondenten. Deze laatsten moeten desgevraagd aan de Commissie inlichtingen en adviezen geven, en desnoods de goedgekeurde werken nagaan; zij kunnen ook uit eigen beweging de aandacht van de Commissie of van de regering op het belangen van kunst en geschiedenis vestigen.

Een jaar later, de 23ste februari 1861, schreef een arrest aan de Commissie voor het opmaken van een algemene inventaris van al de aan publieke instellingen behorende oudheden en kunstvoorwerpen, belangrijk voor de geschiedenis, de kunst of de nationale archeologie. Deze maatregel, die wij niet moesten verzuimen ook in Nederland te nemen, is van overwegend belang. Daardoor worden toch talrijke zaken aan het licht gebracht, het besef van de waarde van onze oude kunstschatten geboren of verlevendigd, en vandalisme of onverschilligheid tegen gegaan. Alleen is het werk zeer moeilijk en veel omvattend: reden te meer om er niet langer mee te wachten.

Een arrest van 30 juni 1862 keurde het Reglement van orde van de Commissie goed. Dit stuk is in 12 hoofdstukken gesplitst, handelend over: 1. les réunions, 2. le président et le vice-président, 3. les membres, 4. le secrétaire, 5. les élèves-architectes, 6. les inspections, 7. les membres correspondants, 8. le comité mixte des objets d’art, 9. la bibliothèque, 10. le budget, 11. les travaux soumis au contrôle et à la haute surveillance de la commission, 12. les séances générales.

Ik zal daar omtrent slechts één bijzonderheid nader aanstippen, en dat is naar aanleiding van het 5e hoofdstuk. Sinds 1845 werd jaarlijks door de Commissie een somma van 1200 à 1500 francs verdeeld tussen meerdere élèves architectes, die onder haar leiding werkzaam waren. Een arrest van 1851 stichtte in plaats daarvan twee beurzen, elk van 800 francs, ten behoeve van twee élèves, die aan de Commissie verbonden zouden worden. Zij moeten van 17 tot 24 jaar oud zijn, en minstens drie prijzen aan een van de Koninklijke Academies van Beeldende Kunsten gekregen hebben. Jaarlijks, maar niet langer dan 5 jaar, worden hen op voordracht van de Commissie met de subsidie toegekend. Daarvoor moeten zij de projecten kopiëren of wijzigen, verkenningen en plaatselijke opnames doen, en de Commissie in alle werkzaamheden ten dienste staan. Hu=n worden natuurlijk reiskosten uitbetaald.

Op deze wijze wordt de Commissie door geschikte personen bijgestaan en worden er goede architecten en archeologen gevormd.

Ik zal nog een vijftal circulaires aanhalen, om te laten zien hoe veelvuldig de onderwerpen zijn, waarop men in België de aandacht vestigt, en die in ons land geheel en al vergeten worden.

Bij circulaire van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 31 maart 1853 werden, naar aanleiding van de voor restauratie van kunstvoorwerpen aan kerken en publieke instellingen verleende subsidies, vaste beginselen ingesteld, en de wettelijke bepalingen op dit punt in herinnering geroepen.

De 12de augustus 1859 drongen dezelfde Ministers aan op de plaatsing van bliksemafleiders.

Een missive van de Commissie van 22 Maart 1861 beklaagde zich over de slechte nakoming van het decreet van 1809, betreffende het herstel van de kerkgebouwen. Zij wees op het inwateren van de muren, het laten groeien van onkruid daarin, de slechte zorg voor muurverbindingen, het gevaar van ophoping van zware en brandbare materialen op de gewelven, de gebrekkige toegangen tot zolders en torens, het bouwen van huizen tegen de kerken, het niet plaatsen van bliksemafleiders.

Een andere missive van 10 januari 1862 nodigde de Minister uit om de aandacht te vestigen op het behoud en de restauratie van de schilderijen (29). Zij waarschuwde tegen het gevaar van vocht, tegen de inwerking van de zon, voor de damp van kerkkaarsen, van veel onvoorzichtige manieren van schoonmaken en van vernissen.

De 3de maart 1862 werd aangedrongen op het opsporen en het behouden van onder de kalk bewaard gebleven muurschilderingen.

Dat Nederland met dergelijke voorbeelden voor ogen onbewogen de vorderingen van het vandalisme heeft aangezien, is daarom des te minder te vergeven, omdat het niet aan waarschuwende stemmen ontbroken heeft.

Wij hebben toch ook een Oudheidkundige Commissie gehad, die, hoewel gebrekkig georganiseerd, genoeg nuttige wenken en adviezen heeft gegeven. Een korte herinnering aan haar lotgevallen kan misschien leerrijk zijn.

Het was in 1860, dat de Koninklijke Academie van Wetenschappen het gelukkige denkbeeld kreeg om een Commissie van vier leden in het leven te roepen tot het opsporen, het behoud en het bekend maken van overblijfsels van de Vaderlandse kunst uit vroeger tijd. De middelen, waarover deze Commissie kon beschikken, waren uiterst gering en helemaal ontoereikend voor het doel. Men had tot haar beschikking een som gesteld van…. ƒ 100,-, zodat er voor elk van de drie kategoriën van de aan haar opgedragen werkzaamheden niet meer dan ƒ 33.33,⅓ uitgegeven kon worden! Het onthaal, dat van de regering ondervonden werd, was schitterend! De Minister van Binnenlandse Zaken zond de Circulaire, waarin om algemene belangstelling gebedeld werd, aan de burgemeesters rond, en de Minister van Financiën verleende genadig… vrijstelling van belasting! De burgemeesters en de kerkelijke autoriteiten wierpen de Circulaires in de prullenmand, en de Synodale Commissie van de Hervormde kerk liet weten, dat zij geen gelegenheid had om aan het verlangen van de Commissie te voldoen.

