Olof Baltus – De Duinroos (28): Toen wij van Rotterdam vertrokken

Het begint allemaal heerlijk dorps.
Gerrit Stam en Nel de Waard leerden elkaar kennen op de kermis. De kermis van Rinnegom om precies te zijn.
Rinnegom, een oude benaming, die terug gaat naar een ver verwijderd Keltisch verleden, is het buurtschap langs de Herenweg tussen Egmond Binnen en Egmond aan de Hoef. Vroeger stond er een kerk (nu al lang niet meer), een café en een handjevol huisjes, genoeg om er een kermis te houden.
En een kermis was bij uitstek de gelegenheid om als huwbare jongens en meisjes elkaar te leren kennen.
Gerrit en Nel traden op 28 januari 1936 in het huwelijk. In 1947 bereikt het gezin met de geboorte van zoon Jan zijn definitieve omvang: twee dochters en zes zonen.
In 1952, toen de familie Stam zou gaan emigreren, was vader Gerrit 41 jaar oud en was zijn vrouw Nel 38.
Gerrit vertrekt als kwartiermaker op zaterdag 29 november vanuit Rotterdam met het Italiaanse passagiersschip richting Australië. Zijn vrouw Nel en twee van zijn broers doen hem ‘uitgeleide’.
Als op 1 februari 1953 Nederland geteisterd wordt door de Watersnoodramp zit Gerrit in Tasmanië.
“Lekker hoog en droog”, vergeet het. Bezorgdheid en verwarring over wat er thuis in Holland allemaal gebeurde.

DE BRIEVEN

Nog voordat de Fair Sea met Gerrit Stam aan boord uitvoer vanuit Rotterdam, kwamen er een paar brieven van familieleden en bekenden, die door middel van hun schrijven afscheid namen.

Brief 1
Geschreven door jaarlijks in Egmond terugkerende badgasten:

Uw brief ontvangen en gelezen dat u naar Australië gaat. Ik hoop en wens dat het u daar goed gaat. Het zal een grote ommekeer teweeg brengen in uw leven. Maar mocht u er slagen, dan is dat voor u en uw gezin wel het beste. Want wat brengt Nederland?
Werkeloosheid en nietsnutten, armoede en zware belastingen. Maar wij zullen elkaar niet meer zien omdat wij niet het plan hebben zover weg te gaan.
Wanneer wij de volgende zomer weer in Egmond zijn en uw vrouw is er nog, dan zoeken wij haar vast even op. En als u wat ingeburgerd bent in den vreemde, laat dan iets van u horen. Het was immers altijd een plezierig weerzien in de vakantietijd in Egmond.
Wij wensen u natuurlijk veel voorspoed en Gods onmisbare zegen toe te midden van uw toekomstige nieuwe landgenoten.

Brief 2
Geschreven door Gerrits’s zus Marie, die helemaal in het verre Limburg woonde, in Sevenum. Tante Marie, die zich dus ook zelf bijna een emigrante voelde. Een brief, waarin heimwee doorklinkt naar haar familie in Egmond.

Sevenum, woensdagmiddag ( 26-11- 1952.)

