Micha Kat – Lees mee met vluchteling Micha Kat (93): Homerus | Ilias en Odyssee

Tijdens mijn studie Klassieke Talen aan de Universiteit van Amsterdam las ik de halve Ilias en de halve Odyssee, 12 boeken elk. Hier werd toen reeds schande van gesproken, want om een ‘echte classicus’ te worden, moet je toch minimaal het complete werk van Homerus hebben gelezen! Maar ja, ook in die jaren (vanaf 1981) was er al sprake van bezuinigingen en downgrading van het studieprogramma. In deel 33 van deze serie (http://robscholtemuseum.nl/micha-kat-lees-mee-met-vluchteling-micha-kat-33-donna-tartt-the-secret-history/) heb ik geschreven over de sociale aspecten van mijn studie, in dit hoofdstuk ga ik nader in op, waar het in feite allemaal om gaat: de klassieke litteratuur zelf. Week na week, jaar na jaar (ik heb zeven jaar over de studie gedaan) zat je in de bibliotheek (de ‘studiezaal‘) van ‘ons gebouw‘ aan de Oude Turfmarkt gebogen over de teksten, waarbij je soms wel 20 boeken tegelijkertijd voor en naast je had liggen: tal van commentaren (in Frans, Duits en Engels), woordenboeken (je had algemene woordenboeken, maar ook woordenboeken speciaal voor bepaalde auteurs, zoals voor Homerus en Herodotus), grammatica’s en soms ook een atlas. Nooit heb ik het ook maar een seconde vervelend gevonden, al was het natuurlijk soms wel afzien als je met een dikke kater achter de boeken zat na een avond op het Corps. Je kunt wel zeggen, dat ik een freak was – ik las zelfs meer dan was voorgeschreven. Hoe moeilijker, hoe groter de kick. Mijn afstudeerscriptie Grieks (mijn hoofdvak) ging over de eerste Olympische Ode van Pindarus, die te boek staat als de moeilijkste oud Griekse dichter. Hij schreef zogeheten ‘epinikia‘, dat zijn lofdichten voor atleten, die hebben gewonnen op een van spelen van het oude Griekenland. Mijn scriptie Latijn behandelde enige gedichten van Horatius. In essentie kun je deze teksten op twee manieren benaderen: de ‘letterkundige‘ manier – dan gaat het om het ‘perfecte begrip‘ van wat er staat – en de ‘taalkundige‘ manier, waarbij de woorden zelf centraal staan en je alle uitgangen, prefixen, reduplicaties en stamvormingen moet kunnen verklaren. Wat Latijn betreft is, dat nog wel te doen, maar het klassieke Grieks is daarvoor way too complicated. Ik weet nog, dat ik tijdens mijn belangrijkste examen voor mijn doctoraal een passage moest vertalen uit de Agamemnon van Aeschylus, een extreem moeilijke tragedie. Ik ging de mist in met het woord ποσιν: dat kan in principe zowel de accusativus zijn van ποσις (echtgenoot) als de dativus meervoud van πους (voet). Het verschil kun je dan zien aan de accenten, maar ik heb die accenten nooit echt onder de knie gekregen. Desalniettemin slaagde ik met vlag en wimpel en had nog bijna een cum laude gekregen. Daar werd nog over vergaderd kan ik me herinneren, maar ik kreeg het niet niet, omdat ik in mijn eerste jaren net te laag had gescoord.

De colleges en de docenten waren absoluut top en je kon ‘intellectueel‘ echt zo diep gaan als je maar wilde. Hoe zou dat nu zijn in deze tijd van smartphones, Tinder en totale afstomping van onderwijs en jeugd? Je hoort er – waarschijnlijk met reden – maar weinig over. Tot de inhoudelijke hoogtepunten van mijn studie behoorde zonder enige twijfel het college Griekse Taalkunde van prof. C.J. Ruigh (https://nl.wikipedia.org/wiki/Kees_Ruijgh). Je moest bepaalde dingen voorbereiden en dan werd je voor het bord geroepen om de juiste Griekse woorden en ‘woordvormen‘ (meestal werkwoorden, die zijn toch het moeilijkste) op te schrijven. Iedereen was extreem gespannen en een student viel van de zenuwen zelfs flauw voor het bord. Je zag hem steeds witter worden en op een gegeven moment… boem… daar ging hij! Dat waren nog eens tijden! Ook was er, later in de studie, het college over het werk van een auteur, die bekend staat als ‘pseudo Longinus‘. Dit werk heette ‘Over het verhevene‘ en gaat in essentie over hoe je zo goed, mooi en effectief mogelijk kunt schrijven. Dit werk staat te boek als het moeilijkste proza in oud Grieks. Uren waren we bezig op de studiezaal de passage van die week voor te bereiden en de spanning was om te snijden als de professor een van de studenten vroeg te gaan vertalen. Wat dergelijke teksten nog een extra niveau van moeilijkheid geeft, is dat de overlevering op vele plaatsen corrupt is en of onzeker en dat er lacunes zijn, die door diverse geleerden op verschillende wijzen zijn opgevuld. Dan moet je dus kiezen voor de beste optie.