Zonder regeringsgezag, zonder stoffelijke middelen, uitsluitend afhankelijk van de goeden wil van sommigen, trachtte de Commissie enig nut te veroorzaken, en werkelijk is het haar gelukt enkele monumenten voor ondergang te behoeden, en hier en daar zeer belangrijke aantekeningen en inlichtingen te krijgen. Talrijk en ontmoedigend was evenwel de teleurstelling, die haar ten deel viel, niet het minst van de zijde der regering, waarvan wij de gelegenheid hadden de geest te beschrijven naar aanleiding van het Vaderlands Museum. Niettegenstaande een jaarlijks terugkerende circulaire, bleven kerk en gemeentebesturen steeds in gebreke de sloop of de restauratie van de monumenten te communiceren, zodat berichten daarover slechts bij toeval onder de aandacht van de Commissie kwamen. Dan was natuurlijk de zaak te ver gevorderd en de gelegenheid te zeer voorbij gegaan om nog tijdig maatregelen te nemen. Klachten hierover keerden periodiek terug, zonder dat iemand er zich om bekommerde. En toen in 1864 de Academie aan de regering verzocht de begroting ten behoeve van de Commissie met ƒ 400,- te verhogen, werd in die aanvraag niet ingewilligd, maar antwoordde de Minister, ‘dat hij het verkiezen vond hulp te bieden, waar dit in bijzondere gevallen nodig gevonden mocht worden!’ Alsof de nood niet overal sinds lang bestond, en alsof niet de toekomst moest leren, dat later de gelden tot het doen van aankopen, opnemingen, enz. vereist, meermaals geweigerd zijn.

Intussen was de Commissie zo weinig verwend, dat zij zich ‘innig verheugd verklaarde over het bemoedigende antwoord van Z.E.’ Toch merkte zij al het volgende jaar op, dat ‘wanneer plotseling met kracht maatregelen genomen, werkzaamheden aan deskundigen opgedragen worden, onderzoekingen, opnemingen, opmetingen, enz. gebeuren moeten, die niet kunnen worden uitgesteld, tot dat de toezegging van buitengewone, geldelijke tegemoetkoming en de vereiste machtiging van de regering aangevraagd en verkregen zijn. Het afgelopen jaar bracht de ervaring, dat de welwillende toezegging van de regering de moeilijkheden, die de Commissie bedreigden, niet uit de weg werdn geruimd.’ Men wees er op dat in het eerste half jaar ƒ 91.18 verteerd was, en dat er dus voor de overige zes maanden nog een saldo van ƒ 8.82 overbleef. Daar het bezwaarlijk leek, hiermee in Venetiaanse weelde te leven, ging de Commissie andermaal naar de Minister (Mr. Thorbecke) en smeekte om een aalmoes van ƒ 200.,-. Z.E. erkende de billijkheid van het verzoek; maar… hij had bedenking tegen dee vorm. ‘Oh! La forme!’ Wat zou Molière in Nederland nog mooie onderwerpen voor zijn komedieën gevonden hebben!

De Minister weigerde dan, niet zonder dat officiële vertoon van bureaucratische termen, die nu eenmaal uitgevonden werden om de zwakheid van de argumentatie te verbergen. Daar zat evenwel een staartje aan het antwoord van de minister. Evenals men het Vaderlands Museum het riet instuurde, door de Loterijzaal te weigeren en ‘het uitzicht te openen’ op het Muiderslot, dat men nooit van plan was af te staan, zo werd nu ook het afwijzen van de 200 gulden vergezeld van het advies om de Commissie van de Academie los te maken. Wij zullen straks zien, dat die raad volstrekt niet goed bedoeld was.

Intussen zocht de Commissie troost in een poging om de medewerking van de 20 geleerde genootschappen uit ons land te verkrijgen. Hij, die weet hoe zeer de ijver van vele van deze inrichtingen afhangt van enkele individuen, zal er zich niet over verbazen, dat de poging mislukte.

De toestand werd meer en meer onhoudbaar; wel had de Academie zich ontfermd en ƒ 300,- toegekend, maar men was uit geldgebrek gedwongen de vergaderingen tot twee of drie per jaar in te krimpen, aan de voorzitter het maken van kopieën en overtrekken op te dragen (30), en kort daarna zou men in de derde klasse van de spoorwegen moeten reizen. Toch eiste de Commissie niet veel, toen zij bad om een van paspoort voorziene sergeant-majoor, in ieder geval geschikt om tekeningen over te trekken, en een bouwkundige, aan wie de opmetingen en opnemingen konden overgelaten worden.

In 1870 begon eindelijk de doodstrijd, die uit liefde voor de aan haar toevertrouwde belangen twee jaren nog gerekt werd. Men had de treurige ervaring opgedaan, dat al het streven, al de offers van de Commissie, waarop de onverschilligheid van regering en van natie waren gestuit. Gebrek aan fondsen en aan bergplaatsen had het aankopen van belangrijke oudheden doen staken; bij de ontmanteling van Maastricht waren zowat alle pogingen tot behoud of tot studie verijdeld. Gemeente en kerkbesturen zowel als wetenschappelijke genootschappen hadden voortdurend het oor gesloten voor de dringendste uitnodigingen (31). Men zag eindelijk ook in, dat de oorsprong zelf van de Commissie en de aard van haar instelling het bereiken van het doel bemoeilijkten, doordat er voor het aanstellen van Correspondenten geen gelegenheid was.