Beste familie,

Vanmorgen de afscheidsbrief van Gerrit ontvangen. Jammer, dat wij elkaar niet meer kunnen zien, maar er is helaas niets meer aan te doen.
Wij hadden jullie zondag zo half en half verwacht. En ook maandag en gisteren. Vandaag zelfs ook weer.
Ik keek vanmorgen steeds uit het keukenraam. Ik dacht dat jullie misschien wel in de trein van half elf zouden zitten.
In mijn gedachten zag ik jullie samen aan komen lopen. Armpje door. Maar nee hoor, de trein stopte en er kwam niemand naar buiten. Toen kwam om een uur of elf de post en las ik het nieuws dat je al vertrokken was.
Nou, ik kan het mij goed indenken, Gerrit, dat je niet helemaal naar Limburg kon komen, want ook dat kost weer een heleboel geld en jullie zitten al zo krap.
Ik zei gisteren nog dat als ik zelf wat centen had gehad, en als ik iemand in huis kon krijgen om op de kinderen te passen, dat ik dan zelf een paar dagen naar Gerrit en Nel zou zijn gegaan. Want misschien zien wij elkaar wel nooit meer in dit leven.
Ik had misschien Tilly kunnen vragen, maar dat had ik dan eerder moeten doen omdat Til wel een uur fietsen bij ons vandaan woont.
Enfin, dan maar een schriftelijk afscheid: een goede reis gewenst, broer van mij, en dat het daar goed met je mag gaan. En dat Nel en de kinderen je maar gauw mogen komen nareizen.
De tijd vliegt en denk aan die man uit Heiloo. Die was nog geen half jaar in Australië en nu komen zijn vrouw en kinderen hem al achterna. Dat is snel, toch?
Ik weet bijna zeker dat het bij jullie ook zo gaat verlopen, maar ik hoop wel van Nel persoonlijk afscheid te kunnen nemen.
Je schreef nog over ons en ons plan naar Canada te gaan.
Nou, dat weet ik nog zo net niet, hoe dat verder gaat. Cor en Joop hebben er wel zin in en als zij dat doorzetten, dan gaan wij mee, maar Cor heeft nu ook bij de steenkoolmijnen gesolliciteerd en als zij hem aannemen en het bevalt hem, dan denk ik dat hij afzegt voor Canada.
Wel mooi dat jij in dezelfde plaats komt als waar ook die familie uit Heiloo terecht is gekomen. Dan ben je toch niet direct zo erg alleen.
En jij, Nel, houd je kranig. Zeg maar tegen je kinderen dat ze allemaal goed moeten oppassen. En dat ze extra lief moeten zijn voor elkaar, maar vooral ook voor hun moeder. En dat jullie over een hele korte tijd weer allemaal bij elkaar zullen zijn.
Gerrit, houd je taai, en Gods beste zegen.

Brief 3
Is vooral interessant, omdat er in de Nederlandse Pers gewag van was gemaakt, dat op een vorige reis aan boord van de Fair Sea, die ook Duitse emigranten ophaalde in Bremerhaven, spanningen waren ontstaan tussen Nederlandse en Duitse emigranten. De Duitsers zouden aan boord de baas hebben willen spelen en zouden daarom op de reis van ome Gerrit in eigen ruimtes, gescheiden van de Hollanders, worden ingescheept.
Aan deze moeilijkheden op de vorige oversteek refereert de schrijver van deze brief, die baas was geweest van ome Gerrit bij de P.W.N.

Geachte Heer Stam, vriendelijk dank voor uw afscheidsbrief. Inderdaad wisten wij dat u emigratieplannen had. Toch hoorden wij er van op dat u al zo spoedig het land ging verlaten.
In de krant lazen wij dat er nogal wat moeilijkheden zijn geweest met de plaatsen op de Fair Sea: Duitsers die op een nota bene door de Nederlandse regering gecharterd schip meer ruimte opeisen dan waarop zij recht hadden. Wij hopen dat er intussen maatregelen getroffen zijn om de zaak deze keer niet te laten escaleren.
Wij wensen u het allerbeste en ook namens de heer dr. Hemmer, hoofd van de sectie, groet ik u.

Brief 4
Ome Gerrit schrijft op de avond na het vertrek uit Rotterdam zijn eerste brief.

Zaterdagavond, 29-11- 1952 aan boord van de Fair Sea.

Liefste vrouw en kinderen, hier dan de allereerste brief van mij.

Ik hoop dat ik in Bremerhaven deze brief op de post kan doen. Wij zijn nu op weg naar deze Duitse haven om Duitsers in te nemen. Wij bevinden ons nu ter hoogte van Terschelling. Heel vaag zie ik het licht van de Brandaris. Er staat wat wind en het schip slingert een beetje waardoor wij al enige mensen met zeeziekte hebben.
Ik heb nog nergens last van. Alleen in het begin toen wij op volle zee kwamen heb ik een beetje last gen=had van koppijn, maar dat ging snel over. Ik voel mij nu kiplekker en heb zojuist ook heerlijk gegeten.
Eten doen wij hier aan boord in twee ploegen. Dat is allemaal heel goed geregeld. Je moet bij het binnenkomen van de eetzaal een kaart laten zien waarop je nummer staat en bij welke ploeg je bent ingedeeld.
Jullie kunnen je niet indenken hoe het is op zo’n schip. Je loopt in het begin een beetje verloren rond en je verdwaalt zodat je je slaapplaats alleen nog met de grootste moeite terugvindt. Maar daar staat ook je koffer en die mag je natuurlijk niet verliezen.
Het is een mierennest van mensen om je heen, allemaal doodgewone luitjes zoals wij.
Zojuist hebben wij het avondgebed gedaan met de boord geestelijke. Er zijn plus minus 200 Rooms Katholieken aan boord en die waren ook bijna allemaal aanwezig in de ruimte die dienst doet als kapel.
Morgenochtend is er om kwart voor zes de vroegmis en dan volgt om negen uur de Hoogmis. Ik denk dat ik kies voor de Hoogmis, morgenochtend.
Verder is het op het schip allemaal pico bello voor elkaar, allemaal Italiaans personeel maar die hebben op eerdere reizen goed leren omgaan met Nederlanders en met onze taal.
Wat vond ik het fijn, Nel, dat jullie op de kade bleven toen het schip het anker lichtte. Het viel jou ook wel mee, hé, het vertrek.
Ik heb dit briefpapier geleend van mevrouw Kuijs. De verstrekking van een en ander ging op alfabetische volgorde en ik was nog lang niet aan de beurt. Bovendien had ik mijn laatste geld, een gulden zowat aan kleingeld, aan de kruier gegeven. Nu ga ik vol goede moed op het reisdoel af. Ik heb het idee dat dit een prachtreis gaat worden.