Ik noemde de naam van prof. C. J. Ruigh niet zonder reden. Deze man was in elk opzicht een fenomeen en genoot ook internationaal een enorme reputatie. Hij behoorde tot de zeer selectie groep geleerden, die het ‘lineair B‘ kon lezen, het schrift van de oudste Grieken, die onder meer leefden in Mycene. Hij gaf daar ook college in, het ‘privatissimum Myceens‘ – daar kwamen studenten op af uit de hele wereld. Tevens gold hij als de grootste kenner van Homerus ter wereld. Hij had een boek geschreven van bijna 1000 pagina’s over het woordje τε in Homerus in het Frans onder de titel ‘Autour de τε Epique‘. Ik had een speciale band met hem, omdat hij ook de docent was van mijn vader in een van de eerste lichtingen studenten, die hij onder zijn hoede kreeg, toen nog niet als professor. In die tijd was ik al geboren en hij heeft mij nog zien liggen in mijn wieg. Ik kwam regelmatig bij hem thuis en werd dan ontvangen in zijn spectaculaire studeerkamer met duizenden boeken – de man was zo’n taalkundige, die ook Russisch en Sanskriet beheerste. Hij is natuurlijk nooit getrouwd en er was niets bekend over zijn intieme leven (als hij dat al had) hetgeen het mysterie rond zijn persoon alleen maar groter maakte – al helemaal gezien het feit, dat er af en toe jonge mannelijke studenten bij hem ‘inwoonden’. Ik heb ook ooit bij hem gelogeerd – wat daarvan de aanleiding was weet ik mijn god niet meer – maar toen is niets onheus voorgevallen. Hij overleed in 2004 ‘op een bankje in het Vondelpark aan een hartstilstand,’ zo lees ik thans op Wikipedia.

Ik heb in de loop der jaren ook een mooie klassieke bibliotheek opgebouwd. Pareltjes daarin waren oude commentaren op Homerus, Sophocles, Baccylides en Tacitus. Alles is verloren gegaan bij de ontruiming van mijn appartement in Schiedam, waarover in aflevering 50 van deze serie (http://robscholtemuseum.nl/micha-kat-lees-mee-met-vluchteling-micha-kat-50-laurens-priester-henk-slechte-historische-atlas-van-schiedam/) een video is te zien. Echt rouwig was ik daarom niet: ik keek er nooit meer in volledig in beslag genomen als ik was door mijn journalistieke werk over accountants, advocaten, rechters en later pedo netwerken van ‘Nederlandse hooggeplaatsten‘. Mijn kennis van het Latijn en het oude Grieks is nu natuurlijk behoorlijk weggezakt, maar diep in mijn achterhoofd heb ik altijd nog de ambitie het weer op te pakken. Van het bestuderen van klassieke teksten gaat een heilige, serene, rust uit die in deze tijd bij uitstek nuttig en nodig lijkt. Mocht het hier ooit van komen, zou ik in elk geval beginnen met Homerus.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Micha+Kat
https://mijnlevenin100boeken.com/
http://robscholtemuseum.nl/?s=Homerus

1 Comments

  1. Mocht het hier ooit van komen, zou ik in elk geval beginnen met Homerus.

    Ik kan Micha toevertrouwen: daar zal het in uw leven niet meer van gaan komen. U zult de rest van uw leven slijten met het najagen van hersenschimmen.

Leave a comment

Your email address will not be published.

*