Mismoedig en verbitterd legde dan in 1870 de Commissie haar mandaat neder (32). Als laatste poging ten goede, wees zij op de noodzaak om een Rijkscommissie in te stellen, en gaf zij in hoofdtrekken de organisatie daarvan aan, overeenkomstig die van de in België bestaande Commission des Monuments: een klein aantal leden, een bezoldigde secretaris, twee jonge bouwkundigen, correspondenten, reis en verblijfkosten, en de bevoegdheid om de uitkomsten van onderzoekingen publiek te maken.

De Academie begreep, dat de veelvuldige belemmeringen en bezwaren, waaraan de zaak tot nog toe onderworpen was geweest, niet uit de weg te ruimen waren door de vervanging van de optredende leden. Indachtig aan de wenk, vroeger door de regering gegeven, schreef zij de 11de december 1870 aan den Minister (Mr. Fock) om de instelling van een Rijkscommissie te vragen. De beslissing volgde spoedig en wel op 31 december, de laatsten dag, waarop Z.E. als hoofd van het departement werkzaam was. De Minister zei, dat tegen het in het leven roepen van een Rijkscommissie, doorslaggevende bedenkingen bestonden, zodat hij tot het verwezenlijken van dat denkbeeld nu op dit moment niet zou kunnen medewerken! Men had den moed – of was het onwetendheid? – te vragen of de Academische Commissie, ‘die gedurende een aantal jaren niet zonder goede uitslag (niet zonder is subliem!) werkzaam was geweest’ niet kon goed vinden nog wat aan te blijven. ‘Mocht zij evenwel daartoe niet kunnen besluiten, dan zou voor de regering niets anders overblijven, dan er in te berusten en bij voorkomende gelegenheden de voorlichting van deskundigen uit of buiten de Akademie te verzoeken’!

Inmiddels was Mr. Thorbecke weer als Minister opgetreden en de Academie hoopte bij deze, die vroeger zelf het denkbeeld van een Rijkscommissie geopperd had, beter te zullen slagen. Maar ook hij ‘had bedenking’. De verdere overwegingen van de Minister grenzen aan het fantastische; volgens hem was inderdaad de Academische Commissie een Rijkscommissie, en ‘zo niettegenstaande haar grote ijver en werkzame belangstelling van haar poging de gewensten uitslag niet gehad hebben, het was niet te verwachten, dat eens andere Commissie gelukkiger zou zijn.’

Werkelijk, ik weet niet, waaraan wij hier moeten denken: was het onwil, was het onkunde met de ware toestand, die hem deze apodictische conclusie deed schrijven? En wat moet men zeggen van die andere zinsnede: ‘Raadzaam schijnt het aldus de taak voortaan aan de belangstelling van genootschappen en particulieren over te laten.’ Voor ons kan het raadzame hiervan niet meer betoogd worden. De geschiedenis van de laatste jaren, de toestand van onze Rijksverzamelingen, het verkopen van het Bossche jubé, staan te vers in het geheugen. Maar mocht zelfs in 1871 een Minister zulke illusies voorwenden

Gelukkig schijnt nu een betere toekomst geopend te worden.

Met ware vreugde zullen zij, die hart hebben voor hun vaderland, en voor zijn roemrijke verleden op het gebied van kunst en geschiedenis, vernomen hebben, dat de regering op de begroting van 1874 een som heeft uitgetrokken tot bestrijding van de kosten voor bewaring van en toezicht op onze monumenten.

Voor hen, die de moed en het geduld gehad hebben de voorgaande bladzijden te lezen, zal, denk ik, de noodzakelijkheid om met kracht de handen het werk te laten doen, niet twijfelachtig zijn. Het moet even wel niemand verwonderen, indien hier of daar geroepen wordt, dat de regering toch vooral niet te veel en niet te spoedig handelen moet; men heeft al kunnen horen dat een van onze parlementsleden aan de Minister verweet: ‘’t is hollen of stil staan.’ Het is nu eenmaal een eigenaardigheid van velen om hun redeneringen aan te scherpen met spreekwoordelijke uitdrukkingen, die hij bij het minste onderzoek niet anders, dan zinledige klanken blijken te zijn.

Of mag men niet antwoorden, dat ons lange stil staan, ons achteruit gaan op rekening van onze voorgangers komt, die ons nu dwingen tot hollen, en ons de vrijheid niet laten om een minder haastige gang te gaan?

Wij moeten ons wel haasten, als wij onze monumenten voor volkomen ondergang behoeden willen en onzen oude rang te midden der beschaafde naties van Europa wensen te heroveren. Wij moeten ons voortmaken, als wij schandalen als dat van het Bossche jubé zich niet willen zien herhalen; wij moeten ons haasten, want morgen besteedt de Staat ƒ 24,000,- aan de restauratie van de Utrechtse Dom, en het Rijk mag niet langer zijn geld blind weggeven.

Staan wij een ogenblik bij den Dom stil; al sinds 1850 heeft men een som van ƒ 109,000,- aan haar besteed; vraagt men op welke wijze, dan moet het antwoord ongunstig luiden; daarvoor behoeft men slechts na te gaan, hoe de buitenzijde van het koor verknoeid is. Zal nu de regering verantwoord zijn, wanneer zij zonder enig onderzoek, zonder controle, rijksgelden aan de handen van de eersten de beste bouwmeester toevertrouwt; of blijkt ook hier niet zonneklaar de behoefte aan vaste adviseurs?

Er is meer. De wijze maatregel, die de Minister aan de Staten-Generaal voorstelt, kan en behoort nog andere vruchten te dragen, dan enkel voortvloeien uit de verzorging van bestaande monumenten.