Ik moest je nog de groeten doen van diezelfde mevrouw Kuijs uit Heiloo, die zoals je weet, naar haar man reist en heel blij is Nederland achter zich te hebben gelaten. Zij hoopt jullie binnen niet al te lange tijd weer te mogen begroeten op Australische bodem.

Hoe laat was je thuis, Nel? Een goede reis gehad, terug uit Rotterdam?
Geen zorg over mij, hoor. Het is hier best uit te houden. Ik ga nu nog even aan dek kijken en dan gauw slapen, want ik ben doodop.
Wanneer ik weer kan schrijven weet ik nog niet.
Als wij weer van Bremen terugkomen hoop ik vanuit zee Egmond te zien liggen. Vanmiddag hing een dikke ijzige mist over zee. Er was niets te zien van het duin, laat staan van het dorp waar wij misschien wel nooit meer terug zullen komen.
Maar niet somberen, lieve Nel, wij varen een prachtige toekomst tegemoet. Je man, Gerrit Stam.

Brief 5
Eerste brief van Tante Nel, geschreven op zondagavond. Terugblik op het vertrek uit Rotterdam. Nel was daar heen gegaan met twee van Gerrits broers, Engel en Cor.

Egmond aan Zee, 30- 11- 1952

Hoe maak je het, mijn schat? Het zit wel goed, hoop ik.
De sfeer bij het afvaren uit de haven van Rotterdam vond ik indrukwekkend. Met dat muziekkorps erbij dat het Wilhelmus speelde en al die wuivende mensen op het schip en op de kade. Ik had zelf ook wel zo op het schip willen springen, maar dat kon natuurlijk niet: wij moeten maar gewoon afwachten, hé Gerrit.
Al met al is het afscheid toch meegevallen. Nadat de “uitzwaaiers” gescheiden waren van degenen die gingen vertrekken zijn wij drieën naar de kantine gegaan en hebben er een kopje koffie gekocht voor bij ons brood. Dat kostte maar een duppie. Een uurtje later toen wij al wat meer door gewarmd waren hebben wij nog een kop snert gekocht. Heerlijk, voor dertig cent. Daarna zijn wij de kade opgegaan.
Wij vonden een plekje achter het schip en riepen een stel mensen, die aan de achtersteven stonden, toe jou even te roepen.
Engel schreeuwde dat zeker te luid want wij werden van de plek weggestuurd. Ik denk niet dat jij dat te horen hebt gekregen. Dat wij daar stonden.
Er waren ook zo ontzettend veel mensen op de boot.
Later stonden wij toch weer heel dichtbij, hé, midden in het gedrang. Koud hadden wij het tussen al die mensen niet meer. Alleen wel ijskoude voeten.
Cor stond achter mij te mopperen:
“ Hoeveel broers heb ik nog die gaan emigreren. Laat ze in godsnaam dan asjeblieft allemaal tegelijk gaan. Ben ik er in één keer vanaf en hoef ik niet steeds weer helemaal naar Rotterdam.”
Maar hij bedoelde het niet kwaad, je kent Cor. Hij zei het meer om de moed er in te houden.
Toen jij op je schip uit het zicht verdwenen was zijn wij Rotterdam ingegaan, naar Rutecco. Daar hebben wij een citroentje met suiker gekocht. En ook weer opnieuw snert met worst en kluiven.
Je hoort dus dat ik wel gezellig uit was ondanks het feit dat ik “mijn ouwe kind” zojuist had weggebracht.
Wij drieën, Cor, Engel en ik, zijn later naar het station gewandeld. Om kwart over vijf vertrok de trein uit Rotterdam centraal en om acht minuten over half zeven stonden wij in Alkmaar waar de jongens hun eigen weg gingen maar waar ik net te laat was voor de bus van halfzeven naar Egmond.