De werkkring van de adviseurs zal, evenals in België, nog twee andere punten omvatten: en wel allereerst het instellen van onderzoek op het gebied van kunst en geschiedenis; vervolgens het bewaken van de aan de kunst verschuldigde eerbied bij het stichten van nieuwe Rijksgebouwen.

Het is duidelijk, dat sommig onderzoek kan optreden, dat alleen vanuit de staat met goed gevolg ingesteld kan worden. Dit zal eerst dikwijls het geval zijn bij monumenten, die aan de staat toebehoren; dan waar het nasporingen betreft, die van langdurige aard zijn en zich over het gehele grondgebied van het Rijk uitstrekken. Niet dat vanwege de staat het werk steeds zou behoren opgevat wordt; hoe meer er door locale wetenschappelijke verenigingen gedaan wordt, des te beter. Maar de regering mag de belangen van kunst en historie niet aan bijzondere maatschappijen overlaten, zonder het oog geopend te houden en gereed te zijn, daar waar zij verwaarloosd worden, onmiddellijk bij te springen, hetzij door zelf te handelen, hetzij door aan andere de impuls te geven.

Dit toezicht nu wordt in België door de Commission des Monuments en haar talrijke Correspondenten gehouden, en het is te verwachten, dat ook onze toekomstige adviseurs op dezelfde wijze hun taak zullen begrijpen. In België bijvoorbeeld worden vanwege de Commissie òf direct òf door middel van lokale verenigingen soms opgravingen naar Romeinse en Germaanse oudheden gedaan, die zich tot op Nederlandsch gebied (Limburg) uitstrekken! Zo werd te Meerssen, te Bergh, te Valkenburg (alle Nederlandse gemeenten) met Belgisch geld onderzocht. Steekt daarbij niet de handelwijze van onze regering ongunstig af, die in 1868 weigerde de nodige gelden toe te kennen, om op eigen gebied de aan het Rijk behorenden Plompen Toren op Schouwen op te nemen en op te meten?

Zelfs wanneer bij uitzondering de regering enig onderzoek instelde, was dit tot nog toe uit den aard der zaak hoogst gebrekkig, zoals het volgende voorbeeld kan bewijzen.

Toen Maastricht ontmanteld werd, was het zeker van groot belang de oude poortgebouwen uit de XIIIe en XIVe eeuw in tekening te brengen en aantekening te houden van de merkwaardigheden, die gedurende de loop van de werkzaamheden ontdekt konden worden. Hier kon zeker niemand beter dan de staat zonder veel moeite die wetenschappelijke arbeid verrichten. Intussen dacht men daar niet aan, en was reeds de Tongerse poort afgebroken, voordat op aandrang van de Academische Commissie en op mijn persoonlijken aandrang aan de ingenieur gelast werd tekeningen te maken en aantekeningen bij te houden. Voor de Tongerse poort had ik intussen zelf al dat werk verricht. Wat de overige wallen betreft, deze werden met de meeste zorgeloosheid behandeld. En natuurlijk: de ingenieur had zogenaamd geen ambitie voor zulk werk, dat geheel buiten zijn gewone arbeid lag, en zijn onverschilligheid werkte aanstekelijk op zijn opzichter, aan wie overigens niet de minste beloning werd toegezegd of gegeven. Vandaar, dat de tekeningen òf gebrekkig òf zelfs. leugenachtig opgesteld zijn; want dikwijls is het voorgekomen, dat de opzichter hele plannen zonder opmeting fantaseerde! Het lukte mij nog van de regering een som van 400 gulden te krijgen om de oude Romeinse poort op te graven, die onder de O.L. Vrouwe poort bedolven lag. Daarvan werden nu onder mijn toezicht nauwkeurige tekeningen gemaakt. Maar… deze hoogst interessante documenten zijn op de reis tussen het Departement van Financiën en dat van Binnenlandse Zaken zoek geraakt, en daarmee is de ƒ 400,- van de Staat verloren gegaan! Zie daar de gevolgen van gebrek aan organisatie.

Iets, dat vooral de aandacht van onze toekomstige adviseurs zeer waardig is, zijn onze oude muurschilderingen, die voor de kennis van de schilderkunst van de XI-XVIe eeuw van onberekenbaar nut zijn; de geschiedenis van onze primitieve schilderschool, die de luisterrijke eeuw van Rembrandt voorbereidde, staat op de wanden van onze kerken onder de witsel laag te lezen. De gelegenheid om ze te bestuderen doet zich meestal toevallig en gewoonlijk slechts voor korte tijd voor. Vandaar dat zij – zonder een steeds wakende Commissie – allicht onherstelbaar verloren gaan. Niettegenstaande haar gebrekkige hulpmiddelen, heeft de Academische Commissie op dit gebied veel gedaan. Toch kennen wij slechts het bestaan van een dertigtal muurschilderingen en niet meer dan een tiental is in tekening gebracht. Van maatregelen om het eens ontdekte te behouden is geen sprake; en hoe weinig men het belang van dergelijk schilderwerk beseft, zal helaas weldra – naar ik verneem – de Bathmense gemeente bewijzen. Een paar jaren gelden werd er ter gelegenheid van de restauratie van de kerk te Bathmen een aantal belangrijke muurschilderingen ontdekt. Gelukkig was de predikant een verlicht man. Hij stelde van de vondst Dr. Leemans in kennis, en het gelukte niet alleen al de ontdekte taferelen in tekening te brengen en uit te geven, maar zelfs één daarvan voor over witting te behoeden. Jammer, dit gunstige resultaat schijnt niet lang verzekerd te zullen blijven. Sommige Bathmense ingezetenen zijn bij het zien van de belangstelling door de wetenschappelijke wereld geuit op het schitterende idee gekomen, dat die belangstelling misschien wel in klinkende munt kon worden verzilverd. Als gevolg daarvan zijn zij bij de regering een subsidie voor een nieuw orgel komen vragen, met belofte daarvoor de muurschilderingen in ere te zullen houden. Aangezien de staat voor orgels nooit geld uitgeeft, is het verzoek zonder meer van de hand gewezen en nu wordt ongenuanceerd in de dagbladen meegedeeld, dat uit pure wraak de witkwast over het schilderwerk van de XVe eeuw gehaald zal worden! Wij zijn aan zo veel barbaarsheid gewend, dat ons dit vandalisme niet moet verwonderen; toch hoop ik nog, dat de gemeente Bathmen haar eenmaal zo loffelijk vermelde naam niet zal willen schandvlekken.

O fortunatos nimium sua si bona norint

Agricolas!….

Ik weet niet. of de regering iets gedaan heeft om in dit geval, al was het ook met louter morele overtuigingsmiddelen, het kwaad te voorkomen.

In België zou zeker door de Commission des Monuments de zaak behartigd zijn. Daar heeft men al talrijke muurschilderingen niet alleen onderzocht, maar gerestaureerd (33). Ook in Engeland begrijpt men het belang van deze overblijfselen van vroegere artistieke ontwikkeling. Ik heb voor mij liggen een brochure, in 1872 uitgegeven door het Science and Art Department of the Committee of Council on Education (South Kensington Museum), en bevattend een lijst van gebouwen in Engeland, waar muurschilderingen aangetroffen worden ouder, dan de helft van de XVIe eeuw (compiled for the use of schools of art). Die lijst omvat 523 steden en dorpen, waarvan de kerken onderzocht zijn.

Een leemte, waarin de instelling van een Commissie van adviseurs zal kunnen voorzien, is het gemis aan elke artistieke controle bij de stichting van nieuwe monumenten.

Dat de hedendaagse burgerlijke architectuur in Nederland op een zeer lage traptree staat, behoeft geen breed betoog. In een land, waar de oude monumenten, wel verre van bestudeerd worden, schandelijk zijn verwaarloosd, waar tot weinige jaren terug geen onderwijs in de schone bouwkunst gegeven werd, is een dergelijk resultaat onvermijdelijk.

Onze monumenten worden gebouwd door ingenieurs van Rijkswaterstaat, die ze op sluizen doen lijken, door gewezen genie-officieren, die spiritistische en perispiritische denkbeelden in steen trachten te vertolken, aan gewezen timmerlieden en metselaars, die de naam van architect durven voeren en als blinden te werk gaan. Wat bespot ons niet de vreemdeling, en wat zullen onze nakomelingen ons niet minachten bij het zien van monstruositeiten, zoals de Hoge Raad, het Ministerie van Koloniën (34), het nieuwe Ministerie van Financiën? Mm niet te spreken van hetgeen het Haagse gemeentebestuur heeft doen bouwen, van het politiebureau tot de eenvoudigste pomp of lantaren, die Huygens plein en Buitenhof ontsiert!

Ook te Leiden leveren de gebouwen van de staat het bewijs, dat men zich niet in het minst om de kunst bekommerd heeft, en dat de bouwmeesters volslagen onkundig waren van de aller elementairste beginselen van architectuur en van constructie. Het Fysisch Kabinet, het Fysisch Laboratorium, het Observatorium, het balkon van de Bibliotheek zijn even onmogelijk, als al de gebouwen, die vanwege de gemeente gebouwd zijn.

Een speciale vermelding verdient het nieuw Nosocomium. Daar is er bijvoorbeeld naar gestreefd om inwendig een monumentale trap te bouwen! Lelijker, onpraktischer en onzinniger constructie is niet te bedenken. Och! Had de bouwmeester maar niet zo hoog willen vliegen, had hij maar een minder pretentieuze trap gemaakt, en liever er aan gedacht om een eenvoudig lift (ascenseur) er aan toe te voegen, wat zouden hem de ware liefhebbers van kunst aan den ene en de zieken en kreupelen aan de andere kant dankbaar geweest zijn!

Ik zal er wel voor waken, al de afzichtelijke monumenten van Nederland in beschouwing te nemen; dit zou een nodeloze pijniging zijn. Toch kan ik geen weerstand bieden aan de lust om een ogenblik stil te staan voor een nog verse gevel, die van het militair hospitaal, niet ver van het station van de Rijnspoorweg te Amsterdam. Niet, dat dit gebouw ons door zijn wansmaak zou kunnen verrassen: daarvoor zijn wij te goed voorbereid, want wie de gang van zaken in Nederland kent, zal zonder enige nadere inlichting begrijpen: 1o. dat een militair hospitaal wordt gebouwd door Oorlog; 2o. dat Oorlog daarvoor de plannen laat maken door de genie; 3o. dat uit de handen van de genie niet anders dan kazematten en reduiten te voorschijn kunnen komen; 4o. dat dus het boven bedoelde hospitaal het liefelijke voorkomen van een bomvrije kazerne of van een kazemat zal hebben.

Dat alles is zeer gewoon, zeer alledaags en zeer natuurlijk (34). Maar wat men niet kan raden is, dat de bouwmeester een versiering heeft willen aanbrengen, en wel in de vorm van een ‘krul’, waarin de naam ‘militair hospitaal’ geschreven staat. Die krul, die min of meer onderstaande figuur vertoont, doet onwillekeurig denken aan die naïeve ornementen, die onze schooljongens niet zonder enig welgevallen aan het eind van hun themata plaatsen, om hun vreugde over volbrachte arbeid kenbaar te maken.