Toen ben ik Engel maar achterna gelopen naar de Spoorstraat om bij hem thuis een glaasje water te drinken. Het was het enige waar ik behoefte aan had.
Rie van Engel vertelde dat de afvaart van de Fair Sea al gemeld was op de radio en dat bericht werd om zeven uur herhaald. Er werd gezegd dat ze extra gebunkerd hadden voor Sinterklaas en Oudjaar. Dus dat zal je treffen.
Rie zei: “Weet je wat ik voor jullie gemaakt heb? Een lekker bordje snert.”
Je begrijpt dat ik daar geen trek meer in had. En Engel zei dat hij later op de avond misschien nog wel een bordje lustte.
De bus vertrok om twintig over zeven naar Egmond en ik was om kwart voor acht thuis.
De drie kleinsten lagen al in bed. Dat hadden de meiden geregeld. Ze hadden heel goed op het huis gepast en Nel stond mij bij de bushalte op te wachten. Ze waren allemaal zo blij dat ik er weer was, ontroerend.
Vanmorgen zijn wij met zijn allen naar de Hoogmis geweest om te bidden voor jou. Ik was al heel vroeg wakker van de kou en ik miste je.
De kinderen hebben het wel lekker warm in hun bedjes maar eigenlijk hebben wij te weinig dekens.
Ik zal vanavond Jan zijn matrasje op mijn benen leggen en Jan bij mij in bed. Want zo’n jongetje is net een kacheltje.
Afgelopen nacht had het gesneeuwd en nu, in de vooravond, staan de bloemen al op de ramen. Het zal vannacht wel behoorlijk vriezen.
Engel ( die is dan 16 jaar oud en timmerman van beroep *Noot van de schrijver) hoeft morgen niet naar zijn werk. Vorstverlet. Zijn baas zei dat hij maar thuis moest blijven zolang het vriest. Wel moest hij zich melden bij de man van de vakbond voor een stempelkaart. Met die kaart moet hij dan op zaterdag naar zijn baas. Daar krijgt hij dan zijn centen.
Wat valt de winter dit jaar vroeg in, hé. Maar het was vandaag trouwens wel mooi vriesweer. We zijn naar Egmond aan de Hoef geweest, naar Sinterklaas. Tante Ka ging ook mee.
De kinderen moesten een voor een bij de Sint komen en er werd één jongen in de zak gestopt. Dat was voor Piet reden om te gaan huilen, hij was doodsbenauwd dat hij ook mee moest naar Spanje. Ik heb het hem uit het hoofd gepraat en toen het zijn beurt was om naar voren te komen ging hij er springend op af.
Alle kinderen kregen een zak met taai en speculaas en een paar chocolaatjes.
En kleine Jantje, je kent hem, die stond maar een beetje te knikken.
Nel was thuis gebleven om de kachel brandende te houden en dat was haar gelukt. Het was heerlijk warm in de kamer toen wij allemaal weer terug kwamen.
Nu zit Antoon tegenover mij aan tafel zijn Engels te doen voor de les van morgenavond. Moet ik ook nog doen voordat ik naar bed ga.
Nou Gerrit, meer weet ik niet. Misschien vaart jouw schip nu wel langs Egmond. Dan zie je vast het licht van de vuurtoren. De lucht is zo helder. Gisteren waren de jongens nog naar de Werf, naar het strand, gelopen, maar toen was het te mistig om wat dan ook te kunnen zien.
Gerard zei wel dat hij de misthoorn van de Fair Sea had gehoord, maar de anderen zeiden dat hij dat gefantaseerd had.
Het is kwart voor negen. Om vijf voor half tien komt pater Maas voor de radio. Dat moet ik horen. Een dikke zoen van mij en de kinderen, je liefhebbende vrouw.

Dan vaart de Fair Sea verder en wordt de volgende brief van Gerrit Stam geschreven terwijl het schip door de Golf van Biskaje vaart.

Brief 6
Lieve vrouw en kinderen, hier dan een brief van mij. Wij varen nu door de beruchte Golf van Biskaje. Het is woensdagmorgen elf uur.
Hoe gaat het bij jullie? Nel, heb je geen kou gevat in Rotterdam? Met mij gaat het goed.
Wij hebben steeds mooi weer gehad, wel erg koud, vooral heen en terug naar Bremerhaven. Daar hebben wij 24 uur aan de wal gelegen om op Duitse passagiers te wachten. Maandagmiddag zijn wij er vertrokken.
In die avond passeerden wij onze Waddeneilanden en ook kon ik de vuurtoren van Huisduinen zien. Het was 12 uur ’s nachts toen dat gebeurde. Ik ben natuurlijk opgebleven tot 1 uur, en al die tijd aan dek gestaan om de J.C.J. Van Speyk vuurtoren van Egmond te zien, maar ons schip koerste inmiddels meer naar het Zuidwesten, naar de Engelse wal zodat Egmond niet meer in het zicht kwam.
Gistermorgen passeerden wij de Engelse kust met de krijtrotsen bij Dover en Folkestone. Het was een pracht gezicht. Het licht van de zon bescheen de rotsen, het zag er net uit als onze duinen vanuit zee gezien. Wit en steil, maar veel hoger; en de steden liggen tegen de bergen gebouwd. Schitterend.
Ja, jullie krijgen te zijner tijd ook een prachtige reis, maar nog even geduld.
Ik kan nu in Tasmanië al twee kosthuizen krijgen. Die zijn mij aangeboden door mevrouw Kuijs en een andere vrouw en een andere vrouw wier man ook al in Tasmanië is. Die werkt er voor een fruitkweker. Net als Kuijs heeft ook hij het er erg goed. De beide vrouwen zijn de koning te rijk omdat zij op weg zijn naar hun mannen.
Maar ik neem nog geen besluit over de behuizing. Ik wil eerst zien hoe alles loopt.
Hebben jullie mijn schrijven uit Bremerhaven nog ontvangen? Ik heb de brief meegegeven aan een Duitse bootwerker die ik in ruil daarvoor een paar sigaren voor heb gegeven.
Hij zei dat het “in Ordnung” zou komen. De kaart, die je misschien ook al ontvangen hebt, heb ik overboord gegooid naar een Hollander die op de wal stond. Zelf konden wij van daar geen post verzenden.
Ondanks het betrekkelijk mooie weer hadden wij tot nu toe al enige mensen met zeeziekte aan boord. Maar ik met mijn Egmondse zeebenen gelukkig niet.
Momenteel stampt en slingert het schip nogal. En alles trilt heel erg waardoor ik niet zo goed kan schrijven. Voor het schrijven van de volgende brief zal ik een rustiger plaatsje zoeken.
Je hebt het hier best van eten en drinken; en ik heb een heerlijk zacht bed. Wel is het op de slaapzaal erg vol en heel krap allemaal, maar ik heb het vergeleken met nogal wat anderen getroffen. Ik lig tegen een tussenschot in een zijpad waar niemand langs komt.
Behalve het Italiaanse personeel zijn er ook Hollanders: o.a. de chef-kok is een Nederlander, en er zijn verpleegsters, twee Hollandse dokters, een Rooms Katholieke geestelijke en enige verbindingsofficieren.
Ik doe de hel tijd niet anders dan slapen, eten, roken en rondkijken.
Voor het “ boordgeld” dat ons buiten de territoriale wateren van Nederland werd uitgekeerd kan je van alles krijgen, maar ik doe zuinig aan want we zijn er nog lang niet.
Ik begin nu alvast brieven te schrijven aan allerlei anderen, familie en vrienden. Dan kan ik ze straks posten in Port Said.
Wat vond ik het fijn dat ik jullie uiteindelijk nog op de kade zag staan in Rotterdam. Erg flink van je, hoor Wijffie, en dat je je zo goed hield.
Heb je al het geld ontvangen van het gemeentehuis? Schrijf mij alles. Ik ben erg nieuwsgierig hoe het in Egmond allemaal verder gaat.
Groeten aan iedereen en vergeet opoe Woud niet. Jij wordt ook gegroet door mevrouw Kuijs, zij is erg bezorgd voor mij en zij heeft mij aangeboden mijn kleren te wassen en te strijken.
Dag lieve vrouw. Tot ziens in Aussie.

De Achterblijvers. Op 3- 12- 1952 ( woensdagavond om half elf ) schrijft Tante Nel haar man op de Fair Sea.