Ik wijs er daarom op, omdat hieruit blijken kan, hoe weinig men er aan denkt iets artistiek te maken. Want anders had de ontwerper van die heerlijke krul slechts de ogen moeten openen, om in de duizenden mooie oude gevelstenen van Amsterdam een motief te vinden, waaraan hij een dragelijke cartouche kon ontlenen.

Misschien was het intussen de moeite niet waard, daarvoor een wandeling door Amsterdam te maken. Maar welke verontschuldiging is er dan voor de architect (?), die te Leiden het fraaie manege poortje sloopte en het door een niet te verdedigen monstruositeit verving? Hier behoefde men toch geen stap te doen, om een goed oud model en zelfs om materiële bouwstoffen te vinden.

De maat loopt geheel over, wanneer wij de aandacht vestigen op die monumenten, die niet om de een of andere nuttige reden gebouwd worden, maar enkel en alleen tot verfraaiing van plein en stad.

Of kan men ongelukkigere voortbrengselen vinden, dan het monument voor 1813 in het Willemspark, dat door tobben verknoeid werd en waarvan de bas reliefs de toets van de meest toegevende kritiek niet kunnen doorstaan; treuriger, dan de Ruijter’s standbeeld te Vlissingen, dan dat van Willem II op het Buitenhof, dan het monument op de Dam. Elk zou tot de meest komische opmerkingen aanleiding kunnen geven. Zo heeft men op de fontein van de Dam de Trouw willen afbeelden onder de gedaante van een hond. Misschien zou men verwacht hebben, dat de beeldhouwer onder de verschillende rassen, dat ras zou gekozen hebben, dat als het edelste steeds bij gefigureerde voorstellingen gebezigd wordt. Helaas, zijn oog is op een blindeman hond gevallen, en het is een poedel, die hij gebeiteld heeft!

Wij hebben, geloof ik, genoeg aangehaald, om onze ergernis te wettigen. Ten slotte moeten wij nog twee redeneringen bespreken, die steeds ter vergoelijking worden gehouden, en dikwijls zonder tegenspraak worden aangehoord.

Allereerst wordt er gezegd, dat onze monumenten daarom minder mooi zijn, omdat wij er niet veel geld aan besteden. Daarop mag men antwoorden, dat wij rijk genoeg zijn om, evenals onze voorouders, voor blijvende gebouwen iets meer uit te geven, dan nodig is voor naakte muren en een pannendak. Wanneer wij een ton besteden voor de bouw van een Ministerie of van een Museum of van een Stadhuis, dan mogen wij daarbij gerust 2 of 3 percent aan toevoegen voor het intellectueel genot van het oog. Daartoe zijn wij niet te arm (36); maar – het woord moet er uit – wij zijn er te gierig voor. Of kon de gemeente ’s Gravenhage in 1860 niet met even veel weelde haar politiebureau bouwen, als in 1565 haar stadhuis?

Dan, men moet niet vergeten, dat schoonheid en eenvoud hand aan hand gaan, en dat een gebouw niet duurder hoeft te worden, omdat daar smaakvolle verhoudingen en vormen aan gegeven zijn. Dat een monument, om mooi te heten, zeer gesierd en zeer duur zou moeten zijn, is een onjuist begrip. De Grieken, die het geld niet weg wierpen, wisten op alles de stempel van smaak en kunstzin te drukken, tot op de eenvoudigste voorwerpen, tot op het keukengereedschap aan toe.

Een ander argument, waarmee dikwijls de kritiek wordt afgeweerd, doet zich voor onder de vorm van dit bekende gezegde, dat in de mond van velen bestorven ligt: ‘’t is wel niet mooi; maar als het maar doelmatig is, dat is voldoende.’ Het is even wel tevergeefs, dat men zich achter deze ‘frase’ zoekt te verbergen. Want om te beginnen hoeft men niet toe te geven, dat men bij elk gebouw tevreden behoort te zijn, wanneer het slechts doelmatig is.

Vervolgens mogen wij, zonder tegenspraak te vrezen, zeggen, dat het juist niet de doelmatigheid is, waarop zich onze afschuwelijke monumenten kunnen beroemen. Of zitten zij niet vol van gebreken, de Hoge Raad, het Ministerie van Koloniën, het Leids Nosocomium, waar bijvoorbeeld de apotheek eenvoudig vergeten was, evenals het lift? En indien men bedenkt, dat deze gebouwen al in zeer sterke mate doelmatig behoorden te zijn, om hun wanstaltigheid te doen vergeten en vergeven, wat blijft er dan van het vergoelijkend argument over?

Hier opent zich derhalve voor de Commissie van adviseurs een ruim veld van werkzaamheid. Want, indien de regering goed geïnspireerd is, zal zij voortaan geen gebouw meer bouwen, zonder het advies van een uit ware deskundigen samengestelde Commissie te hebben ingewonnen.

Bij het beschouwen van de toestand van onze monumenten en het schetsen van het in Nederland heersend vandalisme, heb ik slechts een gedeelte van de sluier opgelicht. Maar de enkele staaltjes, die ik deelde, zijn voldoende om te doen zien, hoe bedroevend de historia morbi is. Mag nu al het anatomiseren van den invretende kanker leiden tot een juist besef van de kwaal en tot het aanwenden van krachtig medicijn.