Brief 7
Lieve man, met blijdschap je brief ontvangen. Het stond mij dinsdagochtend helemaal niet aan dat er nog steeds geen bericht was, maar gelukkig kwam er in de middag je brief aan. Gelukkig maar want ook de kinderen waren er zo in hun schik mee, dat zij allemaal in een kring om mij heen kwamen staan. Ik moest de brief hardop voorlezen.
Ze waren doodstil om maar niets te missen van wat je zo al te vertellen had.
Gelukkig dat jij niet zeeziek bent geworden. Laat het zo blijven.
Hoe gaat het met mevrouw Kuijs en haar kinderen?
Wel Gerrit, ik ben vanmorgen om mijn weekuitkering naar het Gemeentehuis geweest. Ik kreeg 59 gulden en 10 cent. Dat is geen vetpot. Hoe moet ik het op krijgen, hé? Toch ben ik vanavond met Nel en Riet naar Alkmaar geweest voor sinterklaasinkopen. Ik ging er met twintig gulden heen. Ik dacht: ik neem niet meer mee want dat kunnen wij niet missen.
Ik heb voor iedereen een kleinigheidje gekocht en wat snoepgoed voor iedereen. Voor Engel en Antoon, allebei een portemonnee, voor Nel en Riet een pyjama, voor Cor een dominospel, voor Gerard een bal, voor Piet een mondharmonica en voor Jantje een draaitol. Ze moeten er maar tevreden mee zijn: meer heb ik niet.

Engel is uit eigen beweging vandaag weer naar zijn werk gegaan. Van zijn baas had hij vanwege de vorst nog wel even mogen wegblijven, maar Engel zei dat hij liever werkt omdat hij dan nog wat meer kan bijdragen aan het huishoudboekje. Zijn collega’s waren er niet. Hij stond in zijn eentje in de werkplaats.
Lief hé, voor zo’n jongen van zestien jaar dat hij zijn moeder een extra centje wil kunnen geven.
Vandaag hebben wij de school weer schoon gemaakt. Antoon heeft mij geholpen met de gang.

Vanmorgen ben ik verder ook nog naar het Postkantoor gegaan om geld op te sturen voor de radio.
Ik vroeg wanneer je boot in Port Said zou aankomen.
Dat wist hij niet, zei de man van de Post. Ik vertelde hem dat ze mij wijs gemaakt hadden dat ik dat altijd op het postkantoor kon komen vragen.
“Die regeling is wel geweest,” zei de man van het Post,” maar dat is nu veranderd.”
Ik denk dat die aardsluiaard gewoon geen zin had om even te kijken. Ik heb hem nooit gemogen, die Groefsema.”
Nou mijn schat, dan moet ik het nieuws over de juiste positie van de Fair Sea maar uit de krant halen.

Ik hoop in ieder geval dat je mijn brief op tijd krijgt, ik zou het verschrikkelijk vinden als je in Port Said niks zou ontvangen.
De kinderen hebben morgen feest in het Patronaatsgebouwtje. Steeds maar feest, hé. En onze Jantje moet ook een versje zeggen voor Sinterklaas.
O ja Gerrit, maandag kwam mijnheer Klok bij mij langs. Hij had een verrassing voor mij. Het schijnt dat wij twintig zakken aardappelen gekregen hebben. Nu hoef ik er nog maar tien te betalen.
“Daar mag je wel tien weken over doen voor de afbetaling,” zei Klok, “ maar het geld moet er wel komen.”
Door deze meevaller hebben wij nu haast wel genoeg aardappelen voor de hele winter, hé Gerrit?
Van meester Gorter heb ik niks meer gehoord of gezien. Wat heb je afgesproken over die Engelse lessen?
Ik ga het hem maar eens vragen, maar niet deze week, want hij heeft het nog veel te druk met Sinterklaas en zo.
Maar daarna moet het er toch eens van gaan komen. Anders staan wij straks in Australië met een mond vol tanden. Hoe gaat het trouwens op de boot en de lessen Engels?
Ik heb zondagavond toen ik terug was van Rotterdam pater Maas nog beluisterd op de radio. Ik denk dat jij in Melbourne ook wel bij hem terecht kom.
Nou mijn schat, ik ga naar mijn bedje. Lekker slapen bij onze lieve kinderen.
Het allerbeste en in gedachten ben je altijd bij mij. Tot de volgende brief.
Daaag!

Wordt over enige tijd vervolgd!

1 Comments

  1. Mooi Olof. Ik ben dus die Jantje. Tranen in mijn ogen.

Leave a comment

Your email address will not be published.

*