De kunst en de eerbied voor onze historie zijn erg ziek, maar Goddank nog niet geheel dood. Vergeten wij niet, dat behalve Italië, geen ander land in de XVIe-XVIIIe eeuw op het gebied der kunst zooveel heeft voortgebracht als Nederland, en dat wij, wat roemrijke geschiedrollen betreft, voor niemand behoeven te wijken.

De oude kiem van morele en intellectuele superioriteit leeft nog, maar zij is lang verstikt geweest, niet het minst door zorgeloosheid en door te uitsluitende bezorgdheid voor meer materiële belangen.

De regering kan door doeltreffende maatregelen de impuls geven tot een verjongd leven; de tegenwoordige minister, die zich zelf een groot voorstander noemde van alles wat kunst en wetenschap betreft, heeft ons reeds reden gegeven om te vertrouwen, dat hij het zich tot taak zal stellen het vandalisme te beteugelen en aan de kunst te geven, wat haar toekomt. Mogen de Kamers, mag het hele Nederlandse volk aan dat streven medewerken.

(1) Een ambtenaar aan Koloniën zeide mij eens, sprekend van de uitgave van de Borobudur tempel op staatskosten: ‘zie zo, nu kunnen wij daarmee een twintigtal jaren weer volstaan en ons dekken tegen het verwijt, dat er voor de kunst niets gedaan wordt.’ Ik herinnerde mij onwillekeurig de geschiedenis van de tourist, die, om aan de vervolging van een beer te ontsnappen, hem van tijd tot tijd een kleinigheid toewierp!
(2) Zie Nederlandsche Spectator van 4 Januari 1873.
(3) Zie verslag van de Academische Commissie 1869, blz. 40.
(4) Verslag over 1868-69, blz. 38.
(5) Evenals de pistolen van Balthazar Gerardts, bij vonnis door de beul vernietigd… maar op het Mauritshuis steeds zichtbaar.
(6) Burger zei van deze verzameling: ‘Cette collection de gravures et d’eaux-fortes est une des plus riches du monde, avec celle de Paris et de Londres. L’oeuvre de Rembrandt y est, je pense, le plus beau qui existe. ceux d’Albrecht Dürer, de Rubens, de van Dyck sont magnifiques. On trouve aussi dans le Cabinet des Estampes une série unique, d’une soixantaine de maîtres primitifs, innommés et indécrits!’
(7) Een veertigtal schilderijen ligt op de zolder van het magazijn en zijn voor het publiek natuurlijk niet zichtbaar. Daarheen zullen denkelijk de laatst geschonken 40 stukken van Liotard ook wel vervoerd worden. Een aangename prikkel voor hen, die aan het land schenkingen zouden willen doen!
(8) In de Londense Musea vindt men in elke hoek niet alleen brandblussers, maar gevulde wateremmers en ladders.
(9) Trouwens ook de Rijks Bibliotheken worden nagenoeg niet aangevuld. De Koninklijke Bibliotheek te ’s Hage houdt jaarlijks, na aftrek van alle onkosten van binden, enz. en van de abonnementen op periodieke werken, een zuivere som over van 3000 gulden. Daaruit moet aangevuld worden, in een tijd dat alle wetenschappen een hogere vlucht nemen en dat de bedrijvigheid van de drukpers tien dubbel is. Wil men weten, hoe men moet schipperen? Een aanschrijving van Thorbecke heeft bevolen alleen en uitsluitend boeken aan te kopen betreffende het recht, de geschiedenis en de staatswetenschappen, de favoriete vakken van die staatsman. Het bestaan van andere wetenschappen wordt eenvoudig ontkend, en men moet zich er niet over verwonderen, dat zo de meest onontbeerlijke boeken gemist worden. Als punt van vergelijking neem ik België, dat in 1873 voor de verkoping Serrure alleen 20,000 francs gaf.
(10) Terwijl onze Staat 7 schilderijen van Rembrandt bezit, heeft de Louvre er 19, de National Gallery 16, het Museum te Kassel 25! Onze Musea tellen 18 stukken van Wouwerman, dat te Dresden heeft er 63, en de Ermitage bezit er 49!
(11) Sinds 1866 staat er onder de toren van de kerk te Heiloo een aan de Staat geschonken oude stenen grafkist.
(12) Zie verslag der Acad. Commissie over 1865-66, blz. 30.
(13) Zie verslag der Acad. Commissie over 1866-76, blz. 45.
(14) Zie verslag 1867-68, blz. 55.
(15) Zie verslag 1867-68, blz. 61.
(16) Zie verslag 1868-69, blz. 60.
(17) En wanneer men het door kunst en vliegwerk zo ver gebracht heeft, dat de regering onderzoek doet, dan is men nog niets opschoten. In 1863, toen te Dordrecht acht koperen kronen publiek verkocht werden, was het door de regering op aandrang van de Academische Commissie toegestane krediet zó mager, dat men zelfs niet één kroon mocht kopen. De Israëlieten hadden er meer voor over. Ook voor de Zevenhuizer kerkramen en voor twee prachtige oude bedsteden uit Portugal weigerde de regering genoegzaam geld beschikbaar te stellen!
(18) Vreemde Staten daarentegen komen zich bij ons van kunstvoorwerpen voorzien. In het South Kensington Museum zag ik verschillende zilveren halssieraden, van gilden, rederijkerskamers en schutterijen afkomstig; een halsketen van de Gorkumse schutterij was onlangs aangekocht.
(19) Gebezigde uitdrukking van de land economen van Zevenhuizen.
(20) De aan God gewijde geestelijke goederen zijn heilig, omdat zij voor de godsdienst bestemd zijn. Het is ongeoorloofd zonder wettelijke machtiging en wettige reden de bestemming te veranderen. Zonder toestemming van de bisschop mag men geen altaren vernielen, geen schilderijen, standbeelden of andere beeldhouwwerken wegnemen of tegen andere ruilen en geen monumenten slopen.
(21) Een enkel architect heeft er in Duitsland minstens 30 nieuwe gebouwd.
(22) Deze sloop is gevolgd door die van het fraaie grote altaar, waarvan de verkoop 110 gulden opbracht, en door de oprichting van twee zeer middelmatige altaartjes aan den ingang van het koor in schuine richting geplaatst. Een van die altaren is aan de Gorkumse Martelaren gewijd. Het is te betreuren, dat de verering van Nationale heiligen geschieden moest ten koste van de verering, waarop een Nationaal monument aanspraak heeft. Die altaren overigens zijn, wat de stijl betreft, niet onberispelijk, en hun plaatsing op een daarvoor nooit bestemd punt, heeft een zeer ongelukkig effect. Waar het hoofdaltaar gebleven is, weet ik niet.
(23) Het doel van deze expositie is: ‘to show the student, how great masters have decorated architecture with sculpture, what amount of relief, of finish, of detail conveys to the spectator the impression the sculptor has intended to produce.’ (J.H. Pollen, Descriptive Catalogue.) Zal ooit de Nederlandsche Staat er iets toe bijdragen om de Nederlandse architect, die nog zo achterlijk is in zijn kunst, dergelijke voorbeelden – zij ’t ook op kleine schaal – onder de ogen te brengen?
(24) Deze vertraging wordt ook veroorzaakt door de omstandigheid, dat de architect bij gebrek aan een tweede opzichter verplicht is werkzaamheden te verrichten, die eigenlijk door een opzichter behoorde te worden verricht. Zo moet hij nu persoonlijk alle opmetingen doen, langs goten en daken klimmen om het minste profiel in kaart te brengen, en dan nog zelf de te houwen stenen op de ware grootte uitleggen, een zeer tijdrovend werk!
(25) Slechts enkele zijn in het lokaal van het Prov. Noord Brabants Genootschap bewaard.
(26) Décret concernant les fabriques des églises. Chap. II. Section 11 § 3 des réparations, art. 41 seq.
(27) Bijvoorbeeld te ’s Gravenhage en te Leiden.
(28) Men ziet zelfs de minste bijzonderheden niet over het hoofd. Toen enige jaren geleden een nieuwe vleugel aan het Ministerie gebouw in de Rue Ducale te Brussel toegevoegd werd, heeft men bijvoorbeeld de Commissie geraadpleegd over het al of niet maken van zolderramen. Wij hebben in 1872 een nieuwe vleugel gebouwd aan het Ministerie van Financiën. Daarbij is niemand geraadpleegd. Is het dan te verwonderen, dat het gebouw in de Parkstraat op een kazerne of op een gasthuis gelijkt, en moet men niet verstomd staan over het geduld der Hagenezen, die gedwee de stad laten ontsieren?
(29) De kerken in België bezitten over de 50,000 schilderijen.
(30) ‘De Commissie bracht geen uitgaven wegens schrijversloon in rekening, maar belastte haar voorzittend lid met al het schrijfwerk, of de hulp daartoe vereist kwam voor op zijn bijzondere rekening. Voor vergaderkosten behoefde nooit een geldsom te worden uitgetrokken, omdat een van de leden zijn vertrek gastvrij openstelde.’ (Verslag 1866).
(31) Talrijke monumenten zijn gesloopt zonder, dat daarvan bericht gezonden werd, zodat er tot het houden van aantekeningen enz. geen gelegenheid is geweest. Ik noteer de kastelen Popkensborch en Wadesteyn, het huis Ter Horst, de stadhuizen van Eindhoven en Arnemuiden, de Gruitpoort te Doetinchem, de kerken te Rossurn, te Kedichem, te Neerlangel, te Kessel, te Boven-Karspel, te Almen.
(32) De Commissie hield de zaken nog tot in 1871, de voorzitter tot in 1872, gaande.
(33) In Nederland zijn er slechts twee gerestaureerd. Een in de St. Servaas kerk te Maastricht; de andere in de kerk te Bommel; deze laatste op alleszins noodlottige wijze.
(34) Er zijn er, die ‘voor de symmetrie’ een tweede gebouw als Koloniën willen doen verrijzen op het terrein van het oude Huijgens huis. Ik hoop, dat men verstandiger zal zijn en dat men aldaar een werkelijk mooi monument zal bouwen, dat men vlak voor het front van de Hoge Raad kan doorlopen, ten einde dit te verbergen en het te kunnen voortzetten, wanneer Koloniën, dat jaarlijks zo veel aan reparatie kost, afgebroken zal kunnen worden. Voorlopig zou anu al twee derde van de facade aan het Plein verbeterd zijn.
(35) In Nederland wel te verstaan; want in België gaat de genie, waar dit nodig is, met knappe civiele architecten te rade: de kazerne du Petit-Château te Brussel, de nieuwe poorten te Antwerpen zijn dan ook werkelijk mooie gebouwen.
(36) Men bedenkt zich hoe bij de bouw van de Staatsspoorwegen het geld is weggeworpen!

De Gids, Jaargang 37,4 december 1872, p. 320-403

Hertaling in ontwikkeling door Rob Scholte, 2018.

Bron:
http://www.dbnl.org/tekst/_gid001187301_01/_gid001187301_01_0060.php

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Rogier Hop – Persconferentie: “Holland op zijn smalst” + RTV Maastricht – Nieuws van vrijdag 16 maart 2018 | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*